CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 1. Nota zienswijzen Dorpsplein.pdf

Algemene Raadscommissie 23 januari 2025, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 2: Voorstel betreft het afgeven van de definitieve VVGB’s voor het L- en Pleingebouw & het besluit tot onttrekking openbare weggedeelten – Dorpsplein Bergen centrum23.896 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Nota zienswijzen behorende bij de ontwerp (vervangende) omgevingsvergunningen met ontwerp VVGB’s en het ontwerpbesluit tot de onttrekking aan de openbaarheid van het Plein- en L-gebouw Dorpsplein Bergen centrum (WABO2102109 & WABO2102110) 30 oktober 2024

1

Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Beantwoording zienswijzen 3. Aanpassingen in de besluiten en ruimtelijke onderbouwingen

2

1. Inleiding Het project Bergen Centrum bestaat uit een aantal deelprojecten waaronder het “Dorpsplein”. Het project Dorpsplein bestaat op haar beurt uit twee gebouwen, namelijk het L-gebouw en het Pleingebouw, waarvoor afzonderlijk omgevingsvergunningen zijn aangevraagd voor het afwijken van het bestemmingsplan. Op 5 mei 2022 zijn de twee omgevingsvergunningen verleend. Bij uitspraak van 17 oktober 2022 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beide omgevingsvergunningen d.d. 5 mei 2022 voor het afwijken van de regels uit het bestemmingsplan, geschorst. Reden daarvoor was dat naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter de raad ten onrechte geen Verklaring Van Geen Bedenkingen (VVGB) heeft afgegeven en geen coördinatiebesluit heeft genomen. De aanvragen voor de omgevingsvergunningen om af te wijken van het bestemmingsplan en om te bouwen dateren van voor 2024. Daarom is het recht van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing. De procedure ten aanzien van de besluitvorming over de aanvragen vindt daarom conform het oude recht plaats. Om de procedurefouten te herstellen hebben de volgende ontwerpbesluiten vanaf 1 juli 2024 tot en met 12 augustus 2024 ter inzage gelegen:   

De twee ontwerp vervangende omgevingsvergunningen; De twee ontwerp Verklaringen Van Geen Bedenkingen (VVGB); Het ontwerpbesluit onttrekking van weggedeelten aan de openbaarheid op grond van de Wegenwet.

In totaal hebben 689 personen en instanties een zienswijze ingediend. Hiervan hebben drie personen buiten de gestelde termijn een zienswijze ingediend. Daarnaast is één zienswijze anoniem ingediend. Hoewel deze zienswijzen om deze redenen nietontvankelijk zijn, zijn deze zorgvuldigheidshalve toch van een reactie voorzien. Van de 689 indieners hebben 562 personen of instanties een identieke zienswijze ingediend. Deze zienswijzen worden gezamenlijk behandeld in hoofdstuk 2A. Een groep van 36 personen heeft eveneens een identieke zienswijze ingediend. Deze zienswijzen worden in hoofdstuk 2B behandeld. De overige 87 unieke zienswijzen komen in hoofdstuk 2C aan bod, waarbij zowel negatieve als positieve zienswijzen zijn ingediend. In hoofdstuk 2D worden de overige zienswijzen die te laat of anoniem zijn ingediend van een reactie voorzien. De ingediende zienswijzen zijn tot de raad en/of het college gericht. Voor alle zienswijzen geldt dat de raad deze beoordeelt in het kader van het besluit omtrent een Verklaring Van Geen Bedenkingen. In het hierna volgende hoofdstuk worden de zienswijzen zakelijk weergegeven en van reactie voorzien. Aangezien in veel zienswijzen dezelfde gronden als onder A worden

3

aangevoerd, wordt in de beantwoording ook hiernaar verwezen. In hoofdstuk 3 worden eventuele aanpassingen op geleide van de zienswijzen weergegeven.

2. Beantwoording zienswijzen A. Zienswijzen nr. 1 t/m 562 – identieke zienswijzen 1. Structuurvisie en contourenkaart Zienswijze Op 29 januari 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Mooi Bergen 2.0 voor dit gebied vastgesteld en daaraan is op 1 oktober 2015 de Stedenbouwkundige contourenkaart Mooi Bergen 2.0 toegevoegd. Bij gebrek aan een hierop gebaseerd nieuw bestemmingsplan, is dit het beleidskader waaraan de huidige ontwikkeling van het Dorpsplein getoetst wordt. De structuurvisie biedt de mogelijkheid voor twee scenario’s: het Basismodel (waarbij de huidige rooilijn van de winkels in plandeel Winkelhart wordt aangehouden) en het Basismodel-plus model (waarbij deze rooilijn meters naar voren gaat). In de Stedenbouwkundige contourenkaart (Sck) is als vertrekpunt voor de uitwerking van de plandelen gekozen voor het basismodel uit de structuurvisie en het idee van de ‘park strip’. Op deze contourenkaart wordt in één oogopslag duidelijk welke rooilijnen voor de verschillende plandelen worden aangehouden.

Als vertrekpunt voor de uitwerking van het Lgebouw wordt echter het Basismodel-Plus genomen! Het voorziene bouwvlak van het L-gebouw overschrijdt de zuidelijke contouren van het Basismodel uit de Sck met ruim 7 meter en gaat zelfs nog voorbij aan de contourlijn uit het Basismodel-Plus! Hierdoor is ook een goede ruimtelijke aansluiting met de nog te ontwikkelen plandelen Winkelhart West en Winkelhart Oost niet geborgd. Immers op de blinde oostgevel van het L-gebouw wordt in de toekomst bebouwing aangesloten. Daarmee wordt ook bij de toekomstige bebouwing van Winkelhart West en Winkelhart Oost de zuidelijke contourlijn uit het Basismodel met ruim 7 meter overschreden en ook gaat die bebouwing voorbij aan de zuidelijke contourlijn uit het Basismodel-Plus. Daarnaast is het bouwvlak van het Pleingebouw ten opzichte van de Sck niet alleen meters verschoven, maar overschrijdt het de contouren van de Sck bovendien met meer dan 30%! De in de structuurvisie vastgelegde uitgangspunten hebben de status van beleidsregels. Artikel 4:84 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel. De Structuurvisie is niet aangepast; de gemeenteraad heeft naderhand niet gekozen voor het Basismodel-plus. Conclusie: Het college handelt in strijd met de Structuurvisie Mooi Bergen 2.0 met bijbehorende stedenbouwkundige contourenkaart (Sck) Mooi Bergen 2.0.

Dit is in strijd met door de raad vastgesteld beleid en in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

4

Beantwoording Op 29 januari 2015 heeft de raad de structuurvisie voor het centrum van Bergen vastgesteld (Structuurvisie Mooi Bergen 2.0). De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van het centrum van Bergen. Het doel van de structuurvisie is: “de basis [leggen] voor een herontwikkeling van de omgeving van het Plein. Daarbij gaat het om het creëren van een levendiger en meer samenhangend centrum, verbetering van de entree van het centrum en van het winkelcircuit, het realiseren van meer ruimte voor wonen in het centrum en verbetering van de verkeerssituatie en het parkeren”. De structuurvisie bevat daartoe een globaal plan dat onder meer voorziet in de toevoeging van maximaal 3.200 m2 aan centrumfuncties (winkels, dienstverlening en horeca) en de realisatie van ongeveer 70 woningen. Tevens geeft de structuurvisie duidelijkheid over het afwegingskader voor plannen van particulieren. Daarom is naast de structuurvisie een beeldkwaliteitskader opgesteld en zijn deze gelijktijdig door de raad vastgesteld. De structuurvisie streeft daarbij een duidelijke regie op de hoofdkoers na, maar benadrukt ook dat er voldoende flexibiliteit moet zijn zodat er speelruimte ontstaat voor de uitwerking.

