bij 1.a Toelichting BP - Bestemmingsplan Bobbeleweg 11 Schoorl - T.pdf
Tekst van het document
Dat wil zeggen dat de planontwikkeling dusdanig gering van omvang is dat een nader onderzoek naar de huidige en toekomstige luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.
4.2 Geluid Regelgeving In 1979 is de Wet geluidshinder (Wgh of wet) in werking getreden. De Wgh is erop gericht om de geluidshinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai te voorkomen of te beperken. Deze wet is op 1 januari 2007 voor het laatst gewijzigd. Ter ondersteuning van de Wgh beslaat ook het Besluit geluidshinder (Bgh), om de regels ter uitvoering van de WGH vast te stellen. Daarbij is voor (spoor)wegverkeerslawaai overgestapt op de Europese dosismaat Lday-evening-night (Lden), In de wet wordt Lden aangegeven in decibel (dB).Voor industrie is de dosismaat Letmaal (Letm) van toepassing. Beide dosismaten zijn ‘A-gewogen’: ze houden rekening met het menselijk oor. De Wgh geeft aan dat akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd indien het planvoornemen een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestande geluidsbron. Op grond van deze wet geldt voor nieuw te bouwen woningen een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Als geluid beperkende maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn, kan het bevoegd gezag een hogere waarde vaststellen tot maximaal 53 dB. Het Besluit geluidshinder, behorende bij deze wet, is het geluidsplafond (gpp) aangegeven. Onderzoek De planontwikkeling is niet gelegen binnen een zone langs een weg. Ook andere geluidzones zijn in de omgeving niet aanwezig.
Daarnaast is de planlocatie gelegen aan een weg waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur én is deze weg ‘doodlopend’, waardoor er geen doorgaand verkeer is. Uitvoerbaarheid Om de bovenstaande redenen is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar de te verwachten geluidbelasting dan ook niet noodzakelijk.
32
4.3 Externe veiligheid Regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van risico’s voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen geldt het beluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Onderzoek Om de externe veiligheidsrisico’s van de planlocatie te onderzoeken is op 17-06-2022 de risicokaart van het Interprovinciaal Overleg geraadpleegd. Analyse van de risicokaart wijst uit dat er in de directe omgeving van de planlocatie geen risico’s zijn om rekening mee te houden:
Uitsnede risicokaart met op de rode stip de planlocatie Verder ligt de planlocatie niet in de invloedsfeer van waterwegen, opslagplekken van gevaarlijke stoffen of vervoer door een buis. Externe veiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is afkomstig uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en Besluit Buisleidingen en Externe Veiligheid. De regelgeving is gekoppeld aan de Wet ruimtelijke ordening. Uitvoerbaarheid De ontwikkeling bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. De herbestemming laat geen nieuwe risicovolle activiteiten toe. Er kan worden volstaan met het weergeven van het wettelijk kader voor externe veiligheid.
33
4.4 Ecologie De Flora- en faunawet beschermt diersoorten en plantensoorten die in het wild voorkomen. Alles wat schadelijk is voor beschermde soorten is verboden. Het gaat hierbij om de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van plant- en diersoorten (soortbescherming). Van belang zijn: de Natuurbeschermingswet (met daarin de Habitatrichtlijn ) en de Provinciaal Ecologische Hoofdstructuur. Gebiedsbescherming wordt voornamelijk geregeld in de Natuurbeschermingswet. Projecten die in de nabijheid van Beschermde Natuurmonumenten (inclusief Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben en of zij verstoring zullen veroorzaken. Alle activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning (ex art. 2.1, eerste lid, onder a t/m h, ex art. 2.2 en ex art. 2.1, eerste lid, onder i, jº art 2.2a Bor.) is vereist, kunnen samenlopen met handelingen waarbij ook een toestemming op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig is. Daarbij gaat het om handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden (artikel 2.2aa, onder a Besluit omgevingsrecht) en/of handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten (artikel 2.2aa, onder b Besluit omgevingsrecht).
