CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

Bij 1 2021-06-15 BP harmonielocatie (2).pdf

Gemeenteraad 8 juli 2021, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 8: Voorstel betreft het vaststellen van het bestemmingsplan Harmonielocatie Bergen17.678 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er is aangegeven dat er binnen het plan geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Dit betekent dat we voor de nieuwe ontwikkeling adviseren om een gescheiden stelsel aan te leggen. Het hoogheemraadschap adviseert om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Geohydrologisch onderzoek Wareco Er is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd door Wareco waarin duidelijk is gemaakt wat de gevolgen zijn van de parkeerkelder op de grondwaterstromen. In het onderzoek wordt de conclusie getrokken dat de verwachte stijging van de grondwaterstanden op openbaar terrein in alle scenario's binnen de gestelde marges van de gemeente Bergen blijft. Conclusie Het beleid van het Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier wordt in acht genomen. De projectlocatie is niet in, of in de nabijheid van, een (primaire) waterkering/watergang gelegen. Er is derhalve geen watervergunning benodigd. Daarnaast hoeven geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden en is sprake van schoon hemelwater.

De voorgenomen ontwikkeling legt een gescheiden riolering aan, wat overeenkomt met het advies van het hoogheemraadschap. De voorgenomen ontwikkeling vormt geen belemmering voor het aspect water.

4.3

Archeologie

Het Verdrag van Valletta was geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988 en de Wet op de monumentenzorg, tot de inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is een primair gemeentelijke opgave. In het proces van ruimtelijke ordening moet tijdig rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor de overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Rijk, provincies en gemeenten (laten) bepalen welke archeologische waarden bedreigd worden bij ruimtelijke plannen. Tijdens de voorbereiding van deze plannen is (vroeg)tijdig archeologisch (voor)onderzoek belangrijk. Dit plan Bureau voor Archeologie heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen

26

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Harmonielocatie uitgevoerd voor herontwikkeling van enkele percelen aan het Plein te Bergen. Het rapport is als bijlage terug te vinden, hieronder zijn de resultaten integraal overgenomen. De vraagstelling van het onderzoek luidt: hoe kan rekening gehouden worden met eventuele archeologische waarden bij de voorgenomen ontwikkeling? Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA, protocollen 4002 en 4003. In het kader van het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied te komen. Daarna zijn boringen geplaatst. In het plangebied wordt een parkeerkelder gerealiseerd met daarop ruimte voor detailhandel, maatschappelijke voorzieningen en woningen. De vloer van de parkeerkelder komt op 3,5 m beneden maaiveld. Het plangebied heeft een omvang van 3.110 m2. Het plangebied ligt in de NOaA regio “Het Hollands Duingebied”. Het plangebied ligt aan de noordzijde van het 'Zeegat van Bergen' op een strandwal die zich tussen 3850 en 2750 v. Chr. vormt. De gemiddelde zeespiegel bevindt zich dan tussen -4,5 en -3 m NAP. Het zeegat verlandt tussen 1460 en 1130 v. Chr. waarna veenvorming start in de lage delen, onder andere bij de ruïnekerk. Op andere plaatsen hebben zich duinen gevormd. De duinen zijn in de Middeleeuwen ontgonnen.

Het plangebied ligt (net) buiten de historische kern van Bergen. In het plangebied zijn zes boringen gezet tot 400 cm-mv. Hieruit blijkt dat de top van de strandafzettingen tussen 350 en 360 cm-mv ligt (-269 en -202 cm NAP). Hierop liggen duinafzettingen, veen, (opnieuw) duinafzettingen en de historische bouwvoor. Aan het oppervlakte ligt een recent omgewerkt en/of ophogingspakket van 15 tot 50 cm dik. In één boorprofiel is dit pakket 120 cm dik. Daarnaast is de bodem onder de huidige bebouwing tot circa 80 cm diep geroerd. In het plangebied zijn drie potentiële archeologische niveaus aanwezig. Van diep naar ondiep zijn dat de top van “duinafzettingen 1” (top tussen 160 en 270 cmmv; -121 en -52 cm NAP), b) de top van het veen (top tussen 122 en 220 cm-mv; -86 en -33 cm NAP) en c) de top van “duinafzettingen 2” (top tussen 90 en 180 cm-mv; -46 en 8 cm NAP). Door de aanleg van een parkeerkelder tot 350 cm-mv worden de potentiële archeologische niveaus vergraven. Bureau voor Archeologie adviseert te bepalen of archeologische resten aanwezig zijn, en wat daarvan de waarde is, door middel van een proefsleuvenonderzoek. Het strekt tot aanbeveling om het proefsleuvenonderzoek in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming uit te voeren. Op dit moment is dat onderzoek nog niet opportuun, aangezien er nog bebouwing staat.

Het nadere onderzoek zal plaatsvinden als onderdeel van de vergunning/ sloop- en bouwwerkzaamheden. Met een dubbelbestemming Waarde-Archeologie is geborgd dat dit onderzoek ook plaats zal vinden. Voor het bestemmingsplan is het onderwerp daarmee voldoende onderbouwd.

4.4

Milieu

4.4.1

Bodem

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wro van belang indien er sprake is van functieveranderingen en- of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient inzichtelijk gemaakt te worden dat na vaststelling van het plan de beoogde oplossing om dit probleem aan te pakken (milieu)technisch haalbaar is en dat er voldoende budget beschikbaar is. BK Ingenieurs B.V. (BK) heeft in de periode van 6 februari tot 8 februari een bodem- en asbest-in-grondonderzoek uitgevoerd op de projectlocatie. Het rapport is op 24 februari opgeleverd. De resultaten van het onderzoek worden in deze paragraaf weergegeven. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in de bijlagen van dit bestemmingsplan. Bodemonderzoek Verkennend bodemonderzoek In de bovengrond ter plaatse van boringen 001 en 003 (0,0 – 0,6 m -mv) zijn licht verhoogde gehaltes

Toelichting (vastgesteld)

