CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

1.1 bij 17 11-01-2022 notitie gewasbescherming.pdf

Gemeenteraad 7 juli 2022, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 10: Voorstel betreft het vaststellen van het bestemmingsplan Dorp en Duin (woningbouwlocaties Egmond aan den Hoef en Egmond Binnen)16.895 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Immers bij een windsnelheid van 5 m/s volgens het Activiteitenbesluit wordt drift verspreid over een groter oppervlak, waardoor de belasting op een individuele locatie afneemt12. Ook op dit vlak leidt de conservatieve aanname uit het EFSAmodel qua windbelasting tot een overschatting van de driftblootstelling. In het model kan de toepassing van een scherm of afschermende beplanting niet worden gemodelleerd. De driftblootstelling kan worden berekend op afstanden van 2 tot 10 meter uit de rand van het behandelde gewas. De drift als gevolg van opwaarts spuiten, zoals in boomgaarden, kan niet worden bepaald bij afstanden lager dan 5 meter. Bij neerwaarts spuiten, zoals bollenteelt, de teelt van siergewassen en akkerbouw wordt tevens gekeken naar een afstand van 2-3 meter.

9 https://www.hse.gov.uk/pesticides/using-pesticides/codes-of-practice/code-of-practice-for-using-plant-protection-

products.htm, paragraaf 4.7.3 10 KNMI, Klimaatviewer 1991-2020, https://www.knmi.nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/meteorologischestations/stations-maand/stations-maand_1991-2020 11 Dit is de ‘planhorizon’ in de context van de ruimtelijke ordening. 12 Ook bij hogere windsnelheden dient te worden voldaan aan de vereiste driftreductie, zodat bij hogere windsnelheden geen grotere drift mag ontstaan dan bij lagere windsnelheden, terwijl de maximale dosis per toepassing/teeltseizoen ook is gemaximeerd in de gebruiksvoorschriften.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 27 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

De blootstelling aan dampen wordt berekend aan de hand van Britse13 en Duitse methoden14. De hand-mondblootstelling voor kinderen is gebaseerd op de Modified Californian Method15,16 en data van de Environmental Protection Agency van de Verenigde Staten (2001)17. Het EFSA-model biedt inzicht hoe gewasbeschermingsmiddelen via blootstelling aan drift via verschillende routes door het menselijk organisme kunnen worden opgenomen: − Respiratoir, dus door inademing van aërosolen en dampen; − Oraal, bijvoorbeeld doordat dingen in de mond worden gestoken welke zijn blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen (met name relevant voor kinderen die meer hand-mondbewegingen maken en eerder geneigd zijn dingen in de mond te stoppen); − Dermaal, dus via de huid. In het EFSA-model is voor onderhavige onderzoek de maximale blootstelling per jaar van kinderen van 1 tot 3 jaar in een woonsituatie18 bepalend, omdat kinderen gevoeliger zijn voor blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Voor kinderen jonger dan één jaar is door de EFSA verondersteld dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen lager is, aangezien diverse blootstellingsroutes uit het rekenmodel, zoals hand-mond contact, voor deze groep niet plausibel worden geacht. Dit punt komt nog nader, in 4.4.2, aan de orde.

Op basis van het EFSA-rekenmodel heeft het Ctgb alle in Nederland toegelaten bestrijdingsmiddelen aan een herbeoordeling onderworpen. De conclusie van het Ctgb was, dat zich bij geen van de toegelaten bestrijdingsmiddelen een risico voordoet voor omwonenden19. Vanaf 1 januari 2016 worden de EUROPOEM-modellen niet meer gebruikt voor de beoordeling van bestrijdingsmiddelen, maar is het Ctgb overgeschakeld op het EFSA-model. Hierbij is er steeds van uitgegaan dat de teeltpercelen (gronden waarop bestrijdingsmiddelen worden toegepast) niet door de toekomstige bewoners zal worden betreden20, maar dat enkel de blootstelling aan drift in het plangebied zelf relevant is. De uitkomsten van de modelberekening zijn bij deze rapportage gevoegd21.

13 CRD (The Chemical Regulation Directorate, UK), 2008. Bystander Exposure Guidance. 14 Martin S, Westphal D, Erdtmann-Vourliotis M, Dechet F, Schulze-Rosario C, Stauber F, Wicke H and Chester G, 2008.

Guidance for exposure and risk evaluation for bystanders and residents exposed to plant protection products during and after application Journal für Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheit, 3, 272–281. 15 Fuller R, Klonne D, Rosenheck L, Eberhart D, Worgan J and Ross J, 2001. Modified California Roller for measuring transferable residues on treated turfgrass. Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology, 67, 787–794. 16 Rosenheck L, Cowell J, Mueth M, Eberhart D, Klonne D, Norman C and Ross J, 2001. Determination of a standardized sampling technique for pesticide transferable turf residues. Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology, 67, 780–786. 17 US EPA (US Environmental Protection Agency), 2001. Science Advisory Council for Exposure, policy number 12, recommended revisions to the standard operating procedures (SOPs) for residential exposure assessments. Office of Pesticide Programs, Health Effects Division, Washington, DC, USA. 18 Met name verblijf / spelen in de tuin. 19 Ctgb, brief d.d. 21 oktober 2015 aan de Staatssecretaris van het ministerie IenM, nummer 20L5LO21Ot49, de achterliggende berekeningen zijn opgevraagd, maar niet verkregen.

20 ‘Entry into treated crops’ – dit is anders voor de toegangswegen, zie ook 5.3.3 en 5.3.4 21 Een overzicht van de uitkomsten is in de bijlage toegevoegd als .pdf, maar de desbetreffende Excel-bestanden van de berekeningen met het EFSA-model behoren uitdrukkelijk ook tot onderhavige rapportage.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 28 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

4.2. Invoergegevens Op basis van het toelatingenregister van het Ctgb is duidelijk dat bij de betrokken teelt(en) tal van gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. Op dit vlak is daarom een selectie gemaakt van diverse middelen die als representatief kunnen worden beschouwd voor de betrokken situatie. Deze selectie is gebaseerd op diverse parameters. Allereerst speelt de toxiciteit van de werkzame stof een belangrijke rol. Voor toepassers, werkers, beroepsmatige omstanders, passanten maar ook de omwonenden geldt de A(O)EL (Acceptable (Operator) Exposure Level), te weten de maximale hoeveelheid per kg lichaamsgewicht waaraan iemand kan worden blootgesteld zonder enig schadelijk effect op de gezondheid (opname vooral via huid en luchtwegen).22 Zodoende zijn er zodoende voornamelijk gewasbeschermingsmiddelen gekozen die een lage AOEL-waarden hebben (dus relatief hoge toxiciteit). Ook gaat er voornamelijk aandacht uit naar werkzame stoffen met een hoog gehalte (percentage van totale hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel), met een hoge halfwaardetijd (afbraak) en een lage watervolumeschaal (dosering), omdat daarmee concentraties waar omwonenden aan kunnen worden blootgesteld hoger zullen zijn (lange afbraaktijd en geringe verdunning).22 Daarnaast wordt ook de mobiliteit van de werkzame stof door de lucht (verspreiding via drift) in ogenschouw genomen.

