CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 11 Quickscan natuur Duinweg 58-60 Schoorl.pdf

Gemeenteraad 25 april 2024, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 8: Voorstel betreft het bestemmingsplan Duinweg 58 en 60 Schoorl en de bijbehorende begrotingswijziging vast te stellen10.671 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

G&G-advies QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Duinweg 58 en 60 te Schoorl Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

J.R. Fokkens

2021

Opdrachtgever DNS Planvorming B.V.

G&G-advies QS2021-216

Datum Versie

10 september 2021 V2

Gecontroleerd door: T.S. van der Meer

De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

3

Inhoudsopgave 1

2

3

Inleiding

5

1.1

Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5

1.2

Doel van het onderzoek........................................................................................... 6

1.3

Het plangebied......................................................................................................... 6

1.4

Werkzaamheden ...................................................................................................... 6

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................ 7

Methode

8

2.1

Soorten .................................................................................................................... 8

2.2

Gebieden.................................................................................................................. 9

Beschermde soorten Wnb

10

3.1

Beschrijving aanwezige biotopen .......................................................................... 10

3.2

Beschermde soorten.............................................................................................. 13 3.2.1 Planten .................................................................................................................... 13 3.2.2 Vissen ...................................................................................................................... 13 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 13 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 15 3.2.5 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................... 17 3.2.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 18 3.2.7 Overige fauna .......................................................................................................... 21

3.3

4

5

Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 22

Effectbeoordeling en maatregelen

23

4.1

Amfibieën............................................................................................................... 23

4.2

Vogels..................................................................................................................... 23

4.3

Grondgebonden zoogdieren.................................................................................. 25

4.4

Vleermuizen ........................................................................................................... 25

4.5

Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 26

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving

27

5.1

Natura 2000 ........................................................................................................... 27

5.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) ......................................................................... 28

5.3

Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) .................................................................. 28

5.4

Houtopstanden ...................................................................................................... 28

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

4

6

5.5

Overige relevante wetgeving .................................................................................28

5.6

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ............................29

Conclusies

30

6.1

Beschermde soorten Wnb .....................................................................................30

6.2

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ...............................................31

6.3

Zorgplicht ...............................................................................................................31

6.4

Aanbevelingen ter bevordering van natuur ...........................................................32

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

33

8

Bijlagen

34

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

1

5

Inleiding 1.1

Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen een perceel aan de Duinweg 58 en 60 te Schoorl her in te richten. Schoorl ligt in de gemeente Bergen in de provincie Noord Holland. De meeste bebouwing in het plangebied wordt gesloopt en er komt nieuwbouw voor in de plaats. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabij gelegen beschermde gebieden. In opdracht van DNS Planvorming B.V. heeft Ecologisch Onderzoeksen Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek. Een quickscan is een momentopname die soms slechts in beperkte mate uitsluitsel geeft over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er door de plannen effecten te verwachten zijn op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn en niet zijn uit te sluiten vanwege tijdstip van het veldbezoek of niet inspecteerbare delen van het plangebied, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd.

De ligging van het plangebied (rood omlijnd). De te slopen gebouwen zijn groen gearceerd.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

6

1.2

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wnb. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken. Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten en omtrent de noodzaak ontheffing of vergunning aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.

1.3

Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het onderzoeksgebied aangegeven. Het plangebied ligt tussen de dorpen Bergen en Schoorl in. In het noordwesten ligt Natura 2000-gebied de Schoorlse Duinen. Verder is het plangebied voornamelijk omringd door open agrarisch landschap en losstaande woningen.