Voor handelingen in strijd met de bescherming van Natura 2000-gebieden kan op grond van artikel 2.7, lid 2 Wnb een vergunning nodig zijn. Voor handelingen met betrekking tot de soorten bescherming kan op grond van artikel 3.3, lid 1 / artikel 3.8, lid 1 en/of artikel 3.10 Wnb een ontheffing nodig zijn. In dat geval moet de omgevingsvergunning ook betrekking hebben op het aspect natuur. Wanneer natuur aanhaakt bij de omgevingsvergunning dient de uitgebreide procedure gevolgd te worden. Via een verzoek van de gemeente aan het bevoegd gezag wordt Wnb-toestemming gevraagd. Deze toestemming (verklaring van geen bedenkingen; kortweg vvgb) is een instemming van een ander bestuursorgaan voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Zonder deze verklaring kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning niet verlenen. De wettelijke basis voor de verklaring van geen bedenkingen is artikel 2.27 Wabo. De planaanvrager (initiatiefnemer) kan er ook voor kiezen om een afzonderlijke Wnb-toestemming bij het bevoegd gezag aan te vragen. De aanhaakplicht bij de omgevingsvergunning is niet van toepassing als voorafgaand aan de aanvraag om omgevingsvergunning al een aanvraag Wet natuurbescherming is ingediend. Voor de omgevingsvergunning kan de reguliere Wabo-procedure gevolgd worden.
Onderzoek Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau heeft een toetsing in het kader van de natuurwetgeving (Schoorl_Bobbeleweg 11_QS_v4.pdf) uitgevoerd. Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau heeft een AERIUS berekening (Schoorl_Bobbeleweg 11_Aerius.pdf) uitgevoerd. Conclusies quickscan: - Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. -
Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.
34
-
Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’.
-
In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.
-
Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Buizerd, Ransuil, Sperwer), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.
-
Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen.
-
In de bebouwing en de bomen rondom het plangebied kunnen mogelijk vleermuizen verblijven. Tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen dat ’s nachts felle verlichting aan blijft staan, zodat eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied niet worden verstoord.
-
Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken.
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving - Gezien de ligging van het plangebied nabij BPL-nummer 62 “Noord Kennemerland” is een toetsing van de gevolgen van dit plan voor de effecten op de kernkwaliteiten in het BPL mogelijk aan de orde. Aanbevolen wordt hierover vooroverleg te voeren met het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. -
Tijdens de werkzaamheden wordt niet met kunstlicht gewerkt, worden geen werktuigen gebruikt met hard geluid en wordt trillingsarm gewerkt, onder meer middels het gebruik van schroefheipalen. Derhalve wordt verwacht dat er geen (schadelijke) effecten optreden aan Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen.
-
Het geplande project leidt ook tot verhoogde emissie van stikstof. Er wordt separaat een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Deze analyse wordt separaat aangeleverd, inclusief de bijbehorend .pdf-bestanden.
35
Conclusie AERIUS berekening: - De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen is 0,10 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt mogelijk een vergunning plichtig percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen. Er is mogelijk sprake van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. -
Gezien de werkzaamheden betreft de hoogste bijdrage van het project de tijdelijke inzet en het tijdelijke effect van mobiele werktuigen. Deze tijdelijke effecten zijn vaak gemakkelijker op te vangen door de natuurlijke fluctuaties binnen het natuurgebied of eventueel herstelbeheer, dan effecten van permanente activiteiten.
-
Bij (interne) saldering van het bestaande gebruik op de referentiedatum blijkt dat de huidige projectbijdrage de aanlegfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd. Hiermee is aangetoond dat een aanvraag voor Wnb-vergunning niet nodig is.
-
In de gerealiseerde bebouwing wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing (vrijwel) geen stikstof meer geëmitteerd. De transitie van oude bebouwing met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing in dit project draagt daarmee bij aan de gewenste permanente daling van stikstof op kwetsbare natuurgebieden.
