1.1 bij 14 11-01-2022 quick scan natuurwetgeving Egmond aan den Hoef Oost.pdf
Tekst van het document
Quickscan Natuurwetgeving locatie Oost te Egmond aan den Hoef
Quickscan Natuurwetgeving locatie Oost te Egmond aan den Hoef
Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum
: AM21326 : Definitief (versie 1) : 19 augustus 2021
Opdrachtgever
: Ordito B.V. Nieuwstraat 87 5126 CC Gilze
Opgesteld door Paraaf
: ir. C. de Koning | ir. J.P.M. Hovens :
Gecontroleerd door Paraaf
: ing. J.M.G. Reuver :
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl Pagina | 2
AM21326
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ...................................................................................................................................................................................................................4
2.
WET- en REGELGEVING .........................................................................................................................................................................................5 2.1
Inleiding ............................................................................................................................................................................................................5
2.2
Bescherming van Natura 2000-gebieden .............................................................................................................................................5
2.3
Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................................................................................6
2.4
Beschermde planten en dieren ................................................................................................................................................................6
3.
WERKWIJZE ................................................................................................................................................................................................................8 3.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ........................................................................................................................8
3.2
Werkwijze quickscan ....................................................................................................................................................................................8
4.
BESCHERMDE NATUURWAARDEN ....................................................................................................................................................................9 4.1
Beschrijving plangebied .............................................................................................................................................................................9
4.2
Natura 2000-gebieden ................................................................................................................................................................................9
4.3
Natuurnetwerk Nederland....................................................................................................................................................................... 10
4.4
Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 11
5.
MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN ............................................................................................................ 14 5.1
Natura 2000.................................................................................................................................................................................................. 14
5.2
Natuurnetwerk Nederland....................................................................................................................................................................... 14
5.3
Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 14
6.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................................................................................ 16 6.1
Natura 2000.................................................................................................................................................................................................. 16
6.2
Natuurnetwerk Nederland....................................................................................................................................................................... 16
6.3
Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 16
LITERATUUR ..................................................................................................................................................................................................................... 18
Bijlage: 1
Toelichting per beschermingsregime
Pagina | 3
AM21326
1. INLEIDING In opdracht van Ordito B.V. heeft Aeres Milieu B.V. in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie
: Prins Willem Alexanderlaan te Egmond aan den Hoef
Gemeente
: Bergen
Kadastrale registratie
: Egmond-Binnen, sectie A, nummers 160, 161, 3072,3073, 3071, 3074, 2038, 158, 2520, 2519, 2523, 2940
Oppervlakte
: circa 94800 m2
Huidige bestemming
: Agrarisch
Toekomstige bestemming
: Wonen
Op deze locatie worden 150 woningen gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze quickscan natuurwetgeving. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden.
Doel en status van dit document Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden) en beschermde gebieden. Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de beleids- en veldinventarisaties weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op Natura 2000gebieden, de in en nabij het plangebied aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wnb. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies en aanbevelingen weer.
Pagina | 4
AM21326
2. WET- en REGELGEVING 2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen Faunawet en de Boswet. De Natuurbeschermingswet 1998 zorgde voor de bescherming van (natuur)gebieden en de Floraen faunawet regelde de bescherming van alle in het wild levende planten- en diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Bij kap van bomen moest worden bepaald of de Boswet van toepassing was (de Boswet regelde het behoud van bosopstanden of compensatie ervan). De basis van de nieuwe wetgeving blijft in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken.
2.2
Bescherming van Natura 2000-gebieden
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) en houden dus indirect wel bescherming, zij het niet in dezelfde mate. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan Natura 2000-gebieden. Verder verandert er voor Natura 2000-gebieden weinig. De bescherming van deze gebieden is namelijk gebaseerd op internationale verplichtingen en die zijn niet veranderd. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.
Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Wetlands worden beschermd door het internationale Ramsar-verdrag. Het zijn ook Natura 2000-gebieden en daardoor beschermd door de Wnb. Toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft Natura 2000-gebieden is opgenomen in hoofdstuk 5.
Pagina | 5
AM21326
2.3
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
•
gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
•
landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
•
ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;
•
alle Natura 2000-gebieden.