27

bestemmingsplan Harmonielocatie zink, cadmium, kwik, lood, PAK en minerale olie aangetoond. Tevens is er in de bovengrond (0,0 – 0,5 m -mv) ter plaatse van boringen 009 t/m 013 een licht verhoogd gehalte aan PCB aangetoond. Op basis van de Bodemkwaliteitskaart worden in de bovengrond (0,0 – 0,5 m -mv) licht verhoogde gehaltes zware metalen, PCB en PAK verwacht. De licht verhoogde gehalte minerale olie is niet verwacht. In de ondergrond ter plaatse van boringen 006 en 007 (0,3 – 1,0 m -mv) zijn licht verhoogde gehaltes PCB, zink, kwik, lood, PAK en minerale olie aangetoond. In het grondwater is er een lichte verontreiniging met zink aangetoond. Op basis van de Bodemkwaliteitskaart kunnen licht verhoogde gehaltes zware metalen, PCB en PAK worden verwacht. De licht verhoogde gehalte minerale olie is niet verwacht. De verhoogde gehaltes zijn echter dermate gering dat, ingevolge de Wet bodembescherming, geen aanleiding wordt verkregen de aard en omvang hiervan nader te onderzoeken. Nader onderzoek PAK Zowel in de bovengrond ter plaatse van boringen 101 en 111 (0,1 – 0,5 m -mv) als in de ondergrond ter plaatse van boringen 104 en 111 (0,5 m – 1,0 m -mv) zijn enkel licht verhoogde gehalten PAK aangetoond.

Op basis van interpretatie van deze resultaten, in combinatie met de gestelde onderzoeksvragen vanuit het conceptueel model, zijn de verhoogd gehalten PAK niet eenduidig te relateren aan de aanwezigheid van koolas in de betreffende bodemlagen. Daarentegen kan, tezamen met de resultaten van het onderzoek naar de algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit, worden gesteld dat onder andere PAK diffuus heterogeen licht tot plaatselijk sterk verhoogd voor kan komen. Op basis van onderhavig nader onderzoek kan worden gesteld dat gemiddeld de interventiewaarde voor PAK niet wordt overschreden en zodoende geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Indicatief bouwstoffenonderzoek Bij boringen 002, 005 en 008 is in de bovengrond (0,1 – 0,6 m -mv) een laag met hoogovenslakken aangetroffen. Op basis van de analyseresultaten kan worden gesteld dat, indien bij een formeel onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit gelijkwaardige resultaten worden verkregen, het materiaal voldoet aan de samenstellings- en emissietoetswaarden voor een niet-vormgegeven bouwstof. Opgemerkt wordt dat het onderzoeksprotocol niet voldoet aan de eisen van de BRL SIKB 1000 (partijkeuring conform AP04). Verkennend asbest-in-grondonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in de opgeboorde grond.

In de bodem is analytisch geen asbest boven de bepalingsgrens aangetoond. Het gaat hier om grond uit de graafgaten 001, 003, 004, 006, 007, 009 en 011 t/m 013 van 0,0 – 0,5 m -mv. In het indicatief geanalyseerd puinmonster is eveneens geen asbest boven de bepalingsgrens aangetoond. Er is derhalve geen sprake van een verontreiniging met asbest in de grond en het puin. Conclusie Met dit bodemonderzoek is de huidige bodemkwaliteit vastgelegd. Op basis van de beschikbare analyseresultaten wordt het onderstaande geconcludeerd: De bovengrond (0,0 – 0,5 m -mv) is licht verontreinigd met enkele zware metalen, minerale olie, PAK en PCB; De ondergrond (0,5 – 2,0 m -mv) is licht verontreinigd met enkele zware metalen, minerale olie, PAK en PCB; Het grondwater is licht verontreinigd met zink; Ten aanzien van de verontreiniging met PAK kan worden gesteld dat hier geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging; Aan de noordzijde van de locatie is in de bodemlaag (0,1 – 0,6 m -mv) een laag met hoogovenslakken aangetroffen. Op basis van de analyseresultaten voldoet het materiaal indicatief aan de samenstellings- en emissietoetswaarden voor een niet-vormgegeven bouwstof. Opgemerkt wordt dat het onderzoeksprotocol niet voldoet aan de eisen van de BRL SIKB 1000 (partijkeuring conform AP04); In de bodem en puinlaag is analytisch geen asbest boven de bepalingsgrens aangetoond. Er is

28

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Harmonielocatie derhalve geen sprake van bodemverontreiniging met asbest. Hierbij wordt opgemerkt dat voorzichtigheid dient te worden betracht met interpretatie van het resultaat van het puinmonster. Dit gezien de geleverde inspanning niet voldoet aan de NEN-5897. Aanbeveling Op basis van onderhavig onderzoek worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voorzien ten aanzien van de voorgenomen nieuwbouwwerkzaamheden. Het uitvoeren van nader onderzoek naar de aard, omvang en herkomst van de huidig aangetoonde verontreinigingen wordt, ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk geacht. Bij werkzaamheden in de bodem dient rekening te worden gehouden met de veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 132 ‘werken met de verontreinigde grond en grondwater’. Hierbij dient tevens rekening te worden gehouden dat wel gebruiksbeperkingen worden verwacht ten aanzien van vrijkomende grond (niet vrij toepasbaar). Voordat toepassingsmogelijkheden kunnen worden gezocht, dient vrijkomende grond te worden onderzocht conform de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. Formeel is het bodemonderzoek verouderd, maar nu er in het plangebied, noch in de omgeving, in de afgelopen periode geen bodemvervuilende werkzaamheden zijn geweest, kan het onderzoek actueel worden verklaard. Het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.4.2

Luchtkwaliteit

In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: e. woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; f.

kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. In onderhavig geval is sprake van de realisatie van in totaal 27 woningen, het vestigen van winkels en andere functies, realisatie van een parkeergarage en het vestigen van overige bedrijvigheid. Op basis van de NIBM-rekentool (worst-case berekening) kan geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en daarmee niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Toelichting (vastgesteld)

29

bestemmingsplan Harmonielocatie

figuur 4.4: NIBM-tool Goed woon- en leefklimaat Op www.atlasleefomgeving.nl (geraadpleegd op 22 mei 2021) is te zien dat ter plaatse van de projectlocatie de grootschalige achtergrondconcentraties in 2014 van fijnstof PM10 18,02 µg/m3, van fijnstof PM2,5 11,35 µg/m3 en van stikstofdioxide NO2 13,12 µg/m3 zijn. De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zal de concentraties van zowel fijn stof als stikstofdioxide ruim onder de grenswaarden blijven.

