Bestemmingsplan Saenehof Bergen_vastgesteld_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Het projectgebied valt binnen de bebouwde kom grenzen van de Gemeente Bergen. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet van toepassing. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Hierbij dient men in één richting te werken om de aanwezige fauna de gelegenheid te geven voor de werkzaamheden uit te vluchten.
3
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding ...................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel.................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ................................................................................................. 5 1.2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 5 1.2.2 Soortbescherming ................................................................................................................. 6 1.2.3 Houtopstanden ..................................................................................................................... 7 1.2.4 Ontheffing en gedragscode ................................................................................................... 7 1.3 Leeswijzer................................................................................................................................ 7 2 2.1 2.2
Projectgebied en ontwikkelingen ............................................................................................... 8 Projectgebied ........................................................................................................................... 8 Ontwikkelingen......................................................................................................................... 9
3 Soortbescherming .................................................................................................................... 10 3.1 Bronnenonderzoek ................................................................................................................. 10 3.2 Habitatscan............................................................................................................................ 10 3.2.1 Zoogdieren ......................................................................................................................... 10 3.2.2 Vogels ................................................................................................................................ 11 3.2.3 Amfibieën ........................................................................................................................... 12 3.2.4 Reptielen ............................................................................................................................ 12 3.2.5 Vissen ................................................................................................................................ 12 3.2.6 Ongewervelden...................................................................................................................
12 3.2.7 Vaatplanten ........................................................................................................................ 13 3.2.8 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ........................................................... 13 3.3 Effecten ................................................................................................................................. 13 3.3.1 Effecten ontwikkelingen....................................................................................................... 14 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming .................................................... 14 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied............................................................................ 14 3.4.2 Mitigerende maatregelen ..................................................................................................... 14 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming...................................................................................... 15 4 4.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................................... 16 Effecten ................................................................................................................................. 16
5
Houtopstanden ......................................................................................................................... 17
6 6.1 6.2
Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................. 18 Conclusies ............................................................................................................................. 18 Aanbevelingen ....................................................................................................................... 18
7
Literatuur .................................................................................................................................. 19
Bijlage 1: Foto-impressie .................................................................................................................... 20 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ....................................................................................... 21 Bijlage 3: Kaart resultaten habitatscan ................................................................................................ 23
4
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL De initiatiefnemer is voornemens parkeerplaatsen te realiseren bij het Saenehof complex te Bergen. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. De bomen in het projectgebied bevinden zich binnen de bebouwde komgrenzen van de gemeente Bergen. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
1.2
NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
5
1.2.2
SOORTBESCHERMING
Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
6
1.2.3
HOUTOPSTANDEN
Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Hieronder zijn de meest relevante onderdelen uit dit hoofdstuk beschreven. De bepalingen in de Wet natuurbescherming kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor het kappen van bomen die wel onder houtopstanden Wnb vallen geldt een meldplicht bij Gedeputeerde Staten en een herplantplicht.
1.2.4
ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE
Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.
1.3
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.
7
2
PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN
2.1
PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Bergen in kilometerhok: X: 109 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.
/
Y:
520
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied betreft een wooncomplex bestaande uit 78 aanleunwoningen. De bebouwing is twee tot drie woonlagen hoog, met een plat dak en een gevel opgebouwd uit bakstenen. In het projectgebied zijn looppaden aanwezig welke samenkomen op een gezamenlijk binnenplein met zitmogelijkheden. Langs de wegen grenzend aan het projectgebied bevinden zich een aantal parkeerplaatsen. In en langs het projectgebied zijn er groenstructuren aanwezig, welke onder andere bestaan uit beukenhaag, esdoorn, zomereik en aanplant. Buiten het projectgebied grenst er aan de noordwestkant een vijver met een berm bestaande uit onder andere riet en kruidenrijke vegetatie. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.
8
2.2
ONTWIKKELINGEN De initiatiefnemer is voornemens parkeerplaatsen te realiseren bij het Saenehof complex te Bergen. Aan de oostkant van het projectgebied kunnen er mogelijk acht parkeerplaatsen en aan de westkant kunnen er mogen 16 parkeerplaatsen worden gerealiseerd (afbeelding 2). Op dit moment is nog niet bepaald waar en hoeveel parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. Voor de uitvoer van de werkzaamheden worden er groenvoorzieningen verwijderd.