1.4

Werkzaamheden Binnen het plangebied staan zes gebouwen van verschillende omvang. Vijf van deze gebouwen zullen worden gesloopt. De stolp bij huisnummer 60 zal blijven bestaan, maar zal worden omgebouwd tot een appartementencomplex. Hierbij wordt ook het dak vernieuwd en zal het riet onder het dak verwijderd worden. Daarnaast zal er een nieuwe stal met woongedeelte naast deze stolp gerealiseerd worden. Bij huisnummer 58 wordt alles gesloopt en hier zal een nieuwbouw woning voor terug komen. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit renovatie/sloop van gebouwen met benodigd hak- breek- en zaagwerk, het verwijderen van de vegetatie-toplaag, het vergraven van de bodem of de oevers en/of het opbrengen van grond, het kappen en rooien van struiken en/of bomen. Bij uitvoering van het werk kan door geluid, trillingen, licht of de belemmerende werking van steigers, verstoring optreden van (beschermde) soorten.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

1.5

7

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen die aanwezig zijn in het plangebied beschreven en wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft of- en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

8

2

Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uitgegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort of dat dergelijke gebieden aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied.

2.1

Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) is bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied is gelegen en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, overeenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gezocht naar gegevens van beschermde (vogel-) soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen of naar soorten die niet provinciaal zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar (2011-2021). Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld foeragerend, overwinterend, trekkend, overvliegend of verblijvend). Ook is gekeken naar de onderzoeksinspanning en de (verwachte) volledigheid van de waarnemingen en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is. Er is in de NDFF niet gericht gezocht naar vogelsoorten met nietjaarrond beschermde nesten, provinciaal vrijgestelde soorten en in het geheel niet te verwachten soorten zoals zeezoogdieren of zoutwatervissen. Met vogels die geen jaarrond beschermd nest hebben moet, in algemene zin, wél rekening gehouden worden (zie ook §4.2).

Potenties voor vrijgestelde soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren die mogelijk voorkomen in het plangebied, worden kort genoemd. Voor deze soorten geldt, net als voor alle andere soorten, onverminderd de zorgplicht welke wordt besproken in de conclusies en de bijlage m.b.t. de wetgeving. Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

9

Potentiebeoordeling Het plangebied is op 31 augustus 2021 bezocht om enerzijds de aanwezige en aangrenzende biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Bij het veldbezoek is voor de potentiebeoordeling tevens gericht gezocht naar verblijfsporen zoals keutels, plukresten en braakballen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld eventueel aanwezige materialen gekeerd en zijn eventueel aanwezige spleten en holtes, zover mogelijk, oppervlakkig geïnspecteerd.

→https://www.nvwa.nl/

onderwerpen/invasieveexoten/unielijstinvasieve-exoten

Naast de aandacht voor beschermde waarden, is ook gelet op invasieve soorten die voorkomen op de ‘Unielijst’ van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (←NVWA). Deze invasieve exoten zijn op de Unielijst geplaatst omdat ze in delen van de EU schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen) aan de biodiversiteit en/of ecosysteemdiensten. De waargenomen soorten worden genoemd (§3.2) maar er worden geen nadere aanbevelingen gedaan of beleid uitgezet ten aanzien van deze soorten. Verwerking Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen, een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. Op grond van de plannen is een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Als negatieve gevolgen niet zijn uit te sluiten, wordt aangegeven of specifieke maatregelen moeten en kunnen worden genomen en/of ontheffing dient te worden aangevraagd.

2.2

Gebieden Op de gebiedendatabase van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van (Europees) beschermde gebieden (Natura 2000), zie: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: Noord-Holland: https://geoapps.noordholland.nl/GeoWebP/index.html?viewer=nbp Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

10

3

Beschermde soorten Wnb In dit hoofdstuk worden eerst de biotopen beschreven die aanwezig zijn binnen het plangebied. Vervolgens worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van het NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veldbezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.