4.4.3

Geluid

De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen, worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: 1. woningen; 2. onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); 3. ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken medische kleuterdagverblijven etc.. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurd aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Geluidsonderzoek Voor voorliggend document is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. In dit kader is door BK bouw en milieuadvies in mei 2017 een geluidsonderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd2 ; sinds 2017 is de situatie op de relevante wegen niet gewijzigd waardoor dit onderzoek nog steeds bruikbaar is. Dit onderzoek is als bijlage terug te vinden.

Hier worden de resultaten vermeld. De berekende geluidbelasting voldoet aan de eisen zoals gesteld in de Wet geluidhinder. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Dreef/Plein bedraagt ten hoogste 63 dB Lden

30

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Harmonielocatie (exclusief aftrek). De berekende geluidbelasting ten gevolge van het Plein bedraagt ten hoogste 51 dB Lden (exclusief aftrek). De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Karel de Grotelaan bedraagt ten hoogste 53 dB Lden (exclusief aftrek). Omdat de beschouwde wegen allen 30 km/uur wegen betreffen vindt formeel geen toetsing plaats aan de eisen uit de Wet geluidhinder. Evenwel moet in het kader van goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt of de optredende geluidbelasting toelaatbaar is. Het betreft een ontwikkeling in het centrum van Bergen. Een druk centrum kenmerkt zich door veel activiteiten en verkeersbewegingen. Dit gaat gepaard met een hogere geluidbelasting. Evenwel zijn alle functies, als winkels en horeca, op korte afstand gelegen. Het karakter van de omgeving geeft hiermee een bepaald woongenot. De Wet geluidhinder stelt voor binnen stedelijke situatie een grens bij 63 dB (met aftrek van doorgaans 5 dB voor centrum functies hetgeen inhoudt een geluidbelasting van 68 dB). Uit dit oogpunt is een geluidbelasting van 63 dB (zonder aftrek) toelaatbaar. Aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening wordt hiermee voldaan. Het bouwplan kan worden gerealiseerd zonder extra procedures in het kader van geluid. Wel zal in het kader van het Bouwbesluit onderzoek naar de geluidwering van de gevels plaats moeten vinden. 4.4.4

Milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het voor bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Voor het bepalen van de milieuzonering is gebruik gemaakt van de geactualiseerde handreiking (maart 2009): Bedrijven en milieuzonering (het zogenoemde groene boekje) van de VNG. In de handreiking wordt onderscheid gemaakt in omgevingstype rustige woonwijk en omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Binnen gemengd gebied mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd (bijvoorbeeld van 50 naar 30 meter).

In het projectgebied worden diverse functies, zoals wonen en bedrijvigheid op (korte afstand van) elkaar gerealiseerd. Daarnaast zijn direct naast de projectlocatie horeca, winkels en een supermarkt gelegen. De projectlocatie kan dus getypeerd worden als gemengd gebied. Het voorliggende bestemmingsplan moet voorzien in de ontwikkeling van zowel woningen als winkels in een centrumgebied. Dat er sprake is van een gemengd gebied is voldoende aangetoond. Het betreft hier

Toelichting (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Harmonielocatie namelijk een centrumgebied dat verschillende functies herbergt. Functiemenging, en toepassing van lijst 4 uit de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering 2009' van de VNG, kan daarom van toepassing worden geacht. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. De richtafstanden zijn dan niet toepasbaar. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieu categorieën: categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen: de eisen uit het Bouwbesluit zijn toereikend; categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Voor de diverse functies binnen een functiemengingsgebied zijn echter wel voorwaarden gesteld. Parkeergarages en winkels dienen in principe bouwkundig afgescheiden van andere gevoelige functies plaats te vinden vanwege de milieubelasting die zij kunnen veroorzaken. Verder moet het gaan om: Kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; Productie en laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; De activiteiten, inclusief opslag, geschieden hoofdzakelijk inpandig.

Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om winkels en een muziekschool met aanverwante activiteiten te realiseren. Daarnaast worden zowel naast als boven op de voorgenomen functies woningen gerealiseerd. Detailhandel valt in beginsel onder milieucategorie A (SBI-code 2008: 47). Een muziekschool en dansschool behoren tot categorie B (SBI-code 2008: 8552 en 85521). De muziekschool en winkels zijn aanpandig toegestaan, mits bouwkundig gescheiden. De activiteiten vinden daarnaast ook inpandig plaats. Aangezien functiemenging plaatsvindt, kan volstaan worden met de categorieën A, B en C en hoeft geen richtafstand aangehouden te worden. In het kader van de nieuw te realiseren woningen boven de detailhandel/dienstverlening is door BK bouw en milieuadvies in mei 2017 in het kader van het vernietigde bestemmingsplan de 7 Dorpelingen aanvullend een geluidsonderzoek uitgevoerd om te beoordelen of een goed woon- en leefklimaat van deze nieuwe woningen gewaarborgd kan worden. Dit onderzoek is terug te vinden als bijlage en gaat nog uit van de komst van een supermarkt. Hieronder worden de resultaten integraal weergegeven. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de berekende geluidniveaus ter plaatse van de omliggende woningen niet voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit. De overschrijding wordt met name bepaald door vrachtwagens die de supermarkt bevoorraden.