De concrete uitwerking van de hoofdlijnen uit de structuurvisie vindt vervolgens plaats via het planologisch-juridisch instrumentarium waarin destijds de Wet ruimtelijke ordening (bestemmingsplan) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning ex artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3) voorzagen en thans de Omgevingswet voorziet. Het Pleingebouw en het L-gebouw hebben een plek gekregen in de structuurvisie. Het Pleingebouw werd destijds nog “Het Signaal” genoemd en is in de structuurvisie gelokaliseerd in de uiterste noordwesthoek van het centrumgebied waarvoor de structuurvisie geldt. Het L-gebouw is gelegen in het gebied dat “Winkelhart west” wordt genoemd. In het beeldkwaliteitskader is door de raad bepaald dat het westelijk deel van het Bakema complex ingevuld moet worden met een markant, beeldbepalend gebouw (het Signaal), dat tevens de noordwand van het nieuwe Dorpsplein vormt, en een gebouw dat de oostelijke wand van het nieuwe Dorpsplein vormt. De nieuwe bebouwing ten zuiden van het Signaal heeft een hoofdvorm tot vier bouwlagen, waarbij de bovenste bouwlagen opgenomen zijn in de kapvorm. Het gebouw heeft als belangrijkste doel om een wand van het nieuwe Dorpsplein te vormen. Het beeldkwaliteitskader bevat onderstaande uitsnede van een kaart waarop het Signaal (in het rood) is weergegeven.

5

Het Pleingebouw is geprojecteerd in de uiterste noordwesthoek en voldoet aan de hierboven geschetste uitgangspunten in de structuurvisie en het beeldkwaliteitskader. Ten zuiden van het Pleingebouw is ruimte voor de aanleg van een nieuw Dorpsplein. Het L-gebouw voldoet tevens aan de uitgangspunten in de structuurvisie en het beeldkwaliteitskader (zie bovenstaande illustratie). Het gebouw vormt een duidelijke wand aan de oostzijde van het toekomstig aan te leggen Dorpsplein. Zoals hiervoor is opgemerkt is de structuurvisie flexibel van aard en biedt zij, zoals de indiener van de zienswijze terecht opmerkt, voor wat betreft de stedenbouwkundige contourenkaart in feite de mogelijkheid voor twee scenario’s: het basismodel (dat uitgaat van de huidige rooilijn van de winkels in plandeel Winkelhart) en het basis plusmodel (waarbij deze rooilijn aan de zijde van de Verlengde Dreef circa 5 meter naar voren gaat). Ten behoeve van de verdere uitwerking van de plandelen is de stedenbouwkundige contourenkaart Mooi Bergen 2.0 vastgesteld.

6

De essentie van de stedenbouwkundige contourenkaart is dat de stedenbouwkundige hoofdstructuur wordt vastgelegd, waardoor individuele plandelen onafhankelijk van elkaar kunnen worden ontwikkeld en een samenhangend openbaar gebied kan worden gerealiseerd. Nadrukkelijk heeft de raad hierbij besloten dat de stedenbouwkundige contourenkaart geldt als opmaat (lees: vertrekpunt) voor de uitwerking van de plandelen. In dat verband benadrukte de raad dat de stedenbouwkundige contourenkaart “ niet in beton is gegoten noch tot op de centimeter is uitgekristalliseerd”. Hiermee heeft de contourenkaart niet de status van een bestemmingsplan en is het ook geen dwingend kader. Anders dan de indieners van deze zienswijze veronderstellen heeft de raad met de vaststelling van de stedenbouwkundige contourenkaart dan ook ruimte gecreëerd om een plan toe te staan dat gedeeltelijk valt buiten de contouren op de kaart. Dat er ruimte is, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd in de procedure tegen de vaststelling van het bestemmingsplan “De Zeven Dorpelingen” (ABRvS 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1105). Het zogenaamde “Haltermodel” is de basis voor de stedenbouwkundige contourenkaart. Het doel van het Haltermodel is twee pleinen in het centrumgebied te accentueren welke onderling verbonden worden door een parkstrook.

Bij de stedenbouwkundige contouren kaart is specifiek voor het Pleingebouw bepaald dat dit gebouw bij voorkeur los van de bestaande bebouwing aan de Jan Oldenburglaan wordt gebouwd. Aan de westzijde komt het Pleingebouw met circa drie meter uit de contourenlijn. De rooilijn van het Pleingebouw sluit daardoor overigens aan bij de rooilijn die de raad aanvankelijk voor ogen had (bij de vaststelling van de structuurvisie Mooi Bergen 1.0). Aan de oostzijde wordt juist twee meter binnen de contourenlijn gebleven. Het L-gebouw gaat met name aan de zuidzijde voorbij de contourlijn. Op hoofdlijnen voldoet de maatvoering van de bebouwing daarmee aan de contourenkaart. Dit is noodzakelijk om tot een samenhangend Haltermodel te komen. Op deze centrale plek ontbreekt vooral definitie van duidelijke ruimten, zoals dat bij een dorpskern hoort. Dit komt door een verleden van het oude spoortracé, sloop en onsamenhangende herontwikkeling. Met de huidige ontwikkeling wordt een vernieuwd samenhangend centrum gerealiseerd. De belangrijkste doelstelling van het Haltermodel is het creëren van een duidelijk geheel van aaneengesloten, prettige ruimten voor beleving en verblijf. De gebouwen in maatvoering, positionering, programmering en vormgeving, definiëren samen met het toekomstige openbaar gebied die prettige ruimten.

Voor het plein dat een centrale positie moet gaan innemen als verblijfsplein is gestreefd naar een ruimte die omarmd wordt en die herbergzaam aanvoelt waarbij de ruimte niet ‘wegvloeit’. Een duidelijke definitie van de ruimte middels wanden zorgt voor een betere organisatie van dit centrale plein en daarmee van het centrum als geheel. Hier betreedt men het plein. Daaraan vast zitten andere ruimten zoals de verlengde Dreef die als groene ruimte verbindend werkt naar het entreeplein (dat ook een nadere definitie in wanden krijgt). Met andere woorden: het centrum krijgt meer definitie met duidelijkere ruimten en met een eigen karakter, functie en schoonheid, zoals verwoord in het Haltermodel.

7

Het pleingebouw vormt een duidelijke markering in die ambitie. Met name het verschuiven van het pleingebouw naar de noordwesthoek maakt dat het Plein duidelijker gemarkeerd wordt. De opening in deze hoek wordt qua dimensionering niet langer bepaald door het belang van doorgaand autoverkeer, maar door een nieuwe nadruk op het verblijfskarakter. Vanuit het noorden betreedt men met het bouwplan het plein meer. Dat wordt meer een moment dat duidelijk wordt aangekondigd. Vanuit het zuiden wordt de ruimte meer gevangen door het gebouw als pleinwand centraal aan de ruimte. De verschuiving van het Pleingebouw naar het westen heeft ook tot gevolg dat de “doorloop” tussen restaurant Julie’s en het Pleingebouw naar de Jan Oldenburglaan een volwaardige breedte heeft. Vanaf de Jan Oldenburglaan kan het plein op deze wijze al beleefd worden zonder dat de ruimte in deze hoek wegvloeit. Het L-gebouw bemiddelt tussen de ruimten. Vormt een scharnier in het gebied. Enerzijds zorgt het voor eenheid en continuïteit aan het plein richting de ruimte aan de Breelaan. Anderzijds gaat het gebouw ook met een voorkant de hoek om als overgang naar en aankondiging van de Dreef en het entreeplein.

Het L-gebouw naar het zuiden creëert de vanuit het beeldkwaliteitskader gewenste duidelijke wand aan de oostzijde van dit plein, maar houdt ook voldoende ruimte over (tenminste 26 meter) voor een mooie overgang en doorzicht naar het oosten. Dit biedt aanleidingen om de bebouwingswand, de inrichting van het oude plein en de verlengde Dreef, kwalitatief op te pakken (als groene tussenruimte met gebouwen daarop georiënteerd). Het plein wordt hierdoor stedenbouwkundig sterker gemodelleerd c.q. afgebakend. Ook wordt komende vanaf de Breelaan het centrumgebied, door de ligging van het Pleingebouw dichter op de weg, meer bewust betreden. Op grond van het vorengaande wordt geconcludeerd dat de ingediende aanvragen overeenkomen met de uitgangspunten uit de structuurvisie, het daarbij horend beeldkwaliteitskader, de contourennota en het Haltermodel. Daarbij wordt nogmaals erop gewezen dat de structuurvisie en de stedenbouwkundige countourenkaart als opmaat dienen voor een verdere uitwerking van de plandelen. De raad heeft daarbij uitdrukkelijk willen voorzien in flexibiliteit. Dat er sprake is van een overschrijding van de contourenkaart betekent niet dat de omgevingsvergunningen voor het Plein- en L-gebouw niet verleend zouden kunnen worden. Tot slot wordt opgemerkt dat in de op 30 november 2023 vastgestelde Omgevingsvisie bovenstaande wordt bevestigd.