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. De provincies hebben – zoals ook al in paragraaf 2.2 aangegeven - de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Veel provincies hebben de Nationale Landschappen (sinds 2011 geen onderdeel meer van nationaal beleid) in hun provinciale beleid opgenomen. De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan het provinciale beleid is opgenomen in hoofdstuk 5.
2.4
Beschermde planten en dieren
De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime):
-
Vogels
alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken;
Pagina | 6
AM21326
-
Internationaal beschermde soorten
alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb);
-
Overige beschermde soorten
soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd).
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. De provincie Noord-Holland heeft de inwerkingtreding van de Wnb aangegrepen om in een vroegtijdig stadium de verordeningen en het beleid te herzien. Zo zijn in 2016 vijf provinciale verordeningen, twee beleidsregels en een provinciale natuurvisie vastgesteld. Voor de vrijstelling van soorten is de “Verordening vrijstellingen soorten” opgesteld (Provinciale Staten van Noord-Holland, 2016). Voor de in deze verordening genoemde soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft flora en fauna is opgenomen in hoofdstuk 5.
Pagina | 7
AM21326
3. WERKWIJZE 3.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden
De bestaande vegetatie wordt verwijderd. Vervolgens wordt er een nieuwbouwwijk gerealiseerd, met 150 woningen. De slootjes worden als zodanig behouden. Mogelijk worden de watergangen in het plangebied verbreed (hierbij worden de sloten niet drooggelegd). Een afbeelding van de voorgestane situatie is (nog) niet voorhanden.
3.2
Werkwijze quickscan
Deze quickscan natuurwetgeving is uitgevoerd door middel van een veldbezoek en een literatuurstudie. Op 27 juli 2021 heeft Faunaconsult B.V. het plangebied en de omgeving ervan bezocht voor een habitatgeschiktheidsonderzoek. Hierbij werd beoordeeld voor welke plant- en diersoorten het plangebied een geschikte habitat biedt. Waarnemingen van soorten in het plangebied zijn genoteerd. Alle wateren werden bemonsterd met een steeknet van 70 cm breed. Met betrekking tot zoogdieren werd speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Het bureauonderzoek is gebaseerd op vrij verkrijgbare verspreidingsbronnen en waarnemingen van soorten: - Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (www.natura2000.nl/gebieden); - RAVON (www.ravon.nl); - FLORON (www.floron.nl); - SOVON (www.sovon.nl); - Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl); - NDFF Verspreidingsatlas (www.verspreidingsatlas.nl).
Pagina | 8
AM21326
4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN 4.1
Beschrijving plangebied
Het plangebied (zie figuur 4.1 en de foto’s op pagina 2 van het rapport) ligt in het noordoosten van de kern van Egmond aan den Hoef. Het plangebied is op te delen in twee delen; een bloembollenakker in het noorden en een weiland in het zuiden. Rondom het gehele plangebied zijn slootjes aanwezig. Daarnaast liggen er ook binnen het plangebied slootjes en de Oude Vaart. In de bloembollenakker komen soorten voor als fluitenkruid, witte dovenetel, zilverschoon, grote brandnetel, perzikkruid, ridderzuring, gewone melkdistel, veldkers, schijfkamille, haagwinde, echte kamille, kruipende boterbloem, akkerdistel, gewone berenklauw en witte klaver. In het grasland zijn soorten aanwezig zoals heelblaadjes, moerasvergeet-mijnietje, harig wilgenroosje, paardenbloem, hondsdraf, ridderzuring, witte klaver, kruipende boterbloem, varkensgras, perzikkruid en riet. In de slootjes komen soorten voor als eendenkroos, gewoon sterrenkroos en riet. De oevers zijn beschoeid en begroeid met onder andere grote brandnetel, ridderzuring, riet en een wilg. Ten noorden van het plangebied bevinden zich een paardenweitje, een achtertuin en een akker. Aan de oostzijde zijn koeienweides aanwezig. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de provinciale weg N512 met ten zuiden daarvan een paardenhouderij. De westzijde grenst aan een klein bosgebiedje, parkeerplaats en woonwijk.
Figuur 4.1. Het plangebied (oranje omlijnd). Bron: Aeres Milieu.