3.1

Beschrijving aanwezige biotopen Bebouwing Er staan zes gebouwen binnen het plangebied. Twee gebouwen behoren bij huisnummer 60 en vier gebouwen behoren bij huisnummer 58. De te renoveren stolp bij huisnummer 60 bestaat uit opgebouwde muren van steen met over het grootste deel strak aangesloten houten daklijsten en goten en heeft een met dakpannen belegd dak waar stro/riet onder zit. Aan de voorkant bieden dakpannen enkele kieren en gaten en zit een gat in de muur. De bebouwing heeft brede uitstekende goten en daklijsten die in verstek liggen en in/uitvliegen bemoeilijken. De te slopen schuur bij huisnummer 60 is opgebouwd uit diverse materialen. Zo is bij de bouw gebruik gemaakt van houten daklijsten, kunststof dakgoten, stenen muren, houten muren, dakpannen en dakplaten. Bij een gedeelte van de schuur zit er riet onder de dakplaten. Onder de dakpannen zijn diverse kieren aanwezig. Binnen zijn vele nissen en randen aanwezig. De deuren en diverse ramen staan permanent open en tussen de dakpannen en het riet zitten ruimtes. De gebouwen bij huisnummer 58 worden allemaal gesloopt. Het betreffen allemaal kleine gebouwen met enkele muren. De gebouwen zijn opgebouwd uit hout en hebben platte daken, dakpannen of golfplaten op het dak. Er zijn diverse kieren en (grote) gaten aanwezig in de gebouwen.

Bosschages, bomen en beplanting Bij beide woningnummers is het terrein begroeid met diverse bomen, struiken, gazons en tuinplanten. In de aanwezige bomen zijn geen grote nesten waargenomen tijdens het veldbezoek. Verspreid door het plangebied zijn opgeslagen materialen aanwezig zoals bijvoorbeeld boomstronken, stenen en overige materialen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

11

Impressie van de bebouwing en aanwezige biotopen bij huisnummer 60.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

12

Impressie van de bebouwing en aanwezige biotopen bij huisnummer 58.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

13

Graslanden, akkers, wateren Direct naast het plangebied zijn wat graslanden waar paarden lopen. Het open veld direct ten noorden van nummer 58 bestaat vooral uit diverse bloemrijke ingezaaide kruiden en hier zijn twee poeltjes aanwezig. Bij huisnummer 58 ligt een vijver in de tuin. Deze vijver heeft steile, stenen oeverranden en is vrij diep.

3.2

Beschermde soorten

3.2.1

Planten Aangetroffen soorten In het verleden zijn Dennenorchis, Glad biggenkruid, Groot spiegelklokje en Grote leeuwenklauw waargenomen in de omgeving van het plangebied (NDFF 2011-2021). De meeste waarnemingen komen uit het Natura 2000-gebied de Schoorlse Duinen. De soorten zijn niet in het plangebied zelf waargenomen. Potentie plangebied Aan de hand van de eisen van omgevingsfactoren voor de vastgestelde beschermde planten in de omgeving van het plangebied zoals aanwezigheid van naaldbomen of losse zandige bodem, wordt niet verwacht dat de genoemde planten of andere beschermde flora in het plangebied voorkomen. Het plangebied wordt te intensief beheerd en is te voedselrijk om geschikt te zijn voor beschermde plantensoorten. Tevens is de bodem teveel gestoord en gewoeld. Diverse soorten planten, (korst)mossen en wolfsklauwen die onder de Wet natuurbescherming beschermd zijn, komen nagenoeg alleen voor in natuurgebieden, zoals in de Schoorlse Duinen.

3.2.2

Vissen Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde vissoorten waargenomen (NDFF 20112021). Potentie plangebied In en rond het plangebied is geen potentie voor beschermde vissoorten aanwezig.

3.2.3

Amfibieën Aangetroffen soorten In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde amfibieën waargenomen. De Rugstreeppad is bekend van de omgeving van het plangebied, de soort werd op 150 meter afstand van het plangebied vastgesteld (NDFF 2011-2021). De waterpoelen direct ten westen naast het plangebied bieden geschikt voortplantingswater. De Rugstreeppad is

