CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 1 Plantoelichting BP Herenweg-Banweg Bergen.pdf

Gemeenteraad 24 oktober 2024, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 8: Voorstel betreft het vaststellen van het bestemmingsplan Herenweg-Banweg Bergen13.469 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het aspect 'water' vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.8

Spuitzones

Het Nederlandse gewasbeschermingbeleid wordt in hoge mate door EU-regelgeving beïnvloed en bepaald. In het zesde milieuactieprogramma (MAP) van de Europese Gemeenschap is speciale aandacht besteed aan gewasbeschermingsmiddelen. Daarvoor zijn twee EU-verordeningen en twee EU-richtlijnen met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen opgesteld. Ze vormen samen de vier kernelementen van het gewasbeschermingbeleid. De volgende nationale regelgeving is van belang voor het gewasbeschermingsmiddelenbeleid. Deze vloeit grotendeels rechtstreeks voort uit de EU-regelgeving. Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb). De Wgb bevat regels voor de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In de Wgb en het daarop gebaseerde Besluit gewasbeschermingsmiddelen en

bestemmingsplan Herenweg en Banweg Bergen NL.IMRO.0373.BPHerenwegBanweg20-C001

22

biociden (Bgb) en de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Rgb) zijn bepalingen opgenomen ter uitvoering van Europese regelgeving. Onder andere worden eisen gesteld aan de vakbekwaamheid van de toepasser, het maken van een gewasbeschermingsmonitor en de (periodieke) keuring van spuitapparatuur. Bovendien voorziet de Wgb in een College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Eén van de belangrijkste taken van dit college is de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingstoffen op de Nederlandse markt. Aan de toelating worden voorschriften verbonden wat betreft het gebruik van de middelen. Wet milieubeheer en dan met name het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer ('Activiteitenbesluit'). In het Activiteitenbesluit zijn onder meer voorschriften voor het duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen opgenomen. Die voorschriften hebben bijvoorbeeld betrekking op de bescherming van het oppervlaktewater of de opslag van gewasbeschermingsmiddelen. Warenwetregeling residuen van bestrijdingsmiddelen. Deze regeling is van toepassing op residuen van bestrijdingsmiddelen die niet vallen onder de werkingssfeer van de Residuverordening. Toets Door Adromi Groep is onderzoek gedaan naar de spuitzones van aangrenzende agrarische gronden voor bloembollen en -knollen ne overige bloemkwekerijgewassen.

Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 7. De conclusies van het onderzoek zijn onderstaand samengevat: In verband met het woningbouwplan van een drietal vrijstaande woningen binnen de gemeente Bergen heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen door drift vanwege agrarische gronden gelegen rondom de beoogde locatie van de nieuwe woningen. Op de betrokken agrarische percelen die als relevant zijn beschouwd in onderhavig onderzoek wordt laagblijvende sierteelt en bollenteelt (bloembollen en -knollen) en verdere laagblijvende eenjarige gewassen (akkerbouw en tuinbouw) als representatieve invulling van de maximale planologische situatie beschouwd. Gelet op de beoordeling die voor individuele representatieve middelen heeft plaatsgevonden op basis van het EFSA-model, behoeft op een afstand van 2-3 meter uit de gewaspercelen al geen rekening meer te worden gehouden met een te hoog risico op blootstelling aan drift. Door de Omgevingsdienst Noord Holland Noord is op 11 november 2021 (OD.355672) geadviseerd over het aspect driftblootstelling aan de hand van een conceptversie van onderhavige rapportage. De Omgevingsdienst geeft aan dat ondanks de relatief grote onderlinge afstand blootstelling plaats kan vinden aan gewasbeschermingsmiddelen, waarbij de effecten onduidelijk zijn ook al wordt voldaan aan de blootstellingsnormen.

In lijn daarmee verzoekt de Omgevingsdienst om in overeenstemming met het voorzorgbeginsel driftreducerende maatregelen aan te geven welke nodig zijn om drift of andere kansen op aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen in het plangebied zoveel als mogelijk uit te sluiten. Noordoostzijde In lijn met dit advies wordt gekozen voor afscherming aan de noordoostzijde van het plangebied. Feitelijk is sprake van een afstand van 24 meter tot aan het gewasperceel ten oosten, maar gelet op de geldende bestemming kan hier tot op de perceelgrens worden geteeld. Verwezen wordt naar figuur 10. Zuidzijde Aan de zuidzijde, voor het perceel aan de overzijde van de Banweg, is afscherming niet effectief. Als rekening wordt gehouden met de breedte van aanwezige watergang, bijbehorende teeltvrije zone en de breedte van de Banweg, dan zal aan de zuidzijde sprake zijn van een onderlinge afstand van 8,5 tot 9 meter (zie figuur 10). Vanaf een afstand van 6 meter kan ervan worden uitgegaan dat bij neerwaarts spuiten al alle relevante drift in de vorm van druppels is neergevallen onder invloed van de zwaartekracht. De nog in de lucht aanwezige drift in de vorm van dampen en aerosolen kan niet worden afgeschermd, maar aangezien dampen en aerosolen leiden tot een verhoudingsgewijs zeer geringe blootstelling, kan dit als acceptabel worden beschouwd.

