CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 1 2021-06-15 BP Parck de Beeck.pdf

Commissie Bestemmingsplannen 15 juni 2021, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 5: Voorstel betreft het vaststellen van het bestemmingsplan Parck de Beeck Bergen18.078 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5

Verkennend natuuronderzoek BSV te Bergen, Sweco Nederland BV, 12 februari 2021 Pagina 22 van 56

Milieu- en omgevingsaspecten

belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Het plangebied ligt op circa 1 km afstand van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ‘Noordhollands duinreservaat’ en ‘Schoorlse duinen’. De Nederlandse Wet Natuurbescherming vormt de implementatie van de beschermingsregels uit de hiervoor genoemde Europese richtlijnen. Aan de basis van dit beschermingsregime ligt een vereiste van het doen van een specifieke toets vooraf ten aanzien van plannen en projecten die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het gebied. Om de zekerheid te verkrijgen dat, de ontwikkeling binnen, dit bestemmingsplan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten is specifiek gekeken naar de gevolgen die zowel de aanleg als het gebruik kunnen hebben. Daarbij wordt onderscheidt gemaakt tussen de gevolgen van stikstofdepositie en andere mogelijke aantastingen. Stikstofdepositie.

Stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige, soorten binnen, habitattypes in een Natura 2000-gebied kan een significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Om de stikstofemissie in de aanlegfase en gebruiksfase te bepalen zijn stikstofberekeningen met het programma Aerius uitgevoerd6. Uit deze berekeningen volgt dat de maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen 0,04 mol/ha/jaar bedraagt op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. Voorwaarde is dat in de aanlegfase wordt gewerkt conform de uitgangspunten in het onderzoek, waaronder de inzet van materieel van minimaal Stage klasse IV. Op basis van de resultaten van het onderzoek is een aanvraag ingediend om aanspraak te maken op stikstofdepositieruimte uit het Stikstofregistratiesysteem. Dit systeem komt erop neer dat in een register voor elke locatie (per hexagon) van voor stikstof gevoelige habitas in elk Natura 2000-gebied de positieve effecten van maatregelen in de vorm van een reductie van stikstofdepositie worden geregistreerd. Bij vergunningverlening is dan, onder de voorwaarden behorende bij dit stikstofregistratiesysteem, verzekerd dat tegenover een toename van stikstof (vanwege het voorgenomen project) ook een afname van stikstof (afkomstig uit het registratiesysteem) staat.

Op 16 oktober 2020 is door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend waarmee de ruimte binnen het registratiesysteem is toegekend. De Wnb-vergunning die is verleend door Gedeputeerde Staten ziet op het project. Niet op het plan. Voor het plan zou, wanneer slechts wordt gekeken naar de uitslag van de Aerius-berekening, een passende beoordeling moeten worden gemaakt nu niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het plan significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Op de verplichting om een passende beoordeling op te stellen bestaat een uitzondering voor gevallen waarin het plan een herhaling of een voortzetting is van een plan of project waarvoor reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren. Aan de Wnb-vergunning die door Gedeputeerde Staten is verleend ligt een passende beoordeling ten grondslag. Deze Wnb-vergunning is éénop-één ingepast, wat wil zeggen dat het bestemmingsplan niet meer mogelijk maakt dan het project waarvoor de Wnb-vergunning is verleend. Aan de voorwaarde dat de Wnb-vergunning onherroepelijk dient te zijn bij vaststelling van het bestemmingsplan wordt voldaan.

Het feit dat inmiddels het Aerius rekenmodel is geupdate en dat, niet significant is geschoven in invulling van het plan maakt niet dat niet redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat geen nieuwe gegevens of inzichten kunnen worden opgeleverd bij het doen van een nieuwe passende beoordeling. Over het feit dat bestemmingsplan de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden niet zal aantasten bestaat voor dit onderdeel aldus de benodigde zekerheid.

6

Onderzoek stikstofdepositie BSV Bergen, Sweco Nederland BV, 7 april 2020 Pagina 23 van 56

Milieu- en omgevingsaspecten

Andere mogelijke aantastingen Geluid en beweging die met werkzaamheden, gepaard gaan reiken enkele honderden meters ver. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. Daarmee is ook voor dit onderdeel afdoende verzekerd dat het bestemmingsplan niet zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen in een gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN kent geen externe werking. Het uitvoeren van een nee, tenzij-toets is niet noodzakelijk Het plangebied ligt bovendien ruim buiten de verstoringsafstand van habitat voor weidevogels (weidevogelleefgebied), namelijk ca. 2 kilometer, en er is geen relatie met habitat voor weidevogels. Tevens ligt het plangebied niet in de omgeving van ganzenfoerageergebieden. Er vindt binnen het kader van de voorgenomen ontwikkelingen geen aantasting van habitat voor weidevogels of ganzenfoerageergebieden plaats.