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

14

een beschermde soort die wordt genoemd als soort beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). Potentie plangebied Het plangebied levert geschikt voortplantingswater voor enkele algemene soorten amfibieën zoals Gewone pad, Kleine watersalamander, Bruine kikker of Groene kikker (bastaardkikker en/of Meerkikker). Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. In het plangebied is tevens geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door deze amfibieën. -Rugstreeppad Het onderzoeksgebied is geschikt voor de Rugstreeppad;. De soort is ook in het verleden in de (directe) omgeving aangetroffen. Direct naast het plangebied ligt geïsoleerd, ondiep water dat door de dieren kan worden gebruikt voor voortplanting. In het plangebied zelf is geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door deze soort. Er liggen diverse materialen zoals stenen en hout waar Rugstreeppadden graag onder willen zitten. Binnen de grenzen van het plangebied zelf is geen geschikt voortplantingswater aanwezig voor Rugstreeppadden. De vijver binnen het plangebied bij nummer 58 is niet geschikt. De randen zijn te steil door opgemetselde stenen en de vijver is diep.

Een waterpoel direct naast het plangebied die een potentieel geschikte voortplantingslocatie biedt, rechts het plangebied direct naast deze poel.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

15

Als in het plangebied graafwerkzaamheden plaatsvinden of zand wordt opgebracht, is het waarschijnlijk dat Rugstreeppadden het gebied kunnen intrekken. In de nabijheid van het plangebied ligt geschikt voortplantingswater waar de dieren in het verleden zijn vastgesteld en door het losse zand wordt het plangebied geschikt(er) voor overwinterende dieren.

3.2.4

Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden diverse vogelsoorten waargenomen: Merel, Kauw, Houtduif, Heggenmus, Grote bonte specht (cat. 5) Roodborst, Boerenzwaluw (cat. 5) Koolmees (cat. 5) en Pimpelmees (cat. 5). Bij nummer 58 is een nest gevonden onder de dakgoot boven de betimmering. Vermoedelijk is dit een nest van de Spreeuw vanwege de aanwezige lange dikke grassen en hoeveelheid hiervan. Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In het plangebied kunnen enkele algemene bos- en struweelvogels tot broeden komen zoals bijvoorbeeld Merel, Houtduif, Winterkoning of Heggenmus. Het is mogelijk dat in de bebouwing en de bomen categorie 5soorten broeden als Boerenzwaluw, Spreeuw, Kool- of Pimpelmees of Boomkruiper. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werd een overvliegende Sperwer (cat. 4) waargenomen. Ook werden er tijdens het veldbezoek poepsporen aangetroffen van een Kerkuil (cat. 3).

In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Huismus, Gierzwaluw, Kerkuil en verschillende in bomen en bebouwing broedende roofvogels en andere uilen vastgesteld (NDFF 2011-2021). Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Het is mogelijk dat in de bebouwing Huismus broedt. Deze soort kan toegang verkrijgen tot geschikte holtes vanwege de waargenomen gaten en spleten. De potentiële nestplaatsen voor de Huismus bevinden zich met name onder de dakpannen van de stolp op nummer 60 en in de schuur bij nummer 60. Bij nummer 58 worden alleen Huismussen verwacht onder de dakpannen. De Gierzwaluw wordt in het open bebouwde gebied rond het plangebied niet verwacht. Er werden ook geen geschikte gaten met

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

16

‘vrije uitvalmogelijkheden’ gezien in de bebouwing. Gierzwaluwen kunnen niet op eigen kracht opstijgen omdat hun poten te zwak zijn om af te zetten. In de stolp van nummer 60 staat een broedkast voor Kerkuilen. Uit deze kast zijn in 2021 jongen gevlogen volgens de bewoner. Tijdens het veldbezoek zijn wel sporen gevonden in de vorm van poep, maar geen braakballen. Omdat geen sporen of grote nesten werden waargenomen in aanwezige bomen naast de bebouwing, wordt uitgesloten dat andere broedende roofvogels of uilen aanwezig zijn in het plangebied dan de mogelijk aanwezige Kerkuil. Het is wel mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals Buizerd en Ransuil. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soort.

Poepsporen van Kerkuil.

