r_NL.IMRO.0889.BPOuddorp9-VA01
Tekst van het document
30
7.4 Algemene regels over bestaande afstanden en andere maten en over bestaand gebruik 7.4.1 Maximale maatvoering Indien afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan meer bedragen dan op grond van hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. 7.4.2 Minimale maatvoering In die gevallen dat afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan minder bedragen dan op grond van hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden. 7.4.3 Heroprichting In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in artikel 7 lid 4.1 en artikel 7 lid 4.2 uitsluitend van toepassing indien dit geschiedt op dezelfde plaats.
31
Artikel 8 Algemene gebruiksregels 8.1 Algemeen gebruiksverbod a. Het is verboden de gronden en bouwwerken in dit bestemmingsplan te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming(en); b. Als strijdig gebruik als bedoeld onder a. wordt niet beschouwd het bestaand gebruik van grond en gebouwen voor activiteiten waarvoor volgens deze regels bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan, uitsluitend indien wordt voldaan aan de voorwaarden bij de betreffende afwijkingsbevoegdheid. 8.2 Strijdig gebruik Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf; b. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf; c. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens; d. als opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voorwerpen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden.
8.3 Beroep of bedrijf aan huis Een beroep of bedrijf aan huis, als opgenomen in de bijlage bij de regels of hiermee naar aard en omvang gelijk te stellen beroepen en bedrijven, wordt geacht in overeenstemming te zijn met de woonfunctie van de bedrijfswoningen binnen de bestemming 'Agrarisch Glastuinbouw', en is toegestaan, met dien verstande dat: a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft; b. degene die gebruiker van de woning is tevens degene is die het beroep of bedrijf aan huis uitoefent; c. maximaal 50 m² van de vloeroppervlakte van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt voor beroep of bedrijf aan huis; d. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert c.q. geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of de buurt; e. het gebruik geen dusdanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft welke kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte; f. detailhandel in de vorm van internetverkoop slechts is toegestaan indien: 1. er geen uitstalling ten verkoop plaatsvindt; 2. de te verkopen producten niet ter plaatse bezichtigd en afgehaald kunnen worden; 3. er geen reclame-uitingen op het perceel worden aangebracht; g. er geen buitenopslag plaatsvindt; h.
reclame-uitingen ten dienste van het beroep of bedrijf aan huis beperkt blijven tot het plaatsen van een bord met als maximale afmetingen 1 meter x 0,5 meter aan de voor- of zijgevel of in de voor- of zijtuin op een hoogte van maximaal 2 meter. Neonof andere lichtreclame is in dit kader niet toegestaan. 32
8.4 Kleinschalig kamperen Verblijfsrecreatie in de vorm van kleinschalig kamperen is toegestaan binnen de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw', met dien verstande dat: a. het totaal aantal kampeermiddelen op het kampeerterrein maximaal 15 bedraagt; b. stacaravans, chalets of trekkershutten niet zijn toegestaan; c. er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is met afschermende randbeplanting zoals genoemde onder d.; d. het kampeerterrein voldoende landschappelijk wordt ingepast door afschermende randbeplanting: 1. met landschappelijk karakter; 2. ter breedte van minimaal 5 meter; 3. bestaande uit opgaande houtsoorten van gebiedseigen beplanting; e. sanitaire en andere kampeervoorzieningen uitsluitend mogen worden gerealiseerd in bestaande gebouwen; f. bebouwing ten behoeve van het kampeerterrein uitsluitend mag worden gebruikt voor kleinschalige recreatiedoeleinden voor de eigen kampeergasten; g. tussen de kampeermiddelen een onderlinge afstand dient te worden aangehouden van minimaal 3 meter. 8.5 Verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten Verkoop van zelfvoortgebrachte en/of streekeigen producten is toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit binnen de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw', tot een maximale oppervlakte van 25% van het vloeroppervlak van de totale bestaande bebouwing, tot maximaal 100 m².
