CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 11 GRO incl bijlagen_2.pdf

Gemeenteraad 20 juni 2024, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 20: Voorstel betreft de Ontwerpen VVGB en Coördinatiebesluit Bergen centrum Dorpsplein vast te stellen25.139 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan gesteld worden dat het realiseren van de nieuwe woningen en het realiseren van detailhandel en horeca, gezien de ligging in het centrum van Bergen en de methodiek van functiemenging met bijbehorende eisen ten aanzien van bouwkundige scheiding, er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in deze centrumontwikkeling voor zowel nieuwbouw als bestaande woningen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BEZONNING Algemeen Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. Bezonningsdiagrammen geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving.

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 26

Relatie tot ontwikkeling Door Moke Architecten zijn bezonningsdiagrammen opgesteld voor de huidige en toekomstige situatie. De diagrammen zijn als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Uit de diagrammen volgt dat er als gevolg van het plan in het voor- en najaar in de middagperiode een wijziging optreedt in de schaduwwerking op omliggende bebouwing. In deze periode neemt de schaduwwerking tussen het pand aan de Breelaan 6 en de Jan Oldenburglaan 2 toe. In de overige perioden wijzigt de bezonningssituatie, ook voor de overige omliggende bebouwing, niet tot nauwelijks. Omdat slechts sprake is van een toename van schaduw in de middaguren, wordt de bezonningssituatie aanvaardbaar geacht.

Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Kwinfra. De rapportage is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. Het bodemonderzoek is volgens de strategie voor een onverdachte locatie uitgevoerd. Er zijn zintuiglijk geen bijzonderheden in de bodem aangetroffen. Tijdens het bezoek is op de desbetreffende locatie, op het maaiveld en in de bodem visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met minerale olie, PAK, cadmium, Kobalt, kwik, lood en PCB. In de ondergrond is een lichte verontreiniging met minerale olie, kwik, lood en PAK aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Gezien de aangetoonde verontreinigingen wordt de hypothese onverdacht bevestigd. Uit een indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit blijkt dat de grond als klasse industrie wordt geclassificeerd.

De sporen koolas houdende bovengrond zand (MM02) wordt geclassificeerd als klasse industrie op basis van het gemeten gehalte aan koper, lood en minerale olie. De onderzoeksresultaten van het bodemonderzoek vormt geen belemmering voor de afgifte van een omgevingsvergunning.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 27

DUURZAAMHEID Algemeen Ingevolgde het Duurzaamheidsbeleid gemeente Bergen 2017 – 2020 verstaat de gemeente Bergen het volgende onder duurzaamheid: een wijze van plannen, bestemmen, ontwerpen, bouwen, inrichten en beheren van projecten die is gericht op het bevorderen van een aantrekkelijke en leefbare omgeving om in te wonen, werken en recreëren voor nu en in de toekomst. De voorgenomen ontwikkeling geeft invulling aan deze definitie. Duurzaamheid is in het kader van de ontwikkeling een ambitie op zowel gebiedsniveau als gebouwniveau. Bij de uitwerking van het plan is het beheersbaar houden van de energielasten voor de gebruiker een belangrijk onderdeel.

Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling zal voldoen aan de energiezuinigheidseisen uit het Bouwbesluit. Zowel de woningen als de commerciële ruimten zullen aardgasvrij worden uitgevoerd en er zal gebruik worden gemaakt van de bodemwarmte en – koude. Het gebouw wordt verder voorzien van triple beglazing en zal voldoen aan de BENG-eisen (Rc-waarden). In de nadere uitwerking zal voorts onderzocht worden in hoeverre (her)gebruik van duurzame (bouw)materialen plaats kan vinden. Verder dient opgemerkt te worden dat de definitie van duurzaamheid altijd het uitgangspunt blijft bij het implementeren van ambities in het project. Het doel is daarbij niet een woning met een zo laag mogelijk EPCnorm. De ambitie is het flexibele woongenot in het gebied en de woning en commerciële ruimten tegen zo beheersbaar mogelijk lasten voor de huidige en toekomstige gebruikers en bewoners houden. Tot slot is in het project aandacht voor natuurinclusief bouwen en het hergebruik van materialen. In het kader van natuurinclusief bouwen worden in het ontwerp van het L-gebouw nestkasten voor zwaluwen en vleermuiskasten in de gevels opgenomen. In het kader van het hergebruiken van materialen wordt bij de ontmanteling van de bestaande bebouwing gekeken welke materialen hiervoor in aanmerking komen.

Materiaal dat niet direct kan worden hergebruikt, wordt zoveel mogelijk op locatie gescheiden en vermaakt tot grondstof. Deze grondstoffen worden vervolgens bij producenten aangeleverd.