Afbeelding 2: Geplande ontwikkeling met mogelijke locaties voor parkeerplaatsen (blauw)
9
3
SOORTBESCHERMING
3.1
BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.
Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4 van de “Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. Daarnaast geldt in de provincie Noord-Holland een meldingsplicht bij aanvang van de werkzaamheden indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling.
3.2
HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2022 en is uitgevoerd door ing. S.T.J. Kuip. Tijdens de habitatscan was het droog, geheel onbewolkt, met een temperatuur van circa 24 °C en een windkracht van 2 Bft. 3.2.1
ZOOGDIEREN
In de omgeving van het projectgebied zijn de boommarter, bunzing, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en de wezel bekend voor te komen. Daarnaast zijn de vleermuissoorten de bosvleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en de watervleermuis bekend voor te komen in de omgeving van het projectgebied. De boommarter is een bosbewoner en leeft voornamelijk in uitgestrekte bosgebieden, maar ook in relatief kleine bossen. De steenmarter is bekend voor te komen in de nabijheid van dorpen en in steden, maar leeft ook in natuurlijke gebieden. Beide soorten gebruiken onder andere boomholtes, ruimtes onder takkenhopen en holen onder de grond als verblijfplaats. In de bomen in het projectgebied zijn geen geschikte holtes waargenomen die door de boommarter of steenmarter als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Er zijn geen takkenhopen of ondergrondse holen aangetroffen in het projectgebied, waar de boommarter of steenmarter gebruik van zouden kunnen maken. Buiten het projectgebied bevindt zich aan de westkant een takkenhoop, welke potentiële verblijfplaatsen biedt voor individuen van de boommarter en de steenmarter. Het bosgebied ten noorden van het projectgebied biedt een geschikt leefgebied voor de boommarter en de steenmarter.
Doordat het projectgebied in verbinding staat met dit bos en door de aanwezigheid van een takkenhoop buiten het projectgebied, kan het incidenteel voorkomen van individuen van de boommarter en de steenmarter niet worden uitgesloten. Wegens het ontbreken van geschikte verblijfplaatsen in het projectgebied, worden er echter geen beschermde functies van de boommarter en de steenmarter verwacht voor te komen.
10
In het projectgebied zijn geen nesten of individuen van de eekhoorn waargenomen. Beschermde functies voor de eekhoorn worden niet verwacht in het projectgebied voor te komen. De kleine marterachtigen de bunzing, hermelijn en de wezel gebruiken onder andere dicht struikgewas, takkenhopen en holen onder de grond als verblijfplaats. De groenstructuren in het projectgebied bestaan voornamelijk uit aanplant en worden vrij intensief beheerd. Plantensoorten in het projectgebied bestaan onder andere uit beukenhaag, Japanse esdoorn en kornoelje. De groenstructuren vormen geen dicht begroeide onderlaag welke gebruikt kan worden door kleine marterachtigen als verblijfplaats. Wegens de aanwezigheid van een takkenhoop buiten het projectgebied en het bosgebied ten noorden van het projectgebied, kan het incidenteel voorkomen van kleine marterachtigen niet worden uitgesloten. Verblijfplaatsen van kleine marterachtigen in het projectgebied worden echter niet verwacht voor te komen. De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. Aanwezige geschikte ruimtes voor verblijfplaatsen betreffen open stootvoegen die toegang bieden tot de spouwmuur (afbeelding 3), dilatatievoegen en ruimtes onder de metalen daktrim.
In het projectgebied is er een esdoorn met een holte aanwezig die gebruikt kan worden als verblijfplaats door boombewonende vleermuizen zoals de ruige dwergvleermuis en de watervleermuis (afbeelding 4). De holte bevindt zich op circa drie meter hoog. In bijlage 3 is de exacte locatie van de boom met holte op kaart weergegeven. Verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen kunnen derhalve niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. De groenstructuren rond het projectgebied zorgen voor luwte en trekken insecten aan welke onderdeel kunnen uitmaken van foerageergebied van vleermuizen. De bebouwing in het projectgebied maakt als structuur mogelijk onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen.
