Toelichting Parallelweg 10 Reuver 12-12-2023
Tekst van het document
Toelichting ‘Parallelweg 10 Reuver’ Gemeente Beesel
Colofon Toelichting: Parallelweg 10 Reuver Rapportnummer: 2021.1982 Status: Definitief Datum: 12 december 2023 Projectlocaties Parallelweg 10 5953GW Reuver Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Telefoonnummer 085 043 1949 E-mail info@reland.nl
© december ’23 Reland
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding ................................................................................................................................ 5
1.2
Doel ......................................................................................................................................... 5
1.3
Plangebied ............................................................................................................................... 5
1.4
Leeswijzer ................................................................................................................................ 6
HOOFDSTUK 2 Gebieds- en projectprofiel ............................................................................................. 7 2.1
Inleiding .................................................................................................................................. 7
2.2
Gebiedsprofiel......................................................................................................................... 7
2.3
Huidige situatie plangebied .................................................................................................... 7
2.4
Bestemmingsplan ................................................................................................................... 7
HOOFDSTUK 3 Beoogde situatie ........................................................................................................... 9 3.1
Inleiding .................................................................................................................................. 9
3.2
Ontwikkeling ........................................................................................................................... 9
HOOFDSTUK 4 Beleidskader ............................................................................................................... 10 4.1
Inleiding ................................................................................................................................ 10
4.2
Rijksbeleid ............................................................................................................................ 10
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) .................................................................................... 10
4.2.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................................ 10
4.2.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................... 11
4.2.4
Ladder voor duurzame ontwikkeling ................................................................................. 11
4.3
Provinciaal beleid.................................................................................................................. 12
4.3.1
Provinciale Omgevingsvisie Limburg................................................................................ 12
4.3.2
Omgevingsverordening Limburg 2014 ............................................................................. 13
4.5 4.5.1
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 13 Structuurvisie Beesel ........................................................................................................ 13
HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten ................................................................................................... 15 5.1
Milieu .................................................................................................................................... 15
5.1.1
M.e.r. plicht ....................................................................................................................... 15
5.1.2
Bodem .............................................................................................................................. 16
5.1.3
Lucht ................................................................................................................................. 17
5.1.4
Geur .................................................................................................................................. 17
5.1.5
Geluid ............................................................................................................................... 18
5.1.6
Externe veiligheid ............................................................................................................. 19
5.1.7
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................................. 22
5.1.8 5.2
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen ....................................................................... 25 Water .................................................................................................................................... 25
5.2.1
Beleidskader ..................................................................................................................... 25
5.2.2
Kenmerken huidige watersysteem ................................................................................... 26
5.3
Natuur ................................................................................................................................... 27
5.3.1
Gebiedsbescherming ........................................................................................................ 27
5.3.2
Soortenbescherming......................................................................................................... 28
5.4
Archeologie ........................................................................................................................... 28
5.5
Landschap en cultuurhistorie ................................................................................................ 29
5.6
Verkeer en parkeren ............................................................................................................. 29
5.6.1
Mobiliteit ............................................................................................................................ 30
5.6.2
Parkeren ........................................................................................................................... 30
HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid........................................................................................................... 32 6.1
Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................. 32
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................ 32
BIJLAGEN Bijlage I
Bodemonderzoek nulsituatie
Bijlage II
Akoestisch onderzoek
Bijlage III
Advies Veiligheidsregio Limburg Noord
Bijlage IV
Aerius-berekening
Bijlage V
Archeologisch onderzoek
Bijlage VI
Selectiebesluit Archeologie
Bijlage VII
Omgevingsdialoog
4
HOOFDSTUK 1.1
1 Inleiding
Aanleiding Aan de Parallelweg in Reuver is het bedrijf Thielco Staalindustrie bv (hierna: Thielco) gevestigd. Het bedrijf houdt zich onder andere bezig met het thermisch, thermisch centrifugaal en mechanisch verzinken van metaal. Thielco is voornemens om het bedrijf uit te breiden op de locatie aan Parallelweg 10. Binnen het plangebied wordt een nieuwe thermische centrifugale verzinkerij (NACV4) geplaatst. NACV4 is een afkorting voor onderhavige uitbreiding van de Automatische Centrifuge Verzinkerij. De individuele processtappen die horen bij een dergelijke installatie zijn identiek aan de processtappen van NACV 1, 2 en 3 welke zijn gevestigd op de bestaande bedrijfslocatie van Thielco aan de Parallelweg. Ter plaatse van de locatie zijn bedrijven tot categorie 3.1 toegestaan, echter worden de beoogde bedrijfsactiviteiten geschaard onder milieucategorie 3.2 en zijn conform het geldende bestemmingsplan dus niet rechtstreeks toegestaan. Om het voornemen mogelijk te maken dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen en dient te worden aangetoond dat de bedrijfsactiviteiten geen belemmering vormen voor de omgeving. Onderhavige toelichting maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan. In deze toelichting wordt het planvoornemen uitgebreid gemotiveerd en getoetst aan het beleid.