4.2
Natura 2000-gebieden
Natura 2000-gebied ‘Noordhollands Duinreservaat’ is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, op een afstand van circa 615 meter ten westen van het plangebied. Natura 2000-gebieden ‘Noordzeekustzone’ en ‘Schoorlse Duinen’ bevinden zich op respectievelijk 3,6 en 5,9 kilometer van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4.2). Pagina | 9
AM21326
Figuur 4.2. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura-2000 gebieden (groen weergegeven). Bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
4.3
Natuurnetwerk Nederland
Op circa 515 meter ten westen van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; zie figuur 4.3). Dit bestaat uit het beheertype ‘Droog schraalland’.
Figuur 4.3. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het NNN (gekleurde delen). Bron: Provincie Noord-Holland.
Pagina | 10
AM21326
4.4
Beschermde planten en dieren
In het plangebied zijn geen gebouwen of holle bomen aanwezig. Het is daarom uitgesloten dat er echte vleermuisverblijven, uilenverblijven, etc. in het plangebied aanwezig zijn. Opgaande, lijnvormige beplanting is in het plangebied afwezig, maar naast de Prins Willem Alexanderlaan en Sabine van Beierenlaan, buiten het plangebied, bevinden zich laanbomen (zie figuur 4.1.1). Aan de noordzijde van de Prins Willem Alexanderlaan gaan de laanbomen over in een klein bosgebiedje (met soorten als zwarte els, zomereik en esdoorn). De bomen aan deze wegen dienen mogelijk als vliegroute of foerageergebied van verschillende soorten vleermuizen. Omdat vaste vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen onder de Wet natuurbescherming als een vaste voortplantings- of rustplaats worden gezien, is een aantal vleermuissoorten in tabel 4.4 opgenomen.
Figuur 4.4.1. De laanbomen aan de Prins Willem Alexanderlaan en Sabine van Beierenlaan dienen mogelijk als vliegroute of foerageergebied van vleermuizen. Op de voorgrond is een smalbladige wilg te zien.
Het overgrote deel van het plangebied biedt niet genoeg dekking voor kleine marterachtigen. De bloembollenakker en het weiland zijn zelfs ongeschikt voor wezel. Rondom het plangebied en op twee plaatsen in het weiland bevinden zich slootjes. Op figuur 4.4.1 is de begroeiing van de slootjes te zien. De wezel maakt gebruik van bestaande holen, zoals die van ratten (Jonker, 2016). De slootkanten zijn daarom mogelijk geschikt als vaste verblijfplaats van wezel. Grotere holen, takkenstapels, holle bomen, hooibalen, etc. (geschikt voor hermelijn of bunzing; Jonker, 2016) zijn niet waargenomen, dus het plangebied is slechts beperkt geschikt voor bunzing en hermelijn. Dassen zijn in dit deel van Nederland afwezig en voor marters biedt het plangebied te weinig beschutting. Gedurende het veldbezoek werd een haas waargenomen. Konijnenholen, eekhoornnesten, etc. komen niet in het plangebied voor. Overige algemene zoogdieren zoals de veldmuis kunnen wel in het plangebied voorkomen (zie tabel 4.4). Tijdens het veldbezoek werden in en rond het plangebied merel, wilde eend, Turkse tortel, kauw, meerkoet en houtduif waargenomen. Er werden geen jaarrond beschermde vogelnesten of overige strenger beschermde vogelnesten waargenomen. In het gehele plangebied is slechts één boom aanwezig (smalbladige wilg, zie figuur 4.4.1).
Overige opgaande vegetatie is aanwezig in de vorm van riet, naast de slootjes. Het is daarom mogelijk dat er in het broedseizoen algemeen voorkomende vogels in het plangebied broeden. Pagina | 11
AM21326
In het plangebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.1). In en rond het plangebied zijn slootjes aanwezig die als voortplantingswater voor amfibieën kunnen dienen. Gedurende de steeknetinventarisatie werden onder andere gewone pad, middelste groene kikker en kleine watersalamander waargenomen (zie figuur 4.4.2). Ook werden vissoorten als tiendoornige stekelbaars, baars en kleine modderkruiper waargenomen. Vanwege de (grote) hoeveelheid aan vis en vanwege de steile beschoeide oevers, zijn de slootjes ongeschikt als (voortplantings)habitat voor de meeste strenger beschermde amfibieënsoorten. Een uitzondering geldt wellicht voor de heikikker, maar deze komt in de omgeving van het plangebied niet voor.
Figuur 4.4.2. Tijdens de steeknetinventarisatie werden onder andere kleine watersalamander en middelste groene kikker waargenomen.
Het is wel mogelijk dat enkele algemene amfibieënsoorten (delen van) het plangebied als landhabitat gebruiken. Streng beschermde amfibieën zoals rugstreeppad en reptielen zoals zandhagedis zijn niet in of rond het plangebied waargenomen. De rugstreeppad heeft ondiepe voortplantingswateren (zoals tijdelijke poeltjes en plassen) nodig die meestal tijdens de zomer opdrogen (RAVON, 2021a). De zandhagedis is in Nederland sterk gebonden aan (kalkarme) duin- en (droge struik)heidegebieden
(RAVON,
2021b).
Het
plangebied
(intensief
landbouwgebied)
is
daarom
ongeschikt
als
(voortplantings)habitat voor deze soorten. Ook overige reptielen zijn afwezig en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied. Nauwe korfslak en gevlekte witsnuitlibel (waarvoor Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat onder andere is aangewezen) hebben namelijk respectievelijk kalkrijke, ongestoorde duingebieden en rijkbegroeide wateren (zoals laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen) nodig (Anemoon, 2018; Vlinderstichting, 2021). Het plangebied, voedselrijk akker- en grasland, is daarom ongeschikt als (voortplantings)habitat voor dergelijke soorten. Tabel 4.4 geeft de beschermde soorten weer die (mogelijk) een vaste voortplantings- of rustplaats in het plangebied hebben. Nederlandse en wetenschappelijke naam
Vogels met jaarrond
Internationaal
Overige beschermde
beschermd nest
beschermde soorten
soorten
Aardmuis (Microtus agrestis)
X
Bosmuis (Apodemus sylvaticus)
X
Veldmuis (Microtus arvalis)
X
Bruine kikker (Rana temporaria)
X
Gewone pad (Bufo bufo)
X
Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris)
X
Haas (Lepus europaeus)
X
Wezel (Mustela nivalis)
X
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
X Pagina | 12
AM21326
Nederlandse en wetenschappelijke naam
Vogels met jaarrond
Internationaal
Overige beschermde
beschermd nest
beschermde soorten
soorten
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
X
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
X
Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
X
Tabel 4.4. (potentieel) in het plangebied voorkomende beschermde soorten. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.
Pagina | 13
AM21326
5. MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN 5.1
Natura 2000
Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien liggen de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Noordhollands Duinreservaat,’ ‘Noordzeekustzone’ en ‘Schoorlse Duinen’ op een afstand van resp. 0,6; 3,6 en 5,9 kilometer van het plangebied. Tussen deze Natura 2000-gebieden en het plangebied in liggen de provinciale weg N511 en een gedeelte van de bebouwde kom van Egmond aan den Hoef. Tussen het plangebied en Natura 2000-gebied ‘Schoorlse Duinen’ in ligt daarnaast nog de provinciale weg N510 en een gedeelte van de bebouwde kom van Wimmenum. Ook vanwege de afstand verwachten wij van de voorgenomen werkzaamheden geen effect op bovengenoemde Natura 2000-gebieden. De hierboven genoemde Natura 2000-gebieden bevatten tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. De bouw van de woningen en de extra verkeersbewegingen zullen leiden tot wat stikstofuitstoot. Doordat de woningen circulair en klimaatneutraal worden gebouwd, is er voor de grondstoffen en het gebruik ervan geen extra stikstofemissie te verwachten. De bouw zal, door het gebruik van materieel, wel leiden tot tijdelijke stikstofuitstoot. Ook zal de toekomstige bewoning extra verkeersbewegingen opleveren (die tot een extra stikstofuitstoot leiden).
Het is dus mogelijk dat er een significant negatief effect op bovengenoemd (en verder van het plangebied gelegen) Natura 2000gebied(en) zal ontstaan.
5.2
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt op circa 515 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bestaande uit het beheertype ‘Droog schraalland’. Hoewel dit een stikstofgevoelige biotoop is, verwachten wij dat de plannen geen effect op het NNN zullen hebben omdat de agrarische activiteiten beëindigd worden.
5.3
Beschermde planten en dieren
Als gevolg van de werkzaamheden kunnen onderstaande effecten op beschermde flora en fauna optreden: •
In de opgaande vegetatie in het plangebied bevinden zich in het broedseizoen mogelijk (beschermde) vogelnesten. Als de opgaande vegetatie tijdens het broedseizoen wordt verwijderd, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang zijn achtergelaten en eieren kunnen te lang niet zijn bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels.
•
Bij de werkzaamheden kunnen vaste voortplantings- of rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood.
•
De laanbomen en het bosgebiedje aan de Prins Willem Alexanderlaan en Sabine van Beierenlaan dienen mogelijk als
vliegroute
en/of
foerageergebied
van
verschillende
soorten
vleermuizen.
Het
plaatsen
van
Pagina | 14
AM21326
vleermuisonvriendelijke buitenverlichting nabij deze bomen kan een belangrijke verstoring voor vleermuizen opleveren. •
De slootkanten zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats voor wezel. Wanneer de slootjes ongemoeid blijven, zijn er geen negatieve effecten op wezel te verwachten. Indien de slootjes worden vergraven, kan dit leiden tot verstoring, verwonding en vernietiging van wezel en hun vaste verblijfplaatsen.
•
Het plangebied is ongeschikt als (voortplantings)habitat voor rugstreeppad. Wanneer het plangebied bouwrijp wordt gemaakt, wordt dit mogelijk wel geschikt. Op circa 500 meter afstand bevindt zich een bekende voortplantingspoel van rugstreeppad. Om kolonisatie van de soort in het plangebied tijdens de (voorbereidende) bouwfase te voorkomen, dienen er maatregelen te worden genomen.
In tabel 5.3 zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen.
Soort
Beschermingsregime Wnb
Algemene in opgaande vegetaties
Vogels
broedende vogels Vleermuizen
Art. 3.1
Art. 3.1
Art. 3.5
Art. 3.5
Art. 3.5
Art. 3.5
Art. 3.10
lid 1
lid 2
lid 1
lid 2
lid 3
lid 4
lid 1
X
X
Internationaal beschermde
X
soorten Algemeen voorkomende
X
Overige soorten
grondgebonden zoogdieren
X
(waaronder wezel) en amfibieën Rugstreeppad
Internationaal beschermde soorten
X
X
X
X
Tabel 5.3. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.
Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A -soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of r ustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos -, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).
Pagina | 15
AM21326
6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1
Natura 2000
De plannen zullen waarschijnlijk geen direct effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Het is wel mogelijk dat de komst van de woningen zal leiden tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het is daarom nodig te laten bepalen of dat het geval is. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb.
6.2
Natuurnetwerk Nederland
Door de werkzaamheden gaat er geen NNN verloren. De bouw van de woningen en de toenemende verkeersbewegingen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNN. Omdat er geen negatieve effecten op het NNN zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.
6.3
Beschermde planten en dieren
Vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Holland een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud (Provinciale staten van Noord-Holland, 2016).
Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. De sloten dienen daarom buiten de kwetsbare periode van amfibieën (dus buiten de periode maart t/m half juni) verbreed te worden. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
Pagina | 16
AM21326
Vleermuizen De bomen aan de Prins Willem Alexanderlaan en Sabine van Beierenlaan fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Omdat er geen bomen worden gekapt, is er geen aantasting van een vaste vliegroute of foerageergebied. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). Daarnaast is het voor vleermuizen aan te bevelen inlandse loofboomsoorten waar mogelijk te behouden en aan te planten (zij vormen een geschikte voedselbron voor insecten, die op hun beurt weer als voedsel voor vleermuizen kunnen dienen). Wezel De slootkanten in het plangebied zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats voor wezel. Wanneer de sloten als zodanig worden behouden en de oevers ongemoeid blijven, zijn er geen negatieve effecten te verwachten. Indien de sloten worden vergraven, kan dit wel een verstoring opleveren. In dat geval is er aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen nodig. Rugstreeppad Het plangebied is in de huidige staat ongeschikt als (voortplantings)habitat voor rugstreeppad.
Door het bouwrijp maken van het terrein, wordt dit echter geschikt voor deze soort. Door bijvoorbeeld het plaatsen van amfibieënschermen, kan kolonisatie van rugstreeppad worden voorkomen.
