A6 240318 Brief Stichting ter behoud van het Schoorlse-en Noord-Kennemerduingebied aan Ecologische Autoriteit.pdf
Tekst van het document
Stichting ter behoud van het Schoorlse-en Noord-Kennemerduingebied Geachte heer Mommaas, Naar aanleiding van uw advies over de Natuurdoelanalyse, Schoorlse Duinen d.d. 30 november 2023 aan de Provincie Noord-Holland willen wij onder uw aandacht brengen dat er geen geldige uitgangspunten zijn over de staat van de natuur in het Schoorlse- en Noord-Kennemer Duingebied. Waar de beginsituatie niet op de juiste wijze is beschreven, kan ook niet op de juiste wijze worden vastgesteld of en zo ja wat zou moeten worden hersteld. Derhalve kan van advies om in het Schoorlse gebied met spoed de “herstelwerkzaamheden” uit te voeren, geen sprake zijn. Omdat er teveel stikstof in het Schoorlse gebied zou zijn en het daardoor slecht zou gaan met de natuur, zouden de bossen gekapt moeten worden. Dit zijn discutabele redenen. Ik zal dit hieronder toelichten: -
Ten eerste heeft boskap twee nadelige invloeden op de stikstofbalans: de in de bomen vastgelegde stikstof komt versneld vrij in het milieu en de opslagcapaciteit van de bomen gaat verloren, zodat de toekomstige depositie niet kan worden vastgelegd.
-
Ten tweede is de KDW van bos veel hoger dan de KDW van het na omvorming overblijvende grijs duin. Boskap maakt een stikstofprobleem (zo het er zou zijn) dus alleen maar groter.
-
Ten derde is niet vastgesteld dat er werkelijk een teveel aan stikstof zou zijn opgehoopt in de Schoorlse Duinen. Dit is wat het door de Provincie NH gecontracteerde bureau Tauw schrijft: "In de Schoorlse Duinen zijn geen meetpunten van het MAN (Meetpunt Ammoniak Natuur) aanwezig. Om die reden wordt voor het overzicht gebruikt gemaakt van metingen uit de meeste nabijgelegen N2000 gebieden in combinatie met de vergelijkbare gebieden."
-
De onderzoekmethode MAN meet stikstof concentraties in de lucht, dat zegt dus niets over de bodemgesteldheid.
In de brief van 26 februari jl van de Minister aan de Tweede Kamer staat dat langs de kust al járen veel meer ammoniak wordt gemeten dan wordt berekend. Als voor het Schoorlse gebied een gemiddelde wordt aangenomen van de stikstof bij buurman Noord-Hollands Duinreservaat, wordt geen rekening gehouden met de invloed van Tata steel (nummer 1 genoteerd als de grootste vervuiler van Nederland), waarvan een groot deel met de Zuidwestenwind wordt meegevoerd naar het NH Duinreservaat. Door middeling wordt een hogere stikstof depositie ingeschat in de Schoorlse Duinen, dan werkelijk het geval kan zijn is. PWN kijkt naar de begroeiing kom te concluderen dat er teveel stikstof in het gebied is. Op louter die waarneming wordt boskap geaccordeerd door de provincie NH. Omgekeerd valt op dezelfde wijze over het Schoorlse gebied te concluderen, dat er geen tot nauwelijks teveel aan stikstof in de natuur aanwezig is. De begroeiing in het Schoorlse gebied vertelt namelijk ook precies hoe het gesteld is. Rob Chrispijn (Nederlandse Mycologische Vereniging) alsmede onze ecologen vinden in het gebied paddenstoelen en korstmossen die alleen nog hier te vinden zijn wegens schaarste aan stikstof.
Een teveel aan stikstof in dit gebied is dus absoluut niet aan de orde! Emeritus professor Han Lindeboom, gepromoveerd op stikstof, is bereid geweest om zich in Schoorlse gebied te verdiepen en heeft in rapporten gezocht hoe de conclusies van terreinbeheerder en overheid werden onderbouwd, maar meetgegevens over de stikstofdepositie of -ophoping in het
Schoorlse gebied ontbraken. De met het RIVM model berekende waarde is volgens hem ongeschikt omdat het model Aerius niet ontworpen is om habitats te beoordelen.
Navraag bij Helpdesk-stikstof-natura2000 en contact met de ‘Voortouwnemers N2000 Gebieden’ bracht ook geen enkel inzicht. Alterra: “met nadruk moet worden gewezen op het feit dat voor verschillende habitattypen de onzekerheid in de aangegeven waarden vrij groot is”.