Hierbij wordt gekeken naar de fysische eigenschappen zoals de dampspanning (vluchtigheid). De inhalatieblootstelling is relevant bij een hogere dampdruk van de werkzame stof. In dit kader wordt een dampdruk van > 1x10-2 Pa (bij 20 ˚C) genoemd23, terwijl in het EFSA-model alleen gekozen kan worden tussen < 5x10-3 Pa en 5x10-3 Pa - 5x10-2 Pa. De spuitdruk waarmee de gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast maakt in deze geen onderscheid, aangezien er in het EFSA-model standaard uitgegaan wordt van DRT 50. Om die reden vormt ook de diameter van de deeltjes van de werkzame stof geen invoerparameter in het EFSA-model, aangezien beheersing van de druppelgrootte (voorkomen van kleine druppels cq. aerosolen) ook een methode vormt om drift te reduceren. Verder is er bij de selectie van de gewasbeschermingsmiddelen een afweging gemaakt op grond van ervaring, waarmee wordt bedoeld dat veelal gewasbeschermingsmiddelen geselecteerd worden die vaak in spuitlogboeken van agrariërs als populair en/of frequent gebruikt middel genoemd worden dan wel gekozen wordt voor gewasbeschermingsmiddelen waar in het nieuws aandacht naar uit gaat vanwege het omstreden karakter. Hierbij is rekening gehouden met diversiteit (fungiciden, insecticiden en herbiciden).

Ook wordt er bij de selectie een afweging gemaakt op grond van de werkzame stoffen (mits momenteel nog toegelaten voor professioneel gebruik) die in het verleden voornamelijk verantwoordelijk waren voor meer dan 90% van de emissie naar de lucht vanuit zowel open- als bedekte teelten24. Daarnaast zijn de gewasbeschermingsmiddelen die met zeer frequent gebruik binnen de teelt van bloembollen en bolbloemen worden aangemerkt vanuit het landelijk 22

RIVM Briefrapport 200112001/2014, Bestrijdingsmiddelen: gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Ctgb, Evaluation Manual for the Authorisation of plant protection products according to Regulation (EC) No 1107/2009; Chapter 4 Human toxicology; mammalian toxicity dossier; version 2.2; March 2017; Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V., Gewasbescherming 2004 Achtergronden, beleid en indicatoren op een rij, PPO nr. 331, paragraaf 4.3.2.1. 24 RIVM rapport 716601004/2002, Emissie-evaluatie MJP-G 2000 Achtergronden en berekeningen van emissies van gewasbeschermingsmiddelen, hoofdstuk 6. 23

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 29 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (OBO) in mindere mate in overweging genomen aangezien deze middelen inmiddels niet allemaal meer toegelaten zijn voor professioneel gebruik of omdat er bijvoorbeeld sprake is van een laag gehalte werkzame stof. 4.2.1. Flonicamid (Teppeki) Teppeki (toelatingsnummer: 12757) is een in water dispergeerbaar granulaat en wordt als insecticide gebruikt voor de bestrijding van bladluizen voor een breed scala aan gewassen, waaronder sierteelt en de akkerbouw. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens bij onbedekte teelt: - Werkzame stof: 50% flonicamid (CAS-nummer 158062-67-0) - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: niet relevant - Watervolumeschaal: 500-1000 l/ha (bloemisterijgewassen) en 150-400 l/ha (bloembollen en knollen) - Halfwaardetijd (DT50): 2,6 dagen25 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,025 mg/kg bw/day26 - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 0,025 mg/kg bw/day27 - Dermale opname actieve stof: 7,46% concentraat en 13% verdunning26. - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde)26. - Dampdruk: 2,55 X 10-6 Pa (25˚C)26.

Voor de teelt van bloembol- knol- en bloemisterijgewassen bedraagt de maximaal toegelaten dosering 0,14 kg/ha (werkzame stof 0,07 kg/ha), 3 behandelingen per 12 maanden en een tussenliggende interval van 21 dagen27. Voor dit middel wordt geen specifiek wettelijk gebruiksvoorschrift gegeven buiten de maximaal toelaatbare concentraties. 4.2.2. Glyfosaat (Roundup) Roundup (toelatingsnummer: 6483) is een met water mengbaar concentraat en veel toegepaste herbicide. Het middel wordt zowel pleksgewijs toegepast als voor het integraal doodspuiten. In onderhavige rapportage is worstcase uitgegaan van integrale behandeling voorafgaand aan het seizoen en niet van spotsgewijze toepassing. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens bij onbedekte teelt: - Werkzame stof: 360 G/L ofwel 36% glyfosaat (CAS-nummer 1071-83-6) - Neerwaarts spuiten 25 Betreft de hoogste halfwaardetijd van een van de metabolieten van flonicamid, TFNA-AM. Zie volgende voetnoot voor

bronvermelding. 26 EFSA, Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance flonicamid, 2010 27 Ctgb, gebruiksvoorschrift Teppeki 12757 N, W.11 5 februari 2021

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 30 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

-

Spuittechniek: DRT 50 Bladsituatie: niet relevant Watervolumeschaal: 200-400 l/ha Halfwaardetijd (DT50): 500 dagen28 ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,1 mg/kg bw/day28. ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute reference dose’ (ARfD): 0,5 mg/kg bw28. Dermale opname actieve stof: 1% voor concentraat en 1% voor verdunning28. Orale en inhalatoire opname actieve stof: 20%28. Dampdruk: 1,31x10-5 Pa (25°C)28.

Voor de toepassing van Roundup binnen akkerbouwgewassen, fruitgewassen en sierteeltgewassen geldt het wettelijk gebruiksvoorschrift29 op grond waarvan deze maximaal 8 l/ha mag worden toegepast per behandeling (worst case: integraal doodspuiten). Bij een gehalte werkzame stof van 360 gram per liter bedraagt de maximale werkzame stof daarmee 2,88 kg/ha per toepassing. De maximaal aantal toepassingen per teeltcyclus bedraagt 1x per 12 maanden. Er geldt geen interval tussen de toepassingen. 4.2.3. Azadirachtin (NeemAzal-T/S) NeemAzal T/S (toelatingsnummer: 12455) is emulgeerbaar concentraat en een insecticide dat wordt gebruikt tegen diverse insecten. NeemAzal mag worden gebruikt op aardappelen, bloemisterijgewassen, bloembollen en -knollen (m.u.v. tulp en lelie), boomkwekerijgewassen, vaste planten en openbaar groen. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens bij onbedekte teelt: - Werkzame stof: 10 G/L ofwel 1% azadirachtin (CAS-nummer: 11141-17-6) - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: volblad situatie - Waterschaalvolume: 600-1000 l/ha (bloemisterijgewassen) en 150-400 L/ha bloembollen en knollen (m.u.v.

tulp en lelie) - Afbraaktermijn ofwel halfwaardetijd (DT50): 84,4 dagen30 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,1 mg/kg bw/day30 - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 0,75 mg/kg bw/day30 - Dermale opname actieve stof: 100%30 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst - default value)30 28 EFSA, EFSA (European Food Safety Authority), 2015. Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment

of the active substance glyphosate. EFSA Journal 2015; 13 (11):4302, 107 pp. doi:10.2903/j.EFSA.2015.4302 29 Ctgb, Gebruiksvoorschrift Roundup, W.17 11 november 2016 30 European Food Safety Authority; Peer review of the pesticide risk assessment of the active substance azadirachtin (Margosa extract). EFSA Journal 2018;16(9):5234. doi: 10.2903/j.efsa.2018.5234

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 31 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

-

Dampdruk: 1,9 x 10-20 Pa (25 °C)30

De maximale dosis per toepassing bij bloemisterijgewassen dan wel bloembollen en -knollen (m.u.v. tulp en lelie) bedraagt 2,5 l/ha en de maximale dosis per jaar 10 l/ha in 4 behandelingen met een tussenperiode van 7 dagen binnen een blok en tussen blokken minimaal 2,5 maand31. Bij een gehalte werkzame stof van 10 gram per liter bedraagt de werkzame stof daarmee 0,025 l/ha. Het jaarlijkse verbruik werkzame stof maximaal 0,1 l/ha. 4.2.4. Azoxystrobin (Ortiva) Ortiva (toelatingsnummer: 12169) is een suspensie concentraat en wordt gebruikt als fungicide in diverse gewassen. Het schimmelbestrijdingsmiddel is geklasseerd als toxisch bij inademing en om die reden specifiek relevant in de context van onderzoek naar blootstelling aan drift.