33
Artikel 9 Algemene aanduidingsregels 9.1 Overige zone - bronsgroene landschapszone 9.1.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bronsgroene landschapszone' zijn de gronden tevens bestemd voor behoud en of versterking van de kernkwaliteiten binnen de 'Bronsgroene landschapszone' volgens het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014'. 9.1.2 Bouwregels a. In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bronsgroene landschapszone' niet worden gebouwd, anders dan afrasteringen van maximaal 1 meter hoog, ten behoeve van agrarische beheer; b. In afwijking van het bepaalde onder a. is het toegestaan om bouwwerken te bouwen die zijn toegestaan op grond van de onderliggende bestemmings- en/of bouwvlakken volgens de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw'. 9.1.3 Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 9 lid 1.2, sub a., voor het bouwen van bouwwerken welke zijn toegestaan volgens de onderliggende bestemmingen, niet zijnde de in artikel 9 lid 1.2 sub b. genoemde bestemmingen, mits: a. verzekerd is dat de in het gebied voorkomende kernkwaliteiten voldoende worden beschermd en/of hersteld, danwel -bij aantasting van die kernkwaliteiten- worden gecompenseerd; b. indien het bevoegd gezag (Provincie Limburg) daarover positief heeft geadviseerd.
9.1.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of vanwerkzaamheden 9.1.4.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (doen) voeren of te laten voeren: a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven); b. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders; c. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond; d. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling); e. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels; f. het dempen van sloten of greppels; g. het planten van bomen en/of struiken; h. het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, houtsingels, houtwallen); i. het aanbrengen van tijdelijke lage tunnels en een ondergrond voor containervelden.
34
9.1.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 9 lid 1.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden: a. die het normale onderhoud betreffen; b. die de aanleg van leidingen binnen wegbermen binnen de bestemming verkeer betreffen, voor zover deze niet aansluit op de bestemming natuur; c. die zijn toegestaan op grond van de onderliggende bestemmings- en/of bouwvlakken volgens de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw'. d. in de vorm van het planten en/of verwijderen van bomen en struiken op percelen welke op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan legaal in gebruik zijn voor de boom- of sierteelt, danwel in eigendom zijn van een bedrijf met wisselteelt, danwel waarvoor na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan een omgevingsvergunning als bedoeld in lid artikel 9 lid 1.4.1 is verleend. 9.1.4.3 Afwegingskader Een in artikel 9 lid 1.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien verzekerd is dat de in het gebied voorkomende kernkwaliteiten voldoende worden beschermd en/of hersteld, danwel -bij aantasting van die kernkwaliteiten- worden gecompenseerd.
9.2 hoge archeologische verwachtingswaarde 9.2.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'hoge archeologische verwachtingswaarde' zijn de gronden tevens bestemd voor voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde; 9.3 Kernrandzone 9.3.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'kernrandzone' zijn de gronden tevens bestemd als een kernrandzone. 9.4 Lage archeologische verwachtingswaarde 9.4.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'lage archeologische verwachtingswaarde' zijn de gronden tevens bestemd voor gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde. 9.5 Rivierdal 9.5.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'rivierdal' zijn de gronden tevens bedoeld voor de instandhouding van het rivierdal. 9.6 Vrijwaringszone - molenbiotoop 9.6.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn de gronden tevens bestemd voor het beschermen van: a. de functie als werktuig van de beltmolen 'De Grauwe Beer'; 35
b. de waarde van de onder a. genoemde molen als landschapsbepalend element. 9.6.2 Bouwregels Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' gelden de volgende regels: a. binnen een straal van 100 m 1, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht, hoger dan het onderste punt van de verticale staande wiek van de molen; b. binnen een straal van 100 tot 500 m1, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht met een grotere hoogte dan 1/30 van de afstand, gemeten tussen de bebouwing en het onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen. 9.6.3 Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9 lid 6.2, mits vooraf advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de molen over de vraag of het bouwplan ter plaatse aanvaardbaar is in verband met de belangen van de molen. 9.6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Verbod Het is verboden op of in de ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren, hoger dan 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen: 1.