Dit mede nu uit eerdergenoemd onderzoek van RIVM66 blijkt dat van dergelijke blootstellingen geen gezondheidseffecten zijn geconstateerd. In lijn met het voorgaande wordt op eigen terrein uitgegaan van een zone van minimaal 3,5 tot 4 meter breedte langs de zuidgrens alwaar gekozen wordt voor een tuinbestemming

bestemmingsplan Herenweg en Banweg Bergen NL.IMRO.0373.BPHerenwegBanweg20-C001

23

welke uitsluitend mag worden gebruikt voor onderhoud en instandhouding van een siertuin en voor ontsluiting. Op deze wijze wordt extra veiligheidsafstand ingebouwd en kan regulier menselijk verblijf op minder dan 12,5 meter tot het gewasperceel ten zuiden van het plangebied worden uitgesloten.

Figuur 4.3: afscherming richting teeltpercelen (bron: Adromi groep) Het aspect 'spuitdrift' vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9

Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden [3327 versie 1.0], zie ook Bijlage 5. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Het plangebied is op 23 maart 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland, natuurverbindingen en weidevogelleefgebied. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, natuurverbindingen of weidevogelleefgebied. Omdat de wezenlijke kenmerken en waarden

bestemmingsplan Herenweg en Banweg Bergen NL.IMRO.0373.BPHerenwegBanweg20-C001

24

van het Natuurnetwerk Nederland, natuurverbindingen en weidevogelleefgebied niet negatief worden beïnvloed, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging ten opzichte van Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied niet worden uitgesloten. Deze conclusie wordt getrokken op basis van ervaring met stikstofberekeningen voor soortgelijke projecten, zowel qua omvang, als afstand tussen plangebied en stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. Om de wettelijke consequenties te kunnen vaststellen, dient een stikstofberekening te worden uitgevoerd. Deze conclusie komt overeen met de gehanteerde toetsingscriteria bij de Omgevingsdienst Twente (en wordt als referentie in Nederland door ons gehanteerd). Stikstofberekening Voor het perceel aan de Herenweg en Banweg in Bergen (NH) is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 6. De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2023.2. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2025. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. In de bijlage is een uitdraai van de resultaten van de AERIUS Calculator opgenomen.

De conclusies van de stikstofberekening zijn als volgt: Aanlegfase In de aanlegfase bedraagt de NOx-emissie binnen het plangebied 6,2 kg per jaar. De NH3-emissie binnen het plangebied bedraagt 0,2 kg/j. Er zijn hogere rekenresultaten dan 0,00 mol/ha/j. De hoogste bijdrage bedraagt 0,09 mol/ha/j ter plaatse van het Natura 2000-gebied ‘Noordhollands Duinreservaat’. Gebruiksfase In de beoogde situatie bedraagt de NOx-emissie binnen het plangebied 1,9 kg per jaar. De NH3-emissie binnen het plangebied bedraagt 0,1 kg/j. Er zijn hogere rekenresultaten dan 0,00 mol/ha/j. De hoogste bijdrage bedraagt 0,06 mol/ha/j ter plaatse van het Natura 2000-gebied ‘Noordhollands Duinreservaat’. Conclusie Met de realisatie van het gewenste plan aan de Herenweg 99 in Bergen komt er NOx en NH3 vrij. Door uitvoering van berekening is aangetoond dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase sprake is van een nadelige depositie van NOx en NH3 die neerslaat in het Natura 2000-gebied ‘Noordhollands Duinreservaat’. Met inachtneming van de ‘Beslisboom: toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten’ is in de voorliggende berekening interne saldering toegepast, waarbij een verschilberekening is gemaakt voor zowel de aanleg- als gebruiksfase en afgezet tegenover de referentiesituatie.