In de Omgevingsvisie is opgenomen dat het dorpshart wordt opgeknapt aan de hand van de uitgangspunten in de Structuurvisie en het beeldkwaliteitsplan Mooi Bergen 2.0. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de besluiten.

8

2. Twee omgevingsvergunningen Zienswijze De voorzieningenrechter heeft met de uitspraak van 17 oktober 2022 bepaald dat de projecten (Plein- en L-gebouw) onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, terwijl het volgens het college ging om twee afzonderlijke fysiek van elkaar gescheiden bouwprojecten. Ondanks deze uitspraak kiest het college nu weer voor twee afzonderlijke ontwerp omgevingsvergunningen. Dat betekent dat één van de twee omgevingsvergunningen kan sneuvelen. Indien de omgevingsvergunning voor het L-gebouw sneuvelt, wordt er bij realisatie van alleen het Pleingebouw niet voldaan aan de parkeeropgave en is niet voorzien in sociale woningen. Indien de omgevingsvergunning voor het Pleingebouw sneuvelt, is het project bij realisatie van alleen het L-gebouw, volgens de ontwikkelaar financieel niet haalbaar. In de omgevingsvergunning ontbreken voorschriften over goot- en nokhoogtes en bebouwingspercentages. Ook de bouwvlakken ontbreken. Op Ruimtelijkeplannen.nl staan alleen besluitvlakken, waarbij het besluitvlak voor het Pleingebouw valt binnen het besluitvlak van het L-gebouw. Als toetsingskader is dit alles niet bruikbaar. Tevens ontbreken de gewaarmerkte stukken op Ruimtelijkeplannen.nl, die deel uit zouden moeten maken van het (ontwerp)besluit.

In het besluit Ontwerpen-vvgb’s en ontwerpbesluiten zijn voorschriften opgenomen over het sociale woningbouwdeel en vergroening van het dak en de gevels van het L-gebouw en het Pleingebouw. Niet duidelijk is hoe deze voorschriften in het besluit over de ontwerpen-vvgb’s doorwerken in de reeds op 12 augustus 2022 verleende Omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. Immers, afwijken van de verleende bouwvergunning kan alleen zonder gevolgen indien: • de afwijkingen geen betrekking hebben op de straatzijde van het bouwwerk (zichtbaar vanaf de openbare weg), en • afwijkingen van de vergunning geen consequenties hebben qua welstandsaspecten, en • in het kader van de verleende bouwvergunning (waarvan nu wordt afgeweken) niet eerder procedures zijn gevoerd (zienswijze / bedenkingen / bezwaar / beroep) of geen procedure aanhangig of lopende is. Conclusie: De Ontwerpbesluiten vervangende omgevingsvergunningen zijn onzorgvuldig voorbereid. Beantwoording Het is correct dat de voorzieningenrechter van de Raad van State heeft overwogen dat de twee projecten niet op zichzelf staan en daarom niet afzonderlijk van elkaar kunnen worden gerealiseerd. Die beoordeling heeft de voorzieningenrechter gemaakt in het kader van de vraag of sprake is van een groot of klein plan in de zin van de “Regels kleine en grote plannen gemeente Bergen 2020”.

Volgens de voorzieningenrechter konden beide projecten in dat verband niet los van elkaar worden gezien. Daardoor is volgens de voorzieningenrechter sprake van een groot plan. Dat betekent dat een VVGB en een coördinatiebesluit nodig zijn in dit geval. 9

Uitgangspunt is dat het college moet beslissen op een aanvraag, zoals die wordt ingediend door de aanvrager. Dit betekent dat de aanvrager in beginsel zelf kan bepalen voor welke activiteit(en) hij een omgevingsvergunning aanvraagt. Een aanvrager kan er in beginsel dus voor kiezen om een project in meerdere delen (lees: voor afzonderlijke activiteiten) aan te vragen. De initiatiefnemer heeft duidelijk te kennen gegeven dat zij voornemens is beide projecten te realiseren. Realisatie van één van de twee projecten is volgens de initiatiefnemer niet financieel uitvoerbaar c.q. aantrekkelijk. Niettemin hebben enkele indieners van zienswijzen hun zorgen geuit over de situatie dat de initiatiefnemer toch maar een van de gebouwen realiseert. Vanwege de onderlinge samenhang van de gebouwen, bijvoorbeeld voor wat betreft het aspect parkeren of het te realiseren percentage sociale woningbouw, zou het enkel doorgang vinden van een van de twee gebouwen kunnen leiden tot een tekort aan parkeerplaatsen en/of het aantal sociale woningen.

Hoewel er geen reden is om te twijfelen aan het standpunt van de initiatiefnemer dat de realisatie van slechts één van de twee projecten financieel niet uitvoerbaar/aantrekkelijk is, is er voor gekozen om aan beide definitieve omgevingsvergunningen het voorschrift te verbinden dat het desbetreffende gebouw pas in gebruik mag worden genomen indien het andere gebouw conform de verleende vergunning is gerealiseerd en vice versa. Op deze manier wordt tegemoet gekomen aan de geuite zorgen van de indieners van de zienswijze en wordt daarmee ook formeel geborgd dat beide aangevraagde projecten in zijn totaliteit worden uitgevoerd. In de besluiten omtrent de verklaring van geen bedenkingen wordt het verbinden van deze voorwaarden eveneens opgenomen. De goede ruimtelijke onderbouwingen welke bij de aanvraag zijn ingediend maken onderdeel uit van de omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 van de ruimtelijke onderbouwingen worden de bouwplannen uitvoerig beschreven en weergegeven op tekeningen. Op de tekeningen zijn de bouwhoogten en -vlakken aangegeven. Ook worden de strijdigheden met het geldende bestemmingsplan benoemd en wordt een omgevingsvergunning aangevraagd om hiervan af te wijken. Hiermee is wel degelijk sprake van een toetsingskader.

Het is niet nodig om alle onderliggende stukken van de aanvraag op www.ruimtelijkeplannen.nl te publiceren. Op grond van artikel 2 lid 3 van de Regeling Standaarden Ruimtelijke Ordening 2008 dient uitsluitend de mededeling van het besluit tot verlening omgevingsvergunning hierop te worden gepubliceerd. Alle relevante onderliggende stukken hebben conform de wettelijke eisen ter inzage gelegen op het gemeentehuis. De eisen van vergroening van de gebouwen en het aandeel sociale huurwoningen zijn opgenomen in de ontwerp raadsbesluiten omtrent de verklaring van geen bedenkingen en worden meegenomen in de beslissing op bezwaar tegen de verleende omgevingsvergunningen voor de bouwactiviteit.

10

Conclusie De zienswijze leidt tot een aanpassing van de besluiten, in die zin dat daaraan voorwaarden worden verbonden over wanneer de gebouwen mogen worden gebruikt.

3. Niet passende bebouwing Zienswijze Bij de vaststelling van de Structuurvisie en het Haltermodel/Sck ging men er nog van uit dat de panden Breelaan 6 (Julie’s) en Jan Oldenburglaan 2 (Opticien) zouden worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Deze panden blijven echter bestaan en voor Julie’s komt nu een monstrueus rood bakstenen Pleingebouw van 15 meter hoog, waarvan de oppervlakte ook nog eens veel groter is dan in de Sck voorzien. Dat laatste geldt ook voor het pand op Breelaan 8 (Wokke). De voorgenomen ontwikkeling van het Pleingebouw tast qua architectuur het karakter van dit deel van het centrum aan; het is te hoog, te groot en te dominant voor de betreffende locatie en staat aan de oostzijde te dicht op bestaande bebouwing. De bouwhoogte is ook geen logisch vervolg van bouwhoogtes in de directe omgeving (Wokke, Duetz en rest van de Jan Oldenburglaan). Het legt de omliggende gebouwen belangrijke delen van de dag door het jaar heen in de schaduw en degradeert de ligging als prominente zichtlocatie. Er wordt derhalve onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de eigenaren en exploitanten van de naastgelegen panden. Kortom de nadelige gevolgen van het ontwerpbesluit zijn onevenredig in verhouding tot de met dat ontwerpbesluit te dienen doelen.