Het uitvoeren van een nee, tenzij-toets is niet noodzakelijk. Soortenbescherming Algemene vogels zoals kunnen broeden in de bomen en bosschages in het plangebied. Alle in Nederland voorkomende broedvogels zijn beschermd gedurende het broeden. Bij uitvoering van verstorende werkzaamheden in het zomerhalfjaar (ca. half maart – half juli) is een check op aanwezigheid van nesten of nestindicerende vogels nodig. Het plangebied is potentieel geschikt als vaste nest- en rustplaats (jaarrond beschermd nest) voor sperwer en ransuil. Mogelijk zullen enkele bomen worden gekapt. Met het kappen van bomen kan mogelijk verstoring optreden en kunnen vaste nest- en verblijfplaatsen verloren gaan, wat een overtreding van artikel 3.1 lid 2 van de Wet natuurbescherming is. Het plangebied is potentieel geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Met het slopen van de bebouwing treedt verstoring op en gaan mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen verloren, wat een overtreding van artikel 3.5 lid 2 en lid 4 van de Wet natuurbescherming is. Om de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen in het plangebied vast te stellen dient een onderzoek, conform het Vleermuizenprotocol 2021, naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in de periode half april tot eind september te worden uitgevoerd. Het plangebied is potentieel geschikt als leefgebied voor kleine marters.

Met de ontwikkeling van het plangebied gaat mogelijk leefgebied van de bunzing en wezel verloren, hetgeen een overtreding is van artikel 3.10, lid 1. Om de aan- dan wel afwezigheid van kleine marters in het plangebied vast te stellen dient een onderzoek conform het protocol van het bevoegd gezag in de periode mei t/m augustus te worden uitgevoerd. Negatieve effecten op beschermde planten, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden zijn uitgesloten. Binnen het plangebied komen enkele beschermde – doch in de provincie NoordHolland vrijgestelde – soorten amfibieen en grondbebonden zoogdieren voor. Voor deze soorten geldt een meldplicht bij het bevoegd gezag en de zorgplicht. Zonder melding bij het bevoegd gezag geldt de vrijstelling niet en is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. De zorgplicht houdt in dat de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Er vindt nader onderzoek plaats naar jaarrond beschermde nesten van vogels, verblijfplaatsen van vleermuizen en kleine marterachtigen.

De soortenbeschermingskaders uit de Wet natuurbescherming staan niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Eventuele

Pagina 24 van 56

Milieu- en omgevingsaspecten

ontheffingen op grond van de Wet natuurbescherming die nodig zijn voor het uitvoeren van het plan worden op voorhand verleenbaar geacht en staan de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

4.7

Verkeer en parkeren

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan inzicht te geven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en parkeren. Betekenis voor het project Verkeer Door middel van verkeersonderzoek7 zijn de verkeerskundige effecten van ontwikkelingen die zijn voorzien in Bergen - Oost in kaart gebracht. Centraal in het te ontwikkelen gebied in Bergen – oost ligt het Molenweidtje. Aan de Zuidzijde van het Molenweidtje sluit deze aan op de Kerkedijk die aansluiting geeft op de Koninginneweg/ Landweg; een van de hoofdontsluitingsroutes van Bergen. Aan de noordzijde sluit het Molenweidtje aan op de Churchilllaan. De Churchilllaan sluit ook aan op de eerder genoemde Koninginneweg/Landweg.De Kerkedijk loopt ten zuiden van het plangebied door en gaat over in de Baakmeerdijk. Dit is een belangrijke (recreatieve) fietsverbinding richting Alkmaar. Buiten de kom is dit een smalle (landelijke) weg. Binnen de kom heeft de Kerkedijk ook een smal profiel waarbij de weg aan beide zijden een bomenrij heeft. De Churchilllaan is relatief breed.De Kerkedijk heeft een minder breed profiel en kent een historisch karakter. Het landgoed “Elzenhoeve”aan de Noordzijde van het plangebied sluit aan via het noordelijk deel van het Molenweidje op de Churchilllaan. De vanaf het landgoed in oostelijke richting lopende Zuidlaan is te smal voor verkeer in twee richtingen.

Door de geringe hoeveelheid verkeer op dit gedeelte van de Zuidlaan ontstaan er daardoor nu nog geen grote problemen. Het Molenweidtje zelf heeft een nogal divers profiel. Een groot gedeelte is éénrichtingsverkeer en ter hoogte van de Europese school zit er een knik in de weg om ruimte te maken voor een parkeerterrein. Naar verwachting zal het verkeer in het gebied toenemen als gevolg van de ontwikkelingen in Bergen Oost. Om daarbij de historische Kerkedijk te ontzien, is in de structuurvisie bepaald dat het verkeer naar en van de te ontwikkelen gebieden in de toekomst voornamelijk via de Churchilllaan wordt geleid. Hiervoor wordt het Molenweidtje voor tweerichtingsverkeer ingericht en wordt een ‘knip’ in het Molenweidtje aangebracht. Auto’s kunnen deze knip niet passeren. Op 20 mei 2021 heeft de gemeenteraad besloten om deze definitieve knip aan te brengen in het Molenweidtje voor auto- en vrachtverkeer, ter plaatse van de aansluiting van het Molenweidtje op de Kerkedijk. De appartementengebouwen ten noorden van MFA De Beeck zullen via het Molenweidtje worden ontsloten. De woningen op het BSV-terrein zullen als enige ontwikkeling in Bergen Oost op de Kerkedijk worden ontsloten. Dit betreft circa 692 motorvoertuigen per etmaal. Verkeer van en naar het voetbalcomplex van BSV reed ook al via deze route.