1.2
Doel Het doel van onderhavig bestemmingsplan is het mogelijk maken van de beoogde bedrijfsactiviteiten (categorie 3.2) van de verzinkerij Thielco Staalindustrie bv ter plaatse op de locatie aan Parallelweg 10 te Reuver.
1.3
Plangebied Het plangebied ligt aan de Parallelweg 10 te Reuver (figuur 1) binnen de kadastrale percelen welke bekend staan als gemeente Beesel, sectie K, nummers 1732 en 1733. Het gehele plangebied heeft een oppervlakte van 13.240 m2.
5
Figuur 1 Luchtfoto met plangebied rood omkaderd
1.4
Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 het gebieds- en projectprofiel waarin de huidige situatie van de planlocatie en de omgeving wordt beschreven. Hoofdstuk 3 betreft de gewenste ontwikkeling en de beoogde situatie. Hoofdstuk 4 betreft het beleidskader op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 5 worden de omgevingsaspecten beschreven om te bepalen of er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Ten slotte betreft hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
6
HOOFDSTUK 2.1
2 Gebieds- en projectprofiel
Inleiding In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de huidige situatie van de planlocatie en de omgeving waarin het zich bevindt.
2.2
Gebiedsprofiel De planlocatie ligt op het bedrijventerrein aan de Parallelweg aan de zuidzijde van de kern Reuver. De Parallelweg loopt evenwijdig aan de Rijksweg welke in noordelijke richting uitkomt in Belfeld en in zuidelijke richting in Swalmen. Het plangebied wordt omringd door veel verschillende functies. Zo ligt ten zuiden van het plangebied het recreatiepark ‘Drakenrijk’ en zijn er agrarische gronden gelegen. Gezien de ligging op een bedrijventerrein zijn er ten noorden en oosten met name bedrijven gevestigd. Ten westen en verder in noordelijke richting ligt de dorpskern Reuver waar met name burgerwoningen aanwezig zijn.
2.3
Huidige situatie plangebied In de huidige situatie is het plangebied grotendeels bebouwd ten behoeve van een meubeloulet. Aan de westzijde van de bebouwing is ruimte om te parkeren. De zuidoostelijke hoek van het perceel is in de huidige situatie onbebouwd. De locatie is vanaf de Rijksweg via de Bergerhofweg en Parallelweg te bereiken. Aan de zuidzijde van het plangebied is aan de Bergerhofweg is een inrit aanwezig welke aan de achterzijde van het pand uitkomt. Aan de Parallelweg is tevens een inrit aanwezig om de hoofdingang van het pand te bereiken. Aan deze zijde (voorgevel pand) zijn de parkeerplaatsen aanwezig.
2.4
Bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Bebouwde gebieden Beesel’ (vastgesteld 20 juni 2016) van de gemeente Beesel geldend. Conform dit bestemmingsplan heeft de locatie de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ (figuur 2). Daarnaast zijn een aantal aanduidingen en maatvoeringen van toepassing. Ter plaatse van het plangebied zijn bedrijven tot en met categorie 3.1 toegestaan. De beoogde verzinkerij wordt echter geschaard onder bedrijven met categorie 3.2, waardoor het voornemen niet rechtstreeks is toegestaan. In het geldende plan is geen mogelijkheid opgenomen om de gewenste situatie toe te staan. Om de gewenste verzinkerij ter plaatse mogelijk te maken dient dan ook een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Hierbij zal tevens de functieaanduiding ‘detailhandel volumineus’ komen te vervallen. Onderhavige toelichting maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan.
7
Figuur 2 Uitsnede geldend bestemmingsplan met plangebied rood omkaderd
8
HOOFDSTUK 3.1
3 Beoogde situatie
Inleiding In dit hoofdstuk wordt het initiatief toegelicht. In zowel functionele als ruimtelijke zin wordt beschreven wat het initiatief inhoudt en hoe deze zich verhoudt tot de omgeving.
3.2
Ontwikkeling Het planvoornemen heeft betrekking op het uitbreiden van de verzinkerij Thielco Staalindustrie bv naar de locatie Parallelweg 10 in Reuver. Ter plaatse worden de bedrijfsactiviteiten (categorie 3.2) ten behoeve van de verzinkerij mogelijk gemaakt. Op de locatie wordt een nieuwe thermische centrifugale verzinkerij (NACV4) geplaatst. De productiecapaciteit per installatie bedraagt maximaal 6.500 ton per jaar. In eerste instantie wordt er één installatie (NACV4) geplaatst. De NACV4 betreft een elektrische installatie. In de toekomst wordt er mogelijk nog een extra installatie (NACV5) toegevoegd. Het huidige pand wordt her-/verbouwd om de verzinkerij mogelijk te maken. De westelijke gevel van het pand, gelegen aan de Parallelweg, wordt hierbij niet verschoven. Dat betekent dat het pand in de nieuwe situatie niet op kortere afstand van de Parallelweg komt te liggen dan in de huidige situatie het geval is. Het pand wordt in de beoogde situatie her-/verbouwd en opgeknapt. De voorgevel (aan de Parallelweg) wordt hierbij niet verplaatst. Het gebouw krijgt een maximale bouwhoogte van 11 meter (+10%-afwijking t.a.v. maximale hoogte conform geldend bestemmingsplan). Hierbij wordt aangesloten bij het bedrijfspand op het aangrenzende perceel ten noorden van het plangebied.