-
Bij de berekening van de aanlegfase is rekening gehouden met een specifieke inzet van mobiele werktuigen en bijbehorende draaiuren. Indien hier (significant) van wordt afgeweken is de berekening niet meer representatief voor het te verwachten effect op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden.
-
De AERIUS-berekening ten tijde van het toetsingsmoment is bepalend. Het toetsingsmoment in AERIUS voor een bedrijfswijziging is het moment van realisatie van de bedrijfswijziging. Effecten van een latere wijziging in AERIUS hebben hier geen effect op. Voor bedrijven is het van belang om de AERIUS-berekening te bewaren.
-
Conclusies omtrent dieren of hun leefgebied en/of gebieden die beschermd zijn onder de Wnb zijn omschreven in een gelijktijdig uitgevoerde quickscan.
-
Voor nieuwbouw wordt geadviseerd om natuurinclusief te bouwen, zie https://www.checklistgroenbouwen.nl/ voor de mogelijkheden.
Uitvoerbaarheid Zie voor uitgebreidere conclusies de rapporten van Van der Goes en Groet onderzoeks- en adviesbureau. In aanvulling hierop wordt er tijdens de werkzaamheden niet gewerkt met kunstlicht, en wordt met het oog op de nabijheid van Natura2000 gebied geluids- en trillingsarm gewerkt; zo wordt onder andere met (elektrische) schroef-heipalen gewerkt. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het beoogde plan.
36
4.5 Hinder van bedrijven Regelgeving Op grond van de Wet milieubeheer zijn bedrijven en instellingen verplicht om te voldoen aan de eisen van een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), dan wel een omgevingsvergunning milieu te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende bebouwing. Door middel van milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder voor hindergevoelige functies, zoals woningen en andere gevoelige functies, zo veel mogelijk voorkomen. Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven binnen aanvaardbare voorwaarden mogelijk gemaakt zich te ontwikkelen of te vestigen. Met andere woorden, ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad; de rechtspositie van betrokkenen moet worden gehandhaafd.
In de omgeving van de planlocatie zijn een tweetal relevante ‘bedrijven’ gevestigd, het betreft: - Dopersduin, Oorsprongweg 3 te Schoorl, groepsaccommodatie - Buitencentrum Schoorlse Duinen, Oorsprongweg 1 te Schoorl, bezoekerscentrum Conclusie: Op basis van de VNG-Richtlijn ‘Bedrijven en milieuzonering’ geldt voor beide bedrijven een richtafstand van 300 meter voor wat betreft het aspect geluid. De kortste afstand van beide bedrijven tot de planlocatie is 320 meter. Om die reden is geluidhinder van deze bedrijven dan ook niet te verwachten.
4.6 Bodemkwaliteit Regelgeving Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. Onderzoek Van de locatie zelf en in de directe omgeving is geen bodemonderzoek beschikbaar. In dit stadium is derhalve alleen globaal iets aan te geven over de geschiktheid van de bodem voor het voorgenomen gebruik, op basis van de bodemkwaliteitskaart, en eventuele historisch verdachte activiteiten op of in de omgeving van de locatie.
Op basis van de Bodemkwaliteitskaart van de Regio Alkmaar (2015) is de locatie ingedeeld in deelgebied B6/O5, “Overige woongebieden, bedrijven en buitengebied”. De kwaliteit van de boven- en ondergrond op onverdachte locaties is hier gemiddeld gelijk aan klasse Landbouw en Natuur. In het historisch bodembestand zijn op en in de directe omgeving van de locatie geen meldingen opgenomen.
