CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen bestemmingsplan

Besluitvormende raadsvergadering 7 maart 2022, gemeente BeeselBij agendapunt: Bestemmingsplan Oppe Stein te Offenbeek21.323 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Figuur 3.2: Uitsnede Structuurvisie Beesel met globale ligging planlocatie (geel omcirkeld)

De structuurvisie doet specifieke uitspraken over het voorliggende plangebied. De structuurvisie onderschrijft de strategische ligging van het fabrieksterrein en ziet kansen voor transformatie naar lichte vormen van bedrijvigheid en/of wonen in een kwalitatief hoogwaardige ruimte.

Hoofdstuk 3

20

Afweging Het huidige bestemmingsplan ‘Oppe Brik’ heeft al voorzien in de transformatie waarbij ruimte wordt geboden aan wonen, maatschappelijke voorzieningen en werk – wooneenheden (lichte bedrijvigheid). Oppe Brik is de laatste grote inbreidingslocatie. Met de ontwikkeling van de wijk streeft de gemeente een voorbeeld te zijn op het gebied van duurzaamheid en toekomstbestendig wonen. Van het totaal aantal woningen is een groot deel als (sociale) huurwoning gepland, die geschikt zijn voor verschillende doelgroepen. Er bleek echter geen behoefte te zijn aan woon-werk kavels. Derhalve is ervoor gekozen de bestemming te vervangen voor woningtype waar wel behoefte aan is. Het planinitiatief sluit met de realisatie van grondgebonden huurwoningen (levensloopbestendig en traditioneel, in verschillende prijsklassen) aan op de gemeentelijke ambities. 3.4.2

Woonvisie 2016-2022, Herijking Woonvisie 2019

In 2016 heeft de gemeenteraad van Beesel de Woonvisie 2016-2022 vastgesteld. Deze gemeentelijke woonvisie geeft een beeld van de opgaven voor de komende jaren met een doorkijk naar 2030. Het gemeentelijk woonbeleid is voornamelijk gericht op verduurzaming van de bestaande woningvoorraad, het op peil houden van het draagvlak voor voorzieningen ten behoeve van de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van kernen en het zorgen voor geschikte woningen voor alle doelgroepen. In 2019 heeft een herijking van de woonvisie plaatsgevonden op basis van een woningmarktanalyse, die eveneens in 2019 is uitgevoerd. De hoofdlijnen van deze herijking zijn als volgt.  De gemeente blijft inzetten op een toekomstbestendige woningvoorraad. De woningmarktanalyse bevestigt het belang van een duurzame, levensloopbestendige en toekomstbestendige woningvoorraad.  In lijn met de Woonvisie 2016-2022, bevestigt de analyse dat een bewuste omgang met nieuwbouw noodzakelijk is. Het is belangrijk om te bouwen voor de juiste doelgroep met de daarbij behorende behoeften.  Er zijn vooral kansen gesignaleerd voor huurwoningen tot de eerste huurgrens (in 2018 tot circa € 460,-) en voor de middeldure en duurdere huur- en koopwoningen, met name in de dubbelkern Reuver-Offenbeek.  Doorstroming is zeer belangrijk om de juiste personen op de juiste plek terecht te laten komen.

 Rekening moet worden gehouden met de vergrijzing en de kleiner wordende samenstelling van huishoudens.  Op termijn wordt een opgave verwacht van koop naar vrijehuursector en een verschuiving van reguliere grondgebonden woningen naar nultredenwoningen en appartementen.  Rond 2023 wordt een omslag in de behoeften verwacht, doordat er koopwoningen vrijkomen en vooral behoefte is aan (onderhoudsvrije) huurproducten.  De lage mutatiegraad van corporatiewoningen vraagt om aandacht. Afweging Onderhavig initiatief in totaal de realisatie van 30 huurwoningen. Het grootste aandeel van deze woningen, 24 in totaal, zullen levensloopbestendig worden gemaakt. De overige zes woningen zullen eengezinswoningen worden. Deze laatste categorie huurhuizen zullen wat betreft de huurprijzen in het

Hoofdstuk 3

21

midden en hoger segment vallen. Beide categorieën woningen zijn derhalve in lijn met de Woonvisie 2016-2022 en de Herkijking Woonvisie 2019. 3.4.3

Afwegingskader woningbouwverzoeken

De gemeente heeft een afwegingskader voor woningbouwverzoeken, dat criteria bevat waarop de gemeente nieuwe woningbouwinitiatieven beoordeelt en afweegt aan welke initiatieven zij medewerking wil verlenen. Het afwegingskader bestaat uit een ruimtelijk kader en een volkshuisvestelijk kader. Op basis van de opgenomen criteria kan een woningbouwinitiatief punten scoren. Indien een initiatief 11 of meer punten scoort, waarvan minimaal 5 binnen het ruimtelijke kader, dan is sprake van een wenselijk initiatief en is de gemeente bereid daaraan mee te werken. Afweging Op grond van het afwegingskader behaalt het plan voldoende punten. Het plan is hiermee wenselijk op basis van het Afwegingskader woningbouwverzoeken. 3.4.4 Vigerende bestemmingsplannen Op het perceel rusten, op basis van het op 6 oktober 2015 vastgestelde bestemmingsplan ‘Oppe Brik’ van de gemeente Beesel, de bestemmingen ‘Gemengd’ en ‘Verkeer’ de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ en ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’.