het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur; 2. het ophogen van gronden; 3. het planten van bomen, heesters en andere opgaande beplanting b. Uitzonderingen Het bepaalde onder .a is niet van toepassing op: 1. normale onderhoudswerkzaamheden; 2. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning mogen worden uitgevoerd; 3. het planten van bomen en struiken op percelen welke op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan legaal in gebruik zijn voor de boom- of sierteelt, danwel waarvoor na inwerkingtreding van dit bestemingsplan een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. is verleend c. afwegingskader Een vergunning als bedoeld onder a. wordt slechts verleend, mits: 36
1. daardoor de functie van de molen als werktuig en de waarde als landschapsbepalend element niet onevenredig worden geschaad; 2. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de molen over de vraag of verlening van de omgevingsvergunning aanvaardbaar is in verband met de belangen van de molen. 9.7 Vrijwaringszone - waterstaatswerk 1 9.7.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - waterstaatswerk 1' zijn de gronden mede bestemd als beschermingszone voor de waterkerende functie van waterkeringen. Op deze gronden is de Keur van het waterschap van toepassing. 9.8 Vrijwaringszone - waterstaatswerk 2 9.8.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - waterstaatswerk 2' zijn de gronden mede bestemd als buitenbeschermingszone voor de waterkerende functie van waterkeringen. Op deze gronden is de Keur van het waterschap van toepassing.
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels 10.1 Maatvoeringen / grenzen Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. de bestemmingsregels en worden toegestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, mits de structuur van het plan niet wordt aangepast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de omgevingsvergunning gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan; b. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en worden toegestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde wordt vergroot tot maximaal 10 meter. c. afmetingen in de planregels en op de verbeelding met een maximum van 10%. 10.2 Afwegingskader maatvoeringen / grenzen Een in artikel 10 lid 1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. b. c. d. e.
de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing; de milieusituatie; de verkeersveiligheid; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; aanwezige en/of potentiële gebiedskwaliteiten.
10.3 Algemeen Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan ten behoeve van de in artikel 10 lid 5, artikel 10 lid 6, artikel 10 lid 7 en artikel 10 lid 9 genoemde activiteiten/ontwikkelingen onder de daarbij genoemde voorwaarden en met dien verstande dat: 37
a. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. de verkeersveiligheid; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de milieusituatie; 4. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden; 5. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; b. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden en/of stiltegebieden. 10.4 Inpandige uitbreiding van (bedrijfs)woningen Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.4, voor het vergroten van de (bedrijfswoning) door het geheel inpandig verbouwen van het hoofdgebouw tot woning, met dien verstande dat: a. de (bedrijfs)woning moet zijn gelegen in een bestaand hoofdgebouw; b. het bestaande agrarisch en stedenbouwkundig karakter van het gebouw niet wezenlijk wordt aangetast; c. herbouw van (een deel van het hoofdgebouw alleen is toegestaan in de oude verschijningsvorm; d. het aantal woningen gelijk blijft. Woningsplitsing is niet toegestaan; e. aangetoond wordt dat sprake is van een gebouw met cultuurhistorische waarde; f. aangetoond wordt dat de inpandige uitbreiding noodzakelijk is in verband met behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarde van het pand; g. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van: 1.
de woonsituatie; 2. het straat- en bebouwingsbeeld; 3. de verkeersveiligheid; 4. de sociale veiligheid; 5. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. 10.5 Evenementen Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3 lid 5.1, ten behoeve van het gebruik van gronden voor incidentele evenementen, met dien verstande dat: a. het een tijdelijk of periodiek terugkerend tijdelijk evenement is, per locatie maximaal drie keer per jaar voor een aaneengesloten periode van vijftien dagen, inclusief open afbouw; b. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte; c. aangetoond wordt dat het evenement geen nadelige invloed heeft op Natura 2000en/of stiltegebieden. 10.6 Mantelzorg Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3 lid 5.1, ten behoeve van mantelzorg in de (bedrijfs)woning en/of bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat:
38
a. verzekerd wordt dat de beoogde bewoning van tijdelijke aard is en dat na beëindiging van de situatie de bebouwing in overeenstemming wordt gebracht met de regels van dit bestemmingsplan; b. mantelzorg slechts is toegestaan in de (bedrijfs)woning en/of de bijbehorende bouwwerken; c. er geen tweede woning ontstaat; d. de tijdelijkheid in voldoende mate vaststaat; e. er geen aparte aansluiting op de nutsvoorzieningen mag worden gerealiseerd; f. in voldoende mate op eigen terrein wordt voorzien in de parkeerbehoefte; g. de omgevingsvergunning na beëindiging van de situatie zal worden ingetrokken en het bijbehorend bouwwerk niet meer mag worden gebruikt voor bewoning/mantelzorg, met dien verstande dat de gerealiseerde bouwkundige aanpassingen in stand kunnen blijven indien deze kunnen worden gebruikt voor de bestemming waarbinnen deze zijn gerealiseerd; h. er aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. de woonsituatie; 2. het straat- en bebouwingsbeeld; 3. de verkeersveiligheid; 4. de sociale veiligheid; 5. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. 10.7 Nevenactiviteiten en verbrede landbouw Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3 lid 5.1 ten behoeve van nevenactiviteiten en verbrede landbouw, met dien verstande dat: a.