Ook de verkeersbewegingen van en naar de parkeergarage geven een overschrijding van de geluideisen. Overigens geldt dat in de huidige situatie al veel verkeersbewegingen aanwezig zijn door de aanwezige parkeervoorzieningen en bevoorrading in de omgeving. Uit een vergelijking van de resultaten blijkt dat in de huidige situatie in de dagperiode hogere langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus optreden dan in de toekomstige situatie. Ook de optredende maximale geluidniveaus in alle periodes zijn in de huidige situatie hoger dan in de toekomstige situatie. Het verschil wordt veroorzaakt door dat in de huidige situatie veel activiteiten buiten plaatsvinden. Op basis hiervan kan worden gesteld dat de akoestisch situatie voor een groot deel verbeterd ten opzichte van de huidige situatie. Verslechtering treedt met name op door het gebruik van de parkeergarage in de avondperiode. Omdat dit voornamelijk beperkt blijkt tot de openingstijden van de winkels (tot maximaal 21.00 uur) zal dit naar verwachting tot weinig hinder leiden. Het treffen van maatregelen aan de bron is niet mogelijk. Het betreft bronnen van derden waarover de inrichting geen zeggenschap heeft. Daarbij zullen eventuele maatregelen niet resulteren in een voldoende afname. Het beperken van de bedrijfstijden tot de dagperiode leidt tot een niet gewenste en

32

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Harmonielocatie werkbare situatie. Het treffen van maatregelen in de overdracht - geluidschermen - is redelijkerwijs niet mogelijk. Dit zal ingrijpende consequenties hebben voor het stedenbouwkundig ontwerp en de inrichting van de openbare ruimte. Om hinder te voorkomen wordt daarom geadviseerd om de nieuwe appartementen voldoende geluidgeïsoleerd uit te voeren. Ter plaatse van de bestaande woningen zal naar verwachting geen relevante wijziging in de geluidsituatie optreden. Op basis van het bovenstaande wordt voorgesteld om een maatwerkvoorschrift op te nemen om de berekende niveaus te vergunnen. Met dit maatwerkvoorschift kan een goed woon- en leefklimaat voor de woningen gewaarborgd worden. Dit maatwerkvoorschrift is nog gebaseerd op de komst van een supermarkt. In de praktijk zal de situatie er qua geluid dus beter zijn, alhoewel ook de winkels die wel voorzien bevoorraad zullen worden. Daarom is voor dit bestemmingsplan bij wijze van worst case uitgegaan van voornoemd onderzoek en maatwerkvoorschrift.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan derhalve gesteld worden dat het realiseren van de nieuwe woningen en het realiseren van de diverse detailhandelfuncties en maatschappelijke functie, gezien de ligging in het centrum van Bergen, het uitgevoerde geluidsonderzoek en de methodiek van functiemenging met bij behorende eisen ten aanzien van bouwkundige scheiding, er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in deze centrumontwikkeling voor zowel nieuwbouw als bestaande woningen.

4.4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden.

Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen en risico-ontvangers zijn aangegeven. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risicoveroorzakende bedrijven (inrichtingen) die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. Conclusie

Toelichting (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Harmonielocatie

Op de risicokaart is te zien dat de projectlocatie niet is gelegen binnen een risicocontour van een in de nabijheid gelegen inrichting en/of transportroute. Het voorgenomen initiatief zelf is geen risicovolle activiteit. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

figuur 4.5: uitsnede risicokaart Noord-Holland

4.5

Ecologie

Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort.

Ten behoeve van deze ontwikkeling is door ecologisch adviesbureau Dresmé&VanderValk in februari 2017 een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De quickscan is bijgevoegd in de bijlagen en de resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Uit de quickscan bleek dat nader onderzoek noodzakelijk was. Op 20 september 2017 is het nader onderzoek opgeleverd en in onderstaande paragraaf verwerkt. Ook dit nader onderzoek is als bijlage terug te vinden. Aanvullend is op 23 april een briefrapportage opgeleverd waaruit kan worden afgeleid dat de eerdere onderzoeken nog steeds valide zijn. Deze briefrapportage is tevens in de bijlage opgenomen. Beschermde gebieden Het projectgebied is niet in of nabij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) of Natura 2000-gebieden gelegen. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Noordhollands Duinreservaat. De afstand van het projectgebied en het Noordhollands Duinreservaat is 385 meter. De 34

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Harmonielocatie afstand tot de meest nabijgelegen Natuurnetwerk Nederland (NNN) is ook 385 meter, omdat Noordhollands Duinreservaat tevens de status NNN heeft. Verder weg gelegen Natura 2000-gebieden zijn Schoorlse Duinen (1km) Noordzeekustzone (5 km) en Abtskolk & De Putten (7 km). Als onderdeel van de actualisatie van dit bestemmingsplan is de Notitie Gebiedsbescherming Harmonielocatie geschreven. Deze notitie dient als onderbouwing voor het vaststellingsbesluit en de overige in het kader van de in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen benodigde besluiten. De notitie concludeert dat op grond van artikel 2.7, eerste lid, Wet Natuurbescherming, in combinatie met artikel 2.8, eerste lid, Wet Natuurbescherming moet voor een bestemmingsplan dat kan leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden een passende beoordeling worden gemaakt. Dit is enkel anders wanneer significant negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. In het geval van het besproken Plan leidt de een maximale invulling van de in het Plan opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden niet tot een toename van stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige overbelaste Natura 2000-gebieden ten opzichte van de zogeheten 'feitelijke en planologische referentiesituatie'.

Hierdoor bestaat over het feit dat bestemmingsplan de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden niet zal aantasten bestaat voor dit onderdeel aldus de benodigde zekerheid.

Beschermde soorten Vleermuizen: archiefonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens kunnen zeven soorten vleermuizen worden verwacht in het bebouwde gebied van Bergen, namelijk; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en baardvleermuis. Uit de gegevens van Gegevensautoriteit Natuur blijkt dat in de directe omgeving van het projectgebied een kolonie van de gewone dwergvleermuis en verblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis en laatvlieger aanwezig zijn op dezelfde locatie aan de Stationsstraat. De gewone grootoorvleermuis heeft vermoedelijk een verblijfplaats nabij de Ruïnekerk aan de Breelaan, in de kerk zelf of in een boom (dat komt niet uit de gegevens naar voren). Waarnemingen van vleermuizen in of in de omgeving van het projectgebied ontbreken in de gegevens van waarneming.nl. Vleermuizen: veldonderzoek Op de zolder van de brandweerkazerne noch op de zolder van het gebouw van de Harmonie zijn uitwerpselen gevonden. De pannendaken zijn echter aan de binnenzijde afgetimmerd, waardoor de ruimte tussen de pannen en de aftimmering niet goed te zien zijn. In de gevels en het dak van het gebouw van de Harmonie en de bloemenwinkel zijn geen geschikte invliegopeningen gevonden, ook zijn de gevels te laag. Invliegopeningen bevinden zich veelal op 3 meter hoogte.