Fysiek gezien heeft de ontwikkeling geen negatieve invloed op de omgeving, maar verbetert juist de omgevingskwaliteit. Aan de voorzijde van de voorgevel (westelijke gevel) zal het parkeren plaatsvinden. Hier vinden dan ook geen bedrijfsactiviteiten ten behoeve van de verzinkerij plaats. De beoogde bedrijfsactiviteiten vinden enkel inpandig plaats.
9
HOOFDSTUK 4.1
4 Beleidskader
Inleiding In dit hoofdstuk wordt onderhavige ontwikkeling getoetst aan het algemene Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en de wet- en regelgeving. Aan het eind van iedere paragraaf is een conclusie dan wel doorwerking opgenomen van het specifieke beleid en wet- en regelgeving voor de planlocatie. Het sectorale beleid is in hoofdstuk 5 per aspect beschreven.
4.2
Rijksbeleid
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de toekomstige generaties. De NOVI biedt perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om Nederland samen mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.
Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat de genoemde milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Er bestaan vanuit de Nationale omgevingsvisie NOVI geen belemmeringen voor het initiatief.
4.2.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de Rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving en heeft dertien Rijksbelangen benoemd waar het Rijk de verantwoordelijkheid houdt. Het Rijk verwacht dat medeoverheden zich eveneens 10
inzetten voor meer eenvoud en integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie streefdoelen geformuleerd waaraan 13 nationale belangen zijn gekoppeld. Het Rijk heeft voor heel Nederland twee nationale doelen gesteld (nummer 4 en nummer 8). Daarin wordt gesteld dat efficiënt gebruik van de ondergrond van belang is (zorgvuldig ruimtegebruik) en het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. De overige doelen en belangen zijn geografisch weergegeven in de Nationale hoofdstructuur. De planlocatie is niet binnen deze Nationale Hoofdstructuur gelegen. Hierdoor zijn in dit geval alleen de algemene regels van belang. In onderhavig plan vindt de herontwikkeling van een reeds bebouwd bedrijfsperceel plaats. Gezien er sprake is van een bebouwd perceel in een omgeving van en tussen reeds bebouwde percelen, wordt er geen aanzet gedaan tot een grootschalige ontwikkeling. De ontwikkeling is daarom niet van nationaal belang.
Er kan worden gesteld dat de SVIR geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
4.2.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van kaderstellende uitspraken ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit initiatief.
4.2.4
Ladder voor duurzame ontwikkeling De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen
11
en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de Ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De uitbreiding van de verzinkerij vindt plaats op een reeds bebouwd perceel op het bedrijventerrein. Om de gewenste situatie mogelijk te maken wordt dan ook geen nieuwe ruimte gevraagd en kan worden gesproken van zorgvuldig ruimtegebruik. Daarnaast wordt met het (her)invullen van de locatie leegstand opgelost dan wel voorkomen. Dit heeft tevens een positieve bijdrage op de leefbaarheid en de omgevingskwaliteit. Gelet op het bovenstaande is de Ladder voor duurzame verstedelijking niet relevant voor dit plan.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld en vervangt het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014). Deze visie bouwt deels voort op eerder gemaakte beleidskeuzes en op andere onderdelen zijn er nieuwe keuzes gemaakt. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de lange termijn visie voor de periode 2021 tot 2030-2050 uitgewerkt en wordt richting gegeven aan toekomstbestendige ontwikkelingen. Hierbij wordt steeds de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving gezocht. Er is een behoorlijke voorraad aan bedrijventerreinen. Uitgaande van de situatie op 31 december 2019 en het meerjarig gemiddelde uitgiftepatroon is de voorraad toereikend voor zo’n zeven tot tien jaar. Afhankelijk van de vraagontwikkeling kunnen zich echter knelpunten voordoen in soort en kwaliteit van terrein dat nodig is. Vanuit financieel en economisch oogpunt kan het aantrekkelijk zijn om nieuwe gronden te ontwikkelen. Vanuit het oogpunt van circulariteit van bestaande bedrijfsgebouwen en optimaal ruimtegebruik is dat niet altijd de beste keuze. Multifunctioneel ruimtegebruik en herstructurering bieden hier kansen. De kwaliteit van Limburgse bedrijventerreinen is niet overal aan de maat. Het gevolg is dat verouderde bedrijventerreinen leegstaande plekken en panden bevatten.