Afbeelding 3: Stootvoegen
Afbeelding 4: Boomholte
In het projectgebied kunnen mogelijke algemene, vrijgestelde zoogdieren voorkomen, zoals de egel en algemene muizensoorten. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet in het projectgebied verwacht voor te komen.
3.2.2
VOGELS
De bebouwing in het projectgebied biedt geen potentie als nestlocatie voor de gierzwaluw en de huismus. Nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus bevinden zich voornamelijk onder dakpannen, dakoverstek of in holtes in muren. De bebouwing is niet voorzien van dakpannen, neststenen of geschikte ruimtes in de muur. Tijdens de habitatscan zijn er geen individuen van de huismus waargenomen. In een boom in het projectgebied is er één potentieel jaarrond beschermd nest aanwezig (afbeelding 5). Individuen van de boomvalk, buizerd, ransuil en de sperwer kunnen mogelijk gebruik maken van dit potentieel jaarrond beschermd nest. In bijlage 3 is de locatie van het nest op kaart weergegeven. De bomen en groenstructuren in het projectgebied bieden geschikt broedbiotoop voor algemene broedvogels, zoals de ekster, houtduif en zwarte kraai.
11
Afbeelding 5: potentieel jaarrond beschermd nest
3.2.3
AMFIBIEËN
In de omgeving van het projectgebied is de rugstreeppad bekend voor te komen. Wegens het ontbreken van geschikt landbiotoop en de afwezigheid van voortplantingswater in het projectgebied, wordt de rugstreeppad niet verwacht voor te komen in het projectgebied. In de groenstructuren in of nabij het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën zoals de bruine kikker en de gewone pad voorkomen.
3.2.4
REPTIELEN
In de omgeving van het projectgebied zijn de hazelworm en de zandhagedis bekend voor te komen. De hazelworm verblijft onder andere in holen onder de grond of in lage vegetatie of dood hout. De hazelworm komt voornamelijk voor in bos- en heidegebieden, maar kunnen ook voorkomen op ruderale locaties en in tuinen. De dichtstbijzijnde waarneming van de hazelworm betreft circa twee kilometer ten noordwesten van het projectgebied in het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Gezien de afstand tot het projectgebied en de aanwezigheid van obstakels zoals bebouwing en wegen, wordt de hazelworm niet verwacht voor te komen in het projectgebied. De zandhagedis is bekend voor te komen in de omgeving van het projectgebied. De zandhagedis heeft een sterke binding aan duin- en heidegebieden en wordt voornamelijk aangetroffen in droge struikheideterreinen en in het open struweelduin. Gezien de afwezigheid van duin- en heidegebieden in het projectgebied, wordt de zandhagedis niet verwacht voor te komen.
3.2.5
VISSEN
In de omgeving van het projectgebied zijn er geen beschermde vissoorten bekend voor te komen. In het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het voorkomen van beschermde vissoorten in het projectgebied kan worden uitgesloten.
3.2.6
ONGEWERVELDEN
De onderzochte groep ongewervelden bestaat onder andere uit dagvlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied zijn de soorten de bruine eikenpage, duinparelmoervlinder, gevlekte witsnuitlibel, grote vos, kommavlinder en de platte schijfhoren bekend voor te komen. De bruine eikenpage komt zowel in het binnenland als in de duinen voor op zandgronden. In het binnenland komt hij voor in open loofbossen en jonge eikenaanplant. De waardplant van de bruine eikenpage is in het bijzonder de zomereik. De zomereik komt voor in de omgeving van het projectgebied. De bruine eikenpage legt de eieren op kleine eiken van een halve tot anderhalve meter hoog. Er zijn alleen grote volwassen exemplaren van de zomereik aanwezig in de omgeving van het projectgebied. De bomen in het projectgebied zijn niet geschikt als voortplantingsbiotoop van de bruine eikenpage. De bruine eikenpage wordt in het projectgebied niet verwacht voor te komen. De duinparelmoervlinder komt voornamelijk voor in de duinen van Noord-Holland en op de Waddeneilanden. Door het ontbreken van de waardplant van de duinparelmoervlinder (duinviooltje) wordt deze vlinder in het projectgebied niet verwacht voor te komen. De grote vos is een zeldzame vlinder met een zwervend karakter. De waardplant van de grote vos is voornamelijk de iep. In het projectgebied zijn geen iepen aanwezig.
