2. Nota van Beantwoording - Gemeenteraad.pdf
Tekst van het document
Bij het in kaart brengen van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied is rekening gehouden met het verkeer van en naar het projectgebied totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Volgens vaste jurisprudentie is daarvan sprake wanneer het af- en aanrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer dan wel nog niet onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. In de zienswijzen is niet gemotiveerd dat de in de berekening gehanteerde lijnbron daartoe ontoereikend is. 8.2. Er is op voorhand geen aanleiding om aan te nemen dat het soortenbeschermingsregime aan de vaststelling van het Ontwerpbestemmingsplan in de weg staat In de plantoelichting is opgemerkt dat ten behoeve van de beoogde ontwikkeling een quickscan beschermde planten- en dierensoorten is uitgevoerd. Uit de quickscan blijkt dat het plangebied potentieel geschikt is voor een aantal beschermde soorten vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Negatieve effecten van het Ontwerpbestemmingsplan op deze beschermde soorten zijn op voorhand niet uit te sluiten. In dat kader worden momenteel vervolgonderzoeken uitgevoerd.
Als hoofdregel geldt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan geen definitief uitsluitsel hoeft te bestaan over de vragen in hoeverre voor de uitvoering van een bestemmingsplan een vrijstelling of ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend. Die vragen komen pas aan de orde in een eventuele procedure op grond van de Wnb. Slechts indien op voorhand al in redelijkheid moet worden ingezien
dat in een dergelijke procedure geen toestemming voor het project kan worden verkregen, kan er aanleiding bestaan om van de vaststelling van het bestemmingsplan af te zien. Wij menen dat die situatie zich niet voordoet. In dat kader geldt dat in de quickscan reeds is toegelicht dat in het plangebied van de amfibieën slechts ‘vrijgestelde’ soorten voorkomen, waarvoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Voor de voorkomende broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten geldt dat de werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen kunnen plaatsvinden; in dat geval is een ontheffing niet nodig. Voor eventueel voorkomende jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels, grondgebonden zoogdieren, en vleermuizen, geldt dat het voorkomen nog niet vanzelf met zich brengt dat een ontheffing vereist is. In dat kader zal in de eerste plaats onderzocht moeten worden of een andere bevredigende oplossing bestaat voor de locatie, de inrichting op de locatie, en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Mocht dit alles tot de conclusie leiden dat daadwerkelijk een vrijstelling of ontheffing nodig is, dan geldt in dat verband dat wij ervan overtuigd zijn dat het mogelijk is om passende mitigerende en/of compenserende maatregelen te treffen om een dergelijke procedure met succes te doorlopen.
Om deze redenen bestaat volgens ons op voorhand geen aanleiding om te veronderstellen dat het soortenbeschermingsregime uit de Wnb hoe dan ook aan de verwezenlijking van het project in de weg staat. In de zienswijzen is dit ook in het geheel niet onderbouwd. Wij zien hierin daarom geen aanleiding om het Ontwerpbestemmingsplan niet vast te stellen. 9. Er is geen sprake van oneerlijke Europeesrechtelijke verplichtingen
concurrentie
of
strijd
met
In de zienswijze van Lidl wijst zij op haar wens om een supermarkt in hetzelfde segment als de Aldi-supermarkt te realiseren, maar dan op een locatie in het centrumgebied van Bergen. De omstandigheid dat wij aan haar wens geen medewerking verlenen, terwijl aan de verplaatsing van de Aldi-supermarkt wel medewerking wordt verleend, omschrijft zij als “oneerlijke concurrentie” waarbij van een “level playing field” geen sprake zou zijn. Dit alles is volgens Lidl in strijd met Europeesrechtelijke verplichtingen die voortvloeien uit de Dienstenrichtlijn. Wij benadrukken dat wij de initiatieven van Aldi en Lidl langs dezelfde maatstaven beoordelen. Voor het gemeentebestuur is het van belang om te voorkomen dat een harddiscounter ervoor zorgt dat autoverkeer het centrumgebied wordt ingetrokken. Tegelijkertijd wensen wij een supermarkt in die categorie wel wensen te behouden voor de gemeente Bergen. De verplaatsing van de Aldi-supermarkt van haar locatie aan de Jan Oldenburglaan naar de locatie aan de Bergerweg beantwoordt aan deze wensen. De vestiging van een Lidl-supermarkt op haar voorkeurslocatie aan het Plein staat daar juist haaks op. Om die reden is het gemeentebestuur niet bereid om aan het initiatief van Lidl medewerking te verlenen.
Met de vaststelling van het Ontwerpbestemmingsplan schiet de gemeente niet tekort in de naleving van haar Europeesrechtelijke verplichtingen. In dat verband geldt dat het bestemmingsplan geen regeling treft voor winkelbranches waartussen geen ruimtelijke verschillen bestaan, en daarmee niet strekt tot een “eis” die in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Evenmin is sprake van oneerlijke concurrentie of staatssteun. De beslissingen van het gemeentebestuur strekken tot de bevordering van een goede ruimtelijke ordening, en niet tot het beschermen van bedrijfs- of concurrentiebelangen. Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt dat de hiervoor besproken gemeentelijke beleidsnotitie supermarkten Bergen centrum en dit bestemmingsplan voldoen aan het (non-)discriminatieverbod uit onder andere de Dienstenrichtlijn. De beoogde beperking van de vestigingsmogelijkheden voor supermarkten tot de huidige locaties van de supermarkten en de toebedeling van de ontwikkelingsruimte geldt namelijk voor alle (potentiële) exploitanten of ondernemers, ongeacht de nationaliteit of (statutaire) vestigingsplaats. Dat de beoogde beperking wordt afgestemd op de huidige locaties van de supermarkten doet daar niet aan af (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1075). IV.
Ter afsluiting
Gelet op het voorgaande hebben de zienswijzen geleid tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan, in die zin dat de landschappelijke inpassing van de bebouwing is geborgd in de planregels. Voor het overige hebben de zienswijzen niet geleid tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. Wel hebben zij geleid tot een aanvulling van de toelichting bij het bestemmingsplan. ***