Ook de voorgenomen ontwikkeling van het L-gebouw tast qua architectuur het karakter van dit deel van het centrum aan; ook dit pand is te hoog, te groot en te dominant voor de betreffende locatie, ook al doordat het de zuidelijke contouren van de Sck met ruim 7 meter overschrijdt. Conclusie: Het college houdt onvoldoende rekening met de belangen van derden en handelt in strijd met de stedenbouwkundige contourenkaart Mooi Bergen 2.0. De voorgenomen bebouwing past niet in de omgeving; heeft niets te maken met een dorpse schaal en is qua korrelgrootte niet afgestemd op de directe omgeving. Dit is in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Beantwoording Verwezen wordt naar hetgeen onder 1 is beschreven. Ook qua (hoogte)maten wordt voldaan aan hetgeen in de structuurvisie en het beeldkwaliteitskader is bepaald. Zo volgt uit het beeldkwaliteitskader dat de raad ter plaatse van het Pleingebouw streeft naar een markant (vrijstaand) gebouw met maximaal 4 bouwlagen. Ook het L-gebouw voldoet aan het uitgangspunt dat het gebouw maximaal 4 bouwlagen mag hebben. Hoewel het welstandsaspect formeel geen toetsingscriterium is in de aanvraag voor het afwijken van het

11

bestemmingsplan, wordt in dit verband wel worden opgemerkt dat de welstandscommissie de plannen heeft beoordeeld en akkoord bevonden. De bouwhoogten zijn zorgvuldig bepaald. In de eerste plaats corresponderen de hoogten met name met de centrale ligging en de ambitie om het (verblijfs)centrum beter te definiëren. Dit is passend in het centrumgebied. Omdat de welstandscommissie niet alleen kijkt naar de individuele gebouwen maar ook naar hoe deze in relatie staan tot de bestaande omgeving, dient te worden geconcludeerd dat sprake is van passende bebouwing. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de besluiten.

4. Horeca Zienswijze Met dit project wordt op het Dorpsplein maar liefst 820 m2 aan horeca toegevoegd. De onbeantwoorde vraag is of er (markt)ruimte is voor zoveel extra horeca, naast het toch al aanwezige grote areaal aan horeca in het centrum van Bergen. Het risico bestaat dat door toevoeging van zoveel horeca (andere) horecafuncties niet meer rendabel zullen zijn waardoor leegstand wordt veroorzaakt. Er zijn in de omgevingsvergunningen geen restricties voor terrassen opgenomen, zodat de voor publiek vrij toegankelijke verblijfsruimte op het toch al kleine Dorpsplein nog eens extra wordt verkleind en de horecafunctie extra wordt vergroot. Ook is onduidelijk hoe de bevoorrading dient plaats te vinden. Conclusie De gemeenteraad heeft niet onderkend dat er van een vrij toegankelijk verblijfsgebied op het Dorpsplein niet veel overblijft en door toevoeging van zoveel horeca mogelijk leegstand wordt veroorzaakt. Beantwoording De toevoeging van horeca in het centrum van Bergen sluit aan op het functionele streefbeeld zoals omschreven in de Structuurvisie Mooi Bergen 2.0. De inzet van de visie is om de kwaliteit van het centrumgebied te vergroten. Een onderdeel daarvan is het gebied in te vullen met winkels, voorzieningen en horeca, waarbij circa 3.000 tot 3.200 m2 extra commerciële ruimte toegevoegd kan worden.

In de Goede Ruimtelijke Onderbouwingen behorende bij de aanvragen is in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan op de behoefte, waaronder de horecafuncties. Hieruit blijkt dat er een behoefte is aan de aangevraagde horecafuncties. Bij de inrichting van de openbare ruimte zal de bevoorrading van de commerciële functies worden uitgewerkt. De bevoorrading vormt geen belemmering voor het bouwplan. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de besluiten. 12

5. Welstandsadviezen Zienswijze In de welstandsadviezen van 12 juli 2022 staat dat de bouwwerken voldoen aan het bestemmingsplan. Dat is apert onjuist. De bouwwerken voldoen niet aan het bestemmingsplan. En qua footprint ook niet aan de Structuurvisie en Stedenbouwkundige Contourenkaart. Het is niet aan de welstandscommissie om welstandsadviezen te geven die hiermee in strijd zijn. De bouwwerken zijn voorts niet als project, maar los van elkaar beoordeeld. Bij de bevindingen van het L-gebouw is te lezen dat de stedenbouwkundige van de gemeente aanwezig is als lid van het Q-team. Hij heeft de tekeningen nog niet vooraf gezien. De aanvrager meldt dat het geheel in twee aanvragen is gesplitst. Er ligt echter alleen 1 dossier, namelijk die van het L-gebouw voor 20 appartementen. Daarom wordt deze beoordeeld. In de presentatie zal het andere gebouw deels meegenomen worden. Dat wijst niet op een zorgvuldige beoordelingsprocedure. In de adviezen is ook niet beoordeeld of de bouwwerken in de omgeving passen. Het advies (L-gebouw) wordt afgesloten met vijf vragen waarop het antwoord ontbreekt. Conclusie De welstandsadviezen vertonen naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken dat het college deze niet aan zijn oordeel ten grondslag had mogen leggen.

Beantwoording Allereerst wordt opgemerkt dat het welstandsaspect geen onderdeel is van het toetsingskader van de aanvragen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, welke thans voorliggen. De toetsing aan redelijke eisen van welstand komt aan de orde in de aanvragen omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. De bouwplannen passen binnen het planologisch kader. Daarvoor dienen nu juist onderhavige afwijkingsvergunningen. De strijdigheid met het bestemmingsplan wordt opgeheven door met de omgevingsvergunningen hiervan af te wijken. In de welstandsadviezen wordt hierop gedoeld. De welstandscommissie toetst de bouwplannen overigens niet aan het bestemmingsplan, maar uitsluitend het uiterlijk van de gebouwen op zichzelf staand en in relatie tot de omgeving waaronder begrepen de onderlinge samenhang van het Plein en L-gebouw. Uit de welstandsadviezen blijkt dat beide gebouwen op dezelfde vergadering van 18 juli 2022 zijn beoordeeld en akkoord bevonden. Daaruit blijkt dat de gebouwen in samenhang zijn beoordeeld. Tevens blijkt uit de adviezen dat de vragen van de welstandscommissie meteen tijdens de vergadering door de architect zijn beantwoord. De beoordeling heeft zorgvuldig plaatsgevonden. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de besluiten.

13

6. Klimaatadaptatie Zienswijze Volgens de ruimtelijke onderbouwing is het belangrijk om in het ontwerp rekening te houden met periodes van aanhoudende hitte en droogte, maar ook van overvloedige regenval. Bijvoorbeeld middels ruimte voor verdiepte groenstroken (wadi’s) meer groen en het vasthouden van zoveel mogelijk hemelwater binnen het plangebied. Hoe deze maatregelen een plaats moeten vinden in het plangebied is een raadsel. Er verdwijnen juist bomen en onder het onbebouwde deel van het Dorpsplein komt een water ondoorlatende parkeergarage en daarop kunnen geen bomen worden geplant. In het ontwerp van de gebouwen is geen rekening gehouden met bijvoorbeeld een regenwatersysteem voor hergebruik van regenwater (verplicht in België). Conclusie Of en hoe klimaatadaptieve maatregelen een plek kunnen krijgen in het plangebied is onduidelijk. Beantwoording Voor wat betreft klimaatadaptieve maatregelen wordt opgemerkt dat het aantal m2 verharde oppervlakte niet vergroot, waardoor de hittestress eventueel zou kunnen toenemen. Daarbij worden de gevels en het dak van de gebouwen van groen voorzien. Dit is ook als voorwaarde in de omgevingsverguningen opgenomen.