De Schoorlse Duinen nemen een heel aparte positie in binnen het landschap Duinen. Het gebied heeft een specifieke eigen begroeiing met bijbehorende ecologie. Er bestaat dus geen "vergelijkbaar gebied" in Nederland. Als méér biodiversiteit het uitgangspunt is kunnen we ons niet permitteren om onzorgvuldig onderzoek als basis te gebruiken waarbij de effecten van de beoogde maatregelen zeer onzeker zijn en je kunt zeker niet in het wilde weg een wensnatuur proberen te bereiken met behulp van gefabriceerde argumenten die niet op feiten gebaseerd zijn! Er is volgens ons veel meer onderzoek nodig, om te beginnen naar de bestaande natuur en de mate waarin stikstof al dan niet effect heeft op natuurlijke vegetaties, maar ook naar andere factoren die invloed hebben op de flora en fauna. Mochten ingrepen nodig zijn, dan behoren de effecten daarvan te worden gemonitord, zodat duidelijk wordt of de ingreep een positieve danwel negatieve invloed heeft gehad ten opzichte van de beginsituatie. Daarover lopen afspraken met de provincie NH, die onze Stichting heeft gemaakt met Gedeputeerde Tekin en daarna Gedeputeerde Rommel. Deze afspraken behelzen dat In het Schoorlse gebied de effecten van ingrepen volgens een specifieke methode zouden worden gemonitord.
Kern van de afspraken over monitoring en evaluatie was een zodanige uitvoering, dat per uitgevoerde maatregel kan worden vastgesteld of het resultaat van een maatregel voldoet aan het tevoren gestelde doel, aan de reden waarom de maatregel werd uitgevoerd. Dat is belangrijk als uitgangspunt, omdat het niet alleen bepalend is als beoordeling van de reeds uitgevoerde werkzaamheden, maar ook omdat het een reëel beeld geeft en daarmee ook voor ons de leidraad kan zijn bij het formuleren van de doelen en bij de opzet van het nieuwe beheerplan. Als de monitor-resultaten duidelijk en eenduidig zijn vastgesteld en worden afgezet tegen de uitgangspunten voor het beheerplan en de uitgevoerde maatregelen, kunnen we vervolgens participeren in de waardering van de verschillende maatregelen, om te bepalen in hoeverre de mogelijke toekomstige maatregelen tegemoet komen, dan wel strijdig zijn met de belangen van de provincie of van de omwonenden en bezoekers. Daarvoor hebben we een overzicht nodig van alle in beheerfase 1 genomen maatregelen met hun beoogde en hun bereikte resultaten. Vanuit dat zuivere principe komen dan betrouwbare data. Nu ontbreken gegevens en zijn de gegevens gebaseerd op aannames.
Bijvoorbeeld: in de slotconclusie van het door Tauw uitgebrachte rapport staat dat “Abiotische omstandigheden” maken dat er door Van Goes en Groot geen trend kan worden bepaald over de beheerplanperiode omdat gegevens van het beginjaar ontbreken. Ze stellen dat het “aantal opnamen per lokaal vegetatietype nogal beperkt is waardoor toevalligheden een vrij grote invloed kunnen hebben op het resultaat.” Over de beoordeling van kenmerken van een goede structuur en functie zegt Van der Goes en Groot dat het “vaststellen van een eventuele verandering in oppervlakte van deze kenmerken is zeer tijdrovend en niet uitgevoerd omdat dat nieuw onderzoek zou vergen. De beoordeling van de kenmerken is daarom globaal uitgevoerd op aanwezigheid en veelal op basis van expertoordeel.” We nemen u verder mee in de bijlagen in de onderzoeken die wij de afgelopen jaren hebben gedaan, mede geholpen door wetenschappers en deskundigen. Uw speciale aandacht vragen wij
voor de bijlage met het rapport van bioloog Peter Boer over de ontwikkeling van de natuur na de grote bosbranden in de Schoorlse Duinen en zijn rapport over de aanwezige biodiversiteit in het Leeuwenkuilbos. (Het bos dat als eerste op de nominatie staat om te worden gekapt.) Wij verzoeken u hierbij uw advies over de Natuurdoelanalyse, Schoorlse Duinen d.d. 30 november 2023 aan de Provincie Noord-Holland in te trekken en de Provincie NH voor te stellen om alsnog de bestaande situatie goed te documenteren, de werkelijke stikstofdepositie en -ophoping te meten, de reeds uitgevoerde maatregelen deugdelijk te evalueren alvorens nieuwe plannen te ontwikkelen. Uw antwoord tegemoet ziend verblijven wij met vriendelijke groet, Namens de Stichting ter behoud van het Schoorlse en Noord-Kennemerduingebied Joke Volkers, voorzitter
Patty Rikumahu-Rooswinkel, vicevoorzitter
Ondersteunende ondertekening Emeritus professor Han Lindeboom, Leffert Oldenkamp, voorheen coördinator bosbouwkundig onderzoek ( DLO-Dorschkamp) en regiohoofd Staatsbosbeheer Gelderland Henk Rampen, oud directeur Gelderland NM