de agrarische bedrijvigheid als hoofdfunctie aanwezig is en blijft; b. het gezamenlijk oppervlak van de bedrijfsbebouwing van het desbetreffende agrarisch bedrijf niet mag worden vergroot; c. verblijfsrecreatie in de vorm van kleinschalig logeren is toegestaan tot maximaal 25% van het bouwvlak, met dien verstande dat de totale oppervlakte van de hiervoor benodigde gebouwen maximaal 50 m² bedraagt; d. dagrecreatie is toegestaan tot maximaal 25% van het bouwvlak; e. ondergeschikte horeca is toegestaan tot maximaal 25% van het bouwvlak tot maximaal 50 m², al dan niet gecombineerd met een terras, met dien verstande dat: 1. uitsluitend horeca in de categorieën 1 en/of 2 is toegestaan; 2. het terras is gelegen binnen het bestemmingsvlak waarbinnen de ondergeschikte horecafunctie is gelegen; 3. de oppervlakte van het terras maximaal 50 m² bedraagt; f. aan het agrarisch bedrijf verbonden zorgfuncties zijn toegestaan tot 25% van het bouwvlak tot maximaal 100 m²; g. een educatiefunctie is toegestaan tot maximaal 25% van het bouwvlak tot maximaal 100 m²; h. de hiervoor genoemde maximaal toegestane oppervlakten cumulatief van aard zijn, wat impliceert dat bij cumulatie van meerdere vormen van verbrede landbouw en/of nevenactiviteiten het maximum van 100 m² niet mag worden overschreden. Zorgfuncties en caravanstalling zijn van de cumulatie uitgesloten; i.
in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte; j. bij beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering de niet-agrarische activiteiten alleen kunnen worden voortgezet na wijziging van de bestemming overeenkomstig artikel 11 lid 6 en uitsluitend indien wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden; k. er aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. de woonsituatie; 39
2. 3. 4. 5.
het straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. .
10.8 Plattelandswoning Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3 lid 5.1, voor het gebruik van de bedrijfswoning als plattelandswoning, met dien verstande dat: a. de woning als bedrijfswoning blijft gelden voor het bouwvlak waarbinnen deze is gelegen; b. het verlenen van de vergunning niet leidt tot de mogelijkheid om een nieuwe bedrijfswoning te bouwen binnen het bestemmingsvlak; c. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. 10.9 Tijdelijke huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3 lid 5.1, ten behoeve van tijdelijke huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten, met dien verstande dat: 1. de huisvesting noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de tijdelijke grote arbeidsbehoefte van dat bedrijf; 2. het uitsluitend arbeidskrachten betreft, die alleen binnen het bedrijf waar ze zijn gehuisvest werkzaamheden verrichten. Indien een bedrijf meerdere locaties heeft mag de huisvesting voor die locaties geconcentreerd op één bedrijfslocatie plaatsvinden; 3. de huisvesting niet structureel van aard is en per werknemer niet langer duurt dan 6 maanden per kalenderjaar; 4.