Daarnaast komt er een langzaamverkeersontsluiting (tevens calamiteitenontsluiting) op de Oudtburghweg. Alle overige potentiële ontwikkelingen in het gebied worden aangesloten op het Molenweidtje. In het plangebied zijn momenteel drie voetbalvelden aanwezig. Van een voetbalveld zijn geen kengetallen bekend om de verkeersgeneratie te berekenen. Daarom is de verkeersgeneratie bepaald aan de hand van parkeernormen. De parkeernorm die een voetbalveld het dichtste benadert is die van een sportveld. Een voetbalveld heeft een netto oppervlakte van 0,72 ha. De parkeernorm van een sportveld bedraagt op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid op deze locatie 27 parkeerplaatsen per netto hectare terrein. Uitgaande van drie voetbalvelden, twee ritten per auto en een turnover (De turnover is het aantal maal dat een parkeerplaats per etmaal wordt benut) van drie, resulteert dit in een maximale verkeersgeneratie van ongeveer

7

Verkeerskundige effecten ontwerp structuurvisie Bergen – Oost, Gemeente Bergen, 20 mei 2020 Pagina 25 van 56

Milieu- en omgevingsaspecten

350 verkeersbewegingen per etmaal op een weekdag. De piek ligt hierbij met name in het weekend. De verkeersbewegingen op de overige dagen zullen beperkt zijn. De woningbouw op het BSV-terrein leidt tot een verkeersgeneratie van circa 692 motorvoertuigen per etmaal. De twee appartementengebouwen ter plaatse van het voormalige uitvaartcentrum leiden tot circa 220 motorvoertuigen per etmaal. De wegen waarop beide plandelen worden ontsloten hebben voldoende capaciteit om het verkeer op een goede wijze te verwerken. Parkeren Het plangebied valt binnen de Nota Parkeernormen 2020 binnen het gebied ‘rest bebouwde kom’. In onderstaande tabel is de parkeerbalans opgenomen. Woningen Sociale huur appartementen Sociale huur woningen grondgebonden Vrije sector huurappartementen Goedkope koop woningen TOTAAL Tabel 2: Parkeerbalans

Aantal Parkeernorm Parkeerplaatsen 66 1,4 93 10 1,6 16 44 1,4 62 32 2,0 64 152 235

In het stedenbouwkundig plan zijn conform bovenstaande opgave voldoende parkeerplaatsen voorzien. In de algemene bouwregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning voor bouwen uitsluitend verleend kan worden als in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien.

4.8

Geluid wegverkeer

Op grond van de Wet geluidhinder dient de geluidbelasting afkomstig van geluidgezoneerde wegen op de nieuwe woningen (geluidgevoelige bestemmingen) te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden. Betekenis voor het project De wegen die langs het plangebied lopen hebben een maximum snelheid van 30 km/uur. Het plangebied is niet gelegen binnen een geluidzone op grond van de Wet geluidhinder. Ook de wegen die binnen het plangebied aangelegd worden krijgen een maximum snelheid van 30 km/uur. Gelet op de lage verkeersintensitiet op de wegen in en om het plangebied kan op voorhand gesteld worden dat sprake zal zijn van een aanvaardbare geluidbelasting.

4.9

Luchtkwaliteit

Op basis van wetgeving die bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit' kunnen ruimtelijkeconomische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan:  grenswaarden niet worden overschreden;  de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft;  het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit;  het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Pagina 26 van 56

Milieu- en omgevingsaspecten

Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen;  kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. Betekenis voor het project De ontwikkeling van het plangebied bevat de realisatie van minder dan 1.500 woningen. Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat onderzoek naar luchtkwaliteit voor de ontwikkeling die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet nodig is en dat de ontwikkeling niet bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de informatie die beschikbaar is via de Monitoringstool NSL blijkt dat de jaargemiddelde concentraties fijn stof en stikstofdioxide in 2017, 2020 en 2025 langs wegen in de nabijheid van het plangebied onder de 35 µg/m³ liggen. Ter plaatse van het gehele plangebied zal dan ook worden voldaan aan de grenswaarden omdat de concentraties luchtverontreinigende stoffen afnemen naarmate een locatie verder van de weg ligt. Met betrekking tot luchtkwaliteit is in het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.10

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen:  bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt;  transportroutes (wegen, waterwegen, spoorwegen) waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd;  ondergrondse buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor LPG-tankstations geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen tevens de circulaire effectafstanden externe veiligheid lpg-tankstations. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen waterwegen is het wettelijk kader vastgelegd het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De normen voor ondergrondse buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb).

Betekenis voor het project In het kader van het bestemmingsplan is het aspect externe veiligheid onderzocht. Een toets aan de Risicokaart heeft uitgewezen dat in de nabijheid van de ontwikkeling zich geen inrichtingen met gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Ten oosten van het plangebied bevindt zich de N9. Op de N9 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De maatgevende stofcategorie betreft GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied valt niet in het invloedsgebied van de N9. Ten westen van het plangebied zijn verschillende buisleidingen gelegen. Het grootste invloedsgebied hiervan bedraagt 430 meter, dit raakt het plangebied niet. De ontwikkeling in het plangebied wordt niet belemmerd door het aspect externe veiligheid.