Voor de invoer in het EFSA-model is gebruik gemaakt van de volgende gegevens voor onbedekte teelt van bloemisterijgewassen: - Werkzame stof: 250 g/l ofwel 25% azoxystrobin (CAS-nummer: 131860-33-8) - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: niet relevant - Watervolumeschaal: 200-1200 l/ha36 - Halfwaardetijd (DT50): 360 dagen35 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,2 mg/kg bw/day35 - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): niet noodzakelijk35 - Dermale opname actieve stof: 0,3% voor concentraat en 0,5% voor verdunning35 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde)35 - Dampdruk: 1,1 x 10-10 Pa (20 °C)35 Ortiva mag voor bloemisterijgewassen worden gebruikt in een maximum middeldosis van 0,96 l/ha in maximaal 3 toepassingen per jaar met een interval van 7 dagen36. Middeldosering per toepassing is 0,08% ofwel (80mL/100L water). Dit betekent een verdunning met 1.200 liter water voor de maximum middeldosis. Bij een gehalte werkzame stof van 250 g/l wordt er per toepassing 0,24 kg/ha werkzame stof toegepast. 4.2.5.

Spirotetramat (Batavia) Batavia (toelatingsnummer: 15615) is een suspensie concentraat en wordt gebruikt als insecticide voor een groot scala aan gewassen waaronder bloembol- en bloemknolgewassen. Voor de invoer in het EFSA-model is gebruik gemaakt van de volgende gegevens voor onbedekte teelt van bloembol- en knolgewassen: 31 Ctgb, gebruiksvoorschrift Neemazal T, 4 september 2020

35

European Food Safety Authority; Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance azoxystrobin. EFSA Journal 2010; 8(4):15421542. [110 pp.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1542 36 Ctgb, gebruiksvoorschrift Ortiva, W.6 31 januari 2020

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 32 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

-

Werkzame stof: 100 G/L ofwel 10% spirotetramat (CAS-nummer: 203313-25-1) Neerwaarts spuiten Spuittechniek: DRT 50 Bladsituatie: volblad (gewasbehandeling na de bloei) Watervolumeschaal: 150-400 L/ha38 Halfwaardetijd (DT50): 1 dag37 ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,05 mg/kg bw/dag37 ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 1 mg/kg bw37 Dermale opname actieve stof: 0,5% concentraat en 3-10% verdunning37 Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst-case scenario)37 Dampdruk: 5,6 x 10-9 Pa (bij 20 °C) en 1,5 x 10-8 Pa (bij 25 °C)37

Wat betreft de dosering van Batavia geldt voor bloembol- en knolgewassen conform gebruiksvoorschrift38 maximaal 0,75 L/ha per toepassing, wat neerkomt op 0,075 L/ha werkzame stof per toepassing. Er mogen maximaal 4 toepassingen per teeltcyclus met een minimum interval van 14 dagen plaatsvinden. 4.3. Resultaten EFSA De effecten van drift van de hiervoor genoemde gewasbeschermingsmiddelen zijn via het EFSA-model in beeld gebracht. Tabel 1 toont de resultaten van het EFSA-model voor omwonenden van spuitzones, gebruikmakende van de invoergegevens uit paragraaf 4.2. In de tabel wordt het percentage weergegeven van de AOEL die ontstaat bij blootstelling aan drift. De Acceptable Operator Exposure Level (AOEL), in het EFSA-model gedefinieerd als ‘Reference value non acutely toxic active substances’ (RVNAS), is in eerste instantie bedoeld voor de toepasser van gewasbeschermingsmiddelen, maar is ook gangbaar voor omwonenden, wat in het kader van dit onderzoek wordt gebruikt. Bij percentages onder de 100% wordt het blootstellingsniveau als acceptabel beschouwd. Het EFSA-model geeft resultaten voor zowel kinderen als volwassenen, maar omdat kinderen gevoeliger zijn voor blootstelling aan giftige stoffen (lager lichaamsgewicht, hogere opnamekans via hand / objecten / mond), worden de AOEL-waarden voor kinderen als bepalend geacht voor een woonsituatie.

37

European Food Safety Authority, 2013. Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance spirotetramat. EFSA Journal 2013;11(6):3243, 90 pp. doi:10.2903/j.efsa.2013.3243 38

Ctgb, gebruiksvoorschrift Batavia, W.6 3 juli 2020

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 33 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

Gewasbeschermingsmiddel Teppeki Roundup NeemAzal Ortiva Batavia Gesommeerd:

Werkzame stof flonicamid glyfosaat azadirachtin azoxystrobin spirotetramat

Afstand 2-3 m 7,93% 3,60% 4,01% 0,74% 3,66% 55,60%

5m 6,62% 2,66% 2,85% 0,63% 3,11% 39,71%

10 6,17% 2,33% 2,46% 0,60% 2,92% 34,45%

Tabel 1: Berekende percentages van de 'Acceptable Operator Exposure Level' (AOEL) waaraan een omwonend kind van 3 jaar kan worden blootgesteld zonder schadelijke gezondheidseffecten

Zoals blijkt wordt geen AOEL overschreden op een afstand vanaf 2-3 meter uitgaande van het gebruik van individuele gewasbeschermingsmiddelen bij bloemen, bloembollenen en -kno,. Op basis van het EFSA-model zal kortom vanaf een afstand van 2-3 meter uit het teeltperceel sprake zijn van een ruimtelijk aanvaardbare situatie. 4.4. Beoordeling overige factoren In deze paragraaf worden de uitkomsten van het EFSA-model nader geduid en in context geplaatst. 4.4.1. Cumulatie en interactie In de omgeving zullen verschillende bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Toekomstige bewoners zullen dan mogelijk blootgesteld worden aan al deze middelen. Ook vindt opname plaats van diverse gewasbeschermingsmiddelen via reguliere etenswaren, waarover het RIVM in 2018 een rapport heeft gepubliceerd39. Het onderzoek bepaalt de cumulatieve blootstelling door stoffen op te tellen die op hetzelfde orgaan werking hebben. Hier werd opgemerkt dat bij de bepaling van cumulatieve blootstelling aan alle in de teelt voorkomende gewasbeschermingsmiddelen eerst een overzicht benodigd is van op alle aangrijpingspunten in het lichaam. Hetzelfde geldt uiteraard ten aanzien van het aspect interactie / synergisme bij blootstelling aan diverse stoffen.