Ook de gevel van de aanbouw van het voormalige politiebureau is te laag en ontbreken invliegopeningen. In de gevel van de brandweerkazerne zijn spleetvormige openingen aanwezig langs de kozijnen, die groot genoeg zijn voor vleermuizen om de spouw te bereiken. In de brandweerkazerne zijn open stootvoegen in de gevel aanwezig aan de zijde van het Plein. Open stootvoegen zijn geschikte invliegopeningen vanwege de afmeting en de directe toegang tot de spouw. Op basis van het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen in het centrum van Bergen en de aanwezigheid van mogelijke invliegopeningen in de gevel van de Brandweerkazerne is het momenteel niet uitgesloten dat verblijfplaatsen van vleermuizen in de brandweerkazerne aanwezig zijn. Met de sloop van de brandweerkazerne worden mogelijk vleermuisverblijfplaatsen verstoord en/of weggenomen. Omdat alle vleermuizen beschermd zijn op basis van de Habitatrichtlijn, is voor verstoring en het wegnemen van vaste verblijfplaatsen een ontheffing van de Flora-en faunawet nodig. Nader onderzoek is nodig om te bepalen of en welke soorten op welke tijdstippen in het jaar gebruik maken van deze vaste verblijfplaatsen. Op basis van deze kennis kan worden bepaald of sprake is van een voor de populatie belangrijke verblijfplaats en wat de effecten zijn op populatieniveau. Broedvogels: archiefonderzoek

Toelichting (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Harmonielocatie

Op basis van Gegevensautoriteit Natuur zijn geen vaste verblijfplaatsen in de vorm van vogelnesten in of in de omgeving van het projectgebied bekend. Broedvogels: veldonderzoek Alleen de heg langs het Plein bestaande uit hedera biedt geschikte schuilmogelijkheden voor vogels om een nest te bouwen. Roodborst, pimpelmees en winterkoninkje zijn genoemd in bijlage 2 van het verdrag van Bern. De nesten van deze soorten zijn daarom in het broedseizoen beschermd. Deze soorten maken elk jaar een nieuw nest, waardoor een nest alleen in het broedseizoen (globaal van 15 maart t/m 15 juli) beschermd is. Indien de heg voor of na het broedseizoen wordt verwijderd, wordt overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. Conclusies Als gevolg van het project worden geen effecten op de Ecologische Hoofdstructuur of Natura 2000-gebieden verwacht. De Quickscan Wet natuurbescherming richt zich op het gebouw van de voormalige brandweerkazerne, het gebouw van de vereniging Bergens Harmonie, het gebouw van een bloemenwinkel en een aanbouw van het voormalige politiebureau in Bergen. Naast vleermuizen, worden beschermde soorten niet verwacht ter plaatse van het projectgebied. Van alle gebouwen kunnen alleen in het gebouw van de voormalige brandweerkazerne verblijfplaatsen van vleermuizen niet worden uitgesloten.

Nader onderzoek in de zomerperiode is nodig om te bepalen of en welke soorten op welke tijdstippen in het jaar gebruik maken van deze vaste verblijfplaatsen. Op basis van deze kennis kan worden bepaald of sprake is van een voor de populatie belangrijke verblijfplaats en wat de effecten zijn op populatieniveau. Dit nader onderzoek wordt momenteel uitgevoerd. Mogelijk komen soorten als roodborst, pimpelmees en winterkoninkje tot broeden in de aanwezige struiken en de haag van hedera achter het gebouw van de Harmonie. Deze vogelsoorten zijn genoemd in bijlage 2 van het verdrag van Bern. De nesten van deze soorten zijn alleen in het broedseizoen (globaal van 15 maart t/m 15 juli) beschermd. Indien de heg voor of na het broedseizoen wordt verwijderd, wordt overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. Nader onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw Op 20 september 2017 en 23 april 2021 heeft ecologisch adviesbureau Dresmé&VanderValk de briefrapportage opgeleverd met daarin de resulaten van het uitgevoerde nader onderzoek naar vleermuizen, huismus en gierzwalus. Voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen is een ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist indien vaste verblijfplaatsen worden aangetast als gevolg van de sloop van de gebouwen binnen het plangebied.

conform de richtlijnen van het bevoegd gezag zijn voor huismus twee onderzoeksrondes in de periode 1 april en 15 mei nodig, voor gierzwaluw drie rondes tussen 1 juni en 15 juli en voor vleermuizen vier tot vijf onderzoeksrondes. Methode onderzoek huismus Het onderzoek is uitgevoerd conform de soortenstandaard van de huismus. De aanwezigheid van de gierzwaluw kan worden onderzocht tussen begin april en 20 juni. De optimale onderzoeksperiode is tussen 1 april en 15 mei. In deze periode volstaan 2 veldbezoeken, 1 of 2 uur na zonsopkomst om nesten van huismus uit te kunnen sluiten. De volgende gedragingen duiden op een nest: nestbouw, bezoek van een huismus onder een dakpan, transport ban voedsel of ontlastingspakketjes, bedelende jongen, zingende mannetjes op dakrand of balts. Methode onderzoek gierzwaluw Het onderzoek is uitgevoerd conform de soortenstandaard van de gierzwaluw. De aanwezigheid van de gierzwaluw kan worden onderzocht tussen half mei en half juli. De optimale onderzoeksperiode is 1 juni - 15 juli tussen 18.00 uur en zonsondergang. De afwezigheid van broedende gierzwaluwen is voldoende aannemelijk gemaakt als er geen waarnemingen zijn verricht die duiden op de aanwezigheid van een nest na drie inventarisatiemomenten met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen.