In de ruimtelijke onderbouwing is hierover ook het volgende opgenomen: “Door een veranderend klimaat wordt het weer steeds extremer, hierdoor zullen periodes van aanhoudende hitte en droogte maar ook van overvloedige regenval vaker voor gaan komen. Het is belangrijk om hier in het ontwerp rekening mee te houden om ook in de toekomst een prettig leefklimaat te behouden. Klimaatadaptatie kan op tal van manieren. Denk bijvoorbeeld aan ruimt voor verdiepte groenstroken (bijv.wadi’s) en meer groen in zijn algemeenheid. Deze inrichtingsmaatregelen zijn effectief bij zowel wateroverlast als bij hittestress. Maar ook bijvoorbeeld holle of bolle straatprofielen kunnen water gecontroleerd leiden en bergen bij extreme neerslag. Door water in het plangebied te infiltreren wordt het rioolsysteem minder zwaar belast én houdt het plangebied een prettiger leefklimaat bij periodes van droogte. Vanuit een wateroogpunt is het belangrijk om zoveel mogelijk hemelwater vast te houden en te bergen binnen het plangebied. Het hoogheemraadschap heeft aangegeven graag mee te denken over een klimaat adaptieve inrichting. Voor onderhavig plan geldt dat klimaatadaptieve maatregelen mogelijk een plek kunnen krijgen in de openbare ruimte.” Het uitgangspunt is om zoveel mogelijk water binnen het plangebied te bergen dan wel te infiltreren.

Ook dit zal in de herinrichting van de openbare ruimte worden meegenomen. De inrichting van de openbare ruimte betreft een afzonderlijk traject en de invulling daarvan zal op een later tijdstip plaatsvinden vanuit de gemeente. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de besluiten.

14

7. Grondwater Zienswijze In de ruimtelijke onderbouwing van het L-gebouw wordt gesteld dat de parkeervoorziening tijdens de bouw, maar ook in de gebruiksfase gevolgen kan hebben voor de grondwaterstand en voor de eventueel omliggende percelen. Er zou door Tjaden adviesbureau voor grondmechanica een bouwputadvies opgesteld zijn, waarin ook een geohydrologisch onderzoek is opgenomen. Hieruit zou blijken dat als gevolg van de bemaling een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving van de bouwput optreedt. Er valt ook te lezen dat het volledige onderzoek is opgenomen in de bijlagen van de ruimtelijke onderbouwing. Zo'n bijlage is echter niet aangetroffen bij de stukken die ter inzage liggen of op Ruimtelijkeplannen.nl staan. Ook bij de stukken van de op 5 mei 2022 verleende omgevingsvergunningen is een dergelijk stuk niet aangetroffen. Er kan dus ook geen zienswijze op worden ingediend. De omliggende panden van het Pleingebouw zijn veelal op staal gebouwd en zijn dus extra vatbaar voor verzakking. Daarbij bevat de ondergrond zeer waarschijnlijk een veenlaag. De kans bestaat dat verlaging van het grondwaterpeil tot schade aan die panden zal leiden, zeker tijdens de bouwfase. Conclusie Het bouwputadvies ligt nergens ter inzage, zodat onbekend is wat de risico's van de verlaging van het grondwaterpeil zijn.

De ontwerpbesluiten vervangende omgevingsvergunningen zijn hierdoor onzorgvuldig voorbereid. Beantwoording Ten aanzien van de grondwaterstand is op 15 juni 2021 door Tjaden adviesbureau voor grondmechanica een bouwputadvies opgesteld, waarin ook een geohydrologisch onderzoek is opgenomen. Er wordt een parkeervoorziening gerealiseerd en in dat kader moet een geohydrologisch onderzoek worden uitgevoerd om de effecten van de kelderbak op de grondwaterstand te beoordelen. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van de bemaling een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving van de bouwput kan optreden. Omdat de kelder wordt aangelegd binnen grond- en waterkerende damwanden zullen de verlagingen in de omgeving beperkt zijn. Omdat de bodem overwegend uit zand bestaat en de verlaging van de grondwaterstand buiten de bouwput niet meer zal zijn dan enkele decimeters, zullen eventuele maaiveldzakkingen beperkt blijven tot minder dan 5 mm. Het volledige onderzoek is onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning. Het bouwputonderzoek ziet overigens op de technische uitwerking van het bouwplan en niet op de planologische afwijking van het bestemmingsplan. Aan de hand van dit advies is duidelijk dat het bouwplan veilig kan worden uitgevoerd en geen schadelijke effecten voor de omgeving met zich meebrengt.

Opgemerkt wordt dat indiener de tijd en de mogelijkheid heeft gehad om het bouwputadvies alsnog op te vragen bij de gemeente. Dit is niet gebeurd.

Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de besluiten.

15

8. Beeldkwaliteit Zienswijze De korte poot van het L-gebouw is gesitueerd in het plandeel Winkelhart-West (en dus niet in het plandeel Dorpsplein). Volgens de Structuurvisie en het Haltermodel gelden daar in het Basismodel andere uitgangspunten voor het bebouwingsbeeld. De korte poot van het Lgebouw is dus in het huidige ontwerp in strijd met de Structuurvisie en het Haltermodel. Voor het hele L-gebouw geldt sowieso de zuidelijke overschrijding van de contourenkaart met 7,80 meter en wordt zelfs de grens van het Basismodel-Plus overschreden. Daardoor is er geen ruimte voor de parkstrook. In afwijking van het Beeldkwaliteitskader is bij het Pleingebouw geen sprake van een bijzondere kapvorm, maar van een schijnkap. Noch is er sprake van afstemming met bebouwing in de Jan Oldenburglaan. Er is sprake van een plat dak met schuine randen en met de bebouwing op de Jan Oldenburglaan heeft het ontwerp al helemaal niets gemeen. Ook bij het L-gebouw is de hoofdvorm een plat dak en zijn de bovenste één tot twee bouwlagen niet opgenomen in een kapvorm. Conclusie: Het college handelt in strijd met eerder vastgesteld beleid en in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Beantwoording Met de ingediende plannen wordt juist bereikt wat met het haltermodel beoogd wordt. Middels de situering van de gebouwen ontstaat een echt plein.

Tussen dit plein gelegen ten westen van het L gebouw en ten zuiden van het Pleingebouw en het zogenaamde entree plein, blijft voldoende ruimte voor de zogenaamde ‘stang’ van de halter: de parkstrook. De welstandscommissie heeft de aanvragen, zoals hiervoor aangegeven, beoordeeld op zichzelf en in relatie tot de bestaande bebouwing. De welstandscommissie heeft hierbij tevens naar het beeldkwaliteitskader gekeken. De welstandscommissie heeft hierbij het volgende overwogen: “Samen met het gebouw aan de Dreef is ook dit gebouw op het plein in het centrum van Bergen besproken en beoordeeld. De details zijn zorgvuldig en consistent uitgewerkt. Volume, gevelcompositie en materiaalgebruik sluiten één op één aan op de eerder gepresenteerde versie. Het geheel voldoet aan redelijk eisen van welstand en past binnen de uitgangspunten van het BKP”. Wij sluiten ons aan bij dit advies en zijn mede op basis daarvan van mening dat beide plannen ook voor wat betreft de beeldkwaliteit voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de besluiten.