In de vastgestelde Acceptable Exposure Levels (maximaal toelaatbaar blootstellingsniveau) is niet specifiek rekening gehouden met cumulatieve of elkaar versterkende effecten. Tegelijkertijd wordt bij het vaststellen van het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau uit voorzorg wel rekening gehouden met een extra onzekerheidsmarge. Hoewel cumulatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, hebben de verschillende bestrijdingsmiddelen vaak een ander aangrijpingspunt op het metabolisme van een insect, een schimmel of een plant. In lijn daarmee ligt niet voor de hand dat er sprake zal zijn van (volledige) cumulatieve effecten op het menselijke organisme. Onderzoek naar cumulatieve blootstelling is in zeer beperkte mate beschikbaar, onder meer vanwege de complexiteit van de onderlinge werkingen van de actieve stoffen ook al zou gelden dat voor iedere individuele stof het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau niet zou worden overschreden. Het aspect cumulatie kan daarbij worden beschouwd als een aspect dat ook deels de problematiek van blootstelling aan drift overstijgt, aangezien cumulatie een rol kan spelen in relatie tot blootstelling aan 39

RIVM, 2018. Cumulative exposure to residues of plant protection products via food in the Netherlands

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 34 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

tal val stoffen (uitlaatgassen, depositie van industriële bedrijvigheid, uittredende stoffen van bouwmaterialen, voedingsmiddelen, medicijnen, cosmetica, bekleding, verpakkingen, op zichzelf niet schadelijke stoffen die in combinatie met andere stoffen leiden tot verhoogde schadelijkheid etc.). Van belang is hierbij, dat er geen wetenschappelijke consensus bestaat over een aanvaardbaar cumulatief blootstellingsniveau. Op basis van de uitkomsten van de berekeningen met het EFSA-model is wel duidelijk dat de blootstelling aan individuele stoffen ver onder het maximale blootstellingsniveau zullen liggen. Om een indicatie te verkrijgen van cumulatieve effecten, is het niet ongebruikelijk dat maximale blootstellingswaarden worden opgeteld. In de onderhavige situatie zou dat betekenen dat op een afstand van 2 tot 3 meter van de betrokken gewaspercelen sprake zou zijn van een blootstelling tot circa 56% van de AOEL, teruglopend tot circa 35% AOEL op 10 meter indien jaarlijks alle genoemde gewasbeschermingsmiddelen zouden worden toegepast. Gelet op de omstandigheid dat gewasbeschermingsmiddelen niet in dergelijke hoeveelheid / potentiële schadelijkheid en omvang zullen worden toegepast, zal cumulatie in deze zin dus niet leiden tot overschrijding van de AOEL voor wat betreft blootstelling aan drift voor omwonende kinderen jonger dan 3 jaar maar ouder dan 1 jaar. 4.4.2.

Kinderen jonger dan 1 jaar Het EFSA-model biedt niet de directe mogelijkheid om conclusies te trekken voor wat betreft de blootstelling van kinderen jonger dan 1 jaar en ongeboren kinderen. Voor de kinderen jonger dan 1 jaar kan er echter wel van worden uitgegaan dat blootstelling primair plaatsvindt door inhalatie en in beperkte mate via directe blootstelling van de huid / mond. Dit omdat kinderen jonger dan drie jaar beperkt zelfstandig mobiel zijn en buiten in principe worden vervoerd in kinderwagen of vergelijkbaar. Blootstelling via hand-mondbewegingen (speelgoed, vegetatie en andere objecten welke aan drift hebben blootgestaan en die worden aangeraakt met hand en eventueel aansluitend mond) kan in principe meer worden uitgesloten dan bij oudere kinderen die zelfstandig mobiel zijn. Kinderen jonger dan 1 jaar hebben daarbij een kleinere longinhoud, waardoor blootstelling via inhalatie ook lager zal zijn. Tegelijkertijd is wel sprake van hogere kwetsbaarheid vanwege het lagere gemiddelde lichaamsgewicht. Uitgaande van een woonsituatie zullen kinderen jonger dan 1 jaar die ter plaatse worden geboren maximaal 1 jaar en 9 maanden blootgesteld staan aan drift, waarna v.w.b. langdurige blootstelling wordt voldaan aan de uitkomsten van het EFSAmodel.

Als voor wat betreft de beoordeelde gewasbeschermingsmiddelen bij wijze van indicatie geen rekening wordt gehouden met opname via de mond en alleen rekening wordt gehouden met blootstelling via inhalatie en de huid, dan is sprake van een ruime marge tot aan de maximaal toegelaten blootstellingsnormen. Hierbij speelt verder een rol dat deze normering is gebaseerd op de inhalatiewaarden van kinderen van 1 tot 3 jaar, dus kinderen met een al grotere longinhoud, ondanks het lagere lichaamsgewicht.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 35 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

Voor wat betreft ongeboren kinderen geldt dat het lichaam van de moeder in eerste instantie bescherming biedt tegen blootstelling. De maximale blootstelling overschrijdt daarbij hoe dan ook niet de AOEL omdat de blootstelling van de foetus kan worden beschouwd als een klein percentage van de blootstelling die de moeder ondervindt. 4.5. Voorzorg Op basis van het EFSA-model kan worden gesteld dat de blootstelling aan individuele gewasbeschermingsmiddelen als gevolg van drift op een afstand van 2-3 meter uit de agrarisch te bestemmen gronden (bollenteelt en/of bloemisterijgewassen als vorm van sierteelt) in het plangebied zelf geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s met zich brengt. Tegelijkertijd is sprake van een onzekerheidsfactor als het gaat om de blootstelling aan gevaarlijke stoffen voor wat betreft mogelijke cumulatie alsook als het gaat om kinderen jonger dan 1 jaar. Immers op dit vlak kunnen alleen indicatieve conclusies worden getrokken. Ten einde uit voorzorg driftblootstelling zo veel mogelijk te minimaliseren, dient bij voorkeur te worden gekozen voor het toepassen van aanvullende afscherming / afstand. Immers, zoals ook uit de rekenresultaten blijkt, neemt de driftblootstelling niet evenredig af met de toegenomen afstand tot een gewasperceel.

Een en ander laat onverlet dat het bij toepassing van het voorzorgbeginsel gaat om het bereiken van een acceptabele blootstelling: blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen vanwege het wonen in/nabij agrarisch gebied zal nu eenmaal hoger kunnen zijn dan bij het wonen in stedelijk gebied, waarbij een persoon alleen (residuen van) gewasbeschermingsmiddelen kan binnenkrijgen via voedsel. Blootstelling aan drift als een individuele bron van (potentieel) schadelijke stoffen dient in principe teruggebracht tot een maatschappelijk aanvaardbaar gezondheidsrisico, vergelijkbaar met andere individuele gezondheidsrisico’s waaraan iemand kan zijn blootgesteld in zijn of haar al dan niet toevallige woon- en werkomgeving (zoals op het vlak van arbeidsomstandigheden, blootstelling aan uitlaatgassen in de file en dergelijke).

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 36 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

5.