Een nest bij één van de gebouwen van nummer 58.

Kerkuilenkast bij stolp nummer 60.

Enkele openingen in de schuur die geschikte achterliggende ruimtes bieden voor Huismussen

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

3.2.5

17

Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden Boommarter, Bunzing, Eekhoorn, Hermelijn en Wezel waargenomen (NDFF 2011-2021). De Boommarter, Bunzing, Eekhoorn, Hermelijn en Wezel zijn beschermde soorten die worden genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). Van alle genoemde soorten zijn meerdere waarnemingen bekend. Hierna worden de waarnemingen die het dichtst bij het plangebied werden gedaan, specifiek genoemd. De Boommarter werd op 100 meter afstand ten noorden van het plangebied vastgesteld, de Bunzing werd binnen het plangebied vastgesteld, de Eekhoorn werd op 350 meter afstand ten westen van het plangebied vastgesteld, de Hermelijn werd op 1500 meter afstand ten noorden van het plangebied vastgesteld en de Wezel werd op 1 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied gezien.

Diverse potentieel geschikte locaties waar zoogdieren gebruik van kunnen maken als verblijfslocatie.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

18

Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals Egel, Haas en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Het plangebied biedt veel schuilmogelijkheden in de vorm van dichte vegetatie, opgeslagen materialen, stronken, takken en overige dekking waar kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel) gebruik van kunnen maken. Ook biedt het plangebied dichte bosschages waar Eekhoorn en Boommarter, bijvoorbeeld afkomstig uit nabij gelegen duingebied, gebruik van zouden kunnen maken. Het verwachte gebruik van deze soorten is incidenteel en deze soorten zullen niet in het plangebied verblijven vanwege ontbreken van geschikt verblijfsbiotoop in de vorm van groter en aaneengesloten hoog opgaand bos. Schuren met hooi- en strobalen kunnen als schuilplaats gebruikt worden door de Bunzing.

3.2.6

Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. De manier waarop vleermuizen een gebied gebruiken kan door het jaar verschillen, een gebouw of een boom kan bijvoorbeeld tijdelijk gebruikt worden als verblijfplaats maar in andere delen van het jaar ongebruikt blijven. Aangetroffen vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn 10 soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 2011-2021). Het betreft Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Meervleermuis, Rosse vleermuis, Franjestaart, Gewone grootoorvleermuis, Tweekleurige vleermuis en Watervleermuis. De meeste waarnemingen betroffen foeragerende en langsvliegende exemplaren. Van de Baardvleermuis, Franjestaart, Gewone grootoorvleermuis en Watervleermuis zijn winterverblijven bekend op ongeveer 2 kilometer afstand in het Natura 2000-gebied De Schoorlse duinen. (NDFF 2011-2021). Potentie verblijfplaatsen Als potentie voor verblijfplaatsen niet is uit te sluiten dan dient gericht nachtelijk onderzoek plaats te vinden om eventuele precieze verblijflocaties vast te stellen. De bekende waarnemingen (bijvoorbeeld uit de NDFF) zijn niet volledig en geven daarom geen uitsluitsel en tijdens de quickscan zijn achterliggende holtes die kunnen dienen

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

19

als verblijfplaats, niet verder te inspecteren of te onderzoeken. Tevens is gebruik door vleermuizen in het verleden hiermee niet uit te sluiten. De waargenomen spleten in de muren en daken geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte holtes. Te denken valt aan gebouw bewonende soorten zoals Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Gezien de aard van de bebouwing is tijdelijk verblijf in de zomer en in de paarperiode het meest waarschijnlijk. Er worden gezien de beperkte buffering van de aanwezige holtes geen (massa)winterverblijven verwacht. Laat in het najaar aanwezige vleermuisverblijven zouden in warme periodes in de winter wél gebruikt kunnen worden door actieve vleermuizen die nog niet in (diepe) winterrust zijn. De spleten en gaten bevinden zich in de muren, achter boeidelen en/of beplating, onder dakpannen en achter dakgoten. De potentie bevind zich voornamelijk bij de schuur op nummer 60 en voorkant stolp nummer 60. Bij 58 is er potentie in verschillende delen achter houten planken en boeidelen of onder dakpannen. Vanwege de ligging van het plangebied in een bosrijk gebied en de aanwezigheid van open zolders en/of schuren, kan de aanwezigheid van de Gewone grootoorvleermuis niet op voorhand worden uitgesloten.