In sommige gevallen leidt dit tot verloedering en criminele activiteiten. Daarnaast beschikken gemeenten vaak niet over de financiële middelen of spankracht om in samenwerking met de vele eigenaren bestaande bedrijventerreinen op te knappen en structureel te onderhouden. De ontwikkeling vindt plaats binnen een reeds bebouwd perceel, waardoor er voor de geen nieuwe ruimte wordt gevraagd. Door het invullen van deze locatie binnen het bedrijventerrein wordt leegstand voorkomen/opgelost waardoor de kans op verloedering en criminele activiteiten niet aan de orde is. Vanuit gemeentelijk oogpunt is onderhavig voornemen dus een gewenste ontwikkeling. De ontwikkeling is dan ook niet in strijd met het beleid zoals opgenomen in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg.
12
4.3.2
Omgevingsverordening Limburg 2014 Op 12 december 2014 heeft de provincie Limburg de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin zijn regels opgenomen die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Uit de kaarten van de Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied niet ligt binnen een milieubeschermingsgebied, waarvoor nadere regels gelden. Daarnaast is de ontwikkeling slechts kleinschalig van aard, waardoor er met de ontwikkeling geen provinciale belangen worden geschaad. Het planvoornemen is niet in strijd met het beleid conform de Omgevingsverordening Limburg. Op 19 juli 2022 is de Ontwerp Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. In deze wijzigingsverordening is opgenomen dat de provincie heeft gekozen om de bedrijfskavelgrootte te maximeren tot 5 hectare. Het besluitgebied overschrijdt deze oppervlaktenorm niet, waardoor hieraan wordt voldaan. De ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de wijzigingsverordening.
4.3.3
Omgevingsverordening Limburg (2021) Gedeputeerde Staten op 19 juli 2022 het ontwerpbesluit genomen waarmee de Omgevingsverordening Limburg (2021) gewijzigd en aangevuld wordt. In principe treedt de Omgevingsverordening Limburg (2021) tegelijkertijd met de Omgevingswet in werking op 1 januari 2023. Op dit moment is het niet zeker dat de Omgevingswet op 1 januari 2023 in werking treedt. Indien die datum verder wordt opgeschoven, treedt ook de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) later in werking, inclusief alle nieuw te regelen onderwerpen. Voor bedrijven is in de Omgevingsverordening de maximaal toelaatbare omvang van 5 hectare opgenomen. Zoals in paragraaf 4.3.2 reeds aangegeven bedraagt de oppervlakte van het besluitgebied minder dan 5 hectare en wordt voldaan aan dit gestelde maximum. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de Omgevingsverordening Limburg (2021). Dit vormt dan ook geen belemmering wanneer het beleid in werking treedt.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Structuurvisie Beesel Op 13 oktober 2011 heeft gemeente Beesel de Structuurvisie Beesel vastgesteld. De structuurvisie geeft een strategische en duurzame ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het hele grondgebied van de gemeente voor de komende 20 jaar. De gemeente geeft aan ‘wat’ en ‘hoe’ dit ontwikkeld gaat worden. De visie vormt dan ook het toetsingskader voor de beoordeling van nieuwe plannen en initiatieven. Het plangebied ligt binnen het gebied welke is aangewezen als ‘bedrijventerrein’. Het gebied ten zuiden van het plangebied is aangewezen als ‘uitbreiding bedrijventerrein’. De gemeente zet in op het benutten van vrijkomende ruimte op bedrijventerreinen. De gemeente zet ook in op duurzaam bouwen en het stimuleren van duurzaamheid in bestaande en nieuwe economische activiteiten
13
De uitbreiding van de mogelijkheden voor de verzinkerij aan de Parallelweg vindt plaats binnen een reeds bebouwd perceel op een bedrijventerrein. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat de uitbreiding van de mogelijkheden geen belemmering vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving. Daarnaast zorgt de invulling van het pand dat er geen sprake is van leegstand. Dit draagt tevens bij aan de leefbaarheid in de omgeving. Hiermee is de gewenste ontwikkeling in lijn met de gemeentelijke structuurvisie.
14
HOOFDSTUK 5.1
5 Omgevingsaspecten
Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan.
5.1.1
M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Met onderhavige ontwikkeling wordt het exploiteren van een verzinkerij mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Deze ontwikkeling komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r., waardoor er geen sprake is van de verplichting om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Op grond van categorie D 32.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor ‘de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor verwerking van ferrometalen door warmwalsen, het smeden met hamers, of het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal’ in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een productiecapaciteit van 15.000 ton per jaar of meer. De productiecapaciteit per installatie bedraagt maximaal 6.500 ton per jaar. In eerste instantie wordt er één installatie (NACV4) geplaatst, waardoor de beoogde activiteiten geen betrekking hebben op een productiecapaciteit van 15.000 ton per jaar of meer.
Indien er in de toekomst een tweede installatie wordt geplaatst, blijft de productiecapaciteit ook in die situatie beneden de 15.000 ton per jaar. Er is in dit geval geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Er hoeft dan ook geen m.e.r.-procedure doorlopen te worden en is de ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. De ontwikkeling kan vallen onder onderdeel D32.2 “de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor verwerking van ferrometalen door warmwalsen, het smeden met hamers, of het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal”. Hieronder wordt nader ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. 1. Kenmerken van het project Het voorliggende initiatief betreft het mogelijk maken van een verzinkerij op een locatie waar bedrijven tot milieucategorie 3.1 zijn toegestaan, maar welke conform de VNGpublicatie milieucategorie 3.2 heeft.
