t_NL.IMRO.0889.BPKeulseweg93-VA01
Tekst van het document
Op deze plek geldt echter geen archeologische onderzoeksverplichting. Archeologisch onderzoek is kortom niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Het voorliggende pand waarin de ontwikkeling van appartementen plaatsvindt, is niet aangemerkt als monumentaal of cultuurhistorisch waardevol. Het voormalige kerkgebouw, dat op circa 55 meter ten oosten van het plangebied is gelegen, is in het geldende bestemmingsplan aangeduid als ‘specifieke
Hoofdstuk 4
31
vorm van waarde - monument’. Aangezien de voorliggende ontwikkeling grotendeels inpandig plaatsvindt, heeft deze geen negatieve effecten op dit karakteristieke gebouw. Voor het overige liggen in de omgeving geen monumentale of karakteristieke gebouwen. Blijkens de cultuurhistorisch waardenkaart van de provincie Limburg is de Keulseweg aangewezen als een ‘weg ouder dan 1806’. Aangezien het verloop en profiel van deze weg niet wijzigen als gevolg van het initiatief, heeft het plan geen invloed op dit oude wegtracé. Voor het overige zijn er in de omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle bebouwing of overige historische elementen aanwezig. Conclusie Binnen het plangebied bestaan er geen belemmeringen in relatie tot cultuurhistorie of archeologie.
4.3 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland in het plangebied geen leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een planologische beschermingszone. Leidingen en infrastructuur vormen kortom geen belemmering voor het initiatief.
4.4 Ecologie Beleidskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb bevat het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en soorten. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt in overeenstemming met de Wnb kunnen worden uitgevoerd. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden,
Hoofdstuk 4
32
dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien het voldoet aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.
Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden of als deze effecten kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.
Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); Soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); Andere soorten (artikel 3.10).
Hoofdstuk 4
33
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het Duitse Vogelschutzgebiet 'SchwalmNette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg', dat op circa 2,5 kilometer ten oosten van het plangebied is gelegen. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Gezien de afstand van het plangebied tot dit beschermde gebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Wat betreft stikstofdepositie gaat de in Duitsland ontwikkelde toetsmethode ervan uit dat een extra stikstofdepositie van 3% van de kritische depositiewaarde in de regel als verwaarloosbaar is te beschouwen, waarbij het onderzoeksgebied is begrensd tot het gebied waar de toename van stikstofdepositie 7,14 mol/ha/jaar of meer bedraagt. Deze norm zal, gelet op de aard en omvang van het initiatief en de afstand tot het Duitse Natura 2000-gebied, bij lange na niet worden overschreden. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied, het ‘Swalmdal’, ligt op circa 6 kilometer ten zuiden en zuidwesten van het plangebied.
Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Gezien de afstanden van de beschermde gebieden tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Op basis van de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS’ van de Rijksoverheid (januari 2020) heeft de ontwikkeling van 50 woningen op een afstand van 6 kilometer tot een Natura 2000-gebied een indicatieve stikstofdepositie tot gevolg van 0,00 mol/ha/jaar in de gebruiksfase en 0,01 mol/ha/jaar in de aanlegfase. De voorliggende ontwikkeling van drie appartementen binnen een bestaand pand zal hierdoor een stikstofdepositie tot gevolg hebben van maximaal 0,00 mol/ha/jaar in de gebruiksfase. Daarnaast zal in de aanlegfase redelijkerwijs eveneens sprake
Hoofdstuk 4
34
zijn van een stikstofdepositie van maximaal 0,00 mol/ha/jaar. Omdat de ontwikkeling inpandig plaatsvindt en een beduidend kleiner aantal woningen omvat, hebben de benodigde verbouwwerkzaamheden een veel geringer effect qua stikstofdepositie dan de effecten van de nieuwbouw van 50 woningen. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ruim 350 meter ten noordoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroen natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Soortbescherming Aangezien de beoogde ontwikkeling hoofdzakelijk inpandig plaatsvindt, op een bebouwd en volledig verhard perceel binnen een bestaande dorpskern, is de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied redelijkerwijs niet te verwachten. Middels de voorliggende ontwikkeling gaat dan ook geen essentieel leefgebied van een beschermde soort verloren. Hierdoor wordt een onderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen niet noodzakelijk geacht. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige individuen dient de algemene zorgplicht in acht te worden genomen.
Houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Conclusie Vanuit het aspect ecologie bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 Verkeer en parkeren Verkeer De beoogde ontwikkeling van drie levensloopbestendige appartementen heeft een bepaalde verkeersgeneratie tot gevolg, die wordt berekend op basis van de CROW-publicatie nr. 381 ‘Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Hierbij is uitgegaan van huurappartementen in het duurdere segment in de rest van de bebouwde kom in een niet-stedelijke gemeente. De verkeergeneratie bedraagt 5,6 tot 6,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal per appartement. Voor de drie appartementen is hiermee sprake van een verkeersgeneratie van 16,8 tot 19,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Om te bepalen of als gevolg van de voorliggende ontwikkeling sprake is van een toe- of afname van de verkeersgeneratie, dient het beoogde gebruik vergeleken te worden met het voormalige gebruik van de bebouwing als winkelpand.