De grote vos kan hierdoor worden uitgesloten voor te komen in de omgeving van het projectgebied. 12
De kommavlinder komt voornamelijk voor in duingebieden met gevarieerde heiden en in schrale open graslanden. Waardplantenvan de kommavlinder betreffen voornamelijk pollen van schapengras, maar kunnen ook bestaan uit pollen van buntgras, struisgras of zwenkgras. Door het ontbreken van deze waardplanten in het projectgebied, worden individuen van de kommavlinder niet verwacht voor te komen in het projectgebied. De gevlekte witsnuitlibel komt voornamelijk voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen met een ontwikkelde water- en oevervegetatie. De platte schijfhoren komt voor in oppervlakte met een ontwikkelde watervegetatie. Door het ontbreken van oppervlaktewater in het projectgebied kunnen beschermde functies van de gevlekte witsnuitlibel en de platte schijfhoren in het projectgebied worden uitgesloten.
3.2.7
VAATPLANTEN
In de omgeving van het projectgebied zijn standplaatsen bekend van akkerdoornzaad, dennenorchis, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, kluwenklokje, knolspirea en stofzaad. In het projectgebied staan onder andere soorten zoals esdoorn, klimop en zomereik. Deze soorten groeien op een voedselrijke grond. Akkerdoornzaad, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, kluwenklokje en knolspirea groeien op zonnige open plaatsen op kalkhoudende gronden. Deze soorten zijn bekend voor te komen in het Noord-Hollands duinreservaat op circa 2 kilometer ten westen van het projectgebied. Gezien het projectgebied voornamelijk uit struikgewas bestaat en er weinig geschikte open plaatsen aanwezig zijn, worden deze soorten niet verwacht voor te komen in het projectgebied. Dennenorchis staat op voedsel- en stikstofarme grond en groeit op beschaduwde plaatsen en is bekend voor te komen op de zandgronden in het Noord-Hollands duinreservaat. Gezien de aanwezige groenstroken in en om het projectgebied vrij voedselrijk zijn, wordt de dennenorchis niet verwacht voor te komen in het projectgebied. De standplaats van het stofzaad is op droge tot vrij vochtige, voedselarme bodems. Gezien de bodem voornamelijk voedselrijk is en de dichtstbijzijnde bekende standplaats van stofzaad zich op circa twee kilometer afstand bevindt, wordt stofzaad niet verwacht voor te komen in het projectgebied
3.2.8
MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES
Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep
Functies
Bescherming Wnb
Mogelijk aanwezig in:
Algemene amfibieën*
Leefgebied
Artikel 3.10 (Wnb, bijlage A)
Groenstructuren
Algemene broedvogels
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Groenstructuren
Algemene zoogdieren*
Leefgebied
Artikel 3.10 (Wnb, bijlage A)
Groenstructuren
Broedvogels
Jaarrond beschermd nest
Artikel 3.1 (VR)
Boom zuidzijde projectgebied
Vleermuizen
Verblijfplaatsen
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Bebouwing spouwmuur/dakrand en boomholte
Foerageergebieden
Groenvoorzieningen
Vliegroutes
Lijnvormige elementen
* Vrijgesteld in de provincie Noord-Holland, zorgplicht blijft van toepassing (Artikel 1.11)
3.3
EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn.
13
3.3.1
EFFECTEN ONTWIKKELINGEN
De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven waar geen effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. Geen effecten De boom met het potentieel jaarrond beschermd nest en de boom met holte blijven tijdens de geplande werkzaamheden behouden. Er worden derhalve geen negatieve effecten verwacht voor te komen op broedvogels met jaarrond beschermde nesten en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Indien er bij de geplande ontwikkelingen geen werkzaamheden worden uitgevoerd aan het dak of aan de gevel, worden er geen negatieve effecten verwacht voor te komen op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden zullen mogelijk gepaard gaan met effecten van tijdelijke invloed door geluid en trillingen. Dit verstoort mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren die gebruik maken van het projectgebied. Permanente effecten Indien er werkzaamheden aan het dak of aan de gevel worden uitgevoerd, kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen verloren gaan. Hierbij kunnen vleermuizen worden verstoord en/of gedood.