Plekken met potentie voor in- en uitvliegende vleermuizen.

Potentie foerageergebied Het plangebied is geschikt voor foeragerende vleermuizen. De aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken. Potentie vliegroute Gezien de ligging, de vorm en de grootte van het plangebied en het ontbreken van lijnvormige elementen zoals bomenrijen, doorlopende watergangen of brede rietkragen kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

20

Diverse openingen (rode pijl) in de bebouwing geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte achterliggende ruimtes.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

3.2.7

21

Overige fauna Aangetroffen soorten Er zijn waarnemingen bekend van Hazelworm, Zandhagedis, Bruine eikenpage (dagvlinder) en Platte schijfhoren (zoetwaterslak) in de omgeving van het plangebied (NDFF 2011-2021). De Hazelworm en Zandhagedis werden op 1 kilometer afstand van het plangebied waargenomen in natuur gebied de Schoorlse duinen. Ook de Bruine eikenpage werd waargenomen in het natuurgebied de Schoorlse duinen. De Platte schijfhoren is waargenomen in een sloot in de omgeving van het plangebied. Potentie plangebied In het plangebied zelf ontbreekt geschikt habitat voor de besproken soorten. Er zijn geen lage bosschages met zanderige vlaktes die het juiste biotoop bieden voor Zandhagedis en Hazelworm. Ook ontbreken (lage) Eikenboompjes op open velden die geschikt biotoop bieden voor de Bruine eikenpage. In het plangebied zelf is geen licht stromend en dicht begroeid water aanwezig dat geschikt kan zijn voor de Platte schijfhoren.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

22

3.3

Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §3.2.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt onderzocht welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.

Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2) en verwachte voorkomen daarvan binnen het plangebied (kolom 3). *Vaste rust- en verblijfplaatsen.

Beschermde, niet vrijgestelde soorten

Planten Vissen Amfibieën Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen verblijfplaats foerageergebied vliegroute

Aangetroffen nabij het plangebied

Potentieel aanwezig binnen het plangebied

(literatuur en veldbezoek) ja nee ja

nee nee ja*

ja

ja

ja

ja*

ja

ja*

ja ja ?

ja ja nee

ja

nee

Overige beschermde fauna

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

4

23

Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).

4.1

Amfibieën Vanwege het vergraven van het terrein, slopen van gebouwen en het weghalen van materialen is het mogelijk dat vaste rust- of verblijfplaatsen van de Rugstreeppad worden beschadigd, of vernield. Ook kunnen aanwezige dieren worden gedood. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soort. Als de soort aanwezig is zullen de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de gevoelige perioden en zal vervangend leefgebied worden gecreëerd voor de Rugstreeppad. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’, ook als de soort niet bij het onderzoek wordt aangetroffen.

4.2

Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen, het slopen of renoveren van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

24

grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt! ‘Categorie 5’-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Boerenzwaluw, Spreeuw, Kool- of Pimpelmees of Boomkruiper), kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied. Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen. Overigens geldt ook voor deze soorten dat activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden. Soorten met jaarrond beschermde nesten Bij de sloop of de renovatie van de gebouwen zouden vaste rust- of verblijfplaatsen van de Huismus of Kerkuil beschadigd of vernield kunnen worden. De nesten van deze soorten zijn jaarrond beschermd.

Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van de Huismus en om te onderzoeken of Kerkuil nog steeds broedt in de bebouwing. Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Als vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn dient alternatieve nestgelegenheid of vervangend leefgebied te worden aangeboden. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Net als niet jaarrond-beschermde vogelsoorten mogen ook jaarrond beschermde broedvogels niet worden verstoord tijdens het broedseizoen. Indien tijdens de gevoelige periode (februari – augustus) gewerkt gaat worden kunnen deze soorten worden verstoord. In dat geval dient eerst vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten te worden uitgevoerd. Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Buizerd, Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

25

plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.

4.3

Grondgebonden zoogdieren Bij het verwijderen van de toplaag, het kappen van bomen en struiken, het slopen van de gebouwen en het vergraven van de bodem kan schade optreden voor beschermde grondgebonden zoogdieren.

4.3.1

Kleine marterachtigen De te slopen gebouwen kunnen als schuilplaats gebruikt worden door de Bunzing. Het terrein biedt daarnaast veel schuilgelegenheid waar kleine marterachtigen en overige zoogdieren zoals (wederom) Bunzing, Wezel en Hermelijn. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van de genoemde soorten. Als beschermde, niet vrijgestelde, zoogdieren aanwezig zijn dient vervangend leefgebied te worden aangeboden. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt.

4.4

Vleermuizen Verblijfplaatsen Bij de sloop en de renovatie van de gebouwen zouden vaste rust- of verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen beschadigd of vernield kunnen worden. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Als verblijvende vleermuizen aanwezig zijn dienen vervangende en geschikte verblijfplaatsen te worden aangeboden. Er is tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

26

4.5

Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soort(en) (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten bij beide percelen. om Huismus, Kerkuil, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Gewone grootoorvleermuis, Boommarter, Bunzing, Hermelijn, Wezel, Eekhoorn en Rugstreeppad. Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. In Tabel 2 staan de perioden aangegeven wanneer dit onderzoek kan worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld. Als er nesten worden aangetroffen tijdens een scan die in het najaar als de bladeren van de dichte bosschages gevallen zijn kan worden uitgevoerd, is er ook vervolgonderzoek nodig naar Sperwer en Ransuil.

Optimale periode voor uit te voeren vervolgonderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied. *=Te combineren met andere bezoeken.

Soort/Soortgroep

Optimale periode

Aantal bezoeken

landbiotoop: juni - september

5

april – half mei februari – half oktober

2 2-4

Amfibieën Rugstreeppad Vogels Nestenonderzoek roofvogels en uilen Huismus Kerkuil Grondgebonden zoogdieren Camera/vallenonderzoek zoogdieren

Boommarter Bunzing Hermelijn Wezel Eekhoorn

mei-augustus (jaarrond) (maart) mei-augustus (jaarrond) (maart) mei-augustus (jaarrond) (maart) mei-augustus (jaarrond) mei-augustus (jaarrond) Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Gewone grootoorvleermuis

Van der Goes en Groot

(jaarrond)

Gebiedsfunctie

Periode

Kraamkolonies en zomerverblijven (3 bezoeken)

Paarverblijven en zwermgedrag (2/3 bezoeken)

half mei - half juli half mei - half juli half mei - half juli

augustus-oktober augustus - oktober augustus - oktober

juni - half juli

april - half mei & half augustus oktober

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

1-2-3 (materialen uitzetten, controleren, ophalen) 1 1 1 1 1 Aantal bezoeken 5/6

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

5

27

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet Natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’, ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.

5.1

Natura 2000 Het plangebied ligt op ongeveer 100 meter afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Schoorlse Duinen (zie Figuur 2).

Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000gebied, BPL, natuurverbindingen en het NNN.

Gezien de afstand, afscherming en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

28

Als deze depositie in de gebruikfase boven 0,00 mol/ha/jaar komt bestaat een vergunningsplicht.

5.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 2). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.

5.3

Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is het regime voor bescherming in Noord-Holland voor gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes Bufferzones, Aardkundig Monument en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. Gezien de ligging van het plangebied binnen BPL 62 NoordKennemerland (zie Figuur 2) is een toetsing van de gevolgen van dit plan voor de effecten op de kernkwaliteiten in het BPL zeker aan de orde. Aanbevolen wordt hierover vooroverleg te voeren met het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland.