Conclusie

In verband met het woningbouwplan van een drietal uitleglocaties (Egmond-Binnen Zuid, Egmond aan den Hoef Oost en Egmond aan den Hoef Noord) binnen de gemeente Bergen NH heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen door drift vanwege agrarische gronden gelegen rondom de beoogde locatie van de nieuwe woningen. Op de betrokken agrarische percelen die als relevant zijn beschouwd in onderhavig onderzoek wordt laagblijvende sierteelt en bollenteelt (bloembollen en -knollen) en verdere laagblijvende eenjarige gewassen (akkerbouw) als representatieve invulling van de maximale planologische situatie beschouwd. Gelet op de beoordeling die voor individuele representatieve middelen heeft plaatsgevonden op basis van het EFSA-model, behoeft op een afstand van 2-3 meter uit de gewaspercelen al geen rekening meer te worden gehouden met een te hoog risico op blootstelling aan drift. Als rekening wordt gehouden met de breedte van aanwezige watergangen en bijbehorende teeltvrije zones, dan wordt aan de meeste zijden reeds voldaan aan deze minimum afstand (zie ook figuren 15 en 16 hieronder). Uit voorzorg zou moeten worden gekozen voor het realiseren van extra afscherming. Hierbij wordt geadviseerd om te kiezen voor het aanplanten van een vanggewas dat 50 centimeter hoger is dan de betrokken teelt op de agrarische gronden.

Uitgaande van bloemen / bloembollen en verdere laagblijvende eenjarige bloemisterijgewassen kan hierbij worden uitgegaan van een hoogte van maximaal 1-1,5 meter voor het vanggewas en uitgaande van akkerbouwgewassen kan worden uitgegaan van een hoogte van maximaal 2-2,5 meter voor het vanggewas. Qua vanggewas behoeft niet te worden gekozen voor groenblijvende soorten, aangezien gelet op de toegelaten teelten geen rekening behoeft te worden gehouden met het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen buiten de volbladperiode. Als sprake zou zijn van bijvoorbeeld gewasbehandeling in de vroege lente op een moment dat het vanggewas nog niet volledig in blad zou staan, dan zal het te behandelen gewas ook nog zeer klein zijn waardoor spuithoogte en dito driftrisco ook niet bepalend zullen zijn. Een dergelijk vanggewas is uit de aard der zaak enkel geadviseerd op het moment dat de afstand tot een woning, tuin of een andere verblijfsfunctie (bank, sportveld of andere verblijfsvoorziening in een park) minder dan 10 meter zou bedragen. Indien zich langs de grens met een gewasperceel wegen, parkeerplaatsen of andere voorzieningen bevinden welke geen regulier langdurig menselijk verblijf insluiten, dan is een dergelijke afscherming uiteraard evenmin geïndiceerd. In de figuren hieronder is de situering van dit vanggewas langs de bloem(bollen)percelen met blauwe stroken aangegeven.

Het vanggewas langs de akkerbouwpercelen is met groen aangeduid. De strook van 3 meter op eigen terrein (spuitzone) is met geel aangeduid.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 37 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

Egmond-Binnen Zuid

Afscherming h=1-1,5 m

Figuur 16: uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1998’ met projectlocatie indicatief rood omlijnd en situering geadviseerd vanggewas indicatief blauw aangegeven (bron: Ruimtelijkeplannen.nl - bewerkt)

Egmond aan den Hoef Oost en Noord Spuitzone 3 meter in projectgebied + afscherming h=1-1,5 m

Afscherming h = 1-1,5m

Afscherming h=2-2,5m

Figuur 17: uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1998’ met projectlocaties indicatief rood omlijnd en situering geadviseerd vanggewas indicatief blauw aangegeven (bron: Ruimtelijkeplannen.nl - bewerkt)

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 38 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

Bijlagen 1) 2) 3) 4) 5)

Berekening op basis van het EFSA-model voor Flonicamid Berekening op basis van het EFSA-model voor Glyfosaat Berekening op basis van het EFSA-model voor Azachdirachtin Berekening op basis van het EFSA-model voor Spirotetramat Berekening op basis van het EFSA-model voor Azoxystrobin

De tot deze rapportage behorende berekeningen zijn aangeleverd / bijgevoegd als Excel-bestand.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 39 van 39

2. Rapport Fytagoras 17027-V1.0

Fytagoras-rapport 17027-V1.0

Analyse met betrekking tot gevolgen van plaatsing van een drift beperkende haag of hagen ten behoeve van gepland sportcomplex in Egmond aan den Hoef. (projectnummer 17027)

Datum

20-10-2017

Auteur(s)

Prof dr. Bert van Duijn Dr. Wessel Holtman

Exemplaarnummer Oplage Aantal pagina's Aantal bijlagen

V1.0

© 2017 Fytagoras

18 -

Fytagoras-rapport

Inhoudsopgave 1

Inleiding

3

2

Doel met betrekking tot de zienswijzen van LTO en teler

4

3

Situatieschets

7

4

Effecten van de hagen op het naast gelegen perceel (bollengrond)

10

5

Conclusie

17

6

Literatuur

18

2

Fytagoras-rapport

1

Inleiding De gemeente Bergen is bezig met een bestemmingsplan voor een sportcomplex in Egmond aan den Hoef. Ten zuiden van het sportcomplex zijn bollengronden gelegen. De locatie is gelegen aan de Egmonderstraatweg te Egmond aan den Hoef, nabij het duingebied. Vanwege mogelijke verwaaiing van chemische bestrijdingsmiddelen naar de sportvelden als gevolg van het bespuiten van gewassen wordt tussen de sportvelden en de bollengronden een strook vrijgehouden waar een groensingel wordt gerealiseerd. De groensingel wordt aan de zuidzijde van het beoogde sportcomplex gerealiseerd. Uit analyse de literatuur over eerder uitgevoerd onderzoek volgt dat door de aanwezigheid van een 2,5 meter hoge windhaag op de perceelgrens en een tweede windhaag op 3 m daarvan of een houtwal, of een constructie met een vergelijkbare filterende werking (75% driftreductie) de blootstelling voor glufosinaatammonium, isoproturon en fluazinam bij de bespuiting met alle spuittechnieken kan worden beperkt tot 5 m. Hierbij wordt er wel vanuit gegaan dat het een volledig blad dragende haag betreft. In overleg met de RUD is daarom bepaald dat de eerste haag op 2 m uit de perceelsgrens komt te staan (ter voorkoming van bladsterfte). Dit resulteert in een overgangszone van 7 m.

Mede naar aanleiding van de binnengekomen zienswijzen is het nu de vraag wat de invloed is van een dergelijke windhaag op het gebruik van de naastgelegen agrarische gronden die worden gebruikt ten behoeve van de bollenteelt. De bollenteelt omvat tulpen, lelies, gladiolen, narcissen, hyacinten, irissen enz. De teelt van tulpen en lelies is het grootst. De gemeente Bergen heeft aan Fytagoras verzocht om de invloed van de windhaag op de bollengronden, inzichtelijk te maken. Stap 1 is het bepalen van de potentiële effecten en stap 2 is het zo mogelijk kwantificeren van de effecten. Het is daarbij van belang dat wordt ingegaan op de onderwerpen die in de zienswijzen naar voren komen (schaduwwerking, wind, warmte/broei, wateronttrekking, insecten/luizendruk, schimmelaantasting en financiële schade). Fytagoras is een gerenommeerd, onafhankelijk onderzoeksbedrijf, werkzaam in de agri-en tuinbouwsector en heeft aangeven aan het verzoek van de gemeente Bergen te willen voldoen.