Indien er kap- en snoeiwerkzaamheden tijdens het broedseizoen van vogels plaatsvinden (globaal maart – augustus), kunnen er nestlocaties van algemene broedvogels verloren gaan en kunnen kuikens worden gedood. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep
Effect
Verbodsbepaling
Algemene amfibieën*
Opzettelijk doden
Artikel 1.11 (zorgplicht)
Algemene zoogdieren*
Opzettelijk doden
Artikel 1.11 (zorgplicht)
Algemene broedvogels
Opzettelijk doden
Artikel 3.1 (VR) Lid 1
Opzettelijk vernielen / beschadigen nest
Artikel 3.1 (VR) Lid 2
Opzettelijk verstoren
Artikel 3.1 (VR) Lid 4
Opzettelijk doden
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1
Opzettelijk verstoren
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2
Vleermuizen
Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4 * Vrijgesteld in de provincie Noord-Holland, zorgplicht blijft van toepassing (Artikel 1.11)
3.4
AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING
3.4.1
AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED
Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor vleermuizen en algemene broedvogels. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Indien er werkzaamheden aan het dak of de gevel van de bebouwing in het projectgebied worden uitgevoerd, is het aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis.
3.4.2 -
MITIGERENDE MAATREGELEN Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in de bebouwing in het projectgebied. Indien er werkzaamheden aan de gevel of aan het dak worden uitgevoerd, is er aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen nodig. Indien er verblijfplaatsen aanwezig zijn, dienen er nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen te worden. 14
-
-
-
3.4.3
Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.
ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING
De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand worden uitgesloten. Indien er geen werkzaamheden aan het dak of de gevel van de bebouwing in het projectgebied worden uitgevoerd en de kap- en snoeiwerkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels worden uitgevoerd, is er geen aanvullend natuuronderzoek nodig.
15
4
GEBIEDSBESCHERMING
Het projectgebied is niet gelegen in een beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ruim 1 kilometer van het projectgebied en betreft het Noord-Hollands Duinreservaat. Op circa 800 meter van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN. Dit kerngebied betreft de Zuurvenspolder. De ligging van het projectgebied ten opzichte van beschermde natuur is in afbeelding 6 op kaart weergegeven.
Afbeelding 6: Projectgebied ten opzichte van beschermde natuur (geoapps.noord-holland.nl)
4.1
EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Het projectgebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. In de Wnb (artikel 2.9a) is een partiële vrijstelling geïntroduceerd van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector. Voor de realisatiefase van de geplande ontwikkelingen is vanaf 1 juli 2021 geen vergunning benodigd. Als gevolg van de realisatie van 24 parkeerplaatsen, kan er een toename ontstaan in het aantal verkeersbewegingen in het projectgebied. Gezien de beperkte omvang van de mogelijke toename in het aantal verkeersbewegingen, worden er echter geen significant negatieve effecten verwacht op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden in de gebruiksfase een effect hebben op het nabijgelegen Natura 2000-gebied kan er een stikstofberekening met behulp van de “AERIUS Calculator” worden uitgevoerd.
16
5
HOUTOPSTANDEN
De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad vastgestelde bebouwde kom (afbeelding 7). De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen.
Afbeelding 7: Grens bebouwde kom (geoapps.noord-holland.nl)
17
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6.1
CONCLUSIES In een boom aan de zuidkant van het projectgebied is er één potentieel jaarrond beschermd nest aanwezig. Individuen van de boomvalk, buizerd, ransuil en de sperwer kunnen mogelijk gebruik maken van dit potentieel jaarrond beschermd nest. In een boom aan de noordkant van het projectgebied is er een holte aanwezig welke een potentiële verblijfplaats biedt voor boombewonende vleermuizen. Beide bomen blijven tijdens de geplande werkzaamheden behouden. Er worden derhalve geen negatieve effecten verwacht voor te komen op broedvogels met jaarrond beschermde nesten en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De bebouwing in het projectgebied biedt potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Bij werkzaamheden aan het dak of aan de gevel kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied worden niet verwacht voor te komen. Als gevolg van de realisatie van 24 parkeerplaatsen, kan er in de gebruiksfase een toename ontstaan in het aantal verkeersbewegingen in het projectgebied.