In de periode 1 juni tot en met 15 juli, met twee inventarisatiemomenten in juni (of eind mei) en minimaal één in juli. Tijdens de onderzoeksrondes worden gierzwaluwen die vlak boven de daken vliegen, in de gaten

36

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Harmonielocatie gehouden. Methode vleermuisonderzoek Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd met behulp van een batdetector (apparaat die ultrasone geluiden omzet in voor de mens hoorbare geluiden). Op basis van de frequentie van de geluiden, de omgeving en het vlieggedrag kan worden vastgesteld om welke vleermuissoorten het gaat. Vleermuizen verhuizen regelmatig van verblijfplaats en er wordt onderscheid gemaakt in winterverblijfplaats, zomerverblijfplaats, kraamverblijfplaats en paarverblijfplaatsen. Daarom worden meerdere inventarisatierondes in het vleermuisprotocol als noodzakelijk geacht. De onderzoeken vinden verspreid plaats tussen mei en september vlak voor zonsondergang en een uur voor zonsopkomst. De spreiding van de onderzoeken is conform het vleermuisprotocol en zodanig dat minimaal 20 dagen tussen de onderzoekrondes gelegen zijn. Tijdens de veldbezoeken is op basis van zicht en geluid de aanwezigheid van vleermuizen in en rond het projectgebied geïnventariseerd. Op basis van deze onderzoeken is het gebruik van vleermuizen in het gehele projectgebied in kaart gebracht. Met behulp van de batdetectors (Pettersson D230) -een apparaat dat de ultrasone geluiden van vleermuizen omzetten in voor de mens hoorbare frequenties- en Elekon Batlogger-een apparaat dat de geluiden automatisch opneemt-, zijn de vleermuizen waargenomen.

De geluiden zijn geanalyseerd met behulp van Batsound. Onderzoeksresultaten Er zijn geen nesten of verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw of vleermuizen waargenomen. De huismus is in zijn geheel niet waargenomen en de gierzwaluw alleen hoog overvliegend. Opvallend is dat de enkele langsvliegende en foeragerende gewone dwergvleermuizen relatief laat tevoorschijn kwamen en 's ochtends al vroeg waren verdwenen. Dit duidt op verblijfplaatsen verder weg gelegen van het projectgebied. Het Plein is een zeer drukke locatie (wat betreft menselijke activiteit) met veel licht en geluid. Meer activiteit van vleermuizen is waargenomen aan de Karel de Grotelaan, ten zuiden van het projectgebied. Conclusie Op basis van de geleverde onderzoeksinspanningen en het ontbreken van waarnemingen, kunnen nesten en vaste verblijf- of rustplaatsen van huismus en gierzwaluw uitgesloten worden. Op basis van de vijf onderzoeksronden naar vleermuizen kunnen zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten. De bomen aan het Plein hebben geen functie als migratieroute en een beperkte betekenis als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis. Met de sloop van de voormalige brandweerkazerne, het gebouw van de bloemen- en plantenwinkel en het pand van de Harmonie is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.

Maatregelen ten behoeve van de huismus, gierzwalus en vleermuizen zijn niet verplicht. Formeel is het natuuronderzoek verouderd en daarom vindt een actualisatie plaats. Het voorkomen van de vaste rust- en verblijfplaats van (strikt) beschermde soorten in het voorjaar is reeds onderzocht, zie bijlage 14. Hieruit volgt geen ontheffingsplicht. Het najaarsonderzoek vindt nog plaats. In deze memo wordt tevens geconcludeerd dat niet verwacht dat de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming, in de weg staat. Zodoende vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan.

Toelichting (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Harmonielocatie

4.6

M.e.r.-beoordeling

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Een stedelijk ontwikkelingsproject als de realisatie van woningen en diverse centrumfuncties is vermeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. onder D 11.2. Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Omdat er geen 2.000 of meer woningen en/of geen bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer worden gerealiseerd, is er geen m.e.r.-beoordeling nodig. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof van 15 oktober 2009 (zaak C-255/08) over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regel-geving was geïmplementeerd, één van de aanleidingen voor de aanpassing van het Besluit m.e.r. De essentie van die uitspraak is dat altijd m.e.r. noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten. De vorm van een vorm-vrije m.e.r. is niet bepaald, maar de inhoud waar een m.e.r.-beoordeling aan dient te voldoen is wel bepaald (Bijlage III van de Europese richtlijn 2011/92/EU). In de vormvrije m.e.r. dient de volgende inhoud zijn vermeld: 1. Kenmerken van de projecten 2. Plaats van de projecten. 3. Kenmerken van het potentiële effect. 1. Kenmerken van de projecten Het programma voor Harmonielocatie bestaat uit het realiseren van detailhandel een nieuwe plek voor de muziekschool en woningbouw.

Onder het project wordt een nieuwe parkeergarage gerealiseerd voor circa 88 parkeerplaatsen. 2. Plaats van de projecten Het plangebied is gelegen in het centrum van Bergen. De projectlocatie wordt aan de noordzijde begrensd door het Plein, aan de oostzijde door het Plein en de Dreef, aan de zuidzijde door de Karel de Grotelaan en aan de westzijde wordt de projectlocatie begrensd door het centrum van Bergen. 3. Kenmerken van het potentiële effect Het project brengt een verkeersaantrekkende werking met zich mee, dit zorgt echter niet in betekenende mate voor een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. De overige milieuaspecten zijn ook onderzocht en ook hieruit kan de conclusie getrokken worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen significant negatief milieueffect oplevert. Tot slot is aandacht besteed aan de mogelijke gevolgen op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstoftoename. Eerder in dit hoofdstuk is al geconcludeerd dat daar geen sprake van is.

38

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Harmonielocatie

Geconcludeerd wordt dat, gezien het feit dat ook na de wijzigingen doorgevoerd sinds vernietiging van het oorspronkelijke bestemmingsplan geen significant negatieve milieueffecten te verwachten zijn, geen m.e.r.-beoordeling nodig is. Op 1 juni 2021 heeft het college van de gemeente Bergen hieromtrent een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen welk besluit is toegevoegd aan de bijlage.

Toelichting (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Harmonielocatie

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Inleiding

De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend, maar bevat een uitleg van de aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende gedachten en onderzoeken die hebben geleid tot de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart met het Plan identificatie nummer: NL.IMRO.0373.BPG07002zevendorp-C002 zijn alle noodzakelijke gegevens ingetekend. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen 'Gemengd - 1', 'Groen' en 'Tuin', 'Verkeer' en 'Wonen - 1' opgenomen. De bestemming wordt op de verbeelding zichtbaar gemaakt door middel van een kleur. Deze op de verbeelding ingetekende bestemming is gekoppeld aan een artikel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke bestemming zien op welke wijze de gronden binnen de desbetreffende bestemming gebruikt mogen worden. Daarbij wordt onder meer verwezen naar de maatvoeringsaanduiding op de verbeelding met betrekking tot de maximale hoogte en naar de specifieke aanduidingen 'parkeergarage', 'gestapeld' en 'twee-aaneen'.