Het betreft een thermische centrifugale verzinkerij welke op een reeds bebouwd perceel mogelijk worden gemaakt.
15
2. De plaats van het project De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op een reeds bebouwd perceel welke in de huidige situatie in gebruik is ten behoeve van een meubeloutlet. Het perceel is geheel verhard bestaande uit bebouwing en verharding ten behoeve van parkeergelegenheid en de ontsluiting van de locatie. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan eventuele landschappelijke, cultuurhistorische en/of archeologische waarden. 3. De kenmerken van het potentiële effect Uit hoofdstuk 5 blijkt dat het initiatief geen onevenredig negatieve effecten op de omgeving tot gevolg heeft. Met de uitbreiding van het bedrijf wordt rekening gehouden met de bestaande functies in de omgeving. Al dan niet door middel van onderzoeken is aangetoond dat de beoogde activiteiten geen onevenredige (milieu)effecten op de omgeving hebben. Gelet op het bovenstaande betreft een dergelijk initiatief geen ontwikkeling als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling dan ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.
5.1.2
Bodem In het kader van de Wro dient te worden aangegeven of de bodemkwaliteit geschikt is voor een nieuwe functie ter plaatse en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging. Beoordeling van het bodemaspect kan in een aantal situaties achterwege blijven. Bij het wijzigen van het gebruik van een bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit minder kritisch gebruik kennen, is beoordeling van dit aspect niet aan de orde. Ten behoeve van de ontwikkeling is in het kader van de Wet milieubeheer een bodemonderzoek uitgevoerd. Met het uitgevoerde bodemonderzoek is de nulsituatie van de onderzoekslocatie vastgelegd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. De volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd in de bijlage. Uit het onderzoek blijkt dat er zintuigelijk geen verontreinigingen zijn waargenomen. DE bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met kobalt, koper, nikkel, minerale olie, PCB en/of PAK. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium, kobalt, minerale olie en PAK. Ten slotte is het grondwater plaatselijk licht verontreinigd met barium en cadmium.
Gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Enkel indien er grondwerkzaamheden plaatsvinden, is het advies om een onderzoek naar asbest in bodem/puin uit te voeren rondom de plaatselijke puin verontreiniging. Het aspect vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing
16
5.1.3
Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. In dit geval wordt geen nieuw gevoelig object gerealiseerd, waarvoor dient te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbare situatie. Daarnaast dient te worden bepaald of de ontwikkeling een significant negatief effect kan hebben op gevoelige objecten in de omgeving. Bij de beoogde activiteiten kan sprake zijn van stofemissie bij het stralen. Dit betreft een processtap van de NACV4. NACV4 is een afkorting voor onderhavige uitbreiding van de Automatische Centrifuge Verzinkerij.
Het stralen vindt echter plaats in een gesloten cabine met interne recirculatie. Dat betekent dat er geen afzuiging is vanuit de cabine naar buiten toe noch is een emissiepunt aanwezig. De straalstof wordt intern hergebruikt tot een bepaalde korrelgrootte. Daarna wordt de afgewerkte straalstof in afgesloten emballage afgevoerd. Bij de overige processtappen van de NACV4 wordt geen relevante stofemissie verwacht, niet in het minst omdat bij een groot deel van de stappen wordt gewerkt met vloeistoffen. In het kader van de milieuvergunning is een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit uitgevoerd. Met het verlenen van de milieuvergunning is reeds beoordeeld dat de beoogde activiteiten geen onevenredige effecten op de omgeving hebben. Daarnaast kan een toename van het aantal verkeersbewegingen zorgen voor een negatief effect op de luchtkwaliteit. Echter heeft onderhavige ontwikkeling geen toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg (zie paragraaf 5.6.1). Hierdoor is geen sprake van een negatief effect op de luchtkwaliteit. Conclusie De beoogde activiteiten geven geen aanleiding tot nader onderzoek gezien de activiteiten binnen afgesloten ruimten plaatsvinden en het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.1.4
Geur Binnen het plangebied zijn geen geurgevoelige objecten aanwezig en worden tevens geen geurgevoelige objecten gerealiseerd waarvoor dient te worden bepaald of sprake is van aan acceptabele situatie. Daarnaast dient tevens naar de omgeving te worden gekeken. Ter plaatse van geurgevoelige objecten in de omgeving dient sprake te zijn
17
van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur. Bij activiteiten bij een verzinkerij kan sprake zijn van geuruitstoot door het gebruiken van oplosmiddelen. Binnen het plangebied wordt een nieuwe thermische centrifugale verzinkerij (NACV4) geplaatst. De individuele processtappen die horen bij een dergelijke installatie zijn identiek aan de bestaande processtappen van NACV 1, 2 en 3, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van oplosmiddelen. Bij deze bestaande activiteiten is geen sprake van geurbronnen noch van geuroverlast. Bij een gebrek aan geurbronnen kan er dan ook geen sprake zijn van een relevante afstand voor het aspect geur. Omdat geen gebruik wordt gemaakt van oplosmiddelen bij de beoogde uitbreiding met de NACV4, is er geen sprake van geurbronnen noch van geuremissie en vormt dit aspect geen belemmering. Bij een verzinkerij kan over het algemeen sprake zijn van geuremissie wanneer er metaalcoating plaatsvindt. Echter wordt dit soort oppervlaktebehandeling binnen het besluitgebied niet uitgevoerd. Daarnaast bestaan er ook geen voornemens om dit soort behandelingen in de toekomst uit te voeren. Het geuraspect vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.1.5
Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en industrie. Binnen het plangebied worden geen (nieuwe) geluidgevoelige objecten gerealiseerd. In de omgeving van het plangebied zijn wel geluidgevoelige objecten aanwezig, waarvoor dient te worden bepaald of de ontwikkeling een negatief effect heeft op de geluidsbelasting op de omgeving. Om te bepalen of de ontwikkeling een negatief effect heeft op de geluidsbelasting in de omgeving is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. De volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd als separate bijlage. De geluidbelasting vanwege Thielco, na de uitbreiding bedraagt maximaal 55 dB(A) en is daarmee lager dan de grenswaarde genoemd in het geluidbeleid. De geluidbelasting als gevolg van alleen de uitbreiding bedraagt 49 dB(A) op de waarneempunten aan de Rijksweg 7 en 9 direct tegenover de nieuwe ontwikkeling.
Uit de berekeningen blijkt het volgende: op het waarneempunt waar de hoogste geluidbelasting optreedt, heeft de uitbreiding een beperkte invloed op de totale geluidbelasting (een bijdrage van 29 dB(A) op een totale geluidbelasting van 55 dB(A)). Ter plaatse van het rekenpunt noordelijk van de ontwikkellocatie heeft de nieuwe ontwikkeling een bijdrage van 49 dB(A) waardoor de totale geluidbelasting van Thielco toeneemt tot 51 dB(A). De bijdrage van 49 dB(A) van de uitbreiding is lager dan de geluidbelasting die door drie bedrijven afzonderlijk kan worden verwacht. Door de overname van deze gebouwen door Thielco wordt het geheel getoetst aan grenswaarden die anders voor elk bedrijf afzonderlijk gelden. Door de overname ontstaat hierdoor een gunstigere situatie. Voorwaarde is wel dat de totale geluidbelasting aan de andere zijde van de Parallelweg gelijk of lager blijft dan 55 dB(A) etmaalwaarde, zijnde drie keer 50 dB(A) van de bestaande bedrijven.
18
De geluidbelasting als gevolg van de activiteiten van Thielco, nadat de nieuwe verzinkerij is gebouwd, is niet hoger dan 55 dB(A) en is lager dan de richtwaarden die gelden voor “stroomgebied”. De aanpassing van de bestemming, waardoor de uitbreiding van Thielco mogelijk wordt gemaakt, heeft geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat bij de woningen in de directe omgeving.
5.1.6
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in de planlocatie worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze
19
verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.
Buisleidingen (Bevb)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1.
Spoor-, (Bevt)
Rijks-
en
waterwegen
Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing In de bestaande bebouwing zal een verzinkerij worden geëxploiteerd en zullen dus personen aanwezig zijn. Enerzijds dient te worden gekeken of de activiteiten ten behoeve van de verzinkerij invloed hebben op de externe veiligheid in de omgeving van het plangebied en anderszijds dient te worden bepaald of risicobronnen in de omgeving een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
In 2017 is een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd ten behoeve van de uitbreiding van Thielco ter plaatse van Parallelweg 5 en 6 (ten noorden van het plangebied). In dit onderzoek is getoetst op de spoorlijn Venlo-Roermond, de rijksweg N271 en de hogedruk aardgastransportleiding Z-509-01. Spoorlijn Venlo-Roermond In de Regeling Basisnet is voor het traject Roermond - Venlo Oost ter plaatse van Reuver sprake van een PR-plafond (plaatsgebonden risico) van 0 m. Het
1
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer:
1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
20
plaatsgebonden risico vormt hiermee geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Het groepsrisico kan worden uitgedrukt als de maximale factor tussen de berekende fNcurve en de oriëntatiewaarde fN2 = 10-2 voor meer dan 10 slachtoffers. De NACV4 betreft een volautomatische installatie, waardoor de bedrijfsvoering niet arbeidsintensief is. In het pand zijn ten hoogste 4 werknemers op hetzelfde moment aanwezig (worstcasescenario). In de huidige situatie heeft het pand een volumineuze detailhandelsfunctie. Ten aanzien van de detailhandelsfunctie zijn er met betrekking tot zowel werknemers als bezoekers, meer personen dan 4 tegelijkertijd aanwezig. De personendichtheid, en daarmee tevens het groepsrisico, neemt in dit geval af. Ten slotte moet er ten aanzien van de huidige situatie al worden voldaan aan de eisen met betrekking tot externe veiligheid ten aanzien van werknemers en bezoekers van de thans aanwezige meubeloutlet (volumineuze detailhandelsfunctie). Het aantal aanwezige personen in de beoogde situatie (verzinkerij) zal niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie waarbij de doorstroom van aanwezige personen op dit moment al groter is dan in de beoogde situatie.