Gezien de beperkte omvang van de mogelijke toename in het aantal verkeersbewegingen, worden er echter geen significant negatieve effecten verwacht op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden in de gebruiksfase een effect hebben op het nabijgelegen Natura 2000-gebied kan er een stikstofberekening met behulp van de “AERIUS Calculator” worden uitgevoerd. Het projectgebied valt binnen de bebouwde kom grenzen van de Gemeente Bergen. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet van toepassing.
6.2
AANBEVELINGEN Indien er geen werkzaamheden aan het dak of de gevel van de bebouwing in het projectgebied worden uitgevoerd en de kap- en snoeiwerkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) worden uitgevoerd, is er geen aanvullend onderzoek naar beschermde flora en fauna nodig alvorens men met de geplande werkzaamheden kan beginnen. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen van vogels plaats moeten vinden, dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Hierbij dient men in één richting te werken om de aanwezige fauna de gelegenheid te geven voor de werkzaamheden uit te vluchten. Tabel 3: Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep
Aanvullend onderzoek
Onderzoeksperiode
Algemene broedvogels*
Nesten, indien niet buiten het broedseizoen
Binnen de periode maart t/m augustus
gewerkt wordt Vleermuizen**
Zomer- en kraamverblijfplaatsen
15 mei t/m 15 juli
Vleermuizen**
Massawinterverblijfplaatsen
1 augustus t/m 10 september
Vleermuizen**
Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen
15 augustus t/m 1 oktober
* Indien er werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden (maart – augustus) ** Indien er werkzaamheden aan het dak of de gevel worden uitgevoerd
18
7
LITERATUUR
BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, (2011) Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus (2017) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet NDFF geoapps.noord-holland.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
19
Bijlage 1:
Foto-impressie
20
Bijlage 2:
Tabel mogelijk aanwezige soorten
Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in de omgeving van het projectgebied Soortgroep Naam Bescherming Amfibieën
bastaardkikker1 1
Amfibieën
bruine kikker
Amfibieën
1
gewone pad
1
Afstand
Wnb A
< 5km
Wnb A
< 1km
Wnb A
< 5km
Wnb A
< 5km
Amfibieën
kleine watersalamander
Amfibieën
rugstreeppad
HR IV & Bern II
< 4km*
Ongewervelden
bruine eikenpage
Wnb A
< 5km
Ongewervelden
duinparelmoervlinder
Wnb A
< 5km
Ongewervelden
gevlekte witsnuitlibel
HR IV & Bern II
< 5km
Ongewervelden
grote vos
Wnb A
< 5km
Ongewervelden
kommavlinder
Wnb A
< 5km
Ongewervelden
platte schijfhoren
HR IV
< 3km
Reptielen
hazelworm
Wnb A
< 5km
Reptielen
zandhagedis
HR IV & Bern II
< 5km
Vaatplanten
akkerdoornzaad
Wnb B
< 5km
Vaatplanten
dennenorchis
Wnb B
< 5km
Vaatplanten
groot spiegelklokje
Wnb B
< 5km
Vaatplanten
grote leeuwenklauw
Wnb B
< 5km
Vaatplanten
kluwenklokje
Wnb B
< 5km
Vaatplanten
knolspirea
Wnb B
< 5km
Vaatplanten
stofzaad
Wnb B
< 5km
Vleermuizen
bosvleermuis
HR IV & Bern II
< 5km
Vleermuizen
franjestaart
HR IV & Bern II
< 5km
Vleermuizen
gewone baardvleermuis
HR IV & Bern II
< 5km
Vleermuizen
gewone dwergvleermuis
HR IV
< 3km*
Vleermuizen