per huisvestigingslocatie de vloeroppervlakte per werknemer minimaal 10 m² bedraagt; 5. het maximum aantal te huisvesten arbeidskrachten is afgestemd op de omvang en ligging van het bedrijf, de bereikbaarheid van de locatie en parkeervoorzieningen, met dien verstande dat per bedrijf maximaal 20 werknemers mogen worden gehuisvest; 6. de huisvesting plaatsvindt in de vorm van appartementen/kamers voor één of twee personen, waarbij per 8 personen minimaal één toilet en één douche aanwezig is; 7. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: ▪ de verkeersveiligheid; ▪ het woon- en leefklimaat; ▪ de parkeerbalans in de directe omgeving. In voldoende mate dient te worden voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein; ▪ de milieusituatie; ▪ de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 8. het gebruik van de gebouwen voor tijdelijke bewoning dient te worden beëindigd als de behoefte aan huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten niet meer aanwezig is; 9. de verleende omgevingsvergunning na beëindiging van het gebruik zal worden ingetrokken en geplaatste woonunits dienen te worden verwijderd, 40
tenzij wordt aangetoond dat deze gebruikt kunnen worden voor andere doeleinden, passend binnen de agrarische bestemming; 10. de afwijking geen significant nadelige effecten mag hebben op Natura-2000 gebieden; 11. voor huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten in bedrijfsgebouwen aanvullend op het bepaalde onder 1.a tot en met 10. de volgende voorwaarden gelden: ▪ in combinatie met huisvesting in bedrijfsgebouwen mogen daarnaast maximaal 3 woonunits worden geplaatst en gebruikt voor tijdelijke huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten gedurende maximaal 3 maanden per jaar, mits het maximum aantal toegestane tijdelijke arbeidskrachten op het bedrijf zoals aangegeven onder 5. daardoor niet wordt overschreden; ▪ er dient te wordenaangetoond dat binnen de bestaande bebouwing op het agrarisch bedrijf onvoldoende ruimte kan worden vrijgemaakt voor de huisvesting van de eigen arbeidskrachten; 12. voor huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten in woonunits aanvullend op het bepaalde onder 1. tot en met 10.
de volgende voorwaarden gelden: ▪ de ontwikkeling moet in voldoende mate zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de omgevingsvergunning wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie; ▪ er dient te wordenaangetoond dat de bestaande bebouwing op het agrarisch bedrijf in zijn geheel noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering, althans dat de beschikbare ruimte in bestaande bebouwing niet kan worden vrijgemaakt voor de huisvesting van de eigen arbeidskrachten; ▪ per bedrijfslocatie zijn maximaal 5 woonunits toegestaan; 13. ten aanzien van het plaatse van woonunits als bedoeld onder 11. en 12. de volgende voorwaarden gelden: ▪ de woonunits dienenbinnen het bouwvlak, op hetzelfde perceel als en op een afstand van maximaal 50 meter van de bedrijfswoning, op een van de openbare weg bereikbare plaats, te worden geplaatst; ▪ stacaravans en andere kampeermiddelen zijn niet toegestaan; ▪ de oppervlakte van de woonunits per agrarisch bedrijf bedraagt maximaal 150 m2 in de situatie als bedoeld onder 11. en maximaal 250 m² in de situatie als bedoeld onder 12.
Binnen deze oppervlakte dienen ook de sanitaire voorzieningen te worden gerealiseerd; ▪ per 8 personen dient minimaal één toilet en één douche aanwezig te zijn; b. In afwijking van het bepaalde in sub a onder 2 kan in de onder sub a bedoelde omgevingsvergunning worden toegestaan dat permanente voorzieningen voor tijdelijke huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten kunnen worden gebruikt voor tijdelijke huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten van andere agrarische bedrijven, met dien verstande dat: 1. huisvesting uitsluitend is toegestaan in permanente voorzieningen. Huisvesting in woonunits of stacaravans is niet toegestaan; 2. tijdelijke huisvesting uitsluitend is toegestaan indien het agrarisch bedrijf waar de te huisvesten tijdelijke arbeidskrachten werkzaam zijn, zelf geen of onvoldoende huisvestingsvoorzieningen heeft; 3. het gebruik mag niet leiden tot een toename van het aantal huisvestingsvoorzieningen dat aanwezig is ten behoeve van de huisvesting 41
van het maximale aantal werknemers voor de bedrijfsvoering van het eigen bedrijf; 4. het gebruik niet mag leiden tot een toename van het aantal te huisvesten tijdelijke arbeidskrachten ten behoeve van het agrarisch bedrijf waar de tijdelijke arbeidskrachten werkzaam zijn; 5. geen huisvesting is toegestaan van tijdelijke arbeidskrachten van andere dan agrarische bedrijven; 6. het gebruik minimaal 10 werkdagen voor aanvang dien te worden gemeld bij burgemeester en wethouders, onder opgave van: ▪ het aantal te huisvesten tijdelijke arbeidskrachten; ▪ het/de agrarisch(e) bedrijf/bedrijven waar de tijdelijke arbeidskrachten werkzaam zijn.
42
Artikel 11 Algemene wijzigingsregels 11.1 Algemene wijziging Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a. overschrijding van bestemmingsgrenzen: 1. voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken of 2. voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein en 3. voor zover dit noodzakelijk is in het kader van de optimalisering van de bedrijfsvoering. Er mag geen sprake zijn van schaalvergroting met dien verstande dathet bestemmingsvlak met niet meer dan 10% wordt vergroot; b. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot; c. het wijzigen van de in bijlage bij de regels opgenomen tabel bedrijfsactiviteiten, indien technologische ontwikkelingen of vernieuwde inzichten hiertoe aanleiding geven; d. het aanpassen van opgenomen regels in de voorgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van de inwerkingtreding van het ontwerpplan worden gewijzigd e.
een en ander met dien verstande dataangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van: 1. de woonsituatie; 2. het straat- en bebouwingsbeeld; 3. de verkeersveiligheid; 4. de sociale veiligheid; 5. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. 11.2 Algemene wijzigingsbevoegdheid naar 'Natuur' of 'Water' Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen in de bestemmingen 'Natuur'en/of 'Water', mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. wijziging vindt pas plaats nadat verzekerd is dat een aaneengesloten natuur- of bosgebied van voldoende omvang en zodanige begrenzing kan ontstaan dat de aangrenzende/omringende gronden, met een blijvende agrarische bodemexploitatie, doelmatig als zodanig geëxploiteerd kunnen blijven worden; b. de regels van de bestemmingen 'Natuur' (artikel Natuur), danwel 'Water' (artikel Water), worden van overeenkomstige toepassing verklaard, met dien verstande dat wanneer gewijzigd wordt in de bestemming 'Water', dit uitsluitend ten behoeve van beekdalontwikkeling mag geschieden.
43
11.3 Algemene wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van vergroten/verkleinen dubbelbestemming Leiding Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een dubbelbestemming Leiding te vergroten of verkleinen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de noodzaak van de aanleg/verplaatsing van leidingen is aangetoond; b. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelen van de betreffende bestemming; c. bij de keuze van een traject rekening wordt gehouden met de (externe) veiligheid van andere nabijgelegen bestemmingen. 11.4 Wijziging in de bestemming 'Wonen' Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ter plaatse van een bouwvlak en een bestaande bedrijfswoning de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' te wijzigen in: a. b. c. d.
de bestemming 'Wonen'; de gebiedsbestemming waarin het bestemmingsvlak ligt voor de resterende grond; met dien verstande dat: aangetoond wordt dat het huidige gebruik als (agrarisch) bedrijf/ voorziening niet meer mogelijk is; e. het huidige gebruik als (agrarisch) bedrijf c.q. van de huidige voorziening dient te zijn beëindigd; f. uitsluitend het deel van het perceel met de woning en het daarbijbehorende erf mag worden gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. De resterende grond moet gelijktijdig worden gewijzigd in de gebiedsbestemming waarin het perceel ligt met de daarbij behorende gebiedsaanduiding(en); g. de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie; h. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het woon- en leefklimaat; 2. de milieusituatie; 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden; 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; i.
aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden; j. indien sprake was van nevenactiviteiten bij het beëindigde agrarisch bedrijf en deze activiteiten worden voortgezet de bestemming niet wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. In dat geval dient gebruik te worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid volgens artikel 11 lid 6. Dit geldt niet indien de nevenactiviteiten bestonden uit het stallen van caravans. Dat gebruik mag worden voortgezet na wijziging in de bestemming 'Wonen'. 11.5 Woningsplitsing Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het splitsen van bestaande (bedrijfs)woningen in maximaal twee woningen, met dien verstande dat: a. aangetoond wordt dat sprake is van een gebouw met cultuurhistorische waarde; 44
b. aangetoond wordt dat de splitsing noodzakelijk is in verband met behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarde van het pand; c. de maatvoering van de woning niet wordt vergroot. Splitsing dient plaats te vinden binnen de bouwmassa van de bestaande woning; d. na wijziging ter plaatse uitsluitend twee aaneengebouwde woningen aanwezig mogen zijn. Daartoe wordt op de verbeelding ter plaatse van de wijzigingslocatie de aanduiding 'twee-aaneen' opgenomen; e. de bestaande (agrarische) verschijningsvorm gehandhaafd dient te blijven; f. de inhoud na wijziging per woning minimaal 350 m³ bedraagt; g. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in de naaste omgeving aanwezige ruimtelijke functies en waarden; h. de woning dient te zijn gelegen buiten een milieucirkel; i. de nieuwe woning dient te voldoen aan de geldende geluidsnormering; j. overtollige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, tenzij sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken dient in overeenstemming te worden gebracht met de maximaal toelaatbare oppervlakte bijbehorende bouwwerken bij de woning volgens artikel 3 lid 2.4; k. de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit.
Hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie; l. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van: 1. de woonsituatie; 2. het straat- en bebouwingsbeeld; 3. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. 11.6 Vrijkomende agrarische bebouwing Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' te wijzigen in: a. de bestemming 'Bedrijf', ten behoeve van de vestiging van een niet agrarisch bedrijf van categorie 1 of 2 conform de lijst van bedrijfsactiviteiten als opgenomen in de bijlage bij de regels; b. de bestemming 'Maatschappelijk', ten behoeve van de vestiging van een zorgfunctie; c. de bestemming 'Recreatie' of 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' ten behoeve van de vestiging van een recreatief bedrijf; d. de gebiedsbestemming waarin het bestemmingsvlak ligt voor de resterende grond;
mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: e. aangetoond wordt dat het gebruik als agrarisch bedrijf redelijkerwijs niet meer mogelijk is; f. het agrarisch bedrijf dient te zijn beëindigd; g. bij wijziging in de bestemming 'Bedrijf' of 'Maatschappelijk' mag uitsluitend het deel van het perceel met de voor het bedrijf benodigde gronden en bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende bedrijfswoning en erf worden gewijzigd in de bestemming 'Bedrijf' (bouwvlak op maat) of 'Maatschappelijk'. De resterende grond moet gelijktijdig worden gewijzigd in de gebiedsbestemming waarin het bestemmingsvlak ligt; 45
h. wijziging in de bestemming 'Recreatie' of 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' uitsluitend toegestaan voor de volgende kleinschalige recreatieve functies: i. 1. een bestaand kleinschalig kampeerterreinen, met dien verstande dat: ▪ uitsluitend de bestaande vorm en omvang van het kleinschalig kampeerterrein mag worden voortgezet; ▪ uitbreiding van de activiteit niet mogelijk is, met dien verstande dat binnen bestaande bebouwing wel een groepsaccommodatie mag worden gerealiseerd; 2. vakantie-appartementen voor maximaal 10 bedden/slaapplaatsen; 3. een bed & breakfast voor maximaal 10 bedden/slaapplaatsen; 4. dagrecreatie tot maximaal 500 m2 totale oppervlakte 5. ondergeschikte horeca in de categorie 1 en/of 2, tot maximaal 100m2 totale bedrijfsvloeroppervlakte; j. het hergebruik dient uitsluitend beperkt te blijven tot de voormalige agrarische bedrijfslocatie; k. hergebruik mag uitsluitend plaatsvinden in de bestaande bebouwingsmassa; l. overtollige bedrijfsbebouwing dient zoveel mogelijk te worden gesloopt; m. er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking; n. detailhandel is uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit toegestaan in relatie tot de hoofdfunctie en uitsluitend in ter plaatse vervaardigde en/of bewerkte producten; o. caravanstalling is uitsluitend toegestaan in gesloten bebouwing en niet in kassen; p.
bij wijziging in de bestemming 'Maatschappelijk' dient een afweging plaats te vinden met betrekking tot de wenselijkheid van vestiging van de zorgfunctie buiten de kern; q. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden ; r. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het woon- en leefklimaat; 2. de milieusituatie; 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden; 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; s. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel Bedrijf in het bestemmingsplan Buitengebied Beesel 2013.
46
Artikel 12 Overige regels 12.1 Wetten/wettelijke regelingen Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 12.2 Prioriteit van dubbelbestemmingen a. Waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming; b. Waar dubbelbestemmingen samenvallen gelden: 1. in de eerste plaats de regels van de bestemming 'Waterstaat - Rivierbed'; 2. in de tweede plaats de regels van de bestemming 'Waarde - Archeologie'.
47
4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht 13.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan; b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%; c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 13.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 13.3 Hardheidsclausule Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruiken in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan kan de gemeenteraad ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht ontheffing verlenen.
48
Artikel 14 Slotregel Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan "Ouddorp 9" Beesel. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van: ............................ De voorzitter, De griffier, .......... ..........
49