16

9. Parkeren Zienswijze Volgens de Parkeerbalans is de netto parkeerbehoefte van het Plein- en L-gebouw 81 parkeerplaatsen. Hierbij is een rekenfout gemaakt. Indien de berekening zou zijn toegepast met de juiste aanwezigheids-percentages voor de maatgevende zaterdagavond, komt de netto parkeerbehoefte uit op 88 parkeerplaatsen. Om dezelfde reden is er een tekort van 8 parkeerplaatsen in de geplande parkeergarage. De capaciteit moet 54 parkeerplaatsen zijn, in plaats van 46. Volgens het Bestemmingsplan Parkeren en de Nota Parkeernormen Bergen 2020 moet de parkeerbehoefte in principe op eigen terrein worden opgelost. De parkeergarage onder het Plein- en L-gebouw is géén openbare garage. Dat betekent, dat bezoekers er geen gebruik van kunnen maken. Dat levert een verhoging van de parkeerdruk in de nabijgelegen openbare ruimte op van 26 parkeerplaatsen. In de Nota Parkeernormen staat op welke wijze vrije parkeerplaatsen in de omgeving van een bouwplan mogen worden toegerekend aan dat bouwplan. Daarbij is de aanvrager van het bouwplan verplicht een recent door de gemeente geaccordeerd parkeeronderzoek uit te voeren. In de Ruimtelijke onderbouwing wordt dit inzicht niet geboden. Er zijn geen actuele gegevens aanwezig over de beschikbare parkeergelegenheid in de openbare ruimte in het centrum van Bergen.

Er wordt alleen vermeld dat “ … door de overmaat aan parkeerplaatsen voor vaste gebruikers in de parkeergarage wordt voldaan aan de parkeereis voor het bouwplan...“. Deze redenering is onjuist. De overmaat is namelijk niet beschikbaar voor de bezoekers van het Plein- en L-gebouw. Die 26 bezoekers zijn aangewezen op de openbare ruimte voor een parkeerplaats. Eerder weigerde het College om Lidl (Plein 29) een omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft toen geweigerd af te wijken van het bestemmingsplan Parkeren, omdat er op eigen terrein en in de openbare ruimte geen ruimte was voor nieuwe parkeerplaatsen. Daarnaast was volgens het College de parkeerdruk in Bergen centrum al erg hoog. Het tekort bedroeg daar ‘slechts’ 4-6 parkeerplaatsen. De Raad van State bevestigde in haar uitspraak van 3 augustus 2022 dat standpunt van het college. Conclusie: De extra parkeerdruk van 26 parkeerplaatsen als gevolg van het bouwplan op het Dorpsplein kan niet worden opgevangen in de openbare ruimte in het centrum. Het college handelt daarmee in strijd met het Bestemmingsplan Parkeren en de Nota parkeernormen Gemeente Bergen 2020. Dit is in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Beantwoording Voor het bouwplan is een parkeerbalans opgesteld conform de nota parkeernormen 2020 van de gemeente Bergen (NH).

Om in de parkeerbehoefte van het bouwplan te voorzien wordt gebruik gemaakt van de salderingsmogelijkheid uit de nota parkeernormen (dit komt erop neer dat 34,2 parkeerplaatsen van de oude inmiddels gesloopte bebouwing kunnen 17

worden gesaldeerd met de nieuwe parkeerbehoefte). Daarnaast wordt onder het L-gebouw een niet openbare parkeergarage gerealiseerd met 46 parkeerplaatsen. De parkeergarage is enkel bedoeld voor bewoners en andere vaste gebruikers van de commerciële ruimten van het L- en Pleingebouw, zoals de eigenaren en het personeel van de horeca inrichtingen en andere commerciële ruimten. In totaal leveren het L- en Pleingebouw een parkeerbehoefte van 77,8 parkeerplaatsen op. Het hiervoor toegepaste aanwezigheidspercentage voor de maatgevende zaterdagavond is ontleend aan de door de raad vastgestelde nota parkeernormen 2020. Hiermee zijn de juiste percentages aangehouden. Van de parkeerbehoefte van 77,8 benodigde parkeerplaatsen moeten voor de maatgevende periode 52,5 parkeerplaatsen in het openbaar gebied worden gerealiseerd. De parkeerdruk op de openbare ruimte in de bestaande situatie (34,2 parkeerplaatsen) mag vervolgens hiermee worden gesaldeerd, waardoor er een behoefte van 18,3 parkeerplaatsen resteert voor de maatgevende periode (zaterdagmiddag en zaterdagavond). Ten opzichte van de oude situatie is dus sprake van een toename van 18,3 parkeerplaatsen (afgerond: 19) die in de openbare ruimte moet worden opgevangen. Op basis van de nota parkeernormen mag een initiatiefnemer gebruik maken van niet gebruikte (openbare) parkeerplaatsen in de openbare ruimte.

De initiatiefnemer moet de beschikbaarheid hiervan wel aantonen met een parkeerdrukmeting. De parkeerbalans is opgesteld in de periode 2020 – 2022 waardoor een representatieve meting vanwege de destijds geldende covid maatregelen niet mogelijk was. Uit beschikbare metingen van de parkeerdruk in het centrum uit 2017 (bureau Telwerk, Haarlem november / december 2017) blijkt dat in de omgeving van het bouwplan (meer dan) voldoende reservecapaciteit beschikbaar is op de zaterdagmiddag, namelijk 21 parkeerplaatsen. In 2022, na afloop van de covid maatregelen is een nieuwe parkeerdrukmeting uitgevoerd (bureau Trajan; Haarlem; juni 2022). In deze rapportage is voor de maatgevende perioden voor de relevante straten de parkeerdruk bepaald en ook hieruit blijkt dat er ruim voldoende restcapaciteit beschikbaar is, namelijk 28 parkeerplaatsen op de zaterdagmiddag en 43 op de zaterdagavond. Er is hiermee dan ook sprake van een sluitende parkeerbalans conform de nota parkeernormen. Overigens is geen sprake van een gelijke situatie met de Lidl aan het Plein 29, omdat ten tijde van deze aanvraag een ander parkeerbeleid gold. In de parkeergarage wordt met het aantal van 46 parkeerplaatsen bewust een overcapaciteit gerealiseerd.

Deze overcapaciteit is gebaseerd op het ‘worst case scenario’ dat, naast de 25,4 parkeerplaatsen die minimaal moeten worden gerealiseerd voor de bewoners, de overige 20,6 parkeerplaatsen worden ingevuld door de andere vaste gebruikers van de commerciële ruimten. In totaal worden in de parkeergarage dan ook 46 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt de parkeerdruk in de openbare ruimte extra ontlast. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de besluiten. 18

10. Verkeersveiligheid Zienswijze Er is in de omgevingsvergunning voor het Pleingebouw geen restrictie voor winkeluitstallingen en terrassen opgenomen, waardoor de minimale obstakelvrije doorgangsbreedte van het trottoir ten westen van het voorziene Pleingebouw niet is gegarandeerd. De in-/uitrit van de voorziene parkeergarage kan tot een verkeersonveilige situatie leiden op de Jan Oldenburglaan. De in-/uitrit is te smal voor tweerichtingsverkeer. Ingaande auto’s zullen dus op de Jan Oldenburglaan moeten wachten op uitgaande auto’s. Door het smalle wegprofiel moeten fietsers (uit twee richtingen) hier ook op wachten. Het zicht voor uitgaand verkeer wordt bovendien beperkt door geparkeerde auto’s. Conclusie: De onoverzichtelijke situatie kan leiden tot een verkeersonveilige situatie. Dit is in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Beantwoording Het college dient op de ingekomen aanvragen een besluit te nemen. Een terras of winkeluitstalling is geen onderdeel van de aanvraag en valt daarom buiten het beoordelingskader. Daarnaast wordt een eventueel gewenst terras of winkeluitstalling gereguleerd middels een vergunningsplicht op grond van de Algemene plaatselijke verordening (Apv) en het geldende bestemmingsplan. Een restrictie op terrassen en winkeluitstallingen in de omgevingsvergunningen is daarom niet nodig en niet aan de orde.