gewone grootoorvleermuis
HR IV & Bern II
< 5km
Vleermuizen
laatvlieger
HR IV & Bern II
< 3km*
Vleermuizen
meervleermuis
HR IV & Bern II
< 3km*
Vleermuizen
rosse vleermuis
HR IV & Bern II
< 3km*
Vleermuizen
ruige dwergvleermuis
HR IV & Bern II
< 3km*
Vleermuizen
tweekleurige vleermuis
HR IV & Bern II
< 4km*
Vleermuizen
watervleermuis
HR IV & Bern II
< 4km*
Vogels
blauwe reiger
Cat. 5
< 4km*
Vogels
boerenzwaluw
Cat. 5
< 4km*
Vogels
bonte vliegenvanger
Cat. 5
< 5km
Vogels
boomkruiper
Cat. 5
< 5km
Vogels
boomvalk
Cat. 4
< 5km
Vogels
bosuil
Cat. 5
< 4km*
Vogels
buizerd
Cat. 4
< 4km*
Vogels
draaihals
Cat. 5
< 5km
Vogels
ekster
Cat. 5
< 5km*
Vogels
gekraagde roodstaart
Cat. 5
< 5km
Vogels
gierzwaluw
Cat. 2
< 3km*
Vogels
grauwe vliegenvanger
Cat. 5
< 5km
Vogels
groene specht
Cat. 5
< 3km*
Vogels
grote bonte specht
Cat. 5
< 5km
Vogels
grote gele kwikstaart
Cat. 3
< 5km
Vogels
havik
Cat. 4
< 5km
Vogels
huismus
Cat. 2
< 5km
Vogels
huiszwaluw
Cat. 5
< 5km
21
Soortgroep
Naam
Bescherming
Afstand
Vogels
ijsvogel
Cat. 5
< 5km
Vogels
kerkuil
Cat. 3
< 3km*
Vogels
kleine bonte specht
Cat. 5
< 5km
Vogels
koolmees
Cat. 5
< 4km*
Vogels
oeverzwaluw
Cat. 5
< 5km
Vogels
ooievaar
Cat. 3
< 5km
Vogels
pimpelmees
Cat. 5
< 4km*
Vogels
ransuil
Cat. 4
< 5km
Vogels
roek
Cat. 2
< 5km
Vogels
slechtvalk
Cat. 3
< 5km
Vogels
sperwer
Cat. 4
< 5km
Vogels
spreeuw
Cat. 5
< 5km
Vogels
steenuil
Cat. 1
< 5km
Vogels
tapuit
Cat. 5
< 5km
Vogels
torenvalk
Cat. 5
< 5km
Vogels
wespendief
Cat. 4
< 5km
Vogels
zwarte kraai
Cat. 5
< 5km
Vogels
zwarte mees
Cat. 5
< 5km
Vogels
zwarte roodstaart
Cat. 5
< 5km
Vogels
zwarte specht
Cat. 5
< 5km
Vogels
zwarte wouw
Cat. 4
< 5km
Zoogdieren
aardmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
boommarter
Wnb A
< 5km
Wnb A
< 5km
Wnb A
< 5km*
Zoogdieren
bosmuis
Zoogdieren
bunzing
1
1
Zoogdieren
dwergmuis
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
dwergspitsmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
eekhoorn
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
1
egel
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
gewone bosspitsmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
haas
1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
hermelijn
Wnb A
< 5km
Wnb A
< 5km
Wnb A
< 4km*
Wnb A
< 5km
Wnb A
< 5km
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
huisspitsmuis
Zoogdieren
konijn1
1
Zoogdieren
rosse woelmuis
Zoogdieren
steenmarter 1
1
Zoogdieren
veldmuis
Zoogdieren
vos
1
Wnb A
< 4km*
Zoogdieren
wezel
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
1
Wnb A woelrat * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V.
< 5km
22
Bijlage 3:
Kaart resultaten habitatscan
23
vastgesteld bestemmingsplan Saenehof Bergen Gemeente Bergen (NH.) Projectnummer 0479061.100
Bijlage 3
blad 95 van 116
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Ruimte - Antea Nederland B.V.
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Saenehof Bergen
projectnummer 0479061.100 definitief 14 september 2022
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Saenehof Bergen
projectnummer 0479061.100 definitief
Auteur M.J.A.B. Elsman
Opdrachtgever Stichting ViVa! Zorggroep Postbus 95 1960 AB Heemskerk
datum 14 september 2022
beschrijving definitief
vrijgave
Inhoudsopgave
Blz.