3

2

Doel met betrekking tot de zienswijzen van LTO en teler Het doel van het onderzoek is tweeledig: • Bestudering van de binnengekomen zienswijzen van LTO en de betrokken bollenteler, zoals hierboven bij genoemde stappen is beschreven. • Het aandragen van mogelijke oplossingen, die knelpunten in de zienswijzen ondervangen.

Samenvattingen van de binnengekomen zienswijzen zijn hieronder weergegeven.

Uit zienswijze LTO Een aspect waarmee bij het beoordelen van de compensatiemogelijkheden noch in het Stivasrapport noch in het voorliggende bestemmingsplan rekening mee is gehouden zijn de effecten op een (economisch) duurzame bloembollenteelt door onder meer (micro)klimatologische verstoring en faunaschade als gevolg van het plaatsen van een windsingel als afscheiding tussen het bloembollengebied en het beoogde voetbalcomplex 1. Een windhaag onderschept licht. De verminderde hoeveelheid licht remt de productie. Licht is een belangrijke productiefactor. De hoeveelheid licht is van invloed op de kwantiteit en kwaliteit van de bloembollenproductie. Lichtonderschepping door blad moet leiden tot groei van het gewas. Hoe minder licht er is, hoe langer een plant erover doet om een bepaald stadium te bereiken. Vermindering van de beschikbare hoeveelheid licht door schaduwwerking of lichtonderschepping van bebouwing of begroeiing is nadelig voor een agrarische ondernemer. Naarmate de beschaduwing intenser is en langer duurt, is het nadelige effect ten aanzien van groei, uniformiteit en kwaliteit groter. Bij schadeberekening voor directe schade in de glastuinbouw hanteert men een licht opbrengstrelatie van 1:1. Dat wil zeggen 1 % minder licht kost 1 % productie. De lichtreductie door een (groene) afscheiding moet derhalve onderzocht worden. 2.

Een (groene) afscheiding beïnvloedt ook andere aspecten in de omgeving, zoals het klimaat. In de nabijheid van bomen is het vaak warmer. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld luizenpopulaties overwinteren en zich sneller ontwikkelen. Een (groene) afscheiding kan ook fungeren als een winterwaard voor insecten waardoor de virusdruk op het bloembollengewas wordt vergroot. 3. Een afscheiding zorgt er voor dat grond en gewassen minder snel drogen. Schaduwwerking verlengt de bladnatperiode van gewassen, waardoor het risico op schimmelaantasting van bijvoorbeeld Botrytis en Phytophthora toeneemt. Door

Fytagoras-rapport

schaduwwerking en luwte neemt de uniformiteit van het perceel af. Er ontstaat al snel een verschil tussen het gedeelte van het perceel wat veel in de schaduw of in de luwte ligt en de rest van het perceel. Dit levert problemen op bij de oogst, het gewasonderhoud en dergelijke. Voor de kwaliteit van het product is dit laatste bijzonder nadelig. 4. Bij percelen die aan derden verhuurd worden is het risico aanwezig dat het perceel door de eventuele (groene) afscheiding voor verhuur minder aantrekkelijk wordt. Inkomsten afkomstig uit verhuur lopen de betreffende ondernemers dan mis. Voor eigenaren kan het plaatsen van de afscheiding negatieve consequenties hebben voor de marktwaarde van het betreffende perceel. Bovengenoemde aspecten doen ons het ergste vrezen. Als overeen lengte van zeker 600 meter langs het beoogde voetbalcomplex een windhaag met een hoogte van 2,5 meter wordt geplaatst, zal dit over een aanzienlijke breedte in het bloembollengebied effecten hebben op de kwaliteit en kwantiteit van de bloembollenproductie. Feitelijk zal deze door de (groene) afscheiding beïnvloedde strook 'afgeschreven' moeten worden voor de bollenteelt wat een extra areaalverlies zal betekenen van enkel hectares. Het betekent dat, naast de 8 ha die nodig is voor het beoogde sportcomplex, nog extra areaalverlies optreedt als gevolg van het plaatsen van een hoge groene afscheiding.

Laatstgenoemd areaalverlies is echter niet in het compensatieplaatje meegenomen. NOORD Het betekent dat, naast de al eerder geconstateerde onmogelijkheid om het verlies aan areaal in het Tijdverdrijfslaangebied in kwalitatieve zin te compenseren, ook de aangegeven compensatie in kwantitatieve zin niet mogelijk is.

Uit zienswijze aangrenzende agrariër Met planvoorschrift 6.4.2 (windhaag) wordt dus getracht om ervoor te zorgen dat de exploitatie van het bollenbedrijf van cliënte ongestoord zal kunnen worden voortgezet. Echter, daarmee wordt niet voldoende onderkend dat achter het gedeelte van de heg (van 2,5 m hoog) geen goede exploitatie van de gronden mogelijk zal zijn. Achter de heg zal op de bollengronden namelijk sprake kunnen zijn van warmte/broei hetgeen zeer nadelig is voor de groei van bollen. Bij warme weersomstandigheden is een wat koudere noord-westenwind juist nodig. Cliënte schat in dat hij zo'n 3 ha van zijn bollenpercelen op die manier niet meer optimaal zal kunnen benutten, hetgeen logischerwijs tot schade leidt. Niet is nu gebleken dat de gemeente door een onafhankelijke adviesbureau diepgaand onderzoek heeft laten doen naar de gevolgen van onderhavig ontwerp-plan voor het bedrijf van cliënte. Daarbij had tevens moeten worden betrokken dat een heg ook zal leiden tot wateronttrekking en luizendruk. Ook de schade die daarmee gepaard gaat had inzichtelijk moeten worden gemaakt. De gemeente heeft zich ten onrechte eenzijdig op de compensatiegronden gericht. Het is derhalve overduidelijk dat de gemeente in het kader van onderhavig ontwerp-plan volledig

5

Fytagoras-rapport

voorbij is gegaan aan de bedrijfsbelangen van cliënte. Dit heeft cliënt als persoon ook zeer gegriefd. Overigens merkt cliënte ten aanzien van voorschrift 6.4.2 nog op dat deze in zoverre rechtsonzeker is dat zonder controle niet is gegarandeerd dat wordt voldaan aan de gestelde driftreductie van 75%. In zoverre had hieraan tevens een controlevoorschrift moeten worden verbonden.

6

Fytagoras-rapport

3

Situatieschets Hieronder is de situatie ter plaatse weergegeven zoals in de inleiding aan gegeven waarbij volgens de literatuur driftblootstelling onder de huidblootstellingsgrens voor omstanders en voor personen op de sportvelden wordt gerealiseerd. Op de verbeelding is een aanduiding opgenomen ter plaatse van de windhaag (blauwe lijn). Ter plaatse van deze aanduiding dient een dubbele 2,5 m hoge windhaag te worden gerealiseerd.

7

Fytagoras-rapport

Hier boven is in meer detail de situatie geschetes met betrekking tot de plaatsing van de hagen (blauwe lijnen). Eerste haag van 1 meter breedte op 2 meter afstand van de perceelgrens (gele lijn), en de tweede haag op 3 meter aftand van de eerste haag. Voor de haag komen verschillende typen in aanmerking zoals de beukenhaag of laurierkershaag.