5.2

Planopzet

Het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en uit de regels. Deze elementen zijn direct bindend en vormen o.a. de toetsingsgrond voor een aanvraag om omgevingsvergunning. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van de onderhavige toelichting, die niet bindend is. Bij het opstellen van de regels is rekening gehouden met de Wet ruimtelijke ordening. Om te voorkomen dat de planregels niet mogelijk maken wat achteraf gezien toch eigenlijk wel aanvaardbaar is bevat het bestemmingsplan de nodige flexibiliteit, zoals deze binnen de gemeente Bergen gehanteerd wordt. Denk hierbij aan de mogelijkheid voor het college van burgemeester en wethouders om 10% af te wijken van genoemde hoogtematen. Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012. Leeswijzer bestemmingsregels De bestemmingsregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. In de inleidende regels zijn in artikel 1 de definities van de verschillende in het bestemmingsplan gebruikte begrippen opgenomen en in artikel 2 de wijze van meten. De wijze van meten geeft aan hoe de oppervlakte, inhoud, goothoogte, nokhoogte e.d. van een bouwwerk moet worden bepaald. Deze regels zijn noodzakelijk voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels.

Het tweede hoofdstuk bevat de bestemmingsregels voor 'Gemengd - 1', 'Groen', 'Tuin', 'Verkeer' en 'Wonen - 1'. In deze regels zijn het toelaatbare gebruik van gronden en bouwwerken aangegeven (doeleindenomschrijving) en zijn diverse bepalingen inzake het bouwen opgenomen. Middels een bouwvlak wordt aangegeven waar de hoofdbebouwing zich mag bevinden. Er zijn diverse specifieke aanduidingen opgenomen voor de bestemmingen. Gemengd - 1 In het plangebied komen diverse gemengde bestemmingen voor. Dit zijn gebouwen waar op de begane grond een bedrijfsmatige of maatschappelijke activiteit wordt uitgeoefend en waar op de verdiepingen wordt gewoond. Gedacht kan worden aan detailhandelsvestigingen waarboven wordt gewoond. In deze gevallen wordt de bestemming Gemengd (GD) toegekend. Binnen de bestemming Gemengd - 1 is het mogelijk om in de eerste bouwlaag detailhandel en dienstverlening of maatschappelijke voozieningen te realiseren en wonen op de verdiepingen te realiseren. Onder detailhandel wordt verstaan "het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren,

40

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Harmonielocatie voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit". Hierbij kan gedacht worden aan de reguliere textielzaken, drogisterijen, natuurwinkels, electra-, en witgoedbedrijven, bakkers, slagers etc.. In dit bestemmingsplan is een verbod opgenomen voor het realiseren van een supermarkt. Ook dienstverlening is mogelijk binnen de bestemming Gemengd - 1. Onder dienstverlening wordt verstaan "het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren en bankfilialen". De situering van de toegelaten gebouwen is bepaald door bouwvlakken in combinatie met hoogteaanduidingen op de verbeelding. De maximaal toegestane bouwhoogte en/of goothoogte is middels een bouwaanduiding per hoogteaanduiding aangegeven. Daarnaast zijn enkele functieaanduidingen gebruikt om de ondergrondse parkeergarage toe te staan en de mogelijkheid om in de te realiseren gebouwen een maatschappelijke functie (onder andere een muziekschool) te vestigen. Het gaat heir dan om maatschappelijke en sociale voorzieningen ten behoeve van cultuur en ontspanning.

Hieronder wordt verstaan voorzieningen ten behoeve van maatschappelijke en culturele activiteiten waaronder oefenruimtes voor muziek, dans en sport ten behoeve van het verenigingsleven en openbare dienstverlening, creatieve broedplaats en werkplekken, expositieruimten/galerieën en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen, met daarbij behorende ondersteunende horeca. Binnen de bestemmingen zijn tevens bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan zoals erf- en terreinafscheidingen. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 1 m en voor het overige niet meer dan 2 m. De hoogte van andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m. Groen Tussen de te realiseren bebouwing en de achtertuinen van de woningen aan de Karel de Grotelaan wordt een groenstrook gerealiseerd van 5 meter diep. Op deze gronden mag niet worden gebouwd. Wel mag hier ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' een ondergrondse parkeergarage worden gerealiseerd. Tuin Ter plaatse van de te realiseren woningen binnen het plangebied is ook de bestemming Tuin te vinden. Het betreft hier dan de voortuinen van de te realiseren woningen, waarbinnen een beperkt bouwregime geldt. Hier mogen enkel erfafscheidingen tot maximaal 1 meter worden gerealiseerd.

Ook binnen deze bestemming wordt middels de aanduiding 'parkeergarage' een ondergrondse parkeergarage onder het gehele plangebied mogelijk gemaakt. Verkeer De wegen binnen het plangebied zijn opgenomen binnen de bestemming Verkeer. Hetzelfde geldt voor de verblijfsgebieden zoals pleinen, parkeervoorzieningen, woonerven en dergelijke. Ook binnen deze bestemming wordt middels de aanduiding 'parkeergarage' een ondergrondse parkeergarage onder het gehele plangebied mogelijk gemaakt. Wonen De grondgebonden woningen en het appartementenblokje die niet boven de winkels zijn gelegen, krijgen de bestemming Wonen - 1. De bestemming Wonen-1 is gegeven aan de percelen waar uitsluitend wordt gewoond. Gezien de ligging van de woningen in het centrum van Bergen is rondom de woningen een strak bouwvlak opgenomen. Dit betekent dat het hoofdgebouw niet uitgebreid mag worden. Uitbreidingen kunnen uitsluitend plaatsvinden in de vorm van aan- of uitbouwen. Met betrekking tot de bebouwing op de percelen (zowel hoofdgebouwen als erfbebouwing) geldt een maximaal bebouwingspercentage ten opzichte van het bouwperceel. Dit percentage bedraagt 50%. Daarnaast wordt binnen de bestemming 'Wonen - 1' middels de specifieke aanduiding 'gestapeld', gestapelde woningen mogelijk gemaakt, en middels de specifieke aanduiding 'twee-aaneen' een twee-onder-een-kapwoning.