37
Uit bestudering van (historisch) kaartmateriaal op topotijdreis blijkt dat er geen bijzonderheden zijn aangetroffen die een negatieve invloed kunnen hebben op de bodemkwaliteit. Bij een aanvraag omgevingsvergunning is op grond van het gestelde in de Wabo, de Woningwet, artikel 2.4 van de Mor en artikel 2.1.5. van de Bouwverordening een bodemonderzoek conform NEN-5740 vereist. Uitvoerbaarheid Uit het onderzoek blijkt dat de bodem op basis van de beschikbare informatie naar verwachting geschikt is voor het beoogd gebruik van wonen met tuin. Er zijn derhalve geen belemmeringen aanwezig voor de voorgenomen functiewijziging. De aanvrager zal een bodemonderzoek indienen voor de omgevingsvergunning bouwen. Het vooronderzoek zal conform NEN 5725 worden uitgevoerd. Daarnaast zal er conform NEN 5740 een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Als blijkt dat er een redelijk vermoeden van asbestverontreiniging is, zal er ook een onderzoek volgens de NEN 5707 worden uitgevoerd. De onderzoeken zullen gedaan worden na het slopen van de bestaande recreatiewoningen.
4.7 Archeologie en cultuurhistorie Ter implementatie van het verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden. Deze nieuwe wet maakt deel uit van de (gewijzigde) monumentenwet. De kern van de WAMZ is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De WAMZ verplicht gemeenten rekening te houden met de in de bodem aanwezige waarden en bescherming te bieden aan deze waardevolle gebieden. Onderzoek Op basis van verschillende bureauonderzoeken van de Stichting Steunpunt Cultureel Erfgoed NoordHolland is een algemene beleidskaart opgesteld voor de gehele gemeente Bergen, waarin de verschillende archeologische regimes zijn opgenomen. Dit betekent dat bij werken en werkzaamheden in de bodem eerst archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd, voordat de werken en werkzaamheden kunnen starten. Afhankelijk van de verwachtingen zijn de verschillende regimes opgesteld. Uit de beleidskaart blijkt dat voor de planlocatie regime II van toepassing is. Dit betekent dat bij grondroerende werkzaamheden dieper dan 35 centimeter binnen een planomvang van 50 m2 of groter met de aanwezigheid van archeologische waarden rekening gehouden dient te worden. Lycens BV heeft een bureauonderzoek (2023-0967_Schoorl_Bobbelweg_v01.pdf) uitgevoerd.
Conclusies bureuonderzoek Gezien de hoge archeologische verwachting binnen het plangebied is de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem hoog. In eerst instantie wordt geadviseerd een booronderzoek uit te voeren in het plangebied om te bepalen in hoeverre de bodem intact is en of archeologische resten verwacht kunnen worden. Aan de hand van de resultaten van dit booronderzoek kan bepaald worden of vervolgonderzoek nodig is. Eventueel vervolgonderzoek kan bestaan uit extra karterende boringen en/of een proefsleuvenonderzoek. 25 Bureauonderzoek (BO) Schoorl, Bobbeleweg 11ZA en 11ZB 21 maart 2024 Voor het geadviseerde archeologisch vervolgonderzoek (archeologisch booronderzoek) dient een PvA te worden opgesteld. Met betrekking tot de aanbevelingen/bevindingen uit onderhavig onderzoek dient contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Bergen. Ook in vrijgegeven delen van het plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2024 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
38
Uitvoerbaarheid Zie voor uitgebreidere conclusies het bureauonderzoek (2023-0967_Schoorl_Bobbelweg_v01.pdf) van Lycens BV.
4.8 Kabels en leidingen Bij ruimtelijke ingrepen dient de initiatiefnemer rekening te houden met planologisch relevante kabels en leidingen. Onder planologisch relevante kabels en leidingen wordt verstaan: Hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; Buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; Buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; Buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; Buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. In of rondom het projectgebied zijn geen (ondergrondse) hoogspanningsleidingen aanwezig. In paragraaf 4.3 is al eerder geconstateerd dat er geen buisleidingen in het kader van het Besluit externe veiligheid buisleidingen aanwezig zijn. Er zijn derhalve geen kabels en/of leidingen aanwezig waar in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening mee gehouden moet worden.