Voorbeelden van beukenhaag (links zomer, rechts winter)

8

Fytagoras-rapport

Voorbeeld van laurierkershaag (en detail).

9

Fytagoras-rapport

4

Effecten van de hagen op het naast gelegen perceel (bollengrond) In onderstaande uitgegaan van het hierboven geschetste scenario: - Twee hagen van 1 meter breedte; o een eerste op afstand 2 m van de erfgrens o een tweede op aftand van ongeveer 6 m van de erfgrens - Hoogte van de hagen 2.5 m (te bereiken door regelmatig snoeien) - Optische dichtheid van de haag bij de erfgrens meer dan 75% - Bladbehoudende soorten worden toegepast in de haag bij de erfgrens; bijvoorbeeld beuk (Fagus sylvatica) of laurierkers (Prunus laurocerasus). o Ook een coniferenhaag zou mogelijk zijn. -

De tweede haag kan worden uitgevoerd als de eerste haag (bladbehoudend), maar er kan ook worden gekozen voor een houtwal (eventueel begroeid met klimplanten) of niet bladbehoudende soorten zoals een els.

Te verwachten effecten op naast gelegen bollenperceel en de daarbij uitgevoerde bedrijfsvoering: Schaduwwerking: Gezien de oriëntatie van de hagen ten opzichte van de bollengrond zal enige schaduwwerking kunnen optreden. De schaduwwerking is sterk afhankelijk van het tijdstip van de dag, het seizoen, de hoogte van de haag (2,5 m), de oriëntatie van de haag en de afstand tussen haag en de bollengrond (2 m). Voor de verschillende seizoenen zal de schaduwwerking zeer sterk verschillen. Te verwachten valt dat in het groeiseizoen (voorjaar, zomer, deel van het najaar) door de beperkte hoogte van de haag, de voornamelijk oost-west oriëntatie en de afstand tot het gewas (2 m) de schaduwwerking beperkt blijft tot het einde van de dag (zon laagstaand). Gezien dat schaduwwerking tijdens het groeiseizoen minimaal zal zijn en over een klein gedeelte van het teeltperceel kan worden verwacht dat het effect op de totale teelt zeer beperkt zal zijn. Een meer exacte berekening van de schaduwwerking over de periode maartseptember is uitgevoerd voor verschillende tijdstippen van de dag. Hieruit kan een meer exacte bepaling worden gedaan van het gemiddelde lichtverlies over het deel van het bollenperceel dat schaduw kan ondervinden over de teeltperiode.

Voor zowel de oost-west georiënteerde haagdelen, als het noord-zuid georiënteerde haagdeel (het meest oostelijke stuk) die schaduw kunnen werpen op de bollegrond is voor de maanden maart, april, mei, juni, juli, augustus en september voor drie dagdelen (7-11 uur, 11-15 uur en 15-19 uur) 10

Fytagoras-rapport

de gemiddelde schaduw lengte over de bollengrond berekend (gecorrigeerd voor de 2 meter afstand van de eerste haag tot de bollengrond). De (gemiddelde) maximale schaduwlengte over de bollengrond is 13,7 meter (einde van de middag). Dat betekent dat schaduwen op de bollengrond door de haag gemiddeld maximaal op 13,7*(462+781) = 7398 m2 kunnen voorkomen. Met behulp van de schaduwdelen in de verschillende maanden en de verschillende dagdelen kan dan worden uitgerekend dat er over de periode maart-september maximaal gemiddeld 16,9% minder licht op dit stuk bollengrond is, in vergelijking met de situatie zonder de haag. Schaduw versus groei Voor de (intensieve) tuinbouw wordt aangenomen dat 1% minder licht resulteert in 1% minder opbrengst. Dit geldt echter voor de situatie dat licht geen beperkende factor is (d.w.z. alle licht kan worden benut). In dat geval zou dit betekenen dat door schaduwwerking er voor 7398 m2 bollengrond ongeveer 16,9% minder opbrengst zou zijn. Het is echter voor de bollenteelt onder niet geconditioneerde omstandigheden (geen temperatuur, water, CO2, luchtvochtigheid controle) vooral bij de hogere lichtintensiteiten (zomer) niet waarschijnlijk dat de 1% minder licht, 1% minder opbrengst regel geldig is. Waarschijnlijker is een scenario met 1% minder licht, 0,5 tot 0,75% minder opbrengst.

Er vanuit gaande dat alle delen grond evenveel produceren zou het effect van de haag dan gelijk staan aan het verlies van gemiddeld 10,6% en maximaal 12,7% van 7398 m2 bollengrond = gemiddeld 784 m2 en maximaal 940 m2. Schaduw versus ziekten en plagen Door schaduwwerking kan de blad-nat periode van een gewas langer duren dan normaal. Hierdoor is er een toenemende kans op het optreden van bijvoorbeeld schimmels. Het is echter niet te verwachten dat in het onderhavige geval schaduwwerking een significant effect zal hebben op de blad-nat periode binnen de 7398 m2 bollengrond waar schaduw kan optreden. Dit komt doordat de blad-nat periode vooral in de ochtend een rol speelt (bijv. dauw) en de oriëntatie en plaatsing van de haag zodanig is dat alleen schaduw op het bollenveld kan optreden in de middag (zeer beperkt) en aan het eind van de dag. Het is daarom niet te verwachten dat dit enige invloed zal hebben op de teelt. Windreductie: Bij plaatsing van een haag (2,5 m hoog) op 2 meter van perceelgrens is een windreductie te verwachten van 65% op 10,5 m van de perceelgrens, ongeveer 25% op 23 m en van 5% op 48 meter van de perceelgrens (Ucar and Hall, 2001), bij wind die loodrecht blaast op de haag. In het geval van de bollenvelden voor overwegend noorderwind en noord-westerwind. 1

De som van de lengten van de hagen die schaduw op bollengrond kunnen werpen.

11

Fytagoras-rapport

Met betrekking tot eventuele effecten van de haag op de wind is het van belang om de overwegende wind-richtingen in de verschillende relevante maanden te bekijken. Hieronder is voor de maanden februari tot september in figuren aangegeven uit welke hoek de wind waait voor Noord-Hollandse kuststreken (data voor De Kooy, nabij Den Helder). Uit de analyse van de langjarige windgemiddelden blijkt dat in de maanden februari, maart, augustus en september voornamelijk wind uit richtingen waait waarop de haag nauwelijks effect zal hebben op de wind in de bollenvelden. In de maanden april en mei en juni zijn er wel significant veel dagen met wind uit noordelijke, noordwestelijke en noordoostelijke richting. In mindere mate geldt dit voor de maand juli. In deze gevallen zal de haag invloed hebben op de wind op een deel van de bollenvelden volgens de hierboven geschetste mate (met Ucar en Hall, 2011 als bron). Te verwachten effecten op de teelt: Door verminderde wind uit het noorden en noordwesten (vooral tot 10,5 meter vanaf de perceelgrens zal dit in afnemende mate, merkbaar zijn) kan het microklimaat rond de planten veranderen. De gevolgen daarvan kunnen zowel negatief als positief zijn en zijn ook gewas en seizoen afhankelijk.

