Advies Keuzes APV 4 januari 2024.pdf
Tekst van het document
Keuzes gemeenteraad inzake APV 2023 1. Artikel 2:3 termijn kennisgeving betogingen Huidige situatie: Op grond van vigerende APV geldt een kennisgevingstermijn van 1 week. Keuze: vijf werkdagen of een kortere kennisgevingstermijn. Overige BUCH-gemeenten: Castricum hanteert een kennisgevingstermijn van twee werkdagen, Heiloo een kennisgevingstermijn van 48 uren en Uitgeest een kennisgevingstermijn van 24 uren. Preadvies: Betogingen komen vaker voor en worden complexer, waarbij ook ‘tegendemonstraties’ kunnen voordoen. De termijn moet gelet op de uitoefening van fundamentele grondrechten kort zijn, maar wel lang genoeg voor de burgemeester om voldoende voorzorgsmaatregelen te treffen om de manifestatie te beschermen en te faciliteren, en indien noodzakelijk te beperken of zelfs te verbieden. Ambtelijk is de voorkeur uit gesproken om de termijn te verruimen van een week naar vijf werkdagen zodat, ook met tussentijdse feestdagen, voldoende tijd is om af te stemmen met ketenpartners en om inzet van toezicht- en handhavingscapaciteit adequaat te kunnen regelen. Het nalaten van een kennisgeving kan echter op zichzelf geen grond zijn om een demonstratie te verbieden, het is wel een factor die de burgemeester zwaar mag laten wegen als hij een afweging moet maken tussen de belangen van de demonstranten en die van de gezondheid, het verkeer en de bestrijding van wanordelijkheden.
Door het nalaten van de aanmelding ontnemen de demonstranten de gemeente de mogelijkheid om tijdig maatregelen te treffen ter afwending van de eventuele nadelige gevolgen van de betoging. Een betoging die met de nodige maatregelen van de kant van de gemeente had kunnen plaatsvinden, zal derhalve verboden mogen worden als door het niet tijdig aanmelden ervan de gemeente aantoonbaar geen mogelijkheid meer heeft om afdoende maatregelen te treffen. In vergelijking met de overige BUCH-gemeenten hanteert de gemeente Bergen al een ruime kennisgevingtermijn. Om die reden wordt geadviseerd de termijn niet verder te verruimen en de bestaande termijn te handhaven. Preconclusie: kennisgevingtermijn niet verruimen
2. Artikel 2: 18 a: verbod verspreiding hinderlijke rookgassen. Artikel 2:18 a Verbod verspreiding hinderlijke rookgassen 1.Het is verboden om op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, hinderlijke rookgassen te verspreiden. 2.Een rechthebbende van een gebouw met een publieke/openbare functie kan een verzoek indienen bij het college tot het opnemen van een bepaald gebied in een aanwijzingsbesluit. 3.Bij toewijzing van het verzoek, als bedoeld in het tweede lid draagt de rechthebbende zorg voor een juiste uitvoering daarvan. Huidige situatie: bepaling niet opgenomen
Pagina 1 van 5
Keuze: bepaling wel of niet opnemen in nieuwe APV Overige BUCH-gemeenten: hebben artikel 2:18a niet opgenomen in de APV, deze staat eveneens niet in de Model-APV Preadvies: Aanleiding om deze bepaling in de APV op te nemen is een concreet verzoek van een schoolbestuur dat signaleert dat leerlingen zich (net) buiten het onderwijsterrein ophouden om te roken. Zoals bekend geldt voor (onder andere) onderwijsterreinen een rookverbod op grond van de Tabakswet. Het rookverbod op onderwijsterreinen moet helpen voorkomen dat jongeren gaan roken. Jongeren gaan namelijk sneller roken als ze anderen zien roken. Doordat jongeren zich nu net buiten het onderwijsterrein ophouden wordt aan dit doel voorbij gegaan. Of een dergelijk verbod is toegestaan of in strijd is met hogere regelgeving zijn de (juridische) meningen verdeeld. Bij het voorstel tot wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet om het reclameverbod aan te scherpen (TK 2019-2020, 35504, nr. 3) heeft de Afdeling advisering van de Raad van State uiteengezet waarom gemeenten wel de bevoegdheid hebben om een rookverbod op bepaalde plaatsen in de openbare ruimte in te stellen als aanvulling op de rookverboden bedoeld in artikel 10 van de Tabaks- en Rookwarenwet. Een gemeente kan echter niet in algemene zin het roken in de openbare ruimte verbieden.