5.4

Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, Er worden derhalve geen onder de Wnb genoemde beplantingen gekapt. Er is voor de kap van de bomen waarschijnlijk wel een gemeentelijke kapvergunning noodzakelijk.

5.5

Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

5.6

29

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Vanwege de ligging van het plangebied binnen de begrenzing van BPL wordt aanbevolen contact op te nemen met bevoegd gezag (Provincie Noord-Holland) over een vervolgtoetsing. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als deze depositie in de gebruikfase boven 0,00 mol/ha/jaar komt bestaat een vergunningsplicht.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

30

6

Conclusies 6.1

Beschermde soorten Wnb  Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen.  In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.  In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus en Kerkuil. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoorten noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.  In het onderzoeksgebied kunnen beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren voorkomen die zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn of als ‘andere soort’. Het gaat om de Rugstreeppad, Bunzing, Hermelijn en Wezel.

Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’.  In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstand-

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

31

aarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.  Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Buizerd, Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.  Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.

6.2

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving  Vanwege de ligging van het plangebied binnen de begrenzing van BPL wordt aanbevolen contact op te nemen met bevoegd gezag (Provincie Noord-Holland) over een vervolgtoetsing.  Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als deze depositie boven 0,00 mol/ha/jaar komt in de gebruikfase bestaat een vergunningsplicht.

6.3

Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren:  Ontzie groen en groenvoorzieningen zoveel als mogelijk tijdens de werkzaamheden en bij het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen. Gebruik zo klein mogelijke werkbreedtes en gebruik eventuele bouwwegen zowel voor aanvoer als afvoer.  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten.  Het verwijderen van groen kan zoveel mogelijk beperkt worden of na de werkzaamheden kan nieuw groen aangeplant worden op dezelfde locaties als waar groen verwijderd wordt. Houdt bij

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

32

werkzaamheden rondom groenvoorzieningen een zo smal mogelijke werkbreedte aan.  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden, of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk worden gebruikt om insporing en potentiele verstoring te beperken.  Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering.  Bij de sloop- en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.

6.4

Aanbevelingen ter bevordering van natuur Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur in het plangebied versterkt worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Hiervoor worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan:  Het plaatsen van vleermuiskasten of geschikt maken of open houden van spouwmuren van nieuwbouw voor vleermuizen;  Plaatsen van voorzieningen voor Huismussen, Kerkuil, Spreeuwen en Gierzwaluwen d.m.v. speciale dakpannen, vogelvides of inmetselstenen;  Plaatsen van voorzieningen voor zoogdieren zoals Eekhoorn, Egel en marterachtigen d.m.v. nestkasten, hopen met stro of takken en speciale egelkasten;  Het plaatsen van zogenaamde ‘insectenhotels’ aan de muren van de bebouwing, in tuinen of in bestaande of aan te planten groenstructuren;  Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals meidoorn, Wilde liguster, Klimop en Sleedoorn die insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken. Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, muizen en vleermuizen;  Indien bij de inrichting van het plangebied ook gemetselde muren gerealiseerd worden kunnen hierbij speciale materialen toegepast worden die veel sneller dan gebruikelijk een groeiplaats bieden voor muurplanten.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

7

33

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K.

MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2020, 28 oktober 2020.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

34

8

Bijlagen

Bijlage 1

Huidige natuurwetgeving

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 3.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.

Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. DR

FL

FR

GL

GR

L

NB

NH

OV

UT

ZH

ZL

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + + + +

+ +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ +

+ + + + +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + + +

+ + +

+ + + +

+ + +

+ + + +

+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ + + +

+ + + +

+ + + +

+

+

+

+

+

+

+ +

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + +3 + +4 + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker

Van der Goes en Groot

+ +

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-216

+ +

+

+ +

Duinweg 58 en 60 te Schoorl

Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/5106/documents/39901