Hoofdstuk 4
35
De voormalige winkelruimte had een brutovloeroppervlakte (bvo) van circa 270 m 2. Uitgaande van een gemiddelde dorpswinkel in de rest van de bebouwde kom in een niet-stedelijke gemeente is een verkeersgeneratie berekend van 48,1 tot 79,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal per 100 m 2 bvo. De voormalige verkeersgeneratie van het winkelpand (grootte 270 m 2 bvo) lag hiermee tussen de 130 en 214 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Indien het voormalige gebruik als winkelruimte wordt vergeleken met het beoogde gebruik als appartementen is sprake van een significante afname van het aantal verkeersbewegingen. Er zullen dan ook geen problemen optreden bij de afwikkeling van verkeer op de wegen in de omgeving van het plangebied. Parkeren Het uitgangspunt van het gemeentelijk parkeerbeleid is dat bij bouwplannen of plannen voor een gewijzigd gebruik van gebouwen, die leiden tot een vergroting van de parkeervraag, wordt voorzien in parkeerruimte op eigen terrein. Op deze manier wil de gemeente Beesel de bereikbaarheid en de leefbaarheid van de gemeente bevorderen. De beoogde ontwikkeling zorgt op basis van de gemeentelijke parkeernormen voor een parkeerbehoefte van 1,7 parkeerplaatsen per appartement. Voor de drie appartementen zijn afgerond 5 parkeerplaatsen (3 x 1,7 = 5,4) benodigd. Het uitgangspunt is dat op eigen terrein voorzien dient te worden in voldoende parkeerplaatsen.
Voor wat betreft het bezoekersparkeren dienen bezoekersparkeerplaatsen (in dit geval is één bezoekersparkeerplaats nodig) openbaar toegankelijk te zijn. Indien dit wordt opgevangen in de openbare ruimte, dient aangetoond te worden dat de parkeerdruk incl. ontwikkeling niet hoger is dan 80% of is er een bijdrage in het parkeerfonds nodig. Gelet op de omvang en indeling van het plangebied is het niet mogelijk om volledig op eigen terrein te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte. Op het eigen terrein binnen het plangebied wordt voorzien in de realisatie van vier parkeerplaatsen. Voor elk van de drie nieuwe appartementen wordt hiermee voorzien in één parkeerplaats op eigen terrein. De vierde parkeerplaats is bedoeld voor het bestaande appartement dat reeds in het gebouw aanwezig is. Het parkeren ten behoeve van de verloskundigenpraktijk vindt in de huidige situatie in de openbare ruimte plaats. In de toekomstige situatie zal dit eveneens het geval zijn. Wat betreft de overige twee parkeerplaatsen die benodigd zijn voor de nieuwe appartementen geldt dat deze in de omliggende openbare ruimte opgevangen kunnen worden. Aan de voorzijde van het pand zijn drie parkeerplaatsen aanwezig. Deze zullen hoofdzakelijk worden gebruikt door de verloskundigenpraktijk en de bewoners/bezoekers aan de appartementen.
Daarnaast kunnen de parkeerplaatsen ten behoeve van de supermarkt, aan de noordzijde van het plangebied, met name in de avond- en nachtperiode (als de supermarkt is gesloten) worden gebruikt door bewoners en/of bezoekers aan de appartementen. Door deze combinatie van parkeren op eigen terrein en in de openbare wordt verwacht dat er voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn om te voorzien in de parkeerbehoefte van de nieuwe appartementen en de bestaande functies.
Hoofdstuk 4
36
Conclusie Vanuit het oogpunt van verkeer en parkeren bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Waterhuishouding Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Nationaal: Nationaal Waterplan; Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Beleid waterschap Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Dit plan is, vooruitlopend op de fusie die in 2017 heeft plaatsgevonden tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden.
Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Brochure ‘Regenwater schoon naar beek en bodem’ In deze brochure van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool beschreven bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen. Structuurvisie Beesel De gemeente Beesel zet maximaal in op het afkoppelen van hemelwater volgens de volgorde ‘vasthouden, bergen en afvoeren’. Daarnaast is als gevolg van klimaatverandering een robuustere inrichting van het watersysteem noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
37
Kenmerken van het watersysteem Grondwater en waterkwaliteit Op basis van het POL2014 blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone. Oppervlaktewater In het plangebied en de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de toekomst zal hier ook niet in voorzien worden. Hemel- en afvalwater Het afvalwater zal worden geloosd op het bestaande rioolstelsel. Wat betreft hemelwater streven het Waterschap Limburg en de gemeente Beesel ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen de planlocatie te verwerken. De voorliggende ontwikkeling betreft een hoofdzakelijk inpandige functiewijzing, waarbij een bestaand winkelpand wordt getransformeerd naar appartementen. Het plangebied is in de bestaande situatie reeds geheel verhard. In de toekomstige situatie zal de verharding enigszins afnemen, doordat aan de achterzijde van het pand twee kleine tuinen worden gerealiseerd, waar op dit moment nog verharding aanwezig is. Deze tuinen zullen naar verwachting niet geheel verhard blijven. Hiermee is sprake van een hydrologisch neutrale, en waarschijnlijk zelfs hydrologisch positieve ontwikkeling. Op basis van het beleid van gemeente en waterschap zijn hierdoor geen aanvullende maatregelen vereist voor de afkoppeling van hemelwater.
Overleg waterbeheerder Waterschap Limburg heeft aangegeven dat plannen waarbij de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak kleiner is dan 2.000 m², niet hoeven te worden voorgelegd aan het watertoetsloket. Aangezien is geen sprake is van een toename van de hoeveelheid verhard oppervlak en er voor het overige geen waterschapsbelangen in het geding zijn, hoeft het initiatief niet aan het waterschap te worden voorgelegd. Conclusie Als gevolg van de realisatie van de appartementen treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.7 M.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de Dlijst valt.
Hoofdstuk 4
38
In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. De beoogde ontwikkeling komt in het besluit m.e.r. niet voor in de bijlage C. Er is dus geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Daarnaast is het de vraag of de beoogde ontwikkeling wel onder categorie D11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject) van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. valt.
Jurisprudentie Voor wat betreft de vraag óf sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraken van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694), 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348), 18 juli 2018 (ECLI:RVS: 2018:2414) bepaald dat: het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ruimte laat voor interpretatie; het afhangt van de concrete omstandigheden van het geval of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen; het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan, niet doorslaggevend is voor het zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit-m.e.r.. Uit jurisprudentie is duidelijk geworden welke concrete omstandigheden een rol kunnen spelen bij het bepalen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarbij spelen onder meer aspecten als ‘aard’ en ‘omvang’ van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Onderstaand wordt een aantal aspecten benoemd die een rol spelen bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.
de concrete omstandigheden van het geval, waarbij de aard en omvang van het project van belang zijn; Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van drie appartementen binnen een bestaand winkelpand. het gebied waarin de ontwikkeling plaats zal vinden; De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en binnen een bestaand pand dat voorheen in gebruik was als winkelruimte. de uitbreiding van de bebouwing (indien sprake is van een bestaand gebouw); Het initiatief vindt grotendeels plaats binnen de bestaande bebouwing. Er wordt slechts in zeer beperkte mate bebouwing gerealiseerd, in de vorm van drie bergingen op het achterterrein. de mogelijkheden op grond van het bestemmingsplan; Op basis van het vigerend bestemmingsplan zijn de gronden zijn bestemd als ‘Gemengd – 1’. Binnen deze bestemming zijn diverse vormen van gebruik mogelijk. Daarnaast is een ruim bouwvlak aanwezig binnen het plangebied, dat voor 70% bebouwd mag worden. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is de bebouwing derhalve al toegestaan. de milieugevolgen.
Hoofdstuk 4
39
De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige milieugevolgen, zoals is toegelicht in paragraaf 4.1 tot en met 4.6. Conclusie De voorliggende ontwikkeling vindt hoofdzakelijk plaats binnen een bestaand winkelpand binnen het bestaand stedelijk gebied. Er wordt slechts zeer beperkt bebouwing toegevoegd, namelijk in de vorm van een drietal bergingen. Dit valt binnen de ruime bouwmogelijkheden die het vigerende bestemmingsplan reeds biedt. De ontwikkeling heeft zodoende een relatief beperkte omvang. Daarnaast zijn er geen belemmerende milieugevolgen voorzien, die een negatieve invloed hebben op de beoogde ontwikkeling of omliggende omgeving. Gezien de aard, omvang, milieugevolgen (paragraaf 4.1 tot en met 4.6) en ligging kan gesteld worden dat het initiatief niet kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling is kortom niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
40
5.
JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse regels artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Verder is aangesloten bij de systematiek van de geldende bestemmingsplannen ‘Bebouwde gebieden Beesel’ en ‘Bebouwde gebieden, veegplan 2019’ van de gemeente Beesel.