Conclusie In het plan wordt het uitgangspunt van duurzaamheid zoals geformuleerd in het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid gehanteerd en worden de nodige maatregelen getroffen. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 28

risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.

Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat:  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting;  Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen;  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute;  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Figuur 10. Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl).

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 29

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;  psychiatrische inrichtingen;  kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Relatie tot ontwikkeling Door M+P is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd, dat als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De omliggende wegen zijn niet gezoneerd, waardoor formeel (eventuele) hogere waarden niet noodzakelijk zijn. De berekende geluidsbelasting vanwege de Jan Oldenburglaan is lager dan de voorkeursgrenswaarde. Geluid van de Breelaan leidt tot maximaal 61 dB incl. aftrek 110g Wgh. Dit kan worden beschouwd als een verhoogde geluidsbelasting ten opzichte van de voorkeursgrenswaarde. Het niveau is lager dan de maximale ontheffingswaarde. Voor deze woningen zal worden aangesloten op het Bouwbesluit 2012 teneinde een comfortabel woonklimaat te garanderen. Voor de aansluiting bij het Bouwbesluit 2012 en het garanderen van het comfortabel woonklimaat dient uitgegaan te worden van de cumulatieve geluidbelasting exclusief aftrek artikel 3.4 RMG 2012, zijnde ten hoogste 66 dB.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

KABELS EN LEIDINGEN Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone.

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 30

Relatie tot ontwikkeling In of rondom het projectgebied zijn geen (ondergrondse) hoogspanningsleidingen aanwezig. In paragraaf 4.6 is al eerder geconstateerd dat er geen buisleidingen in het kader van het Besluit externe veiligheid buisleidingen aanwezig zijn. Er zijn derhalve geen kabels en/of leidingen aanwezig waar in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening mee gehouden moet worden.

Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen (ruimtelijke) belemmering voor de realisatie van dit project.

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;  kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van 20 woningen, een parkeergarage en 570 m2 commercieel programma (110 m2 commercieel (geen supermarkt) en 460 m2 horeca (t/m categorie 1a, geen restaurant). Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5.

Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 25 juni 2021).

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 31

Tabel 2. Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: atlas leefomgeving). Jaar GCN-achtergrondconcentratie locatie ID 15676324 NO2 (µg/m3)

PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2019

11

16

8

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.

Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 32

Relatie tot ontwikkeling Soortenbescherming Ten behoeve van de ontwikkeling is door Van der Goes & Groot een ecologische quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten. De rapportage van april 2018 is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. Uit de quickscan volgt dat: -

Het onderzoeksgebied in potentie geschikt is voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen.

-

Gezien het aanwezige biotoop, het oppervlak, de geografische ligging en informatie uit de vakliteratuur over waarnemingen en populaties in de omgeving, zullen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten gelden geen verbodsbepalingen als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Een ontheffing is dan niet nodig.

-

In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.

-

In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus en Gierzwaluw. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is onderzoek naar in gebruik zijnde verblijfplaatsen van deze vogelsoort(en) noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.

-

In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is onderzoek naar in gebruik zijnde verblijfplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.

-

Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken

Het nader onderzoek naar de vleermuis, gierzwaluw en huismus is door Bureau Buitenwaard uitgevoerd. Het volledige nader onderzoek is opgenomen in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het nader onderzoek volgt dat in het plangebied één zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis is aangetroffen. De aanwezigheid van andere verblijfplaatsen of essentiële gebiedsfuncties voor de huismus, gierzwaluw of vleermuizen kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Err kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN optreden. Het gebied is tevens niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Ook de bescherming van gebieden als weidevogelleefgebied is een planologische bescherming die alleen geldt voor ingrepen binnen de gebieden. ‘Externe werking’ op deze gebieden hoeft niet getoetst te worden.

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 33

De projectlocatie is wel op circa 400 meter afstand van de Natura 2000-gebieden “Het Noordhollands Duinreservaat” en “Schoorlse Duinen” gelegen. Gezien de grote afstand, de sterke afscherming door dichte bebouwing en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve effecten verwacht van de plannen, zoals geluid, trillingen of licht. Er hoeft daarnaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Wel kan als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden, waardoor mogelijk een significant negatief effect ontstaat. Om dit inzichtelijk te maken is door Els & Linde een stikstofdepositieberekening en ecologische voortoets uitgevoerd. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing ziet enkel toe op de realisatie van het ‘L-gebouw’. Een aparte omgevingsvergunningprocedure wordt doorlopen voor de realisatie van het ‘Pleingebouw’. In het kader van de Wet natuurbescherming zijn deze projecten echter aan te merken als één ontwikkeling. In de rapportage van Els & Linde worden deze projecten aangeduid als respectievelijk project 1 en project 2. De stikstofdepositieberekening is als twee fasen van een project uitgerekend. In het rapport van Els & Linde worden de effecten van de depositie op de Natura 2000-gebieden beoordeeld en geanalyseerd.