Een dergelijke regeling zou artikel 10 van de wet in combinatie met artikel 6.2 van het Tabaks- en rookwarenbesluit doorkruisen. Met voorgestelde bepaling kan op verzoek van een rechthebbende van een onderwijsgebouw een zone rondom het onderwijsterrein worden aangewezen waar eveneens niet mag worden gerookt. Een dergelijke aanwijzing geeft het schoolbestuur de bevoegdheid hiertegen daadwerkelijk te kunnen optreden (anders dan enkel vriendelijk verzoeken om dit niet te doen). Indien jongeren wensen te roken zullen ze zich dus verder af van het schoolterrein moeten bewegen. Daarmee wordt het roken meer ontmoedigd (men moet er verder voor lopen) en wordt het roken (meer) uit het gezichtsveld van andere jongeren onttrokken. De rechthebbende draagt de zorg voor de juiste uitvoering van het rookverbod. Uitvoering van deze maatregel heeft derhalve geen effect op het toezicht en handhavingscapaciteit van de gemeente. In zoverre zijn er geen bezwaren om aan het verzoek tegemoet te komen en de bepaling/ maatregel ondersteunt een wettelijk doel. Enkele gemeenten zoals gemeente Groningen hebben een eensluidende bepaling opgenomen in de APV. Preconclusie; artikel 2:18 a opnemen in de APV 3. Artikel 2:34 g (proeverijen in slijtlokalen) Huidige situatie: niet mogelijk omdat hiervoor geen bepaling in de APV is opgenomen. Keuze: eenmaal per maand mogelijk gedurende reguliere openingstijden.
Overige BUCH-gemeenten: hebben niet de mogelijkheid om proeverijen te houden in slijtlokalen opgenomen in de APV.
Pagina 2 van 5
Preadvies: Met invoering van artikel 25e van de Alcoholwet (1 juli 2021) is het mogelijk om bij verordening mogelijk te maken dat bij slijterijen (slijtlokaliteiten) betaalde proeverijen gehouden mogen worden. Er bestaat in beginsel geen bezwaar tegen het mogelijk maken van betaalde proeverijen in slijtlokalen. Oneerlijke mededinging met reguliere horeca wordt voorkomen door te bepalen dat dit slechts eenmaal per maand mag gedurende reguliere openingstijden. Voor wat betreft handhaving wordt geen extra inzet van capaciteit verwacht. Het voorstel is echter niet besproken met de betreffende ondernemers en KHN-afdeling Bergen. Daarnaast hebben de overige BUCH-gemeenten deze mogelijkheid (nog) niet in de APV opgenomen. Omwille van uniformiteit en omdat niet duidelijk is of hieraan daadwerkelijk behoefte bestaat wordt vooralsnog geadviseerd deze mogelijkheid niet in de APV op te nemen. Preconclusie: 2:34 g niet opnemen in de APV 4: Artikel 2: 73 a en 2: 73b: Verbod op carbidschieten en vervoer van carbidstoffen Huidige situatie: Op grond van de vigerende APV is carbidschieten en vervoeren van carbidstoffen niet toegestaan, waarbij het college ontheffing kan verlenen van het verbod. Keuze is om dit verbod wel of niet te laten vervallen. Preadvies Geadviseerd wordt om het verbod te handhaven nu regulering hiervan gewenst is.
Gemeente Bergen kent niet echt een traditie van carbidschieten. Mocht desgewenst vanuit inwoners hiertoe een verzoek komen dan kan het college alsnog een ontheffing verlenen. Voordeel van een ontheffing is dat het college in dat geval aan de ontheffing nadere voorwaarden/ voorschriften kan verbinden. Hierbij kan worden gedacht aan de voorwaarde dat het carbidschieten buiten de bebouwde kom dient plaats te vinden en op voldoende afstand van woningen en dierenverblijven etc. Preconclusie: artikel 2:73a en artikel 2:73b handhaven in de APV 5: Artikel 2:81 en 2:83 (verbod motorvoertuigen strand) en 2:83 (verbod motorvaartuigen strand/zee). Voorstel om zone aan te wijzen waarbij verbod niet geldt, en om motorvoertuigen noodzakelijk ten behoeve van de op- en afbouw van evenementen en vergunde bebouwing uit te sluiten van het verbod. Huidige situatie: Op grond van de vigerende APV is het verboden om zich met een motorvoertuig en motorvaartuig op het strand te begeven dan wel aan het strand grenzende zeestrook binnen een afstand van 300 meter vanaf het strand. Dit verbod geldt niet voor motorvoertuigen en motorvaartuigen ten behoeve van de uitoefening van een publieke functie. Voor alle andere voertuigen en motorvaartuigen moet thans steeds een ontheffing van het verbod worden aangevraagd.