4.9 Waterhuishouding Regelgeving In de waterparagraaf van een ruimtelijke ontwikkeling wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In deze paragraaf wordt uiteengezet in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding en de waterveiligheid, dat wil zeggen het grondwater, het oppervlaktewateren de aanwezige waterkeringen. Het is de schriftelijke weerslag en de zogenaamde watertoets. Het doel van de watertoets is het waarborgen dat de waterhuishouding doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan de aspecten waterhuishouding en waterveiligheid. Watertoets Via de Digitale Watertoets is aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) gevraagd een reactie te geven op het plan aan de Bobbeleweg 11 (zie bijlage). In dit advies staan de maatregelen opgenomen die HHNK adviseert om wateroverlast te voorkomen en het water in de sloten schoon te houden. Op basis van de door de aanvrager ingevoerde gegevens heeft HHNK aangegeven dat het plan een beperkte invloed heeft op de water- huishouding.
Beleid Hoogheemraadschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen.
39
Verharding en compenserende maatregelen Uit de gegevens blijkt dat er geen of slechts in zeer beperkte mate sprake is van de toename van de verharding. De aan te brengen verharding is minder dan 800 m² en daarom is het niet noodzakelijk om een berging in het plan op te nemen voor hemelwater. Hiernaast hoeft er geen gescheiden systeem aangelegd te worden en is het niet nodig om compenserende maatregelen uit te voeren. Waterkwaliteit en riolering Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die tot gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Uitvoerbaarheid Bij de uitvoering van het planvoornemen wordt er geen extra belasting gelegd op de waterhuishouding en waterveiligheid, derhalve is het plan op het gebied van water uitvoerbaar. Er wordt minder dan 800 m² aan verharding aangebracht en daarom is het niet noodzakelijk om een waterberging voor hemelwaterafvoer aan te leggen.
4.10 Parkeren Het plan betreft een vrijstaande woning op een kavel. Het parkeren kan en zal volledig op eigen terrein plaatsvinden. Er zijn ruime mogelijkheden op het perceel voor parkeren. Daarmee wordt voldaan aan het parkeerbeleid en leidt het nieuwe plan niet tot een extra parkeerbehoefte.
4.11 Verkeer Inrichting De inrichting van de wegen binnen het plangebied zijn als volgt: • wegen conform het wegencategoriseringsplan (wegennetvisie), dit betekent voor erftoegangswegen 30km/h en voor ontsluitingswegen 50 km/uur; • Bobbeleweg zelf is smal waarbij het passeren van twee auto’s mogelijk is mits er gebruik van de berm gemaakt wordt. Ontsluiting De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Bobbeleweg. De Bobbeleweg gaat naast het perceel over in een fietspad en is dus voor al het verkeer met uitzondering van fiets-, brom- en snorverkeer doodlopend. De Bobbeleweg is via meerdere straten te ontsluiten. Verkeersdruk Aangezien het een vrijstaand woonhuis betreft, ontstaat er geen extra verkeersdruk op het bestaande wegennetwerk.
4.12 Duurzaamheid De gemeente Bergen heeft sinds het midden van de jaren negentig een actief energiebeleid gevoerd. In het Klimaatbeleids- en uitvoeringsplan van Bergen wordt uiteengezet welke ambities de gemeente heeft met betrekking tot klimaatbeleid, welke activiteiten zullen worden uitgevoerd om deze ambities te realiseren en wie welke taken uitvoert. Dit resulteert onder meer in het stimuleren van duurzaam bouwen en verbetering van de energieprestatie (EPC) van gebouwen door middel van voorlichting en communicatie aan bouwpartijen. Met name grotere bouwprojecten krijgen bijzondere aandacht en er wordt aandacht besteed aan het gebruik van passieve zonne-energie in planontwikkeling (zongerichte
40
verkaveling) en het gebruik van lage temperatuurverwarming, zonnecellen, zonneboilers en warmtepompen. Het bouwplan aan de Bobbeleweg 11 sluit aan op het duurzaam bouwen zoals de gemeente Bergen dit omschrijft. Zo heeft het voorgestelde bouwwerk energielabel A+++, wat voortvloeit uit de BENG berekening. Er wordt hierbij aan de hand van een zonneboiler en zonnepanelen op een duurzame wijze energie opgewerkt. Door middel van een grond-water warmtepomp wordt thermische energie uit de bodem gehaald waarmee het bouwwerk verwarmd en verkoeld kan worden. Middels ventilatietype D (mechanische toe- en afvoer) en een WTW systeem wordt het gebouw op een gezonde en duurzame wijze geventileerd.