5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond. Voor het deel van de planlocatie waar de appartementen zijn voorzien, is de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. Binnen deze bestemming is het bouwvlak opgenomen overeenkomstig van de vigerende bestemmingsplannen. Het bestaande pand en de beoogde bergingen zijn binnen dit bouwvlak gelegen. Middels de bouwaanduiding ‘gestapeld’ zijn de appartementen mogelijk gemaakt. Daarnaast is een maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 3’ opgenomen, op basis waarvan drie wooneenheden toegevoegd mogen worden. Voor de bestaande verloskundigenpraktijk en het bestaande appartement dat daarboven op de verdieping is gelegen, alsmede de bestaande inrit tot de planlocatie, is de bestaande bestemming ‘Gemengd – 1’ opgenomen. Het bestaande bouwvlak is overgenomen van de vigerende bestemmingsplannen.
Hoofdstuk 5
41
Tot slot is de huidige archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ opgenomen conform de vigerende bestemmingsplannen voor een deel van het plangebied.
5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels omvatten de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.
5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.
Hoofdstuk 5
42
De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht. ‘Gemengd – 1’ De voor ‘Gemengd – 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor diverse functies, waaronder wonen in woningen, dienstverlening, horeca in categorie 1, kantoren, maatschappelijke voorzieningen, cultuur en ontspanning en bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2. Detailhandel is op de voorliggende locatie niet toegestaan.
‘Wonen’ De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in woningen, aan-huis-gebonden beroepen en bedrijvigheid, webwinkels, tuinen, erven en verhardingen, parkeervoorzieningen ten dienste van de woning, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels met betrekking tot bestaande afwijkende maatvoering en ondergronds bouwen opgenomen.
Hoofdstuk 5
43
Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is beschreven wat in ieder geval verstaan dient te worden als strijdig gebruikt, en zijn enkele afwijkingsmogelijkheden daarvan gegeven. Algemene afwijkingsregels Middels de algemene afwijkingsregels kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van geringe afwijkingen in het plan. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid gegeven om kleinschalige wijzigingen aan te brengen het bestemmingsplan. Overige regels De overige regels bevatten een verwijzing naar andere wettelijke regelingen en een regeling omtrent het parkeren. 5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
Hoofdstuk 5
44
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). In het voorliggende geval is sprake van een inpandige functiewijziging van een voormalig winkelpand naar drie appartementen. Dit betreft geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierdoor geldt dan ook geen verplichting tot kostenverhaal. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt wel een planschadeovereenkomst afgesloten.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg ex artikel 3.1.1. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. In het kader van het overleg op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt aan de relevante besturen en diensten van de betrokken bevoegde gezagen gevraagd om een reactie te geven op het concept van het ontwerpbestemmingsplan. Inspraak Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 8 oktober 2020 gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn was er voor een ieder de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan. Bij de gemeente zijn gedurende deze termijn geen zienswijzen ingediend.
Hoofdstuk 6
45
7. PROCEDURE Reguliere voorbereidingsprocedure kruimelgeval Op basis van de zogeheten kruimelgevallenregeling, zoals bedoeld in bijlage II, artikel 4 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kan een omgevingsvergunning worden verleend voor de voorliggende inpandige functiewijziging. Hierbij wordt toepassing gegeven aan lid 8 van artikel 4 “het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein”. Op basis van de kruimelgevallenregeling kan dit initiatief middels de reguliere voorbereidingsprocedure worden vergund. Voor de reguliere procedure geldt hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Wabo geeft hierop enkele aanvullingen. De aanvullingen die de Wabo geeft op hoofdstuk 4 van de Awb zijn onder andere: Het bevoegd gezag stuurt de aanvrager onverwijld een ontvangstbewijs (art. 3.1 lid 2 Wabo). Het bevoegd gezag stuurt de aanvrager zo snel mogelijk een bericht over de procedure en rechtsmiddelen (art. 3.1 lid 3 Wabo). Het bevoegd gezag geeft kennis van de aanvraag in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze (art. 3.8 Wabo). Het bevoegd gezag beslist binnen acht weken (eventueel verlengd met zes weken) na de datum van ontvangst van de aanvraag (art. 3.9 lid 1 en 2 Wabo).
Het bevoegd gezag doet tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling van de beschikking. Dit moet op dezelfde manier als de kennisgeving van de aanvraag (art. 3.9 lid 1, onder a, Wabo). Bij overschrijding van de beslistermijn, is het besluit van rechtswege verleend ("lex silencio positivo"). In dat geval doet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk mededeling van de verlening van rechtswege. Dit gebeurt op dezelfde manier als de kennisgeving van de aanvraag (art. 3.9 lid 3 en 4 Wabo). Na het verlenen van de vergunning kan een bezwaarschrift worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders. Vervolgens kan tegen de beslissing op bezwaar beroep worden ingesteld bij de rechtbank. Tot slot kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bestemmingsplanprocedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;
Hoofdstuk 7
46
Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoofdstuk 7
47
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl
Hoofdstuk 7
48