Hoofdstuk 3

22

Figuur 3.3: Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Oppe Brik' met locatie plangebied (blauw omlijnd)

De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met aan-huis-gebonden beroepen en bedrijvigheid, uitsluitend ter plaatse van de bedrijfswoning (die deel uitmaakt van de werk-wooneenheid); b. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ bedrijfsactiviteiten die voorkomen in milieucategorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, uitsluitend ter plaatse van het bedrijfsgebouw (dat deel uitmaakt van de werk – wooneenheid); c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' bedrijfsactiviteiten die voorkomen in milieucategorie 3.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, uitsluitend ter plaatse van het bedrijfsgebouw (dat deel uitmaakt van de werk - wooneenheid); d. ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' tevens voor religieuze, onderwijs-, medische, (semi)-overheids-, sportieve, sociale en welzijnsdoeleinden; e. webwinkels; f. parkeervoorzieningen; g. wegen en paden; h. tuinen, erven en verhardingen; i. groenvoorzieningen, j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

Hoofdstuk 3

23

k. l.

nutsvoorzieningen; webwinkels.

De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. voorzieningen voor verkeer en verblijf; b. parkeervoorzieningen; c. groenvoorzieningen; d. speelvoorzieningen; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Afweging Het voornemen is niet direct toegestaan binnen de huidige bestemming. Dit bestemmingsplan maakt deze ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk.

Hoofdstuk 3

24

4.

ONDERZOEK Bij voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)-invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de aspecten bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, archeologie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer en parkeren.

4.1 Milieuaspecten 4.1.1

Bodem

In het kader van het bestemmingsplan ‘Oppe Brik’ is de milieuhygiënsche bodemkwaliteit in het plangebied reeds in beeld gebracht en is de bodem geschikt bevonden voor woondoeleinden en de realisatie van de nieuwbouwwijk. Aangezien in de tussenliggende periode geen ontwikkelingen hebben plaatsgevonden die de bodemkwaliteit (negatief) kunnen beïnvloeden is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. 4.1.2

Geluidhinder

Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet bepaalt hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van geluidgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wgh is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Onderzoek De woningen zijn volgens de Wgh geluidgevoelige objecten. In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen is een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai benodigd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen de omliggende 30 km/uur wegen ook in het onderzoek te worden betrokken. Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting op de gevels van de te bouwen woningen en/of geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeerslawaai. Door Econsultancy is een onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai3 uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting.

3

Econsultancy, Onderzoek weg- en railverkeerslawaai herinrichting Oppe Brik te Reuver, rapportnr.: 15559.002, d.d. 7 juli 2021.

Hoofdstuk 4

25

Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen ten hoogste 45 dB vanwege het wegverkeer en ten hoogste 63 dB vanwege het railverkeer bedraagt. Als gevolg van de spoorweg treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 68 dB wordt niet overschreden. Maatregelen Een verplaatsing van de woningen zal gezien de situering van de spoorweg en de beperkte ruimte op het perceel geen akoestisch significant effect opleveren. De geluidsbelasting als gevolg van de spoorweg kan met maximaal 3 dB worden gereduceerd door het toepassen van raildempers. Met het toepassen van een raildemper over circa 300 meter lengte, ter hoogte van de Lidl tot de kruising met de Keulseweg, kan de geluidsbelasting niet worden gereduceerd tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB. Als gevolg van de spoorweg wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB overschreden. Een mogelijke overdrachtsmaatregel is het realiseren van een grondwal met een scherm naast het spoor. De eventuele uitvoering en het materiaalgebruik is in deze fase nog niet bekend. Er wordt een grondwal met een scherm naast het spoor gerealiseerd. De uitvoering en het materiaalgebruik is in deze fase nog niet bekend.