Keuze: een lid toevoegen aan artikel 2:81 en 2:83 dat de bevoegdheid creëert voor het college om een zone aan te wijzen waarbinnen het verbod niet geldt Keuze: een sublid toevoegen aan artikel 2:83 waarin wordt bepaald dat het verbod niet geldt voor motorvoertuigen ten behoeve van de op- en afbouw van evenementen en vergunde bebouwing (artikel 2:81 lid 3 sub b (nieuw)). Preadvies: Pagina 3 van 5
Het verbod geldt op grond van de vigerende APV enkel niet voor specifieke doelgroepen (publieke functies). Voor alle andere voertuigen en motorvaartuigen zal op grond van de vigerende APV steeds een ontheffing van het verbod moeten worden aangevraagd. Dit impliceert dat wanneer boten te water worden gelaten of worden afgevaren hiervoor steeds separaat ontheffing moet worden verleend. Dit geldt ook voor motorvoertuigen die noodzakelijk zijn ten behoeve van de op- en afbouw van evenementen en vergunde bebouwing. Door motorvoertuigen noodzakelijk ten behoeve van de op- en afbouw van evenementen en vergunde bebouwing uit te sluiten van het verbod behoeft hiervoor niet telkens separaat een ontheffing te worden verleend. Met het aanwijzen van een zone waarbinnen het verbod niet geldt behoeft eveneens niet telkens separaat een ontheffing te worden verleend voor het te water laten en afvaren van boten. Dit leidt tot ambtelijke verlichting wat aansluit bij de praktijk. Daarnaast schept dit voor gebruikers duidelijkheid waar boten te water kunnen worden gelaten en kunnen worden afgevaren. Preconclusie: artikel 2:81 lid 2, artikel 2:83 lid 2 en artikel 2:81 lid 3 sub b opnemen in de APV.
6: Artikel 2:82: niet gemotoriseerde vaartuigen Huidige situatie: Op grond van de vigerende APV is het niet toegestaan om gedurende de zomerperiode een niet gemotoriseerd vaartuig (zoals kano’s, rubberen bootjes etc) op het strand te hebben en zich daarmee in de zee te begeven, behoudens op het activiteitenstrand. Keuze: verbod wel of niet verbod handhaven Preadvies: Ambtelijk is verzocht om deze bepaling te laten vervallen nu men niet ziet hoe en op welke deze leiden tot hinder en overlast en men in de praktijk hier ook niet op handhaaft. Vanwege het ontbreken van een belang dat dient te worden beschermd, is geen belang in het handhaven van de bepaling Preconclusie: artikel 2:82 (oud) laten vervallen. 7: Artikel 2: 93 Naaktrecreatie: Gesignaleerd is dat er op een andere plek naakt wordt gerecreëerd dan waar dit op grond van de APV en de strandnota is toegestaan. Naaktrecreatie is toegestaan tussen km-paal 29.5 tot 31.5. Feitelijk wordt naakt-gerecreëerd tussen km-paal 29.5-32.0 en tussen km-paal 41.0-42.75, dus deels op het activiteitenstrand. Daarmee wijkt de feitelijke situatie af van de juridische situatie. Keuze is ofwel de situatie te laten voor wat het is, of de definitie/ locatie van het activiteitenstrand te wijzigen. Preadvies Bij wijziging van de definitie in de APV ontstaat strijdigheid met de Strandnota.
Om die reden wordt geadviseerd de APV op dit punt niet aan te passen. Wanneer de Strandnota wordt geactualiseerd kan desgewenst de APV alsnog worden aangepast. Voor zover bekend is tot op heden nimmer om handhaving verzocht. Preconclusie: definitie activiteitenstrand ongewijzigd handhaven in de APV Pagina 4 van 5
8: Artikel 5:11 Verbod op parkeren in groenvoorzieningen. Huidige situatie: artikel 5:11 APV is niet opgenomen. Keuze is wel of niet dit verbod opnemen in de nieuwe APV Overige BUCH-gemeenten: Heiloo en Castricum hebben artikel 5:11 APV niet opgenomen in de APV. Nog onduidelijk is of het artikel wordt opgenomen in de APV Uitgeest. Preadvies Op 4 november 2021 heeft de raad de motie aangenomen om het 'verbod op bermparkeren' op te nemen in de APV bij de eerstvolgende herziening. Een verbod op bermparkeren is echter onverbindend wegens strijd met hogere regelgeving, nl het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens (zie uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2016:3927). De motie is derhalve juridisch niet uitvoerbaar in de zin dat een dergelijk verbod niet het gewenst effect sorteert nu parkeren in de berm niet verboden kan worden. Tijdens de raadsinformatiebijeenkomst van 6 december jl. is in de raad de uitdrukkelijke wens geuit om toch te kunnen optreden tegen parkeren in “groenstroken”. Een verbod op parkeren in van gemeentewege aangelegde groenvoorzieningen is wel toegestaan. Hierbij zij aangetekend dat, om hiertegen adequaat handhavend te kunnen optreden, het onderscheid tussen een van gemeentewege aangelegde groenstrook en een berm voor derden ook uiterlijk waarneembaar dient te worden gemaakt.
Dit kan door middel van bloembakken en/of bloemperken etc. Preconclusie: artikel 5:11 APV opnemen in de APV
Pagina 5 van 5