Negatieve effecten zijn een mogelijke hogere en langer aanhoudende luchtvochtigheid rond de bladeren (door minder luchtcirculatie) waardoor de ziektedruk kan toenemen (bijvoorbeeld door schimmels). Daarnaast kan minder wind leiden tot een ieler (slapper) gewas door minder mechanische stimulatie van de plant, maar veel wind leidt ook tot groeiremming. Een iets koelere noord/noordwestelijke wind kan het gewas koelen in de zomer waardoor minder ziekte en betere groei kan optreden. Echter, er zijn ook positieve effecten te verwachten van vermindering van de wind over het teeltperceel. Windschade zal worden verminderd of voorkomen (dat zal dan vooral effect hebben voor de hardere winden (>5 Bft) uit het noorden, noordwesten en noordoosten die in april en mei voorkomen (zie windrichting en kracht gemiddelden in de figuren hieronder). Daarnaast is het bekend dat het plaatsen van hagen (door de windvermindering) kwaliteit verhogend werkt voor verschillende gewassen, zoals met name in de fruitteelt en de bloementeelt (bijvoorbeeld Hydrangia en Hortensia), maar ook in de boomteelt. Groeiremming en schade door veel wind zal ook door de hagen worden verminderd of voorkomen (bijvoorbeeld Grace, 1988; Bang et al., 2010; Ennos, A.R. 1997). Door de windreductie treden zowel negatieve als positieve effecten op.

De balans hiertussen is afhankelijk van het type gewas, jaargetijde en jaar tot jaar variaties in (harde) wind en storm. Significante negatieve effecten zullen regelmatig merkbaar zijn tot 10,5 meter van de perceelgrens, en waarschijnlijk de positieve effecten te niet doen. Verder weg van de perceelgrens zullen de negatieve effecten van windreductie veel kleiner of afwezig zijn en ook door positieve effecten te niet worden gedaan.

12

Fytagoras-rapport

Hoewel een schadevoorspelling tot een afstand van 10,5 meter van de perceelgrens erg moeilijk is kan er een ruwe schatting worden gemaakt. In de relevante maanden (maart-augustus) kan worden berekend hoeveel van de totale wind in de betreffende maanden uit noord, noordwesten en noordoosten waait. Dit is als volgt: Maart: 23% April: 38% Mei: 39% Juni: 37,5 % Juli: 31% Augustus 25% Gemiddeld is er in deze relevante periode van een half jaar dus ongeveer 32% wind uit de noordelijke, noordwestelijke en noordoostelijke richting. Binnen de zone van 10,5 meter van de perceelgrens zal deze wind dus sterk gereduceerd zijn. Als we hanteren dat de afwezigheid van deze winden tot 10,5 meter vanaf de perceelgrens direct een 50% invloed heeft op de teelt, dan zouden we grofweg kunnen stellen dat er door windreductie een gemiddelde vermindering van 16% in opbrengst is tot 10,5 meter vanaf de perceelgrens. Het oppervlak bollengrond dat hier last van heeft geld voor de haaglengte van 540 meter, en het betreft dus een strook van 540 x 10,5 meter = 5670 m2. Er vanuit gaande dat alle delen grond evenveel produceren zou het effect van de haag dan gelijk staan aan het verlies van gemiddeld 16% van 5670 m2 bollengrond = gemiddeld 907 m2. Dit is ongeveer gelijk aan het verlies door schaduwwerking.

13

Fytagoras-rapport

14

Fytagoras-rapport

15

Fytagoras-rapport

Bladval overlast: In de beschreven situatie wordt uitgegaan van bladbehoudende soorten in de hagen. Er zal derhalve geen overlast zijn van bladeren uit de hagen die de kwekerij in waaien. Daarnaast is de windrichting in de herfst (september/oktober) overwegend uit zuidelijke en westelijke richting en zullen eventuele dode bladeren niet richting de bollenvelden waaien. Eventueel zou de tweede haag en niet-bladbehoudende kunnen soort zijn, waarbij overlast door vallende bladeren afwezig zal zijn door de aanwezigheid van de eerste bladbehoudende haag. Wortelingroei: Uitgaande van de vuistregel dat het wortelstelsel zich uitstrekt over een afstand die gelijk is aan de hoogte van de plant kunnen we concluderen dat de 2,5 m hoge haag op 2 meter van de erfgrens ongeveer 50 centimeter het bollenperceel kan ingroeien. De eerste rij planten in de bollengrond bevinden zich waarschijnlijk op tenminste 1 meter van de erfgrens. Bij een gewas dat niet hoger is dan 1 meter zal er derhalve geen overlapping van de wortelstelsels plaatsvinden. In dit geval is er geen probleem te verwachten met grondbewerking. Enige concurrentie voor grondwater kan niet worden uitgesloten. Echter de verwachting is dat deze concurrentie zeer gering is. Zichtbelemmering en geluid: De hagen zullen zichtbelemmering opleveren vanuit het teeltperceel. Het vrije uitzicht op de naastgelegen weg.

Het is een kwestie van smaak of dit als positief of negatief wordt ervaren. “Natuur”: De hagen zullen waarschijnlijk een verblijfsplaats vormen voor vogels en (nuttige) insecten. Maar kunnen ook bijvoorbeeld luizen huisvesten. Er kan echter ook worden opgemerkt dat de zeer nabij gelegen bosschages/bosjes op de oude perceelgrens naar de duinen een veel groter “reservoir” voor insecten etc zijn dan de geplande hagen. Er is niet te verwachten dat de hagen de situatie met betrekking tot de aanwezigheid van verblijfplaats voor insecten etc. anders maakt dan op de oude perceelgrens.

16

Fytagoras-rapport

5

Conclusie Met de voorgestelde uitvoering van de dubbele windhaag is te verwachten dat effecten op de bedrijfsvoering zullen optreden. Een schadeveroorzakend effect zal met name door optreden van schaduw en van verandering van microklimaat door minder noordelijke wind optreden. Daartegenover staat dat de dubbele windhaag ook positieve effecten zal hebben, met name in het verminderen of voorkomen van windschade. Er kan worden beredeneerd op basis van omgevingsgegevens dat de schaduwschade overeenkomt met de productie op maximaal 940 m2, en de gereduceerde windschade overeenkomt met de productie op gemiddeld 907 m2 . De totale schade zou (als we uitgaan van afwezigheid van overlap tussen de verschillende schade-oorzaken) maximaal de productie op 1847 m2 bollengrond zijn.

17

Fytagoras-rapport

6

Literatuur Er is gebruik gemaakt van o.a. de volgende bronnen en literatuur: -

-

Ucar & Hall, Windbreaks as a pesticide drift mitigation strategy: a review. Pest Management Science 75; 663-675, 2001. Felsot et al., Agrochemical spray drift; assessment and mitigation – a review. Journal of Environmental Science and Health, part B 46: 1, 1-23, 2011. Lazzaro et al., Role of hedgerows in intercepting spray drift: evaluation and modelling of the effects. Agroculture Ecosystems & Environment 123; 317-327, 2008. Bresser. Analyse gevolgen oprichten houtwal. DLV Plant kenmerk: 15005/WdB/mj Grace, J. Plant Responses to Wind. Agriculture, Ecosystems and Environment, 22/23 pp. 71-88, 1988 Bang et al. Reduced Wind Speed Improves Plant Growth in a Desert City. Plos One Volume 5, Issue 6, e11061, pp 1-8, 2010 Ennos, A.R. Wind as an ecological factor. Tree, vol 12, pp 108-111, 1997

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/4721/documents/34956