Uit de projectberekening van de aanlegfase afgezet tegenover de referentiesituatie volgt dat er sprake is van een grootste afname van 0,22 mol/ha/j/. Uit de projectberekening van de gebruiksfase afgezet tegenover de referentiesituatie volgt dat er sprake is van een grootste afname van 0,19 mol/ha/j/. Door uitvoering van de verschilberekeningen van de aanlegfase en gebruiksfase, beide afgezet tegenover de referentiesituatie, is aangetoond dat in de beoogde situatie ten opzichte van de huidigelegale-feitelijke situatie sprake is van een forse afname van de depositie van NOx en NH3 die neerslaat in het Natura 2000-gebied ‘Noordhollands Duinreservaat’. Gezien het feit dat sprake is van een afname van depositie van NOx en NH3, kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling per saldo geen negatieve gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Berekeningen met de AERIUS-calculator 2023.2 worden geldig en toepasbaar geacht in alle ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering. Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.

Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermde grondgebonden zoogdier er een vaste

bestemmingsplan Herenweg en Banweg Bergen NL.IMRO.0373.BPHerenwegBanweg20-C001

25

rust- en/of voortplantingsplaats, bezet een amfibie er een vaste (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rusten/of voortplantingsplaats in het plangebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en/of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.

Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de rugstreeppad en wordt omsloten door openbare ruimte, verharding en een agrarisch perceel. Het is niet uit te sluiten dat de rugstreeppad het plangebied zal koloniseren als geschikt voortplantingsbiotoop ontstaat in het voorjaar, als gevolg van grond- en bouwwerkzaamheden. Om te voorkomen dat rugstreeppadden een voortplantingsplaats gaan bezetten in het plangebied tijdens de bouwfase, wordt geadviseerd de bouwplaats vrij te houden van potentiële voortplantingswater, zoals ondiepe plassen of wielsporen die vol (hemel)water kunnen komen te staan of rugstreeppadden actief te weren van de bouwplaats. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels, af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortenbescherming. Samenvattende conclusie: Het plangebied bestaat uit gazon, beplanting, verharding en bebouwing dat omgeven wordt door enkele woonerven en landelijk gebied. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.

Afhankelijk van de periode in het jaar, waarin de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden, kunnen beschermde dieren gedood worden en vaste rust- en voortplantingsplaatsen van beschermde dieren verstoord, beschadigd en vernield worden. Voor het doden van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie en het beschadigen/vernielen van een vaste (winter)rusten/of voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling; deze vrijstelling geldt niet voor het doden van een vogel of het verstoren, beschadigen of vernielen van een bezet vogelnest. Mits er geen bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield wordt, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortenbescherming. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie niet worden uitgesloten. Nader onderzoek, zoals het uitvoeren van een stikstofberekening wordt noodzakelijk geacht.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

bestemmingsplan Herenweg en Banweg Bergen NL.IMRO.0373.BPHerenwegBanweg20-C001

26

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Op het perceel ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. De voor Waarde Archeologie - 3 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden. Op de gronden mogen bouwwerken worden gebouwd met een oppervlakte van ten hoogste 500 m² of met een oppervlakte van meer dan 500 m², waarvoor geen graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm uitgevoerd hoeven te worden of waarvoor geen heiwerkzaamheden uitgevoerd hoeven te worden. Bureau voor Archeologie heeft een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase uitgevoerd voor de bouw van drie woningen aan de Herenweg-Banweg.

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. In het plangebied worden drie woningen gebouwd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 8. De belangrijkste bevindingen zijn onderstaand opgenomen: Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied. In het plangebied zijn zes boringen gezet tot ongeveer 300 cm onder het maaiveld. Het booronderzoek is aangevuld met een profielkuil. Hieruit blijkt dat de ondergrond van het plangebied bestaat uit een duin- op strandwalzand. In het zuiden van het gebied is hierin een vegetatieniveau aanwezig op 205 cm onder het maaiveld. Op dit niveau kunnen nog archeologische waarden uit de Bronstijd tot en met de Romeinse tijd verwacht worden. De kalkloze top van het duinzand ontbreekt in een groot deel van het plangebied. Waarschijnlijk is de top van het duinzand omgewerkt om het gebied geschikt te maken als tuingrond. De bovengrond bestaat uit een bouwvoor, op een ongeveer 20 cm dikke laag opgebrachte grond, op een omgewerkte grond laag die tot 65 a 115 cm -mv reikt. Bureau voor Archeologie adviseert om in de zuidpunt van het plangebied een maximale verstoringsdiepte van 175 cm -mv te hanteren. Als dieper gegraven wordt dan 175 cm-mv, is vervolgonderzoek noodzakelijk.