Ook binnen deze bestemming wordt middels de aanduiding 'parkeergarage'

Toelichting (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Harmonielocatie een ondergrondse parkeergarage onder het gehele plangebied mogelijk gemaakt. Overige regels Het derde hoofdstuk bevat algemene regels die gelden voor alle in het plangebied voorkomende bestemmingen. De antidubbeltelregel (artikel 9) is opgenomen conform artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. In artikel 10 en 11 zijn de voor het plan geldende algemene bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Deze bepalingen gelden voor alle in het plan opgenomen bestemmingen. De artikelen 12 en 13 bevatten algemene afwijkings- respectievelijk algemene wijzigingsregels. In artikel 14 is een specifieke gebruiksregel opgenomen die de toepassing van de doelgroepenverordening verankerd om te waarborgen dat er in het gehele plangebied minimaal 40% van het totaal aantal te realiseren woningen tot 20 woningen in de sociale huursector wordt gerealiseerd. Indien er meer dan 20 woningen gerealiseerd worden, dienen alle woningen boven het aantal van 20 in de categorie sociale huurwoning te worden gerealiseerd. In het vierde hoofdstuk zijn de overgangs- en slotregels opgenomen. In dit hoofdstuk is onder andere bepaald hoe om te gaan met het gebruik en het bouwen voor thans nog aanwezige functies die niet in overeenstemming zijn met het plan. Deze regels volgen uit de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening.

In de slotbepaling is aangegeven onder welke benaming de regels kunnen worden aangehaald: het bestemmingsplan Harmonielocatie.

42

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Harmonielocatie

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

De gronden in het plangebied zijn op dit moment nog enerzijds in particulier eigenom en anderzijds in eigendom van de gemeente Bergen. De financiële consequenties van dit plan komen volledig voor rekening van de aanvrager Het plan valt onder de gevallen zoals genoemd in artikel 6.2.1. Bro, omdat het plan ziet op het realiseren van meerdere functies gecombineerd binnen één bestemmingsplan. Het plan is hierdoor in beginsel grondexploitatieplichtig en de gemeenteraad kan een exploitatieplan vaststellen op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro. Op grond van artikel 6.12 lid 2 sub a kan het verhaal van kosten van de grondexploitatie ook anderszins worden geregeld. Hieraan zijn gemeentelijke exploitatiebijdragen verbonden, namelijk de kosten van tegemoetkoming van schade, bedoeld in artikel 6.1 van de wet (art. 6.2.4, lid l Bro), ten behoeve van mogelijke planschade. Bovenstaande exploitatiebijdrage wordt gedekt vanuit de verkoop van de in het plan aanwezige gemeentelijke gronden. Hierdoor is het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Bestuurlijk vooroverleg

In het kader van het wettelijke bestuurlijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening, wordt het concept bestemmingsplan toegezonden aan diverse bestuurlijke partners. De volgende instantie heeft gereageerd: Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Het hoogheemraadschap kan instemmen met voorliggende ontwikkeling. Wel wil zij graag op de hoogte worden gehouden van de uitwerking van het plan. De gemeente zal het hoogheemraadschap betrekken bij de nadere uitwerking van het plan. 6.2.2

Inspraak

Het voorontwerp bestemmingsplan heeft voor vier weken ter inzage gelegen vanaf 6 april 2017 tot en met 4 mei 2017. Tijdens deze periode zijn in totaal 110 inspraakreacties binnengekomen. Deze zijn verzameld en beantwoord in een Nota inspraakreacties. Deze Nota inspraakreacties is als bijlage 12 terug te vinden. De inspraakreacties hebben tot een aantal wijzigingen geleidt. 6.2.3

Terinzagelegging

Het ontwerpbestemmingsplan 'De 7 Dorpelingen' heeft vanaf 15 juni tot en met 27 juli 2017 ter inzage gelegen op het gemeentehuis van Bergen en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Een ieder is daarmee in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen op het ontwerpbestemmingsplan. Binnen de inzagetermijn zijn 15 unieke zienswijzen ontvangen. Deze zijn bij de oorspronkelijke behandeling beantwoord in bijlage 15. 6.2.4

Hernieuwde vaststelling

Uit vaste jurisprudentie van Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat dat het de Raad in beginsel vrijstaat om terug te vallen op de procedure die aan het (vernietigde) besluit ten grondslag ligt en niet opnieuw het ontwerp ter inzage te leggen (zie bijvoorbeeld een uitspraak van uw Afdeling van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS: 2020:2439, r.o. 17 en 3 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4). Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin het uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, mede gelet op het verhandelde in die eerste procedure en de aard en ernst van de gebreken

Toelichting (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Harmonielocatie die tot vernietiging hebben geleid, niet passend moet worden geoordeeld indien het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerdere procedure en niet een nieuw ontwerpbesluit opstelt en ter inzage legt. Daarvan is hier geen sprake. Daarbij kan van de Raad wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp, zowel in de planregels als in de onderbouwing van het plan (zie nogmaals Afdeling van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS: 2020:2439, r.o. 17). Slechts als de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat sprake is van een wezenlijk ander plan, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen volgens vaste jurisprudentielijn. Uit de jurisprudentie rond wijzigingen naar aanleiding van de oorspronkelijke tervisielegging volgt dat mede bepalend voor een verplichting tot hernieuwde tervisielegging is het belang van derde niet indieners3. Wanneer kan worden vermoed dat derde niet indieners worden geraakt in hun belang terwijl zij in de procedure niet zijn betrokken is hernieuwde tervisielegging verplicht. Nu de ruimtelijke gevolgen van de wijzigingen in dit plan niet dusdanig dat sprake kan zijn van derde die in hun belang geraakt zijn en eerder indieners slecht tegemoet gekomen worden is geen noodzaak voor hernieuwde tervisielegging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/4564/documents/32190