Voor de analyse is een berekening gemaakt met behulp van Aerius voor de bouwfase en de gebruiksfase van de ontwikkeling. Deze zijn de basis voor de analyse. De volledige rapportage van Els & Linde is opgenomen in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het onderzoek volgt de volgende conclusie: “Op “Het Noordhollands Duinreservaat” ontstaat tijdelijk een verhoogde depositie. Het betreft uitsluitend een verhoogde depositie tijdens de aanlegfase van project 1 van het bouwplan (onderhavig project). Tijdens de bouwfase van project 2 en tijdens de gebruiksfase van beide projecten is door saldering geen verhoging van de stikstoflast. Er is geen sprake van een significant effect op de doelstellingen.” Gelet op de huidige stand van jurisprudentie is voor projecten waarbij intern wordt gesaldeerd geen vergunningplicht meer aan de orde. Daarnaast wordt op basis van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering de aanlegfase van woningbouwplannen vrijgesteld van de vergunningplicht.

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie, daar het voldoende aannemelijk is dat de benodigde ontheffing voor de (gewone dwerg-)vleermuis verkregen kan worden.

VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

Relatie tot ontwikkeling Parkeren Auto De gemeente Bergen heeft op 31 mei 2018 het paraplubestemmingsplan “Parkeren” vastgesteld. Met het verdwijnen van de grondslag voor het toetsen aan stedenbouwkundige aspecten in de gemeentelijke bouwverordeningen, is het wenselijk op een andere wijze te voorzien in een toetsingskader voor parkeren. Met het parapluplan wordt voor het gehele gemeentelijke grondgebied voorzien in een kader waaraan ontwikkelingen kunnen worden getoetst op parkeeraspecten. Het parapluplan legt de koppeling met het meest recente parkeerbeleid, in dit geval de Nota Parkeernormen Bergen 2020. Een nieuwe ontwikkeling dient aan de regels uit deze uitvoeringsnota te voldoen.

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 34

Uit de Nota Parkeernormen Bergen 2020 volgt dat de projectlocatie is gelegen in het centrum. Derhalve zijn de parkeernormen voor dit gebied van toepassing. In de nota is een salderingsregeling opgenomen waar bij het salderen rekening moet worden gehouden met de zogeheten maatgevende parkeerbehoefte van een bouwplan. Dit omdat de parkeerbehoefte van de verschillende functies niet op alle momenten van de dag en de week gelijk is. Wanneer bij een plan voorzien wordt in een niet-openbare parkeergarage, dient eveneens onderscheid te worden gemaakt in noodzakelijke openbare en niet-openbare parkeerplaatsen. Bezoekers van functies moeten ook gebruik kunnen maken van de voor deze bezoekers bedoelde parkeerplaatsen. De huidige bebouwing op de locatie van het bouwplan heeft geen parkeervoorzieningen waardoor de huidige parkeervraag volledig in de openbare ruimte wordt opgelost en kan worden gebruikt voor de parkeervraag van de nieuwe ontwikkeling. De berekening van de parkeerbehoefte van de voorgenomen ontwikkeling en het naastgelegen Pleingebouw bedraagt, na saldering, 46 parkeerplaatsen (voor de parkeerberekening wordt verwezen naar de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing). Binnen het bouwplan wordt een niet openbare parkeergarage gerealiseerd met 46 parkeerplaatsen ontsloten op de Jan van Oldenburglaan.

De parkeergarage wordt uitgevoerd als een niet openbare parkeergarage voor bewoners en andere vaste gebruikers van het centrum van Bergen. Hiermee wordt voor wat betreft het aantal te realiseren parkeerplaatsen voldaan aan de te stellen parkeereis voor het volledige bouwplan inclusief horeca en retail. Omdat er in het bouwplan ook publiek aantrekkende functies (horeca /retail) worden gerealiseerd waarvan de bezoekers geen gebruik kunnen maken van de parkeergarage onder het bouwplan moeten bezoekers van deze voorzieningen van openbare parkeerplaatsen in de omgeving van het bouwplan gebruik maken. Het gaat hierbij na saldering om 19 parkeerplaatsen voor de maatgevende periode (voor onderhavig project en het naastgelegen Pleingebouw). Uit voor de gemeente beschikbare metingen van de parkeerdruk in het centrum uit de periode 2018 / 2019 blijkt dat in de omgeving van het bouwplan voldoende reservecapaciteit beschikbaar is. Door de maatregelen rondom Covid-19 is het uitvoeren van voldoende betrouwbare – en representatieve parkeerdrukmetingen momenteel niet mogelijk. Hiermee en door de overmaat aan parkeerplaatsen voor vaste gebruikers in de parkeergarage wordt voldaan aan de parkeereis voor het bouwplan. Gelet op voorgaande wordt het plan voor wat betreft het aspect parkeren uitvoerbaar geacht.