Afhankelijk van de geplande verstoring kan gekozen worden voor een karterend booronderzoek, inventariserend veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek of een archeologische begeleiding. In de rest het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht. Bovenstaande vormt een selectieadvies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (gemeente Bergen) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijk omgang met eventueel aanwezige archeologische resten binnen het plangebied. Voor het zuidelijk deel wordt een maximaal verstoringsdiepte van 175 cm onder maaiveld gehanteerd. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Wanneer binnen dit deel van het plangebied dieper dan 175 cm wordt gegraven, moet er eerst nader onderzoek worden gedaan. Voor het overige deel van het plangebied is het onderzoeksgebied vrijgegeven en is geen nader onderzoek nodig. Het aspect 'archeologie' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorie kaart van Noord Holland kan worden afgeleid dat er geen cultuurhistorische waarden bevinden in de directe omgeving van het plangebied. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect

bestemmingsplan Herenweg en Banweg Bergen NL.IMRO.0373.BPHerenwegBanweg20-C001

27

'cultuurhistorie'.

4.11

Verkeer / parkeren

Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Herenweg, een provinciale weg tussen Bergen en Egmond aan den Hoef. Een (beperkte) toename van verkeersbewegingen als gevolg van de bouw van drie vrijstaande woningen kan eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Daarbij neemt het aantal verkeersbewegingen juist alleen maar af, gezien een bedrijfsperceel wordt wegbestemd. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren De Nota Parkeernormen 2020 Gemeente Bergen is voor voorliggend plan van toepassing. De projectlocatie ligt in een gebied aangeduid als ‘weinig tot niet stedelijk’ en ‘buitengebied’. Er wordt onderscheid gemaakt tussen woningcategorieën. Voor vrijstaande koopwoningen is de norm 2,4 parkeerplaats per woning. Dat is inclusief 0,3 parkeerplaats per woning voor bezoekers. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

bestemmingsplan Herenweg en Banweg Bergen NL.IMRO.0373.BPHerenwegBanweg20-C001

28

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2

Toelichtingop de regels

5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de

bestemmingsplan Herenweg en Banweg Bergen NL.IMRO.0373.BPHerenwegBanweg20-C001

29

bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan

geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro.

Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Enkelbestemmingen

bestemmingsplan Herenweg en Banweg Bergen NL.IMRO.0373.BPHerenwegBanweg20-C001

30

Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Op de gronden met de 'Wonen' bestemming mogen uitsluitend hoofdgebouwen en aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd. Hoofdgebouwen zijn alleen binnen het bouwvlak toegestaan. Tuin De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 3 De voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden. Archeologisch onderzoek is noordzakelijk bij gebieden groter dan 500 m² en waarbij dieper dan 40 cm wordt afgegraven.

bestemmingsplan Herenweg en Banweg Bergen NL.IMRO.0373.BPHerenwegBanweg20-C001

31

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Herenweg en Banweg Bergen NL.IMRO.0373.BPHerenwegBanweg20-C001

32

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijkeuitvoerbaarheid

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Noord-Holland Het bestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar de provincie Noord-Holland. De provincie Noord-Holland kan instemmen met de plannen. Op verzoek van de provincie is alleen een regel opgenomen voor het verplicht stellen van een aanlegvergunning wanneer dieper dan 1 meter wordt afgegraven. Dit is overgenomen in het bestemmingsplan. Veiligheidsregio Noord-Holland Noord Het bestemmingsplan is voorgelegd aan de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord. De conclusie is als volgt.

Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, hogedruk aardgastransportleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Over de N511 worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd. Derhalve is er voor de besluitvorming, in het kader van externe veiligheid, geen advies van de veiligheidsregio nodig om inzicht te geven in het gevaar en de mogelijkheden voor de hulpverlening. De Veiligheidsregio Noord-Holland-Noord kan instemmen met de plannen. Waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Op 4 mei 2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg. Omwonenden De initiatiefnemer heeft de direct omwonenden ingelicht over de voorgenomen plannen. Zij hebben in principe geen bezwaar dat op de voorliggende percelen gebouwd gaat worden.

7.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan ligt voor een periode van zes weken ter inzage. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn drie zienswijzen binnengekomen. In Bijlage 9 is de nota van beantwoording zienswijzen opgenomen. Hierin zijn de zienswijzen samengevat en beantwoord en vervolgens is aangegeven of deze aanleiding geeft tot aanpassing van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Herenweg en Banweg Bergen NL.IMRO.0373.BPHerenwegBanweg20-C001

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/5111/documents/41970