In overeenstemming met de gemeente is uitgegaan van een grondwal met een lengte van circa 180 meter en een hoogte van 5,5 meter. De woningen binnen de overige blokken voldoen na realisatie van de geluidswal met scherm aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB. Uit de rekenresultaten blijkt dat na toepassing van de maatregel de geluidsbelasting als gevolg van het railverkeer met circa 5 tot 9 dB afneemt ten opzichte van de situatie zonder een grondwal met scherm Cumulatieve geluidsbelasting In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht in de gecumuleerde geluidsbelasting van alle geluidsbronnen noodzakelijk. De cumulatieve geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 59 dB zonder en 55 dB met de realisatie van een geluidswal met scherm. Voor de woningen dient ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de spoorweg een hogere waarde bij het college van B&W te worden aangevraagd.

De gemeente kan hierbij de volgende kenmerken van het plan in overweging nemen:  de geluidsbelasting bedraagt 63 dB zonder het treffen van maatregelen en 58 dB na realisatie van de genoemde maatregelen;  de berekende geluidsbelastingen zijn ruim lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 68 dB;  bronmaatregelen voor de spoorweg zijn niet doelmatig of stuiten op overwegende bezwaren;  met de nieuwbouw wordt een nieuwe invulling aan het terrein gegeven;  middels een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels wordt het binnenniveau conform het Bouwbesluit 2012 aangetoond.

Hoofdstuk 4

26

Het treffen van bronmaatregelen voor het plan is niet doelmatig. Alleen vanwege het spoor worden hogere waarden vastgesteld. Bij het vaststellen van hogere waarden dient rekening te worden gehouden met het akoestisch klimaat binnen de woningen (het zogenaamde binnenniveau). Met een grondwal met scherm kan voor de woningen binnen blokken B tot en met F aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB worden voldaan. Alleen voor de woningen binnen blok A is een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels noodzakelijk. Zonder maatregelen is een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de een aantal gevels noodzakelijk. Conclusie De rapportage van het akoestisch onderzoek is beoordeeld en akkoord bevonden. Uit dit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van het spoortraject Venlo- Roermond meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB, echter de maximale grenswaarde van 68 dB niet overschrijdt. Overeenkomstig de Wet geluidhinder zullen burgemeester en wethouders van de gemeente Beesel een hogere waarde vaststellen voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting ten behoeve van het oprichten van de woningen. Het ontwerpbesluit omtrent de hogere waarden is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. 4.1.3

Luchtkwaliteit

Algemeen Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer beschrijft de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden.

Daarin is opgenomen dat, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%, een project NIBM is. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m 3 voor fijnstof en NO2.

Hoofdstuk 4

27

Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen.

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3.000

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de netto toevoeging van 33 woningen. Hiermee wordt ruimschoots binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.

Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt in 2020 de concentratie PM10 ter plaatse onder de 18 µg/m³, de concentratie PM2,5 onder de 10 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 10 en 15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Derhalve wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet Milieubeheer. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significante invloed op de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor het initiatief.

Hoofdstuk 4

28

4.1.4

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s worden beoordeeld op de volgende maatstaven:  het plaatsgebonden risico;  het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 de Wet Basisnet in werking getreden. Deze wet omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom een risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. De appartementen betreffen een kwetsbare objecten conform artikel 1, lid 1 onder l van het Bevi. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Door Econsultancy is een onderzoek naar externe veiligheid 4 uitgevoerd.

4

Econsultancy, Rapportage onderzoek externe veiligheid Oppe Stein te Reuver, rapportnrm.: 15559.001, d.d. 7 juli 2021.

Hoofdstuk 4

29

Toetsing

Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart met ligging planlocatie (blauw omlijnd)

Buisleiding Op circa 36 meter ten westen van het plangebied is een hogedruk aardgasleiding gelegen. In de onderstaande tabel is de buisleiding met de bijbehorende inventarisatieafstand weergegeven. Nummer

Naam

Beheerder

Diameter [inch]

Werkdruk [bar]

1

Z-509-01

Gasunie Grid Services

8,62

40

Inventariesatieafstand [m] 95

Omdat het plangebied geheel binnen de inventarisatieafstand van deze buisleiding is gelegen, is een kwantitatieve risicoanalyse noodzakelijk Transport De afstand vanaf het midden van het spoor (2) tot de grens van het plangebied bedraagt circa 29 meter. Via deze transportroute, die onderdeel uitmaakt van het Basisnet, worden gevaarlijke stoffen ver-

Hoofdstuk 4

30

voerd. Op ruim 205 meter ten westen van het plangebied is de rijksweg N271 (3) gelegen. In de onderstaande tabel zijn per bron de invloedsgebieden en aantallen transporten per stofcategorie weergegeven. Bron

Stofcategorie

Invloedsgebied

Route 50, Roermond – Venlo (2)

A B2 C3 D3 LF1 LF2 LT2 GF3

460 995 35 375 45 45 880 355

N271 (3)