Fiets Naast parkeernormen voor de auto hanteert de gemeente Bergen ook parkeernormen voor de fiets. Naast het stellen van kwantitatieve eisen in de vorm van parkeernormen, worden ook kwaliteitseisen gesteld waar nieuw aan te leggen fietsparkeerplaatsen aan moeten voldoen. Als basis voor de fietsparkeernormen kiest de gemeente Bergen voor de meest recente fietsparkeerkencijfers van het CROW. De fietsparkeerkencijfers kennen, net als de autoparkeerkencijfers, een bandbreedte. De minimum bandbreedte sluit aan bij gemeenten met een laag fietsgebruik, de maximum bandbreedte bij gemeenten met een hoog fietsgebruik. Gezien de beperkte stedelijkheidsgraad en het hoge aantal toeristen en recreanten, kiest Bergen ervoor om de gemiddelde bandbreedte te hanteren als parkeernorm. Voor woningen en appartementen zijn geen fietsparkeernormen opgenomen. Dit omdat in de bouwverordening een berging verplicht is en deze ook gebruikt kan worden voor het stallen van fietsen. De fietsparkeerbehoefte hoeft dus enkel voor de commerciële en/of horecafunctie in het plan te worden berekend. Voor horeca zijn geen fietsparkeernormen opgenomen. Derhalve wordt worst-case uitgegaan van de fietsparkeernorm voor commerciële voorzieningen, teneinde ook de fietsparkeerbehoefte van de horeca op te vangen.

Uitgaande van 570 m2 aan commerciële functies (detailhandel, niet zijnde een supermarkt) bedraagt de fietsparkeerbehoefte 16 fietsparkeerplaatsen (5,7 x 2,7). In deze fietsparkeerbehoefte wordt op maaiveld voorzien. De inrichting van de openbare ruimte is de verantwoordelijkheid van de gemeente Bergen.

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 35

Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW publicatie 381 geraadpleegd. Hierbij hebben de volgende invoergegevens als uitgangspunt gediend: centrum Bergen, matig stedelijk, minimum kencijfer (conform Nota Parkeernormen Bergen 2020): -

12 appartementen in het sociale huursegment x 2,8 = 33,6 mvt per werkdagetmaal Twee goedkope koopappartementen x 3,9 = 7,8 mvt per werkdagetmaal Zes middeldure koopappartementen x 4,7 = 28,2 mvt per werkdagetmaal 570 m2 aan commerciële functies per 100 m2 x 23,1 = 131,7 mvt per werkdagetmaal1

Dit komt uit op een totaal van 202 mvt per werkdagetmaal. Opgemerkt wordt dat in de huidige situatie reeds zeven sociale huurwoningen en 593 m2 aan commerciële ruimten aanwezig is. De verkeersgeneratie zal in de praktijk dus lager uitvallen. Ontsluiting De ontsluiting van de parkeervoorziening vindt plaats via de Jan Oldenburglaan. Dit betreft een bestaande inen uitrit, die momenteel wordt gebruikt voor de bevoorrading van winkels. Via de bestaande in- en uitrit wordt het verkeer vervolgens afgewikkeld via de Breelaan en vervolgens het Plein en de Dreef. De ontsluiting kan de verkeersgeneratie goed opvangen.

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Ten behoeve van deze ontwikkeling is op 1 juli 2021 de digitale watertoets doorlopen. Hieruit volgt dat de korte procedure van toepassing is en het hoogheemraadschap een beperkt waterbelang heeft bij de voorgenomen ontwikkeling. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid,

1

In de CROW-publicatie zijn geen kencijfers voor een horecafunctie opgenomen waarmee de verkeersgeneratie berekend kan worden. De verwachting is echter dat deze verkeersgeneratie niet hoger ligt dan hetgeen nu maximaal is berekend.

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 36

wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit In de huidige situatie is de projectlocatie vrijwel volledig verhard. Er zijn enkel een aantal bomen aanwezig die in de verharding zijn geplaatst. Met de herontwikkeling is geen sprake van een toename van verharding en zijn compenserende maatregelen niet aan de orde. Beschermde gebieden De locatie ligt niet binnen een beschermingszone van een waterkering of watergang.

Riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Er zijn nog geen uitgewerkte plannen voor de inrichting van het buitenterrein. Dit is de verantwoordelijkheid van de gemeente Bergen. Het gemeentelijk beleid is er daarbij op gericht om het water zoveel mogelijk binnen het plangebied te bergen dan wel te infiltreren. Omdat dit op eigen terrein niet mogelijk is, zal dit plaats moeten vinden in de openbare ruimte. Er is aangegeven dat er binnen het plan geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Dit betekent dat het Hoogheemraadschap voor de nieuwe ontwikkeling adviseert om een gescheiden stelsel aan te leggen. Grondwater Er wordt een parkeervoorziening gerealiseerd die tijdens de bouw, maar ook in de gebruiksfase gevolgen kan hebben voor de grondwaterstand en de eventueel omliggende percelen.

In dit kader moet een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd worden om de effecten van de kelderbak op de grondwaterstand te beoordelen. Door Tjaden adviesbureau voor grondmechanica is een bouwputadvies opgesteld waarin ook een geohydrologisch onderzoek is opgenomen. Hieruit blijkt dat als gevolg van de bemaling kan een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving van de bouwput optreden. Omdat de kelder wordt aangelegd binnen grond- en waterkerende damwanden, zullen de verlagingen in de omgeving beperkt zijn. Het volledige onderzoek is opgenomen in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. Klimaatadaptatie Door een veranderend klimaat wordt het weer steeds extremer, hierdoor zullen periodes van aanhoudende hitte en droogte maar ook van overvloedige regenval vaker voor gaan komen. Het is belangrijk om hier in het ontwerp rekening mee te houden om ook in de toekomst een prettig leefklimaat te behouden. Klimaatadaptatie kan op tal van manieren. Denk bijvoorbeeld aan ruimt voor verdiepte groenstroken (bijv. wadi’s) en meer groen in zijn algemeenheid. Deze inrichtingsmaatregelen zijn effectief bij zowel wateroverlast als bij hittestress. Maar ook bijvoorbeeld holle of bolle straatprofielen kunnen water gecontroleerd leiden en

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 37

bergen bij extreme neerslag. Door water in het plangebied te infiltreren wordt het rioolsysteem minder zwaar belast én houdt het plangebied een prettiger leefklimaat bij periodes van droogte. Vanuit een wateroogpunt is het belangrijk om zoveel mogelijk hemelwater vast te houden en te bergen binnen het plangebied. Het hoogheemraadschap heeft aangegeven graag mee te denken over een klimaat adaptieve inrichting. Voor onderhavig plan geldt dat klimaatadaptieve maatregelen mogelijk een plek kunnen krijgen in de openbare ruimte. Het inrichtingsplan voor de openbare ruimte wordt door de gemeente verzorgd.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van 20 appartementen en 110 m2 commerciële functies (geen supermarkt) en 460 m2 horeca (t/m categorie 1a, geen restaurant)). . Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie en m.e.r.-beoordelingsbesluit Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling van 24 augustus 2021 is toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit.

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 38

5

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling aan het Dorpsplein is een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Bergen en initiatiefnemer. Hierin wordt onder meer overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer. Daarnaast is met de gesloten anterieure overeenkomst het kostenverhaal anderszins verzekerd en daarmee is de economische uitvoerbaarheid geborgd.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Voor de ontwikkeling van het Dorpsplein (het L-gebouw en Pleingebouw tezamen) werden al geruime tijd plannen gemaakt, maar deze plannen hebben nooit tot realisatie geleid. Dat heeft de gemeente Bergen er begin 2020 toe bewogen om voor ontwikkelingen op de locatie van het Dorsplein maatschappelijk gedragen ruimtelijke randvoorwaarden te creëren waarbinnen een ontwikkeling tot stand kan komen. In het voorjaar van 2020 heeft het college van B&W van gemeente Bergen aan de Bewonersvereniging Bergen Centrum (BBC) gevraagd een eerste voorstel te doen voor nieuwe ruimtelijke randvoorwaarden. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een proces waarvan het resultaat is vastgelegd in het memo ‘Randvoorwaarden ruimtelijke ontwikkeling Dorpsplein Bergen Centrum’ d.d. 30 november 2020. De ruimtelijke randvoorwaarden zien toe op de maatvoering van de nieuwe gebouwen (dit moet passen bij de pluriforme stijl en dorpsidentiteit van Bergen), de functies die landen in een nieuw plan (deze moeten passen binnen de gedachte aan diversiteit en dient te voorzien in de Bergense behoefte), verkeer en parkeren (deze aspecten gaan verder dan alleen de ontwikkeling van het Dorpsplein en zien toe op alle ontwikkelingen in het centrum van Bergen).