Ten aanzien van de in-/uitrit van de voorziene parkeergarage wordt voorop gesteld dat de ontsluiting daarvan gebeurt via een bestaande in-/uitrit, welke momenteel wordt gebruikt voor de bevoorrading van winkels. Het dichtstbijzijnde parkeervak is op ongeveer 4.00 meter van de reeds aanwezige uitweg gelegen. Tussen de uitweg en het parkeervak ligt bovendien een andere uitweg behorende bij het naastgelegen pand. De beoogde uitweg van het plan wordt nu ook al gebruikt om het achterliggende gebied met de auto te bereiken. Door de afstand van het parkeervak tot de uitweg is er voldoende zicht op verkeer op de Jan Oldenburglaan. Ook fietsers die vanuit de richting van de Breelaan komen zijn voldoende zichtbaar. Het kan incidenteel voorkomen dat een voertuig dat de uitweg in moet rijden, moet wachten op voertuigen die de uitweg verlaten. Een stilstaand voertuig op de weg waar fietsers langs moeten rijden is minder gevaarlijk dan op de rest van de Jan Oldenburglaan waar fietsers rijdende auto’s moeten passeren binnen dezelfde wegbreedte. Een vergelijkbare situatie met meer stilstaand autoverkeer doet zich nu al voor bij de aansluiting van de Jan Oldenburglaan met de Breelaan, waar het verkeer vanaf de Jan Oldenburglaan voorrang moet verlenen aan het verkeer op de Breelaan. In de parkeergarage wordt ook een verkeerslicht geplaatst om te voorkomen dat auto’s elkaar ‘tegenkomen’.

De auto in de garage wacht totdat de andere auto in de garage is en kan vervolgens naar buiten rijden. 19

Er is ter plaatse van de in- en uitrit van de parkeergarage daarom geen sprake van een onoverzichtelijke of een verkeersonveilige situatie. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de besluiten.

11. Stikstofdepositie Zienswijze De beoordeling of een plan of project met stikstofuitstoot vergunning plichtig is, wordt gedaan in de Voortoets Stikstof. In het rapport ‘Voortoets stikstof’ van 20 juli 2021 zijn de effecten van de depositie op de Natura 2000-gebieden beoordeeld en geanalyseerd. Voor de analyse is een berekening gemaakt met behulp van AERIUS. De conclusie in het rapport van destijds was dat voor de stikstof een vergunning van de Wet natuurbescherming nodig is. Deze ontbreekt echter tot op heden. En dat terwijl er destijds geen rekening is gehouden met de stikstofdepositie van de later mechanisch gesloopte opstallen (o.a. Bakemaflat) en er onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van de parkeergarage. Bovendien is de bouwvrijstelling in november 2022 vervallen en zijn er nieuwe versies van de AERIUScalculator verschenen. Een actuele Voortoets met AERIUS-berekening voor de omgevingsvergunning ontbreekt echter, zodat onbekend is of een Passende Beoordeling nodig is en de activiteit vergunning plichtig is. De procedure voor de natuurtoestemming is niet aangehaakt, noch is door het college onderzocht of geborgd dat deze separaat aanhangig is bij het bevoegd gezag (provincie). Conclusie: De Ontwerpbesluiten vervangende omgevingsvergunningen zijn hierdoor onzorgvuldig voorbereid. Beantwoording Uit de geactualiseerde Aeriusberekening d.d.

2 november 2024 blijkt dat het aspect ‘stikstof’ geen belemmering vormt, waardoor aan de Wet natuurbescherming wordt voldaan. Er is daarom geen gevaar voor schade aan het nabij gelegen Natura 2000 gebied. De stikstofdepositieberekening is gemaakt met behulp van de meest actuele Aerius Calculator (versie 2024.0.1) voor de bouwfase en de gebruiksfase van de ontwikkeling. Uit de berekening en de daarbij behorende notitie volgt de volgende conclusie: “De overschrijdingen van de gebruiksfase/ de tijdelijke bouwfase worden met interne saldering c.q. inzet van de referentie tenietgedaan. Er wordt een afname van 0,19 mol N/ha/jr. aangetoond, zie projectberekening. Hiermee zijn significante negatieve effecten voor de natuur uit te sluiten en kan worden geconcludeerd dat er geen natuurvergunning nodig is.” 20

Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de besluiten.

12. Onttrekkingsbesluit Zienswijze Volgens de bekendmaking in de Gemeentekrant van 28 juni jl. ligt ook het ontwerpbesluit tot het onttrekken aan de openbaarheid (art. 9 lid 1 Wegenwet) vanaf 1 juli 2024 ter inzage. De gemeenteraad heeft een dergelijk ontwerpbesluit nog helemaal niet genomen. Zonder ontwerpbesluit is niet duidelijk wanneer die gronden aan de openbaarheid zullen worden onttrokken. In de periode tot het moment waarop de afwijkings- en bouwvergunningen onherroepelijk zijn en de bouw een aanvang gaat nemen, zijn grote delen van het Dorpsplein dus geen openbaar gebied meer. En die periode kan heel lang zijn. Komen er dan hekken omheen? Mag die grond dan nog worden betreden? Het zal u in het licht van al het bovenstaande ook niet verbazen dat het onttrekkingsbesluit sowieso een veel te groot grondgebied aan de openbaarheid onttrekt, omdat de contouren van het Plein- en L-gebouw de grenzen van de Sck / Basismodel verregaand overschrijden. Conclusie: Er is geen ontwerpbesluit tot het onttrekken aan de openbaarheid door de gemeenteraad genomen. Beantwoording Uit deze zienswijze leiden wij af dat er onduidelijkheid lijkt te bestaan over de wijze waarop de gemeentelijke coördinatieregeling uit afdeling 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) werkt en wordt toegepast.

Om dit te verduidelijken, volgen hieronder eerst de (meest) relevante bepalingen uit de Wro over de gemeentelijke coördinatieregeling. Artikel 3.30 lid 1a Wro luidt: 1. Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat: a. de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd, of Artikel 3.31 Wro luidt: 1. In door de gemeenteraad met toepassing van artikel 3.30 aangewezen gevallen bevorderen burgemeester en wethouders een gecoördineerde voorbereiding van de bij of krachtens dat artikel aangeduide besluiten. Burgemeester en wethouders kunnen andere bestuursorganen verzoeken de medewerking te verlenen, die voor 21

het welslagen van de coördinatie nodig is. Met het oog hierop zendt een bestuursorgaan dat bevoegd is op een aanvraag voor een dergelijk besluit te beslissen hun onverwijld een afschrift van die aanvraag. 2. Ten aanzien van aanvragen als bedoeld in het eerste lid, zijn burgemeester en wethouders mede bevoegd deze in te dienen bij de bevoegde bestuursorganen. 3. Op de voorbereiding van besluiten als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat: a. burgemeester en wethouders ten aanzien van de ontwerpen van de besluiten gezamenlijk toepassing kunnen geven aan artikel 3:11, eerste lid, van die wet en de kennisgevingen, bedoeld in artikel 3:12 van die wet voor verschillende onderwerpen kunnen samenvoegen in een kennisgeving, die door burgemeester en wethouders wordt gedaan; b. de ontwerpen van besluiten binnen een door burgemeester en wethouders in overeenstemming met het desbetreffend bevoegd gezag te bepalen termijn worden toegezonden aan burgemeester en wethouders, die zorg dragen voor de in artikel 3:13, eerste lid, van die wet bedoelde toezending; c. zienswijzen door een ieder naar voren kunnen worden gebracht; d. in afwijking van artikel 3:18 van die wet de besluiten worden genomen binnen een door burgemeester en wethouders in overeenstemming met het desbetreffend bevoegd gezag te bepalen termijn; e.

de besluiten onverwijld worden toegezonden aan burgemeester en wethouders; f.