Aantal per jaar 12.400 3.500 1.600 2.500 219 70 8 16

transporten

Het plangebied is alleen gelegen binnen 200 meter van het spoor Roermond - Venlo en bevindt zich binnen het invloedsgebied van de grijs gearceerde stofcategorieën (zie tabel 3.1). Een kwantitatieve risicoanalyse en een verantwoording van het groepsrisico is derhalve noodzakelijk. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N271 is dermate beperkt dat het groepsrisico ruim onder de 0,1 x de oriëntatiewaarde ligt. Gezien de afstand van de weg tot het plangebied en de beperkte vervoersaantallen met gevaarlijke stoffen, wordt verder niet ingegaan op de verantwoording van het groepsrisico vanwege de N271. Inrichting Op circa 430 meter ten zuidwesten van de grens van het plangebied is een gasdrukmeet- en regelstation (4) gelegen. De inventarisatieafstand is gelijk aan die van de maatgevende aansluitende buisleiding, in dit geval 45 meter. Een nadere verantwoording is niet noodzakelijk. Op circa 415 meter ten noorden van het plangebied is een benzineservicestation met vulpunt (5) gelegen. Voor LPG-tankstations is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter vanuit het vulpunt en de ondergrondse tank. Er is geen sprake van invloed op het plangebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.

Kwantitatieve risicoanalyse buisleiding Uit de kwantitatieve risicoanalyse van de buisleiding volgt dat het gesommeerd groepsrisico in zowel de bestaande als de toekomstige situatie lager is dan 0,1 x oriëntatiewaarde. Er is geen sprake van een toename van het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico als gevolg van de buisleiding ter hoogte van het plangebied is lager dan 10-6/jaar en voldoet daarmee aan de grenswaarde. Een deel van het plangebied is echter gelegen binnen de 100%-letaliteitsgrens. Gezien het lage groepsrisico en de zeer kleine kans dat een incident (veroorzaakt door grondroerende werkzaamheden) optreedt, wordt geadviseerd geen verdere veiligheidsmatregelen te nemen.

Hoofdstuk 4

31

Groepsrisico spoorlijn Roermond - Venlo Met de te nemen maatregelen zullen de risico’s zoveel mogelijk worden beperkt en wordt de ontwikkeling van het plan uit oogpunt van externe veiligheid verantwoord geacht. Het plan dient aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord te worden overlegd ter beoordeling. Beperkte verantwoording van het groepsrisico Buisleiding Analyse scenario’s Buisleidingincidenten worden hoofdzakelijk veroorzaakt door grondroerende werkzaamheden. Het maatgevende scenario met betrekking tot een hogedruk aardgasleiding is een fakkelbrand. Binnen de 100%-letaliteitszone zullen alle aanwezigen in de buitenlucht zo goed als zeker komen te overlijden in geval van een fakkelbrand en zullen alle brandbare materialen (zoals ook de aanwezige bomen) vlam vatten. Zelfredzaamheid Verondersteld mag worden dat de buisleidingen goed onderhouden zijn en in de huidige situatie voldoende gronddekking hebben. Bewoners van de woningen moeten vooraf worden geïnformeerd over aanstaande werkzaamheden aan de leiding en ze te wijzen op de mogelijke scenario’s en hoe hierop te handelen. Aan de leidingen zelf kunnen maatregelen worden getroffen om schade of integriteitsverlies te voorkomen, zoals het toevoegen van een betonnen dekplaat. In geval van een calamiteit wordt er gealarmeerd via het WAS systeem.

Bij tijdige waarschuwingen kunnen aanwezigen in het gebied schuilmogelijkheden zoeken, of het gebied ontvluchten. Afhankelijk van de plaats van de calamiteit kan het plangebied in diverse richtingen worden ontvlucht. Bestrijdbaarheid en hulpverlening De Veiligheidsregio Limburg-Noord zal in haar advies de beperkte verantwoording aanvullen. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om: • op tijd ter plaatse te zijn; • voldoende opstelplaatsen te hebben; • voldoende blusmiddelen te hebben. Spoorlijn Roermond – Venlo Analyse scenario’s Voor stofcategorie A en C3 moet rekening gehouden worden met de scenario’s fakkelbrand, explosie (koude en/of warme BLEVE) en wolkbrand / gaswolkexplosie. Door een ongeval met een tankwagen op de spoorlijn kunnen giftige gassen (B2 en D3) vrijkomen. De toxische wolk kan zich snel ontwikkelen en verplaatsen. Afhankelijk van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kunnen hoge concentraties optreden. In de onderstaande paragrafen wordt aangegeven welke maatregelen in geval van een calamiteit getroffen kunnen worden. De verantwoording zal gericht zijn op mogelijkheden ter bestrijding van calamiteiten, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. De verantwoording moet ter beoordeling worden voorgelegd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Hoofdstuk 4

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=3e6a521c-50e0-418e-9950-d440f3df66a1