Op basis van de ruimtelijke randvoorwaarden is door initiatiefnemer het plan uitgewerkt, waaronder de realisatie van onderhavig project ‘het L-gebouw’. Het Q-team van de gemeente heeft vervolgens het door de initiatiefnemer uitgewerkte plan getoetst aan onder meer de ruimtelijke randvoorwaarden van de BBC. Het plan is naar het oordeel van het Q-team een goede vertaling van de uitgangspunten en ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit een geschikte basis voor het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst. Mede naar aanleiding van het oordeel van het Q-team is gestart met de planologische procedure, waar onderhavige ruimtelijke onderbouwing deel van uitmaakt. In het kader van de planologische procedure zal door initiatiefnemer een informatieavond georganiseerd worden. Rechtsbeschermingsmogelijkheden Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 39

Vooroverleg In het kader van het vooroverleg in het kader van artikel 3.1.1 Bro, zijn door het Hoogheemraadschap en de Veiligheidsregio vooroverlegreacties ingediend. Het Hoogheemraadschap vraagt aandacht voor het onderdeel klimaatadaptatie. Het tekstvoorstel dat het Hoogheemraadschap hiertoe heeft gedaan is overgenomen in de waterparagraaf van deze ruimtelijke onderbouwing. Bij de nadere uitwerking van het plan zal gezocht worden naar het integreren van klimaatadaptatieve maatregelen. Op voorhand is echter duidelijk dat deze op gebouwniveau niet tot nauwelijks getroffen kunnen worden. De Veiligheidsregio heeft aangegeven akkoord te gaan met de externe veiligheidsparagraaf uit deze ruimtelijke onderbouwing. Wel wordt geadviseerd om de brandweer te betrekken bij de verdere uitwerking van de plannen zodat de Veiligheidsregio inzichtelijk kan maken met welke (on)mogelijkheden de brandweer te maken kan krijgen bij de bestrijdbaarheid van een brand en de impact voor de omgeving. Dit advies wordt ten harte genomen.

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 40

6

CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel de gronden behorende bij het Dorpsplein te herontwikkelen. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Hieruit volgt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de geldende beleidskaders. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 41

BIJLAGE 1 – BEOORDELING QTEAM

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 42

BIJLAGE 2 - ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 43

BIJLAGE 3 – BEZONNINGSSTUDIE

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 44

BIJLAGE 4 – BODEMONDERZOEK

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 45

BIJLAGE 5 – AKOESTISCH ONDERZOEK

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 46

BIJLAGE 6 – ECOLOGISCHE QUICKSCAN

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 47

BIJLAGE 7 – NADER ECOLOGISCH ONDERZOEK

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 48

BIJLAGE 8 – STIKSTOFDEPOSITIEBEREKENIN G

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 49

BIJLAGE 9 – PARKEERBEHOEFTEBEREKENIN G ONTWIKKELING L-GEBOUW EN PLEINGEBOUW

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 50

BIJLAGE 10 - AANMELDNOTITIE VORMVRIJE M.E.R.BEOORDELING

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 51

Mees Ruimte & Milieu | 21171.RO.L-gebouw

Pagina | 52

Bouwplan Dorpsplein Conclusie beoordeling van het bouwplan aan de hand van de kaderstukken 17 februari 2021 –

De planontwikkeling is begeleid door het hiertoe ingestelde mini-Q team, bestaande uit de gemandateerde van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit (de ARK) en de gemeentelijke stedenbouwkundige. Dit heeft geleid tot het plan van 17 februari 2021, dat is getoetst aan de volgende kaderstukken:  Structuurvisie Mooi Bergen 2.0 (29-1-2015)  Beeldkwaliteitskader Mooi Bergen 2.0 (29-1-2015)  Memo Ruimtelijke Randvoorwaarden Dorpsplein (19 oktober 2020) De bevinding daarvan was:  Er zijn geen punten gevonden van tegenspraak;  Er zijn een aantal punten die ruimte laten voor interpretatie, maar de gekozen weg in de planvorming kan goed worden onderbouwd, en waarbij de ‘geest’ van de punten wordt gerespecteerd;  Er zijn punten die nog niet aan de orde zijn in deze fase van planontwikkeling, maar deze worden als aandachtspunt meegenomen bij de verdere uitwerking.

Punten van tegenspraak 

Er zijn geen punten gevonden van tegenspraak.

Punten die ruimte laten voor interpretatie 

Herkenbare parcellering in de individuele panden, ook op de begane grond. Interpretatie: een duidelijke parcellering is aangebracht binnen het Plein/Dreefgebouw, terwijl dit functioneel wel één gebouw is; Om te voorkomen dat er gesloten gevelwanden ontstaan, zullen de volumes op het dak een bepaalde tussenruimte moeten houden. Interpretatie: Die tussenruimte zit tussen het ene bouwdeel en het andere, en binnen bouwdelen op kaphoogte tussen de dwarskappen die vanuit de langkap (het langskapvlak) naar voren komen. Er is daar geen sprake van een absolute tussenruimte tussen volumes op dakniveau, maar in het straatbeeld is er geen waarneembare gesloten gevelwand op dakhoogte; Bebouwing met een (samengestelde) kap. Platte delen zijn ondergeschikt. Interpretatie: Ondergeschikt in zichtbaarheid vanaf de openbare weg. Secundair zicht op achterkanten en overhoeks via de tussenruimten van de bouwdelen wordt nog uitgewerkt maar heeft minder prioriteit. Zorgvuldige gevelgeleding en massaopbouw. Vanaf de openbare weg zijn eventuele balkons vormgegeven als gebouwde buitenruimten en niet als uitkragende elementen. Interpretatie: Balkons zijn in samenhang met risalieten binnen een gezamenlijke bouwlijn gebracht; Maximaal 4 bouwlagen, met een hoofdvorm van twee tot drie bouwlagen met een bewoonbare kap, waarbij de kap op onderdelen twee verdiepingen beslaat.

Interpretatie: dit laatste is voor het bouwdeel aan de Dreef losgelaten omdat de opbouw met de risalieten en geïntegreerde buitenruimtes de gewenste opdeling in de hoogte op een andere wijze

realiseert. Overigens wordt de mogelijkheid open gelaten dat bij de planvorming van het aansluitende, zuidelijke bouwdeel van het Dreefgebouw (nu nog niet aan de orde) het principe van een kap gedeeltelijk over twee verdiepingen nog wordt gehanteerd.

Aandachtspunten voor verdere planvorming       

Inrichting openbare ruimte; Duurzaamheid; Integratie van installatietechniek voor zover zichtbaar; Kleur- en materiaalkeuze, detaillering; op detailniveau nadere uitwerking van aansluitingen gevels/kopgevels/dak; Reclame, luifels, luiken; (winkel)activiteiten naar Bergense behoefte; Behoud cq vervanging bestaande beeldbepalende bomen;

Toetsing van de plancontouren adhv Mooi Bergen 2.0 en maatvoering De footprint van het plan is globaal vergeleken met de stedenbouwkundige contourenkaart Mooi Bergen 2.0 die in de raadsvergadering van 1 oktober 2015 is vastgesteld als vertrekpunt voor de uitwerking van de plandelen, met de aantekening dat deze ‘niet in beton is gegoten of tot de laatste centimeter is uitgekristalliseerd’. De contouren borgen de realisatie van het stedenbouwkundige haltermodel.  Het ‘Signaal’ is wat naar de westkant geschoven zodat de doorloop van het Dorpsplein naar de Jan Oldenburglaan voldoende breedte houdt;  Zowel het ‘Signaal’ als het Dreefgebouw hebben een wat grotere footprint, voornamelijk om aan de eis van het Beeldkwaliteitskader te voldoen dat buitenruimtes binnen de gevellijn moeten vallen; de gevellijn is daartoe in de modellering van de architectuur plaatselijk wat naar buiten gebracht.  De zuidwestelijke hoek van het Plein/Dreefgebouw is nog wat verder naar buiten geschoven, juist om het Dorpsplein een wat sterkere afkadering te geven, wat de intimiteit van het Plein als stedelijke (dorpse) verblijfsruimte bevordert. Geconcludeerd kan worden dat het de maatvoering in grote lijnen overeenkomt met de contourenkaart Mooi Bergen 2.0 en daarmee met de intentie om tot een samenhangend haltermodel te komen.

Conclusie Het plan voldoet aan uitgangspunten van de drie kaderstukken, op een beperkt aantal punten met een eigen interpretatie, maar wel in de geest van de gewenste inpassing. Datzelfde geldt voor de inpassing in de contourenkaart. Er lijken in de planvorming geen belemmeringen te bestaan om in de verdere uitwerking op detailniveau en aansluiting te voldoen aan uitgangspunten die nu nog niet aan de orde zijn. Het plan is naar het oordeel van het Q-team een goede vertaling van de uitgangspunten en ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit een geschikte basis voor het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst.

Transect-rapport 3539 Bergen, Dorpsplein Gemeente Bergen (NH) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Auteur Versie Projectcode Datum Opdrachtgever

J.G.E. Melman MSc Versie 1.1 21040097 26-07-2021 Bot Bouw Postbus 15 1700 AA Heerhugowaard Transect Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein 5097139100 Gemeente Bergen (NH) NMF Erfgoedadvies Nog te beoordelen door de bevoegde overheid

Uitvoerder

Onderzoeksmelding Bevoegde overheid Adviseur bevoegde overheid Status Beheer documentatie Voorblad

Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior prospector

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Transect, Nieuwegein Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (20-07-2021)

Datum

Paraaf

30-07-2021

ISSN: 2211-7067

© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Samenvatting In opdracht van Bot Bouw heeft Transect in juli 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied ‘Dorpsplein’ aan de Breelaan in Bergen (gemeente Bergen). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de sloop van de bestaande bebouwing en de nieuwbouw van twee appartementencomplexen met een ondergrondse parkeergarage. Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting. • Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum – Late Middeleeuwen. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek ligt het plangebied op een strandwal uit het Neolithicum, dat vanaf de MiddenBronstijd overdekt is geraakt met veen. In de omgeving van het plangebied zijn sporen van veenwinning en pootafdrukken van vee aangetroffen in de top van het veen uit de periode Bronstijd – IJzertijd. Deze kunnen ook in het plangebied worden verwacht. De verwachting hierop is hoog.