4.13 Bezonning Het gepresenteerde plan leidt niet tot grote wijzigingen in bezonning van de omgeving.
4.14 Windonderzoek Het gepresenteerde plan staat niet in de buurt van een windmolen of een ander bouwwerk wat grote hoeveelheden wind genereert en is daarom niet aan de orde.
4.15 Geur Het gepresenteerde plan betreft geen veehouderij of dergelijke functie waarbij (ongewenste) geur een grote rol speelt. Het is daarom niet nodig om hier verder op in te gaan.
4.16 Niet gesprongen explosieven Zover bekend is, zijn er geen ‘niet gesprongen explosieven’ aanwezig. Daarom wordt er in deze toelichting niet verder op in gegaan.
4.17 Milieu effectrapportage Een Milieu Effectrapportage is niet nodig omdat het om een kleinschalig bouwwerk gaat.
41
Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid Onderhavig bouwplan betreft een aangewezen bouwplan in het kader van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening. Verzekering van het kostenverhaal of het stellen van locatie-eisen is anderszins verzekerd. Het plan omvat hiernaast geen verhaalbare kosten zoals bedoeld in artikel 6.2.1. a Bro. Daarnaast is geen exploitatie overeenkomst gesloten. Het bouwplan wordt volledig gebouwd en geëxploiteerd voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Ambtelijke kosten worden via leges verhaald. Alle andere kosten, verbonden aan de onderhavig planvoornemen zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer.
5.1 Planschaderisicoanalyse Aangezien het om een particuliere woning, ruim opgesteld en op degelijke afstand van eventuele buren gaat, is een planschaderisicoanalyse niet nodig. Het bouwplan gaat uitsluitend om de verplaatsing van een bouwrecht van een woning binnen hetzelfde perceel.
Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voorbereidingsfase Vooroverleg Conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de wettelijke overlegpartners. In dat kader zal hen het concept ontwerpbestemmingsplan voor advies worden toegezonden. De eventuele ontvangen overlegreacties worden betrokken bij de verdere procedure. Inspraak Op grond van de Wet ruimtelijke ordening is inspraak mogelijk, dit is echter niet verplicht. De gemeente kan op basis van haar gemeentelijke inspraakverordening beslissen het bestemmingsplan voor inspraak vrij te geven. Gezien de aard, schaal en ligging van het project is besloten om in dit geval geen inspraakprocedure te voeren. Eventuele reacties kunnen ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend in de vorm van zienswijzen. Ontwerpfase De formele bestemmingsplanprocedure start met de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening is op de voorbereiding van een bestemmingsplan het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, voor een periode van 6 weken ter inzage dient te leggen. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen naar voren brengen. Van de eventueel ontvangen zienswijzen wordt te zijner tijd in deze paragraaf verslag gedaan. Het plan lag 6 weken ter inzage vanaf 27 december 2023. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Vaststellingsfase Na de ter inzage legging neemt de gemeenteraad een besluit over de vaststelling van het bestemmingsplan en neemt daarbij ook een standpunt in met betrekking tot eventueel ingediende zienswijzen. Vervolgens wordt het vaststellingsbesluit en het bestemmingsplan voor zes weken ter inzage gelegd.
42