1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding
1
2
Beoogde ontwikkeling
2
2.1 2.2 2.3 2.4
Aanleiding Doel Begrenzing Beoogde situatie
2 2 2 3
3
Toetsingskader
4
3.1 3.2 3.3
Algemeen Activiteit en drempelwaarden Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4 4 5
4
Beoordeling
6
4.1 4.2 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.3.5 4.3.6 4.3.7 4.3.8 4.3.9 4.3.10
Kenmerken van het project Plaats van het project Kenmerken van het potentiële effect Bodem Water Natuurgebieden Flora en fauna Verkeersgeneratie Luchtkwaliteit Externe veiligheid Cultuurhistorie Archeologie Resumé
6 6 6 7 7 7 8 8 9 9 9 10 10
5
Conclusie en advies
11
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Saenehof Bergen projectnummer 0479061.100 14 september 2022 Stichting ViVa! Zorggroep
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die via het herzien of afwijken van een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, middels een vormvrije m.e.r.-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld, op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. Voorliggende aanmeldnotitie is opgesteld in het kader van het bestemmingsplan “Saenehof”, ten behoeve van een functiewijziging naar 78 gestapelde woningen in Bergen. In deze aanmeldnotitie zijn de milieueffecten in relatie tot het planvoornemen geïnventariseerd en gebundeld weergegeven. Op basis van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapportage.
Blad 1 van 11
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Saenehof Bergen projectnummer 0479061.100 14 september 2022 Stichting ViVa! Zorggroep
2
Beoogde ontwikkeling
2.1
Aanleiding In Bergen bevindt zich het Saenehof, onderdeel van zorgcentrum 'De Marke'. Het Saenehof bestaat uit zogenoemde 'aanleunwoningen'. Aanleunwoningen zijn woningen die gebouwd zijn tegen of in de nabijheid van een verzorgingshuis. Deze woningen zijn bedoeld voor mensen die nog wel grotendeels zelfstandig kunnen wonen, maar een specifieke vraag naar zorg hebben. De laatste jaren is de vraag naar deze aanleunwoningen dermate gedaald dat voor invulling van de woningen is gezocht via het reguliere kanaal. Op dit moment wordt het gebouw dan ook ingezet deels als aanleunwoning en bij leegstand worden de eenheden als reguliere huurwoning verhuurd. Het regulier bewonen van de aanleunwoningen is echter formeel niet toegestaan binnen het huidige planologische regime. Omdat het regulier wonen wel bijdraagt aan het voorzien in de woningbehoefte in de gemeente Bergen-NH, wordt een herbestemming naar een woonfunctie en daarmee legalisering van het huidige gebruik wenselijk geacht.
2.2
Doel Het plangebied valt onder het bestemmingsplan “Bergen- Dorpskern Zuid” (vastgesteld op 24 maart 2009). In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Maatschappelijk'. Tevens vigeert voor het plangebied het bestemmingsplan “Parkeren” (vastgesteld op 31 mei 2018). In dit bestemmingsplan worden de parkeernormen uitgezet welke in acht genomen dienen te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Verder wordt voor het plangebied het bestemmingsplan “Facetbestemmingsplan Recreatie” voorbereid, waarin toeristische verhuur, groei van vakantieparken en gebruik van recreatiewoningen wordt geregeld. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, cultuur, religie, onderwijs, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren. Het vigerend bestemmingsplan staat het gebruik van de panden voor het regulier wonen niet toe. Ook de bestemmingsplannen “Parkeren” en “Facetbestemmingsplan Recreatie” bieden geen kader voor het regulier wonen. Geconcludeerd kan worden dat het regulier bewonen van de gebouwen niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan. Het onderhavige bestemmingsplan “Saenehof” voorziet in een nieuw juridisch-planologisch regime om het beoogde gebruik mogelijk te maken.
2.3
Begrenzing Het plangebied voor het bestemmingsplan omvat het perceel (kadastraal bekend als: BGN03-C2861) ingeklemd tussen het Zakedijkje aan de noordzijde en de Leek aan de zuid- en oostzijde. Het plangebied is gesitueerd in het oosten van Bergen in de wijk Saenegheest. In onderstaande afbeelding is het plangebied aangeduid middels de rode arcering.
Blad 2 van 11