Pagina 27 van 56

Milieu- en omgevingsaspecten

4.11

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:  woonfuncties nabij bestaande en opvolgende bedrijvigheid zijn alleen mogelijk als ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd  bestaande bedrijven worden niet onevenredig geschaad in hun bedrijfsvoering. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. Betekenis voor het project De VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ geeft indicatieve afstanden tussen bedrijven/functies en woningen met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Binnen gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.

Een gemengd gebied is volgens de VNG-brochure een gebied met matige tot sterke functiemenging. Op de onderhavige locatie en de omgeving is sprake van gemengd gebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse functies aanwezig. De te (her)bouwen multifunctionele accommodatie (MFA) met zwembad De Beeck ligt in de nabijheid van de te realiseren woningen. Met betrekking tot milieuzonering is het zwembad binnen de MFA maatgevend. Voor het (binnen)zwembad geldt een richtafstand van 50 meter tot woningen. Geluid is hierbij het maatgevende aspect. Met de te realiseren woningen wordt aan deze richtafstand voldaan. Aan de noordwestzijde van het plangebied zijn de tennisbanen van BSV gesitueerd. Het betreft een kleinschalig complex met 4 banen. In de VNG-brochure is voor tennisbanen (met verlichting) een richtafstand van 50 meter aangehouden. Met de te realiseren woningen wordt aan deze richtafstand voldaan. Ten noorden van het plangebied is een begraafplaats aanwezig. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter tot woningen. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Ten westen van MFA De Beeck is een afvalbrengstation gesitueerd. Voor deze functie geldt een richtafstand van 50 meter tot woningen. Aan deze richtafstand wordt voldaan. In het plangebied ligt nu aan de rand van de locatie van BSV-voetbal een UMTS zendmast.

Deze zendmast zal verplaatst worden naar een locatie waarbij geen woningen in de invloedssfeer van deze mast liggen. De aanwezige functies in de omgeving staan een goed woon- en leefklimaat in het plangebied niet in de weg.

4.12

Duurzaamheid

De gemeente Bergen neemt verantwoordelijkheid in het klimaat-en energievraagstuk en ziet duurzaamheid als een kans voor economische groei. In dat verband wil de gemeente energieneutraal worden en zullen alle nieuw te realiseren vastgoedobjecten aan die ambitie moeten voldoen en waar mogelijk een stapje verder gaan.

Pagina 28 van 56

Milieu- en omgevingsaspecten

Betekenis voor het project Op het gebied van energie, klimaatadaptatie, circulaire econo zijn in de structuurvisie Bergen Oost de volgende doelstellingen opgenomen: - 49% CO2 reductie in 2030 - 50% reductie elektriciteit en aardgas in 2050 - 100% aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050 - 20% energiebesparing; - CO2-afvang; - Geen gasaansluiting bij de realisatie van nieuwbouwwoningen; - Stimulering van het plaatsen van zonnepanelen op daken van grootschalige gebouwen en/of overkappingen van parkeerplaatsen; - Realisatie van Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG); - Realisatie van nul op de meterwoningen; - Vergroting van de laadinfrastructuur en stimuleren van het gebruik van de fets; - meer opwekking van duurzame energie (vooral wind-, en zonne-energie; in lijn met Regionale Energie Strategie). Op het gebied van klimaatadaptatie gelden voor het project de volgende doelstellingen: - Gescheiden rioolstelsel; - Opslag van hemelwater; - Afkoppelen daken en verharding op oppervlaktewater; - Meer loofbomen i.v.m. wateropslag; - Ontharding openbare ruimte; Op het gebied van een circulaire economie gelden voor het project de volgende doelstellingen: - Afval is grondstof; - Voldoende ruimte voor milieuparkjes; - Maak gebouwen van duurzame materialen; - Steun de lokale economie.

Op het gebied van gezondheid gelden voor het project de volgende doelstellingen: - Meer ruimte om te bewegen in de buitenruimte; - Meer groen ter voorkoming van hittestress; - Vergroting van de biodiversiteit in de groene buitenruimte; - Bundeling van sportclubs om de toekomstbestendigheid te bevorderen. Bij de verdere uitwerking van de structuurdragers en de ontwikkelingslocaties zijn deze doelstellingen belangrijke toetsingscriteria. Deze zullen in één van de vervolgstappen concreter uitgewerkt worden om als randvoorwaarde te fungeren voor de mogelijke transformatie van de ontwikkellocaties en het toekomstbestendig maken van de structuurdragers. Nieuw te bouwen projecten moeten voldoen aan de volgende ambities: - Natuurinclusief - Omgevinginclusief - Principes van circulariteit (te denken valt aan flexibele bouw en bio-based bouw) - Te alle tijden ten minste te voldoen aan het laatst vastgestelde gemeentelijk en provinciaal beleid ten aanzien van duurzaamheid. Voor het onderhavige plan is het uitgangspunt om zogenaamde “nul op de meter woningen” te realiseren. Dit betekent dat het netto energiegebruik tot nul wordt gereduceerd. Dit uitgangspunt gaat dus verder dan de wettelijke BENG-eis (bijna energieneutraal). Dit gebeurt door slim gebruik te maken van energiebesparende en energieopwekkende voorzieningen als zonnepanelen, warmtepompen en zonneboilers.