Gedurende de IJzertijd en Late Middeleeuwen heeft er verstuiving van duinzand plaatsgevonden, waardoor het veen afgedekt is geraakt. In het duinpakket kunnen overstoven bodemniveau aanwezig zijn, die wijzen op bewoonbare omstandigheden en waarin archeologische resten kunnen worden aangetroffen. In de omgeving van het plangebied zijn geen archeologische resten ouder dan de Late Middeleeuwen aangetroffen, maar de aanwezigheid ervan in het plangebied kan niet worden uitgesloten. De verwachting op archeologische resten uit de periode Romeinse tijd – Vroege Middeleeuwen is hoog. Voor de periode Late Middeleeuwen geldt een hoge archeologische verwachting. Het plangebied bevindt zich namelijk op circa 60 m van de middeleeuwse kerk en ook op een topografische kaart uit de 16de eeuw is in het plangebied een boerderij ingetekend. Op topografische kaarten vanaf de 17de eeuw is er geen bebouwing aanwezig in het plangebied en is het in gebruik als weiland. Hierom geldt een lage verwachting voor de Nieuwe tijd. • Op basis van het veldonderzoek is de archeologische verwachting in het plangebied grotendeels bevestigd. In het plangebied is een strandwal afgedekt door veen aangetroffen, waarop duinafzettingen zijn aangetroffen. De top van de strandwal is nog intact en de top is licht humeus.

De middelhoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum – Vroege Bronstijd is hiermee bevestigd. Ook is er nog (intact) veen in de ondergrond aanwezig, wat de middelhoge verwachting voor de periode Midden-Bronstijd – IJzertijd bevestigd. Op het veen is duinzand aanwezig. Binnen het duinzand zijn baksteenspikkels aanwezig en ook is een fragment roodbakkend, spaarzaam geglazuurd aardewerk aangetroffen. Dit maakt het aannemelijk dat er ofwel bewoning of landgebruik heeft plaatsgevonden op/binnen de duinafzettingen. Ook de aanwezigheid van een boerderij in de Late Middeleeuwen, zoals op basis van een kaart uit de 16 de eeuw wordt verwacht, kan hiermee samenhangen. De hoge archeologische verwachting voor de periode Romeinse tijd – Late Middeleeuwen is hiermee eveneens bevestigd. Advies In het plangebied bestaat het voornemen om twee appartementencomplexen met ondergrondse parkeerkelder te realiseren. De kelder wordt op een diepte van 350 cm -Mv aangelegd. Op basis van

het vooronderzoek geldt voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting op drie archeologische niveaus tussen 100 en 250 cm -Mv. Deze niveaus zullen bij de graafwerkzaamheden geheel verstoord raken. Hierom adviseren wij om de archeologische verwachting aanvullend te toetsen door middel van een karterend en waarderend onderzoek. In het plangebied worden vondstcomplexen verwacht die zich alleen kenmerken door grondsporen en gezien de ligging van het plangebied op een plein met winkels en horeca, de relatief hoge grondwaterstand ten opzichte van de archeologische niveaus en de grote hoeveelheid kabels en leidingen in de ondergrond, kan het aan te bevelen zijn dit onderzoek uit te voeren ten tijde van de werkzaamheden, in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), variant archeologische begeleiding (AB). Voor het uitvoeren van een gravend onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat door het bevoegde gezag is beoordeeld en goedgekeurd. Ter plaatse van de bestaande kelder geldt geen archeologische verwachting, hier zijn de archeologisch relevante niveaus reeds vergraven geraakt. Hierom adviseren wij dit deel van het plangebied vrij te geven van archeologisch vervolgonderzoek. Hiermee wordt de oppervlakte van het te onderzoeken gebied circa 1400 m2. Bovenstaande vormt een advies.

Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Bergen) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

Inhoud 1.

Aanleiding

1

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

2

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

3

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

5

5.

Beleidskader

7

6.

Landschap, geomorfologie en bodem

8

7.

Archeologische verwachting en bekende waarden

11

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen

13

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

22

10.

Resultaten veldonderzoek

25

11.

Beantwoording onderzoeksvragen

27

12.

Conclusie en Advies-

28

13.

Geraadpleegde bronnen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/5108/documents/40374