Rijksweg N271 Conform de vuistregels zoals opgenomen in de ‘Handleiding Risicoanalyse Transport’ heeft een weg geen 10-6-contour als het aantal GF3-transporten (vervoer brandbaar gas) per jaar lager is dan 500. Volgens de risicokaart is het aantal GF3-transporten over de N271 slechts 16 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ten aanzien van het groepsrisico is het groepsrisico kleiner dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Aangezien het groepsrisico kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde is een verantwoording groepsrisico in dit geval niet vereist. Hogedruk aardgastransportleiding Z-509-01 De plaatsgebonden risicocontour 10-6 reikt niet verder dan de leiding zelf en vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Ten aanzien van het groepsrisico is het groepsrisico kleiner dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Aangezien het groepsrisico kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde is een verantwoording groepsrisico in dit geval niet vereist. Als aanvulling op het bovenstaande is de ontwikkeling (uitbreiding verzinkerij) ter plaatse van de Parallelweg 5 en 6 akkoord bevonden op het gebied van externe veiligheid ten aanzien van leidingen en transportroutes voor gevaarlijke stoffen.
Zowel de spoorlijn tussen Venlo en Roermond als de hogedruk aardgastransportleiding ligt op een grotere afstand van onderhavig plangebied dan de locatie aan Parallelweg 5 en 6 (figuur 3). Met betrekking tot de beoogde ontwikkeling zijn dan ook geen belemmeringen te verwachten.
21
Figuur 3 Uitsnede Atlas Leefomgeving met omgeving plangebied
Zelfredzaamheid Indien er zich een ramp voordoet waarbij mogelijk gevaarlijke stoffen zoals toxische gassen vrijkomen, worden deuren en ramen gesloten en vindt het schuilen plaats binnen het bouwwerk. Er wordt gezorgd dat ramen en deuren in het pand goed afsluitbaar zijn, om de kans op mogelijke blootstelling aan giftige stoffen zo klein mogelijk te houden. Daarnaast is de locatie goed ontsloten en zijn er vluchtroutes in verschillende richtingen aanwezig. Aanwezigen in het pand worden gewaarschuwd middels het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten. Ten slotte is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Limburg Noord. Dit advies is bijgevoegd als separate bijlage. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.1.7
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Ten aanzien van de ontwikkeling dient te worden getoetst of het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied aanvaardbaar is en of omliggende woningen de activiteiten binnen het plangebied in de weg kunnen staan.
22
Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn. De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Het voornemen is om ter plaatse van het plangebied activiteiten ten behoeve van een verzinkerij uit te voeren. Conform de VNG-publicatie hebben de beoogde werkzaamheden milieucategorie 3.2 en dienen de volgende richtafstanden te worden aangehouden: - Geur: 100 meter - Stof: 50 meter - Geluid: 100 meter - Gevaar: 50 meter Bovenstaande richtafstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg of spoorweg is gelegen. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk.
De woningen in de omgeving van het plangebied liggen nabij een bedrijventerrein waar bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 naast elkaar aanwezig zijn. Daarnaast zijn de woningen gelegen tussen de Rijksweg/Parallelweg en de spoorlijn tussen Nijmegen en Roermond. Hierdoor kennen de woningen in de nabijheid van het plangebied al een hogere milieubelasting en kan niet worden gesproken van een rustige woonwijk. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. Voor de afstand voor gevaar kan echter niet worden afgeweken. In onderhavig geval mag dan ook worden uitgegaan van de volgende richtafstanden: - Geur: 50 meter - Stof: 30 meter - Geluid: 50 meter - Gevaar: 50 meter De meest nabijgelegen woningen (Rijksweg 5, 7 en 9) liggen op een afstand van 40 meter van het plangebied en op een afstand van 45 meter van de bedrijfsbebouwing. Hierdoor wordt voldaan aan de richtafstand op het gebied van stof, maar niet aan de richtafstanden op het gebied van geur, geluid en gevaar. Geur Uit paragraaf 5.1.4 blijkt dat er met de beoogde werkzaamheden geen sprake is van geurbronnen noch van geuremissie. Op het gebied van geur vormt de ontwikkeling dan ook geen belemmering ten aanzien van het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. Geluid
23
Middels een akoestisch onderzoek (zie paragraaf 5.1.5) is aangetoond dat het woonen leefklimaat op het gebied van geluid in de omgeving van het plangebied aanvaardbaar is. Dat betekent dat de ontwikkeling geen hinder vormt op het gebied van geluid. Gevaar Het aspect gevaar kan, ten aanzien van bedrijfsactiviteiten, betrekking hebben op de opslag van gevaarlijke en/of bodembedreigende stoffen, opslag van olie in bovengrondse en/of ondergrondse tanks en het gebruik van gasinstallaties. In dit geval vindt er zowel geen opslag van gevaarlijke en/of bodembedreigende stoffen als olie plaats. Dit vormt dus geen belemmering. Daarnaast worden er elektrische installaties gebruikt ten behoeve van het verwarmen en vloeibaar maken van zink, waardoor er geen sprake is van gasinstallaties. In figuur 4 is aangegeven waar binnen het pand het verwarmen en vloeibaar maken van zink plaatsvindt. Indien er wel gebruik wordt gemaakt van gasinstallaties in plaats van elektrische installaties, zullen deze dusdanig zijn gesitueerd binnen het pand dat de afstand tot omliggende woonbestemmingen circa 60 meter bedraagt.