De daken van de gebouwen worden voorzien van zonnepanelen. Tevens zullen zonnepanelen worden geplaatst op overkappingen boven de parkeerplaatsen. De woningen worden niet aangesloten op het gasnet. Uitgangspunt is circulaire bouw en toepassing van houtbouw.

Pagina 29 van 56

Milieu- en omgevingsaspecten

4.13

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In Nederland is het verplicht om de effecten op het milieu volwaardig onderdeel te laten zijn van de voorbereiding en de besluitvorming over ruimtelijke plannen. Daarvoor is in de Wet milieubeheer de methodiek van de milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is niet direct m.e.r. beoordelingsplichtig op basis van het onderdeel ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Echter, omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is in feite een beknopte opsomming van de beoordeling van de ontwikkeling op verschillende milieuaspecten. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer). Betekenis voor het project Uit het natuuronderzoek en het onderzoek naar stikstofdepositie, zoals beschreven in paragraaf 4.6 blijkt dat de ontwikkeling naar verwachting geen invloed heeft op Natura 2000-gebieden. De voorgenomen ontwikkeling is ook niet direct m.e.r.

beoordelingsplichtig op basis van het onderdeel ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Echter, omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht. Door middel van een aanmeldnotitie8 is hier invulling aan gegeven. Hieruit volgt dat de omvang van het project ver onder de drempelwaarde ligt en de kenmerken van de activiteiten (sloop, herinrichting van het gebied en bouw van de woningen) en de mogelijke gevolgen voor het milieu als gevolg van deze activiteiten geen aanleiding geven voor het opstellen van een milieueffectrapportage.

4.14

Conclusie milieu- en omgevingsfactoren

Uit bovenstaande paragrafen kan worden geconcludeerd dat er vanuit de verschillende milieuen omgevingsaspecten geen belemmeringen bestaan voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling in het plangebied.

8

Aanmeldnotitie m.e.r. Parck De Beeck, Sweco Nederland BV, 15 maart 2021 Pagina 30 van 56

Juridische planbeschrijving

5

Juridische planbeschrijving

5.1

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

5.2

Verbeelding

De verbeelding geeft de bestemmingen van de gronden aan. Deze bestemmingen corresponderen met de artikelen in de regels, zoals beschreven in paragraaf 5.4. Op de verbeelding staan de symbolen en maatvoeringen waarbij in de planregels is opgenomen wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn. Er is gezocht naar een goede balans tussen voldoende rechtszekerheid en enige mate van flexibiliteit voor de uitwerking van het plan.

5.3

Planregels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit zijn de inleidende bepalingen van de regels en hier komen de onderstaande artikelen in voor.  Artikel 1: Begrippen Dit artikel geeft de betekenis aan een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie van de begrippen vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot.  Artikel 2: Wijze van meten Het tweede artikel geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Deze artikelen bevatten de regels welke direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. De bestemmingen zijn hieronder beschreven.

Pagina 31 van 56

Juridische planbeschrijving

 Artikel 3: Groen De hoofdgroenstructuur is bestemd als Groen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw en overkapping zijnde worden gebouwd. Met een binnenplanse afwijking kan één gebouw worden toegestaan voor een collectief door de bewoners in het plangebied te gebruiken voorziening. Het maximum oppervlak van dit gebouw bedraagt 25 m2, de maximale bouwhoogte 5 m.  Artikel 4: Verkeer De hoofdverkeerstructuur is bestemd als Verkeer. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd en overkappingen voor zover deze worden gebouwd boven parkeerplaatsen en indien deze voorzien worden van zonnepanelen op de daken. De bouwhoogte van deze overkappingen mag ten hoogste 3 m bedragen;  Artikel 5: Water De hoofdwaterstructuur aan de rand van het BSV-terrein is als Water bestemd. In de praktijk zal een groter oppervlak aan water gegraven worden dan het oppervlak dat als Water is bestemd.  Artikel 6: Wonen Voor de gronden waar de woningen zijn voorzien is de bestemming Wonen opgenomen. De bestemmingsvlakken met bouwvlakken zijn iets ruimer opgenomen ten opzichte van het stedenbouwkundig plan omdat de precieze positie van de woningen nog iets kan wijzigen. Het maximum aantal woningen is per bestemmingsvlak op de verbeelding weergegeven. Dit geldt ook voor de maximale goot- en bouwhoogte.

De maximale oppervlakte van de hoofdgebouwen is in de regels vastgelegd. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan met uitzondering van gelijktijdig met het hoofdgebouw gebouwde bergingen. De gronden achter de voorgevel van het bouwperceel dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van de inwerkingtreding van dit plan. Vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt hiermee voorkomen. Dit is gedaan om vergroting van de woningen te voorkomen waarmee deze passend blijven bij de voorziene doelgroep. Een tweede overweging is de stedenbouwkundige wens om het gebied een zo groen mogelijk karakter te houden. Een derde overweging is om de doelstelling ten aanzien van klimaatadaptie/duurzaamheid beter en blijvend te borgen: door toekomstige verstening te voorkomen behoudt het gebied zijn infiltrerend vermogen, hittestressbestendigheid e.d.  Artikel 7: Waarde – Archeologie (dubbelbestemming) Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden is de bestemming Waarde – Archeologie opgenomen. Indien een ingreep plaatsvindt dieper dan 0,40 meter over een oppervlak van meer dan 500 m² moet worden onderzocht of er archeologische waarden aanwezig zijn en of die kunnen worden geschaad.

De oppervlakte en de diepte zijn cumulatieve voorwaarden, dat wil zeggen: als de ingreep kleiner is dan de vrijstellingsdiepte of oppervlakte, dan kan archeologisch onderzoek achterwege blijven. Hoofdstuk 3 Algemene regels Deze artikelen bevatten algemene regels die op de bestemmingen van toepassing zijn. De diverse artikelen zullen hieronder kort worden toegelicht.

 Artikel 8: Anti-dubbeltelregel Op grond van de antidubbeltelregel is bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft (artikel 3.2.4 Bro). Deze bepaling voorkomt dat er meer kan worden gebouwd dan er wenselijk is indien een kavel wordt gesplitst en op grond daarvan een nieuw bouwperceel ontstaat. Elk bouwperceel heeft immers in principe recht op een bepaalde hoeveelheid bebouwing.

Pagina 32 van 56

Juridische planbeschrijving

 Artikel 9: Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn bepalingen opgenomen voor kleine overschrijdingen van de bouwgrenzen. Daarnaast is in de bouwregels geborgd dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid.  Artikel 10: Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is geborgd dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid bij uitbreiding of wijziging van de functie.  Artikel 11: Algemene afwijkingsregels Deze bepaling geeft de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels ten aanzien van het bouwen van kleine niet voor bewoning dienende gebouwtjes, het overschrijden van bepalingen inzake goothoogte, hoogte, oppervlakte en inhoud van bouwwerken. Tevens is de mogelijkheid geboden om een overschrijding van bestemmingsgrenzen toe te staan ten behoeve van de locatie van wegen, parkeerplaatsen en overkappingen boven parkeerplaatsen waarbij de overschrijding ten hoogste 5 m mag bedragen.  Artikel 12: Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor kleine overschrijdingen van de bestemmingsgrenzen.  Artikel 13: Overige regels In de overige regels is bepaald dat het bouwen en gebruiken dan wel laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij meer wordt gerealiseerd dan de verleende vergunning Wet Natuurbescherming voor stikstofdepositie strijdig is met het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de laatste bepalingen van de bestemmingsregels. Hieronder worden de verschillende artikelen toegelicht.  Artikel 14: Overgangsregels Het overgangsrecht is tweeledig en heeft betrekking op bouwwerken en gebruik.  Artikel 15: Slotregel Dit artikel geeft de naam van het bestemmingsplan aan.

5.4

Handhaafbaarheid

Een van de uitgangspunten bij de ontwikkeling van een bestemmingsplan is dat de in het plan opgenomen regels handhaafbaar dienen te zijn. Handhaving van het ruimtelijk beleid verdient meer aandacht omdat het een voorwaarde is voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de in het plan opgenomen regels. Ten behoeve van een goede handhaving van de regels zijn de volgende factoren van belang:  Voldoende kenbaarheid geven aan het plan;  Voldoende draagvlak voor het beleid en de regelgeving in het plan;  Inzichtelijke en realistische regeling;  Handhavingsbeleid.

Pagina 33 van 56

Financiële uitvoerbaarheid

6

Financiële uitvoerbaarheid

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in het kader van het bestemmingsplan een onderzoek te worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan. De maatschappelijke aspecten worden in hoofdstuk 7 toegelicht. In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de definitie van bouwplan gegeven, waarbij het onderhavige plan als bouwplan kan worden aangemerkt. Met het tweede lid van artikel 6.12 Wro kan worden afgeweken van de plicht een exploitatieplan vast te stellen, mits het verhaal van kosten anderszins is verzekerd. De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de ontwikkelaar van het plan. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van planschade. Hiervoor wordt een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente gesloten. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn voor de gemeente anderszins verzekerd in deze overeenkomst. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd.

Pagina 34 van 56

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1

Participatie en vooroverleg

Op 22 oktober 2020 heeft de raad, naar aanleiding van de aanvullingen op de structuurvisie Bergen Oost, besloten dat specifiek voor BSV drie verkavelingenplannen moeten worden gemaakt met verschillende bebouwingsdichtheden van 27, 31 en 35 woningen per hectare. Deze verkavelingsplannen zijn vervolgens met omwonenden en andere belangengroepen besproken o.a. voor wat betreft de verkeersintensiteit en ruimtelijke inpassing, waarbij per variant gevraagd is wat benodigd is om deze variant te kunnen accepteren. Op 25 januari 2021 zijn de drie verkavelingsplannen besproken. De belangrijkste opmerkingen die zijn geplaatst hebben betrekking op: de wegenstructuur, parkeren, groen + water en de doelgroepen voor de toekomstige woningen. Naar aanleiding van de partipatie en de reeds genomen raadsbesluiten is besloten uit te gaan van de tweede (gemiddelde) variant van 31 woningen per hectare. Ingevolge artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), dienen burgemeester en wethouders overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit verband heeft er reeds afstemming met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) plaatsgevonden.

Tevens heeft er overleg plaatsgevonden met de provincie, waarbij de provincie heeft ingestemd met de plannen. Volledigheidshalve wordt het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan HHNK en provincie.

7.2

Procedure

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 26 maart 2021 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Het ontwerpbesluit met de relevante stukken hebben ter inzage gelegen op het gemeentehuis van de gemeente Bergen, en zijn ook op de gemeentelijke website gepubliceerd. Het ontwerpbestemmingsplan is daarbij gedurende de terinzagetermijn tevens op www.ruimtelijkeplannen.nl elektronisch beschikbaar gesteld. Gedurende de terinzagetermijn is eenieder in de gelegenheid gesteld (schriftelijk of mondeling) zienswijzen over de ontwerpbesluiten naar voren te brengen. Er zijn geen zienswijzen ontvangen. Wel zijn er een aantal ambtelijke wijzigingen doorgevoerd. Dit betreft hoofdzakelijk ondergeschikte wijzigingen in de toelichting van het bestemmingsplan. Daarnaast is in de regels van de woonbestemming het aantal te realiseren sociale en middeldure huurwoningen vastgelegd. In de overige regels is bepaald dat dat het bouwen en gebruiken dan wel laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij meer wordt gerealiseerd dan de verleende vergunning Wet Natuurbescherming voor stikstofdepositie strijdig is met het bestemmingsplan. Na een beroepstermijn van zes weken na publicatie van het vastgestelde plan treedt het bestemmingsplan in werking, tenzij conform artikel 8.4 Wro een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan bij de afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.

Omdat het bestemmingsplan de bouw van meer dan 11 woningen mogelijk maakt, is de Crisisen Herstelwet van toepassing.

Pagina 35 van 56

REGELS

REGELS

Pagina 36 van 56

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 1.1

Begrippen

plan:

het bestemmingsplan ‘Parck De Beeck’ met identificatienummer NL.IMRO.0373.BPG02003ParckBeeck-C001. 1.2

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

aan-huis-gebonden beroep:

het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, (para)medisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, niet zijnde thuisprostitutie, welke door hun beperkte omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij behorende bebouwing worden uitgeoefend, waarbij de woonfunctie als primaire functie behouden en herkenbaar blijft. 1.4

aan- en uitbouw:

een aan een hoofdgebouw aangebouwd (deel van het) gebouw dat in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.5

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.7

archeologisch deskundige:

een deskundige met opgravingbevoegdheid of met gekwalificeerde kennis op het gebied van de archeologie. 1.8

archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt. 1.9

archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen in de bodem en uit het verleden. 1.10

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Pagina 37 van 56

Hoofdstuk 1

1.11

Inleidende regels

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak 1.12

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.13

bijgebouw:

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand, gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.14

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.15

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak. 1.16

bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. 1.17

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.18

bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel. 1.19

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.20

bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.21

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.22

erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een gebouw en dan in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van dat gebouw en voor zover de regels deze inrichting niet verbieden. 1.23

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Pagina 38 van 56

Hoofdstuk 1

1.24

Inleidende regels

hoofdgebouw:

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw valt aan te merken. 1.25

huishouden:

de bewoning van een woning door een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame, gemeenschappelijke huishouding voeren en waarbij sprake is van zelfstandige bewoning. 1.26

kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, niet zijnde thuisprostitutie, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer geldt, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.27

middeldure huurwoning

een woning waarbij de in de gemeentelijke Doelgroepenverordening Bergen 2020 of diens rechtsopvolger gestelde regels voor "middeldure huurwoning" van toepassing zijn. 1.28

nutsvoorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.29

overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en met aan ten hoogste één zijde een gesloten wand. 1.30

peil:

a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld na voltooiing van de bouw. 1.31

prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.32

recreatiewoning:

een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, geen woonkeet en geen caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt. 1.33

sociale huurwoning

een woning waarbij de in de gemeentelijke Doelgroepenverordening Bergen 2020 of diens rechtsopvolger gestelde regels voor "sociale huurwoning" van toepassing zijn. 1.34

voorgevel:

de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

Pagina 39 van 56

Hoofdstuk 1

1.35

Inleidende regels

wonen

het bewonen van een woning, door niet meer dan één huishouden; 1.36

woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Pagina 40 van 56

Hoofdstuk 1

Artikel 2

Inleidende regels

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

afstand:

de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2

de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3

breedte, lengte en diepte van een gebouw:

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren. 2.4

dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5

dakoverstek

tussen de verticale projectie van de buitenzijde van de gevel en de buitenzijde van de dakoverstek. 2.6

de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.7

de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8

de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9

meten:

bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de (digitale) verbeelding.

Pagina 41 van 56

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 3.1

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. erf en toegangswegen; c. fiets- en voetpaden; d. speelvoorzieningen; e. waterlopen en -partijen; f. ondergrondse vuilcontainers; g. nutsvoorzieningen. 3.2

Bouwregels

3.2.1 Algemeen Op de gronden zijn ten behoeve van de bestemming uitsluitend toegestaan: a. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen. 3.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 ten behoeve van het toestaan van de realisatie van een gebouw voor een collectief door de bewoners in het plangebied te gebruiken voorziening. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. het oppervlak mag ten hoogste 25 m² bedagen; b. de bouwhoogte mag ten hoogste 5 m bedragen.

Pagina 42 van 56

Hoofdstuk 2

Artikel 4 4.1

Bestemmingsregels

Verkeer

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen en straten; b. voet- en fietspaden; c. parkeren; d. groenvoorzieningen; e. speelvoorzieningen; f. waterlopen en -partijen; g. ondergrondse vuilcontainers; h. nutsvoorzieningen. 4.2

Bouwregels

4.2.1 Algemeen Op de gronden zijn ten behoeve van de bestemming uitsluitend toegestaan: a. overkappingen; b. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. 4.2.2 Overkappingen Voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende regels: a. overkappingen zijn uitsluitend toegestaan boven parkeerplaatsen en indien deze voorzien worden van zonnepanelen op de daken; b. de bouwhoogte van overkappingen mag ten hoogste 3 m bedragen; 4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen bouwwerken en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag ten hoogste 5 m bedragen.

Pagina 43 van 56

Hoofdstuk 2

Artikel 5 5.1

Bestemmingsregels

Water

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. waterberging, waterhuishouding en waterlopen; b. overbeschoeiingen, duikers, bruggen en dammen; c. groenvoorzieningen. 5.2

Bouwregels

5.2.1 Algemeen Op de gronden zijn ten behoeve van de bestemming uitsluitend toegestaan: a. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. 5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen.

Pagina 44 van 56

Hoofdstuk 2

Artikel 6

6.1

Bestemmingsregels

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, waarbij het maximum aantal wooneenheden niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is aangegeven. met de daarbij behorende: b. groenvoorzieningen; c. erf en toegangswegen; d. parkeervoorzieningen; e. waterlopen en -partijen; f. ondergrondse vuilcontainers; g. nutsvoorzieningen. 6.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 6.2.1 Algemeen In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen); c. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. 6.2.2

Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b. het maximum aantal woningen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is weergegeven; c. de goot- en bouwhoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven; d. het maximum oppervlak van een grondgebonden woning mag niet meer bedragen dan 60 m²; e. het maximum oppervlak van een appartementengebouw mag niet meer bedragen dan 700 m². 6.2.3

Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan met uitzondering van gelijktijdig met het hoofdgebouw gebouwde bergingen; b. de gronden achter de voorgevel van het bouwperceel dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van de inwerkingtreding van dit plan. 6.2.4

Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen mag vanaf 1 meter achter de voorgevel, of het verlengde daarvan, niet meer dan 2 meter en daarvoor niet meer dan 1 meter bedragen; b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen.

Pagina 45 van 56

Hoofdstuk 2

6.3

Bestemmingsregels

Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: 6.3.1 Woningbouwcategorieën Van de binnen het plangebied te realiseren woningen dient, onder verwijzing naar de gemeentelijke Doelgroepenverordening Bergen 2020 of diens rechtsopvolger, te worden gebouwd en in stand gehouden: a. minimaal 76 woningen in de categorie sociale huurwoning; b. minimaal 44 woningen in de categorie middeldure huurwoning; waarbij geldt dat elke sociale huurwoning en middeldure huurwoning gedurende ten minste 20 jaar vanaf het eerste moment van ingebruikname als sociale huurwoning respectievelijk middeldure huurwoning moet worden gebruikt. 6.3.2

Aan huis gebonden beroep en bedrijf en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

Onder de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, in samenhang met het wonen wordt verstaan het gebruik van gedeelten van woningen en de daarbij behorende bebouwing door de bewoner ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, voor zover: a. de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 25% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning inclusief, aan- en uitbouwen, met een maximum van 50 m²; b. ten behoeve van de kantoor- en praktijkruimten en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt voorzien; c. de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten geen nadelige invloed hebben op de normale, afwikkeling van het verkeer en niet gepaard gaan met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is en gelieerd aan de uitoefening van de betrokken kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. 6.3.3 Overig Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt: a. het gebruiken of laten gebruiken van bijgebouwen als slaapgelegenheid; b. het gebruiken of laten gebruiken van woningen als recreatiewoning.

Pagina 46 van 56

Hoofdstuk 2

Artikel 7 7.1

Bestemmingsregels

Waarde – Archeologie

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde – Archeologie' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden. 7.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 7.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) geldt dat ter plaatse van de bestemming Waarde - Archeologie uitsluitend bouwwerken met bijbehorende grondroering zijn toegestaan; 1. met een gezamenlijke planomvang van ten hoogste 500 m²; 2. met een gezamenlijke planomvang van meer dan 500 m², waarvoor geen graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm uitgevoerd hoeven te worden of waarvoor geen heiwerkzaamheden uitgevoerd hoeven te worden. 7.3

Afwijken van de bouwregels

7.3.1 Afwijken met een omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2, met inachtneming van de voor de betrokken bestemmingen geldende (bouw)regels. 7.3.2 Geen archeologische waarden De omgevingsvergunning, zoals in lid 7.3.1 bedoeld, wordt in ieder geval verleend, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen aan de hand van nader archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. 7.3.3 Overige waarden De omgevingsvergunning, zoals in lid 7.3.1 bedoeld, wordt voorts verleend, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige.

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen, of werkzaamheden met een grotere omvang dan 500 m² uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor afwijking, zoals in lid 7.3.1 bedoeld, is verleend; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; d. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Pagina 47 van 56

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

7.4.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het verbod van 7.4.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 7.2 in acht is genomen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; c. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 7.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 7.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige. 7.5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/4562/documents/31873