Pagina | 17
AM21326
LITERATUUR •
Anemoon. 2018. Nauwe korfslak Profiel. www.anemoon.org; projecten; Natura2000; Soortprofielen; Nauwe korfslak. Geraadpleegd op: 29-07-2021.
•
Jonker, N. 2016. Wezel, hermelijn en bunzing beschermd in Noord-Holland; wat betekent dit voor beheer en inrichting.
Link:
https://www.odnhn.nl/Wet_natuurbescherming/Soortenbescherming/Handreiking_wezel_hermelijn_en_bunzing.pdf. Geraadpleegd op: 16-08-2021. •
Ministerie van Economische Zaken. 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
•
Provinciale staten van Noord-Holland. 2016. Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland.
•
RAVON. 2021a. Rugstreeppad Epidalea calamita. www.ravon.nl; Soorten; Soortinformatie; rugstreeppad. Geraadpleegd op: 29-07-2021.
•
RAVON. 2021b. Zandhagedis Lacerta agilis. www.ravon.nl; Soorten; Soortinformatie; zandhagedis. Geraadpleegd op: 29-07-2021.
•
Spoelstra, K, R.H.A. van Grunsven, J.J.C. Ramakers, K.B. Ferguson, T. Raap, M. Donners, E.M. Veenendaal en M. E. Visser. 2017. Response of bats to light with different spectra: light-shy and agile bat-presence is affected by white and green, but not by red light. The Royal Society Publishing. www.rspb.royalsocietypublishing.org.
•
Vlinderstichting. 2021. Gevlekte witsnuitlibel Leucorrhinia pectoralis. www.vlinderstichting.nl; Libellen; overzicht libellen; gevlekte witsnuitlibel. Geraadpleegd op:29-07-2021.
•
Zoogdiervereniging. 2011. Een vleermuisvriendelijke kleur voor verlichting. www.zoogdiervereniging.nl/eenvleermuisvriendelijke-kleur-voor-verlichting.
Pagina | 18
AM21326
BIJLAGE 1. TOELICHTING PER BESCHERMINGSREGIME Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden:
•
het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb)
•
het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb)
•
het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb)
•
het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb)
•
het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb)
•
het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb)
•
het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb).
Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling.
Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan. Dit betekent dat er:
•
geen andere bevredigende oplossing mag bestaan;
•
de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en; Pagina | 19
AM21326
•
de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: -
het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
-
het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
-
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
-
ter bescherming van flora of fauna;
-
voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of
-
om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Internationaal beschermde soorten Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis.
Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn:
•
het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb)
•
het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb)
•
het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb)
•
het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb)
•
het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb)
•
het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb).
Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb). Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien:
•
er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)
•
er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan
•
de ontheffing of vrijstelling nodig is: -
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
-
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
Pagina | 20
AM21326
-
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
-
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of
-
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Overige beschermde soorten Dit aanvullende beschermingsregime vloeit niet voort uit Europese wet- of regelgeving en beschermt alleen de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen.
Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden.
Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten. Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien:
•
er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)
•
er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan
•
de ontheffing of vrijstelling nodig is: Pagina | 21
AM21326
-
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
-
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
-
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
-
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of
-
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): -
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
-
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;
-
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
-
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
-
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
-
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
-
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of;
-
ten behoeve van het algemeen belang.
Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016) Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn
Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn
Art 3.1 lid 1
Art. 3.5 lid 1
Art. 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende
Het is verboden soorten in hun natuurlijke
Het is verboden soorten opzettelijk te
vogels opzettelijk te doden of te vangen
verspreidingsgebied opzettelijk te doden of
doden of te vangen
te vangen
Pagina | 22
AM21326
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn
Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn
Art 3.1 lid 2
Art.3.5 lid 4
Art. 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten,
Het is verboden de voortplantingsplaatsen
Het is verboden de vaste
rustplaatsen en eieren van vogels te
of rustplaatsen van dieren te beschadigen
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van
vernielen of te beschadigen, of nesten van
of te vernielen
dieren opzettelijk te beschadigen of te
vogels weg te nemen
vernielen.
Art. 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
Het is verboden eieren te rapen en deze
Het is verboden eieren van dieren in de
onder zich te hebben
natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art. 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te
Het is verboden dieren opzettelijk te
storen, tenzij de storing niet van
verstoren
Niet van toepassing
Niet van toepassing
wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Pagina | 23
AM21326