burgemeester en wethouders beslissen over de toepassing van artikel 3:18, tweede lid, van die wet;

g. de in artikel 3:44 van die wet bedoelde toezending tevens geschiedt aan burgemeester en wethouders. De raad heeft op 20 juni 2024 op grond van artikel 3.30 lid 1a Wro besloten om de voorbereiding en bekendmaking van de twee aanvragen omgevingsvergunning voor het Plein- en L-gebouw te coördineren met het besluit tot het onttrekken van de weggedeelten aan de openbaarheid. Nu de raad hiertoe heeft besloten vloeit uit artikel 3.31 Wro voort dat het college vervolgens de te coördineren ontwerpbesluiten ter inzage dient te leggen. Uit de gemeentelijke coördinatieregeling van de Wro volgt niet dat de raad vooraf al een ontwerpbesluit dient te nemen. Na het van toepassing verklaren van de coördinatieregeling door de raad is het college dus op grond van de Wro bevoegd om het ontwerpbesluit tot de onttrekking van de weggedeelten aan de openbaarheid, gecoördineerd met de ontwerpbesluiten tot afwijken van het bestemmingsplan ter inzage te leggen. Voor de goede orde wordt hierbij opgemerkt dat het ontwerpbesluit tot de onttrekking aan de openbaarheid 22

destijds als bijlage in het raadsvoorstel ten behoeve van het coördinatiebesluit was opgenomen. De raad heeft van dat ontwerpbesluit kennis genomen. De raad zal het definitieve besluit vervolgens ook zelf nemen. Het gebied dat aan de openbaarheid wordt onttrokken komt overeen met de bebouwde oppervlakte van het L- en Pleingebouw. Het ontwerp onttrekkingsbesluit betreft dus alleen het gebied dat noodzakelijkerwijs moet worden onttrokken aan de openbaarheid om de beide gebouwen te realiseren. Van een te groot gebied dat zou worden onttrokken, zoals in deze zienswijze wordt gesteld, is dus geen sprake. De gebouwen voldoen aan het door de raad vastgestelde beleid. Het is inderdaad ongewenst en ook niet nodig om de weggedeelten al aan de openbaarheid te onttrekken, terwijl de omgevingsvergunningen nog niet onherroepelijk zijn. Om deze reden wordt in het besluit als opschortende voorwaarde gesteld dat de onttrekking aan de openbaarheid pas plaatsvindt op het moment dat de vervangende omgevingsvergunningen onherroepelijk zijn. Conclusie De zienswijze leidt tot een aanpassing. In het besluit wordt als opschortende voorwaarde gesteld dat de onttrekking aan de openbaarheid pas plaatsvindt op het moment dat de vervangende omgevingsvergunningen onherroepelijk zijn.

13. Participatie Zienswijze In de door het college gekozen en gevolgde procedure m.b.t. de huidige ontwikkeling van dit plandeel ontbreekt elke vorm van bewonersparticipatie. Gezien de voorgeschiedenis van planontwikkelingen in het centrum is dit onaanvaardbaar. Het doet bovendien geen recht aan de wens van de gemeenteraad (participatiebeleid) en inwoners om inwonersparticipatie te organiseren bij dergelijke grote en beeldbepalende ontwikkelingen die het hele dorp aangaan. Het afblazen van het bouwproject volgens het ontwerp van architectenbureau de Zwarte Hond voor de invulling van het Dorpsplein uit 2017 is kennelijk geen aanleiding geweest voor het college om dit nieuwe ontwerp met inwoners te bespreken. Daarover zijn in de Structuurvisie Mooi Bergen 2.0 wel afspraken gemaakt. Deze afspraken over burgerparticipatie zijn bij de huidige ontwerpen van het Plein- en L-gebouw niet nagekomen. Beantwoording De uitgangspunten en randvoorwaarden in de richtinggevende beleidsdocumenten (structuurvisie, BKK) waaraan de aanvragen onder meer worden getoetst zijn met participatie in de vorm van bijeenkomsten en klankbordgroepen tot stand gekomen. Mede gelet op het feit dat de aanvragen voldoen aan de uitgangspunten in deze documenten bestond er geen aanleiding voor nadere participatie. Ook de gemeentelijke

23

Participatieverordening Bergen 2021 bevestigt dat in dit geval geen nadere participatie was vereist. Niettemin zijn voorafgaand aan het indienen van de aanvragen diverse overleggen geweest met het bestuur van de bewonersvereniging. Tevens zijn door initiatiefnemer in het najaar van 2021 video’s online gezet (vanwege Corona) met de uitnodiging voor een ieder te reageren op de plannen. De video’s zijn circa 1600 keer bekeken. In de uitwerking en ontwerpen is waar mogelijk rekening gehouden met de wensen van de bewonersvereniging. De initiatiefnemer heeft op de vergadering van de bewonersvereniging ook een toelichting gegeven over de plannen. Het bestuur heeft hierbij uitgesproken positief en tevreden te zijn, mede omdat veel van de wensen waren verwerkt. In juni 2022 heeft een inloopmiddag en -avond plaatsgevonden. Hierbij waren ondernemers, BBC-leden en andere belangstellenden welkom. Deze inloop is gezamenlijk door de initiatiefnemer en de bewonersvereniging georganiseerd. De aanvragen zijn op 4 november 2021 ingediend. Destijds hebben de ontwerpvergunningen reeds eerder voor een periode van 6 weken voor een ieder ter visie gelegen ten behoeve van het indienen van zienswijzen. In dat kader heeft dus een volledige vorm van participatie plaatsgevonden waarop een ieder heeft kunnen reageren.

Destijds is een beperkt aantal van 9 zienswijzen ingediend en zijn vervolgens de definitieve omgevingsvergunningen verleend. Tegen de vergunningen is daarna door 1 partij inhoudelijk beroep ingesteld. Ook gezien het verloop van dit eerdere zienswijze traject in 2021 met een beperkt aantal zienswijzen, was er geen aanleiding voor nadere participatie. Op grond van het vorengaande geldt dat zowel informeel (in de vorm van gesprekken met de bewonersvereniging en een inloopavond voor een ieder) als formeel (in de vorm van een zienswijzenperiode) de mogelijkheid is geboden voor participatie. Hiermee is voldaan aan de wettelijke verplichting. Dat de indiener van de zienswijze liever meer inspraak had willen hebben is voor te stellen, maar er is voldaan aan de eisen die de wet aan de voorbereiding van de plannen heeft gesteld. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de besluiten.

B. Zienswijzen nr. 563 t/m 598 – identieke zienswijzen Zienswijze De vergunningen zijn op onderdelen onzorgvuldig voorbereid; zijn op meerdere punten strijdig met het door de gemeenteraad vastgesteld beleid en zijn op meerdere onderdelen strijdig met een goede ruimtelijke ordening.

Beantwoording 24

De zienswijze is niet nader geconcretiseerd. Er kan worden verwezen naar de eerdere beantwoording onder A met betrekking tot het door de gemeenteraad vastgestelde beleid, de goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van de besluiten. Conclusie De zienswijzen leiden niet tot een aanpassing van de besluiten.

C. Zienswijzen nr. 599 t/m 685 (unieke zienswijzen) Nr. 599 Stichting Woonbelang NextGen Bergen (NH) Zienswijze De gemeente heeft bij het opstellen van het plan zorgvuldig en transparant gehandeld. Er is rekening gehouden met de behoeften en betrokkenheid van de inwoners en met de juridische en ruimtelijke kaders. Indiener is uiterst positief over het plan en roept op om het aantal van 12 sociale woningen in het plan te handhaven. Indien sociale huur financieel niet mogelijk is wordt voorgesteld om van deze 12 woningen een deel om te zetten naar sociale koopwoningen. Er is behoefte aan betaalbare woningen voor jongeren en middeninkomens in Bergen. Het centrum van de dorpskern Bergen moet weer bruisen. De sociale woningbouw in dit plan is voor jonge Bergenaren de kans om hun wooncarrière in het centrum te starten. Dè plek van de drukte en gezelligheid. Daarnaast verzoekt indiener om een inspanningsverplichting bij de toewijzing van de geplande 29 woningen door deze toe te wijzen aan Bergenaren die een woning achterlaten (bevordering doorstroming) of aan Bergenaren die starten op de woningmarkt. Beantwoording De positieve zienswijze op het bouwplan wordt voor kennisgeving aangenomen. In het ontwerpbesluit omgevingsvergunning is als voorwaarde reeds opgenomen dat er 12 sociale huurwoningen conform de doelgroepenverordening worden gerealiseerd.

Deze woningen zijn gemaximeerd tot de huurprijsgrens. Het met voorrang toewijzen van deze woningen aan Bergenaren die een woning achterlaten is geen aspect dat in de ruimtelijke beoordeling kan worden meegenomen. De toewijzing van de sociale huurwoningen aan inwoners van Bergen met voorrang wordt via de huisvestingsverordening gereguleerd. De initiatiefnemer heeft daarnaast aangegeven bereid te zijn om de vrije sector appartementen als eerste toe te wijzen aan inwoners van de gemeente Bergen. Conclusie De zienswijze op het bouwplan leidt niet tot een aanpassing van de besluiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/5375/documents/44030