Figuur 4 Afstand mogelijke gasinstallatie tot meest nabijgelegen woning
Binnen een afstand van 50 meter van omliggende woningen vinden dan ook geen werkzaamheden of opslag plaats welke op het gebied van gevaar een belemmering kunnen vormen voor de omgeving. Daarnaast blijft de gevel van het pand behouden en vinden er enkel inpandig werkzaamheden plaats waardoor er aan de voorzijde van het 24
pand geen bedrijfsactiviteiten uitgevoerd. Gezien er enkel inpandig werkzaamheden plaats vinden, kan het gebouw tevens als buffer worden gezien. Gelet op het bovenstaande vormt de ligging van de woningen op een kortere afstand dan 50 meter van de bedrijfslocatie geen probleem. Het aspect milieu- en bedrijvenzonering zorgt niet voor een belemmering van de voorgestane ontwikkeling.
5.1.8
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij de planlocatie kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Uit het bestemmingsplan en de Atlas Leefomgeving (paragraaf 5.1.6) komt naar voren dat er geen kabels op de planlocatie aanwezig zijn. Dat betekent dat er tevens geen sprake is van kabels met beschermingszones waar rekening mee dient te worden gehouden. Ten aanzien van onderhavige ontwikkeling is nader onderzoek niet noodzakelijk. Hoogspanningslijnen Om te bepalen of er in de nabijheid van de planlocatie hoogspanningslijnen zijn gelegen, is de netkaart van het RIVM geraadpleegd. Binnen de planlocatie of in de directe omgeving zijn geen hoogspanningslijnen gelegen. De meest nabijgelegen hoogspanningslijn is te vinden op een afstand van ruim 2,7 kilometer ten westen van de planlocatie. De veiligheidsafstand welke dient te worden aangehouden tot deze hoogspanningslijn bedraagt 75 meter, waardoor dit aspect dus geen belemmering veroorzaakt voor onderhavige ontwikkeling.
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen.
5.2.1
Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het Waterschap Limburg, het Provinciale Omgevingsvisie Limburg, het Provinciaal Waterprogramma, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). 25
De opgave in het provinciaal beleid inzake het regionale water is het komen tot robuuste en natuurlijk functionerende en veerkrachtige watersystemen. Dit om risico’s tot wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel te blijven. Er dient te worden voldaan aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen de opgave voor het omgaan met huidige en toekomstige watertekorten. Een belangrijke voorwaarde hierbij is de beschikbaarheid van voldoende water en de juiste kwaliteit. Op deze manier zijn problemen op het gebied van watertekort in tijden van schaarste beheersbaar en maatschappelijke acceptabel. Een van de doelen van de provincie is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Hierbij spelen verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces.
Ter invulling van ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (waar mogelijk) moeten worden verhoogd door peilbeheer. Tevens dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies te worden afgestemd. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofd- en nevenfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater te worden ingepast.
5.2.2
Kenmerken watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Zowel in de huidige situatie als in de beoogde situatie vinden geen grondwateronttrekkingen plaats. De bestaande bebouwing blijft behouden en er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht, waardoor er met betrekking tot grondwater geen belemmeringen zijn. Oppervlaktewater In het plangebied zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de planlocatie betreft enkel op toiletten, wastafel en douches en zal worden geloosd op het bestaande gescheiden rioleringsstelsel. Schoon en vuil water zullen dus ook in de beoogde situatie gescheiden worden afgevoerd. Ten behoeve van de waterafvoer wordt gebruik gemaakt van de bestaande lozingspunten. In de beoogde situatie wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Gezien er geen
26
veranderingen plaatsvinden ten aanzien van het afvoeren van afvalwater, worden geen belemmeringen verwacht. Hemelwater Het Waterschap Limburg streeft ernaar om bij herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. Gezien er geen fysieke veranderingen plaatsvinden, zal het oppervlakte aan verharding in de nieuwe situatie niet toenemen. In het kader van de milieuvergunning vindt een nadere uitwerking van het afvoeren van water plaats. Vanuit planologisch-juridisch oogpunt vormt dit aspect geen belemmering.
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten.