CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

Quickscan natuurwetgeving Wederikstraat

Raadscommissievergadering 16 september 2024, gemeente BeeselBij agendapunt: Raadsadvies buitenplanse afwijking woningbouw Wederikstraat8.056 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan natuurwetgeving Wederikstraat Reuver EA230137.R01.V2.1 24 juli 2024

Quickscan natuurwetgeving Wederikstraat Reuver Rapportnummer EA230137.R01.V2.1 24 juli 2024

Opdrachtgever Stichting Nester Pastoor Vranckenlaan 4 5953CP Reuver

+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen

Geonius.nl Functie

Naam

Ecoloog

Raymond Daemen

Collegiale toets

Martijn Stevens

EA230137.R01.V2.1

Paraaf

Inhoud 1

Inleiding ......................................................................... 4

2

Achtergrondinformatie ..............................................5

2.1

Situering plangebied

5

2.2

Ingreep

6

3

Resultaten...................................................................... 7

3.1

Methode

7

3.2

Soortenbescherming

7

3.2.1

Flora .............................................................................................................................................................7

3.2.2

Vogels met een jaarrond beschermd nest (categorie 1-3) ..........................................................8

3.2.3

Vogels met een jaarrond beschermd nest (categorie 4) ............................................................ 9

3.2.4

Vogels zonder een jaarrond beschermd nest ................................................................................ 9

3.2.5

Vleermuizen ............................................................................................................................................. 9

3.2.6

Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................................... 10

3.2.7

Amfibieën ................................................................................................................................................. 10

3.2.8

Reptielen ................................................................................................................................................... 11

3.2.9

Insecten en overige ongewervelden ................................................................................................ 11

3.3

Rode lijstsoorten

12

3.4

Gebiedsbescherming

12

3.4.1

Natura2000 ............................................................................................................................................... 12

3.4.2

Natuurnetwerk Nederland .................................................................................................................. 13

3.4.3

Houtopstanden ....................................................................................................................................... 13

4

Effectbeoordeling en toetsing................................ 14

4.1

Soortenbescherming

4.1.1

Effectbeoordeling .................................................................................................................................. 14

4.1.2

Toetsing aan Omgevingswet ............................................................................................................. 15

4.1.3

Maatregelen ter voorkomen van negatieve effecten ................................................................. 17

4.2

Vervolgstappen

20

4.3

Gebiedsbescherming

20

4.3.1

Effectbeoordeling ................................................................................................................................. 20

4.3.2

Vervolgstappen gebiedsbescherming ........................................................................................... 20

5

Conclusie en advies................................................... 21

5.1

Soortenbescherming

21

5.2

Gebiedsbescherming

22

Bijlage 1 Wetgeving Bijlage 2 foto impressie plangebied

EA230137.R01.V2.1

14

1 Inleiding Geonius Milieu B.V. heeft in opdracht van Stichting Nester een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd ter plaatse van de locatie Wederikstraat te Reuver, provincie Limburg. Aanleiding voor deze quickscan natuurwetgeving vormt de aanleg van bebouwing op percelen aan de Wederikstraat te Reuver. Dergelijke ingrepen kunnen leiden tot nadelige gevolgen op beschermde soorten en of beschermde gebieden en daarmee vergunningplicht in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. Zie bijlage 1 voor het wettelijk kader. Doel van het onderzoek is om inzichtelijk maken welke beschermde natuurwaarden in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn en te beoordelen of de voorgenomen werkzaamheden nadelige gevolgen kunnen hebben op deze waarden. In de conclusie wordt beoordeeld of de ingreep (deels) kan worden vrijgegeven en of er maatregelen noodzakelijk zijn om nadelige gevolgen te voorkomen bij de uitvoering van de werkzaamheden. Uitgangspunt is om inzichtelijk te maken onder welke condities de voorgenomen werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en of het voornemen vergunning plichtig is in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. Geonius Groep B.V. en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NEN-ENISO 9001:2015, NEN-EN-ISO 14001:2015, VCA**2017/6.0, CO2 Prestatieladder niveau 3 en Veiligheidsladder SCL Light – trede 3.

EA230137.R01.V2.1

2 Achtergrondinformatie 2.1 Situering plangebied

Het plangebied is gelegen te Reuver in de gemeente Beesel in Limburg. Het plangebied ligt aan de zuidwestzijde van het buurtschap Leeuwen dat onderdeel uitmaakt van het kerkdorp Reuver. Ten westen ligt een bosgebied genaamd het Walsberg Spitze. Dit bos bestaat uit een gemengd bos van overwegend eiken en grove dennen. Ten noordoosten van het plangebied ligt een woonwijk dat onderdeel uitmaakt van Leeuwen. De woningen nabij het plangebied hebben pannendaken met openingen, loshangende loodflappen, halfopen rolluiken en open stootvoegen. Ten zuidoosten van het plangebied loopt een spoorlijn, rijksweg en liggen twee middelgrote recreatieplassen. Ten zuiden van het plangebied liggen twee kleinere woningen. Ten noord- en zuidwesten van het plangebied liggen akkers waar diverse gewassen op worden verbouwd. Het plangebied bestaat uit een perceel van ongeveer 50 bij 70 meter. Het centrum van het perceel bestaat uit een kruidenarm grasland. Het plangebied is omzoomd met loofbomen tussen de 3 en 7 meter hoog. De bosschage rondom het grasveld bestaat overwegend uit zomereik, maar er staan ook enkele haagbeuken essen en ratelpopulieren. Diverse ratelpopulieren aan de noordoostzijde van het plangebied staan zijn afgestorven. In deze afgestorven bomen zijn diverse kieren en spechtenholen aanwezig. Ook hangt er op diverse plekken aan de stammen van deze bomen losse boomschors.

De struiklaag bestaat uit diverse houtige gewassen als: hazelaar, spaanse aak, opslag van ratelpopulier en hulst. Ook zijn op diverse plekken struwelen van rozen en braam aanwezig. In het westelijke deel van het plangebied staat een ligusterhaag omringt door struweel van braam. Verder staan er drie exotische naaldbomen aan de westzijde van het plangebied. Het plangebied betreft het beoogde werkgebied waar de ingreep in zal plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het plangebied en de directe omgeving daarvan. Schematische weergave van de onderzoek locatie is weergegeven in figuur 2.1. In bijlage 2 is een foto impressie van het plangebied en omgeving opgenomen. Figuur 2.1 onderzoekslocatie en plangebied

EA230137.R01.V2.1

2.2 Ingreep Op basis van de beschikbare gestelde informatie en inrichtingsschetsen wordt uitgegaan van de volgende werkzaamheden (niet noodzakelijkerwijs in deze volgorde): •

Bouwrijp maken van plangebied;

•

Verwijderen aanwezige vegetatie (bomen, struwelen);

•

Oprichten bebouwing;

•

Aanleg parkeergelegenheden

De exacte startdatum van de werkzaamheden en doorlooptijd is vooralsnog niet bekend. Voor de effectbeoordeling wordt ervan uitgegaan dat de werkzaamheden op ieder moment in het jaar starten en gedurende het jaar uitgevoerd worden. In figuur 2.2 is de beschikbare inrichtingsschets weergegeven. Figuur 2.2 inrichtingsschets

EA230137.R01.V2.1

3 Resultaten In dit hoofdstuk is de methode en de resultaten per soortgroep van de quickscan beschreven en zijn de omliggende beschermde natuurgebieden in relatie tot het plangebied beschreven.

3.1 Methode In deze fase is een bureauonderzoek en een veldbezoek uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen tien jaar in een straal van 500 meter rondom het plangebied. Tevens zijn relevante verspreidingsatlassen geraadpleegd, de natuurlijke verspreiding van beschermde soorten in het plangebied is bepaald op basis van uur hokken. Het veldbezoek is uitgevoerd op 4 januari 2024 door de heer R. Daemen, ecoloog bij Geonius. Met het veldonderzoek is op basis van de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie gevormd van de mogelijk aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het plangebied (kunnen) worden aangetast door de voorgenomen werkzaamheden. De weersomstandigheden waren 8°C, 3 Bft., regenachtig en bewolkt. Tevens is er een aanvullend bezoek uitgevoerd om de meest recente versie van het inrichtingsplan in het veld te beoordelen in het veld. Tijdens het veldbezoek zijn de exacte locaties van potentiële verblijfplaatsen of leefgebied van huismus, vleermuizen en reptielen in kaart gebracht. Dit bezoek is uitgevoerd op 29 februari 2024.

De weersomstandigheden waren 9°C, 2 Bft. en bewolkt.

3.2 Soortenbescherming Uit het bureauonderzoek en veldbezoek blijkt dat het plangebied onderdeel kan uitmaken of uitmaakt van het leefgebied van diverse beschermde soorten. In de hiernavolgende alinea’s is per soort(groep) aangegeven wat de functie en verwachte voorkomen binnen het plangebied betreft. Vervolgens is per soort(groep) een verklaring opgenomen omtrent de aan- of afwezigheid binnen het plangebied.

3.2.1 Flora Bureauonderzoek Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde flora in het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn tevens geen waarnemingen bekend. Het plangebied is gelegen in het verspreidingsgebied van grote leeuwenklauw. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van beschermde flora. Het veldbezoek vond plaats buiten de optimale periode om deze soorten te kunnen waarnemen. Er zijn ook geen geschikte groeiplaatsen aangetroffen voor mogelijk te verwachten beschermde flora. Het open veld binnen het plangebied is sterk onderhouden en bestaat bijna uitsluitend uit engels raaigras. De bosschage rondom het veldje betreft tevens ook geen geschikt groeiplek gezien de ruige overwoekering van braam en roos. Conclusie Beschermde flora kan redelijkerwijs worden uitgesloten binnen het plangebied.

EA230137.R01.V2.1

3.2.2 Vogels met een jaarrond beschermd nest (categorie 1-3) Bureauonderzoek Er zijn geen waarnemingen bekend van vogels met een jaarrond beschermd nest in het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn wel waarnemingen bekend van vogels met een jaarrond beschermd nest. Het gaat om waarnemingen van huismus, ransuil, torenvalk en gierzwaluw. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn een twintigtal huismussen foeragerend waargenomen. Deze bevonden zich in struwelen van liguster en Spaanse aak binnen het plangebied. De dieren foerageerde hoofdzakelijk in de struwelen en de directe omgeving daarvan. Verder gebruikte de mussen het plangebied als schuilgelegenheid. Er zijn verblijfplaatsen van huismus vastgesteld in de omliggende woningen. Achter rolluiken van verschillende woonhuizen in de omgeving zijn huismussen waargenomen. Ook zijn er op deze plaats uitwerpselen van huismus aangetroffen. Verder zijn er binnen het plangebied oude resten van een geplukte houtduif gevonden. Deze sporen zijn waarschijnlijk afkomstig van vrouwtje sperwer of een havik. Potentiële nestplaatsen binnen het plangebied van deze soorten zijn niet aangetroffen.

De wijdere omgeving van het plangebied als het Walsberg Spitze biedt mogelijk geschikt broedbiotoop voor soorten met een jaarrond beschermd nest als bosuil, havik en ransuil de akkergebied rondom bieden mogelijk geschikt leefgebied voor soorten als torenvalk en kerkuil. De woonhuizen in de omgeving van het plangebied biedt mogelijk geschikt nestlocaties voor gierzwaluw. Conclusie Verblijfplaatsen van vogels met een jaarrond beschermd nest zijn uitgesloten binnen het plangebied. De struwelen binnen het plangebied maken onderdeel uit van het essentieel leef-/foerageergebied van de huismus. In de wijdere omgeving van het plangebied zijn mogelijk nesten van diverse soorten aanwezig. Figuur3 .3 Leefgebied huismus

EA230137.R01.V2.1

3.2.3 Vogels met een jaarrond beschermd nest (categorie 4) Bureauonderzoek Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen van categorie 4 soorten bekend. In de omgeving van het plangebied zijn wel waarnemingen van sperwer, buizerd (bezet nest in de omgeving) en blauwe reiger bekend. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van vogels met een jaarrond beschermd nest cat. 4. Tevens zijn er geen nestlocaties of roestplekken aangetroffen binnen het plangebied. Het plangebied is ongeschikt als nestplaats voor soorten met een jaarrond beschermd nest. De wijdere omgeving van het plangebied biedt mogelijk geschikt leefgebied voor soorten als: buizerd, sperwer en huiszwaluw. Conclusie Verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van categorie 4 soorten zijn uitgesloten binnen het plangebied.

3.2.4 Vogels zonder een jaarrond beschermd nest Bureauonderzoek Er zijn geen waarnemingen bekend van vogels zonder een jaarrond beschermd nest in het plangebied. In de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van diverse soorten als: boomkruiper, gele kwikstaart, groenling, groene specht, koolmees, spreeuw, roodborst en zwartkop. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn er verschillende groepjes vinkachtigen waargenomen binnen het plangebied. Het ging om gemengde groepen van groenlingen, putters, vinken en kepen. Verder zijn er soorten als merel, roodborst, winterkoning, ekster en zwarte kraai aangetroffen. Er is tevens een nest van zwarte kraai aangetroffen binnen het plangebied. Verder zijn er grote bonte specht, koolmees en pimpelmees waargenomen. Het plangebied biedt mogelijk nestplaatsen van bos en struweelvogels als zwartkop, diverse mezen, spechten en boomkruiper. Conclusie Nesten van vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen niet worden uitgesloten binnen het plangebied. Er mag redelijkerwijs worden aangenomen dat er binnen het plangebied vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden van maart t/m augustus.

3.2.5 Vleermuizen Bureauonderzoek Er zijn geen waarnemingen bekend van vleermuizen in het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn tevens geen waarnemingen bekend. Het plangebied ligt in het verspreidingsgebied van bosvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, rosse vleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van vleermuizen. Wel zijn er potentiële verblijfplekken aangetroffen in de bosschage binnen het plangebied. Het gaat om naar beneden wijzende spechtenholen, loshangende boomschors en divers scheuren in bomen (met name ratelpopulier). Deze locaties kunnen mogelijk verblijfplaatsen bieden voor boom bewonende vleermuizen als rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en gewone dwergvleermuis.

EA230137.R01.V2.1

Conclusie Verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen zijn niet uit te sluiten binnen het plangebied. Foerageergebied en vliegroutes zijn op voorhand tevens niet uit te sluiten van diverse soorten vleermuizen.

3.2.6 Grondgebonden zoogdieren Bureauonderzoek Er zijn geen waarnemingen bekend van grondgebonden zoogdieren in het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van bever en das. Het plangebied ligt in het verspreidingsgebied van bever, bunzing, das, eekhoorn, egel, haas, hermelijn, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, steenmarter, vos, waterspitsmuis, wezel, wild zwijn en diverse muizen en spitsmuizen Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van grondgebonden zoogdieren. Er is wel een wildwissel gevonden aan de noordwestzijde van het plangebied. Deze kan mogelijk gebruikt worden door soorten als vos, steenmarter en kleine marterachtigen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor vaste verblijfplaatsen van middelgrote grondgebonden zoogdieren als holen. Ook is er gezocht naar (blad)nesten van eekhoorns in de bomen binnen het plangebied. Deze zijn niet aangetroffen. Conclusie Verblijfplaatsen van in Limburg strikt beschermde grondgebonden zoogdieren zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Incidentele aanwezigheid van soorten als das en steenmarter niet uit te sluiten. Kleine algemeen voorkomende knaagdieren zijn tevens niet uit te sluiten binnen het plangebied.

3.2.7 Amfibieën Bureauonderzoek Er zijn geen waarnemingen bekend van amfibieën in het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn tevens geen waarnemingen bekend. Het plangebied ligt in het verspreidingsgebied van kamsalamander, poelkikker,

rugstreeppad

en

alpenwatersalamander

en

in

de

omliggende

atlasblokken

bekend

verspreidingsgebied van boomkikker en heikikker. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn er geen waarnemingen gedaan van amfibieën. Door het ontbreken van oppervlakte water is voortplantingshabitat voor amfibieën uitgesloten. Wel kunnen er door de graafwerkzaamheden ideale voortplantingsomstandigheden ontstaan voor rugstreeppad in rijsporen of andere laagtes waar regenwater in zou kunnen blijven staan. Door het ontbreken van geschikt voortplantingsgebied voor andere strikt beschermde amfibieën in de omgeving van het plangebied en geïsoleerde ligging van het plangebied ten opzichte van geschikte gebieden voor deze soorten wordt ervan uitgegaan dat het plangebied geen essentieel landhabitat van strik beschermde amfibieën betreft. Conclusie Leefgebied van strik beschermde amfibieën kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten, behalve ten aanzien van rugstreeppad. Tijdens de werkzaamheden zouden er ideale voortplantingsomstandigheden kunnen ontstaan voor rugstreeppad. Landhabitat voor algemeen voorkomende amfibieënsoorten is niet volledig uit te sluiten.

EA230137.R01.V2.1

3.2.8 Reptielen Bureauonderzoek Er zijn geen waarnemingen bekend van reptielen in het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van levendbarende hagedis. Het plangebied ligt in het verspreidingsgebied van gladde slang, zandhagedis, hazelworm en levendbarende hagedis. Tevens

zijn omliggende atlasblokken bekend

verspreidingsgebied van gladde slang en zandhagedis Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn er geen waarnemingen gedaan van reptielen. De periode van het veldbezoek betrof een ongeschikt moment om deze soorten vast te stellen omdat reptielen in deze periode in overwintering zijn op vorstvrije plekken. Het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied biedt mogelijk leefgebied voor soorten als levend barende hagedis en hazelworm door aanwezigheid van een half open bosstructuur met voldoende ruigte, dood hout, gedumpte bouwplanken en andere wegkruipmogelijkheden waar deze soorten behoefte aan hebben. Aanwezigheid van soorten als levendbarende hagedis en hazelworm is te verwachten gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van bekende waarnemingen van levendbarende hagedis en de verbinding van het plangebied door middel van ruige bosschages aan de zuidelijke rand van Leeuwen. Het werkgebied bestaat vormt geen functioneel leefgebied van hazelworm en levendbarende hagedis door het ontbreken van voldoende wegkruip en schuilmogelijkheden. Conclusie Leefgebied en individuen van levendbarende hagedis en hazelworm zijn niet uit te sluiten in de directe nabijheid van het werkgebied. Incidentele aanwezigheid is daarmee niet uit te sluiten binnen het plangebied.

3.2.9 Insecten en overige ongewervelden Bureauonderzoek Er zijn geen waarnemingen bekend van insecten of overige ongewervelden in het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn tevens geen waarnemingen bekend. Het plangebied ligt in het verspreidingsgebied van teunisbloempijlstaart, bruine eikenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, gevlekte witsnuitlibel, beekrombout en bosbeekjuffer. Tevens zijn omliggende atlasblokken bekend verspreidingsgebied van mercuurwaterjuffer, gewone bronlibel en gaffellibel Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn er geen waarnemingen gedaan van beschermde insecten of ander ongewervelden. De periode van het veldbezoek betrof een ongeschikt moment om deze soorten vast te stellen. Geschikt leefgebied voor te verwachten beschermde insecten soorten is niet aangetroffen binnen het plangebied. Deze soorten hebben specifieke waardplanten en stellen ook andere specifieke habitateisen als stromende beken die niet aanwezig zijn binnen het plangebied. Conclusie Aanwezigheid van leefgebied van beschermde insecten en overige ongewervelden is uit te sluiten binnen het plangebied.

EA230137.R01.V2.1

3.3 Rode lijstsoorten In de directe omgeving van het plangebied (250m) zijn waarnemingen bekend van diverse bedreigde soorten flora en fauna van de Rode lijst. Het gaat hierbij om: torenvalk, veldleeuwerik en boerenzwaluw. Het is uitgesloten dat deze soorten essentieel functies hebben binnen het plangebied.

3.4 Gebiedsbescherming 3.4.1 Natura2000 De ingreep is geheel locatie gebonden en vindt plaats binnen de bebouwde kom. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000 gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000 gebied, Wälder und Heiden bei Bruggen-Bracht en het Swalmdal, liggen op ongeveer 3 kilometer afstand respectievelijk ten oosten van het plangebied in Duitsland en ten zuidwesten van het plangebied in Nederland (zie figuur 3.1).

Figuur 3.1 plangebied t.o.v. N2000

EA230137.R01.V2.1

3.4.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Limburg (hierna NNN en NNL) en ligt hier ook niet direct grenzend aan. Het meest nabij gelegen NNN ligt op circa 0,4 kilometer afstand ten westen van het plangebied (zie figuur 3.2).

Figuur 3.2 Plangebied t.o.v. NNN en NNL

3.4.3 Houtopstanden Binnen het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig die voldoen aan de voorwaarden van het onderdeel Omgevingswet houtopstanden. Voorwaarden van het onderdeel houtopstanden zijn hieronder weergegeven. Houtkap vindt plaats en voldoet aan de volgende eisen: o

De te kappen houtopstand is gelegen buiten de bebouwingscontour houtkap én;

o

De te kappen houtopstand maakt deel uit van een totale houtopstand van meer dan 10 are en/ of;

o

De te kappen houtopstand bestaat uit meer dan twintig bomen in rijbeplanting.

Als de voorgenomen kap van bomen niet voldoet aan deze voorwaarden geldt er geen herbeplantingsplicht onder de Omgevingswet, wel kan er nog een gemeentelijke kapverordening gelden, afhankelijk van de ligging, soort boom en hoeveelheid.

EA230137.R01.V2.1

4 Effectbeoordeling en toetsing De volgende hoofdstukken zijn opgesteld op basis van wat hiervoor is beschreven onder doel, werkzaamheden en planning in hoofdstuk 2. Wijzigingen in planning, fasering, uitvoermethode of geheel nieuwe activiteiten in afwijking van dit rapport, dienen vooraf getoetst te worden door de ecoloog. Deze kunnen immers ook (nieuwe) nadelige gevolgen hebben op de mogelijk aanwezige flora en fauna. Ecologische onderzoeken en te treffen maatregelen zijn gebonden aan specifieke perioden voor uitvoering. Om ongewenste uitloop te voorkomen, is het daarom noodzakelijk om wijzigingen zo vroeg mogelijk in beeld te brengen en te communiceren met de ecoloog.

4.1 Soortenbescherming 4.1.1 Effectbeoordeling In de onderstaande Tabel 4.1 is per soortgroep voor de mogelijk aanwezige soorten aangegeven of er nadelige gevolgen op kunnen treden door de voorgenomen ingreep.

Tabel 4.1: Effecten per soortgroep als gevolg van de ingreep. Soortgroep

Mogelijke effecten

Toetsing noodzakelijk?

Vogels met een jaarrond beschermd nest Huismus

Vernietigen van essentieel leefgebied als schuilplaatsen en

Ja, ten aanzien van huismus

foerageerlocaties nabij vaste nestplaatsen van huismussen in de omgeving door het rooien van struweel binnen het plangebied als de ligusterhaag, Spaanse aken en bramenstruwelen. Vogels zonder een jaarrond beschermd nest Diverse soorten

Vernietigen van nestplaatsen door rooien van struweel en bomen. En

Ja

verstoring van actieve nestplaatsen in de directe omgeving van het plangebied waardoor broedvogels mogelijk dusdanig worden verstoord zodat nest worden verlaten en jongen dieren worden gedood. Verstoring kan optreden door werkzaamheden met zwaar materieel zoals het bouwrijp maken van het perceel en werkzaamheden tijdens het bouwen van de woningen en parkeerplaatsen. Vleermuizen Boom

bewonende

soorten

Vernietigen van verblijfplaatsen, doden en verstoren van dieren in

Ja

verblijfplaatsen en vernietigen van foerageergebied door het rooien van bomen met potentiële verblijfplaatsen. Verstoren van dieren door plaatsen van bouwverlichting in het actieve seizoen.

Diverse soorten

Verstoren van dieren met vaste vliegroutes binnen het plangebied door het plaatsen van bouwverlichting in het actieve seizoen en het verwijderen van bosschages die onderdeel uitmaken van lijnvormige elementen waar vleermuizen mogelijk gebruiken als vaste vliegroute.

EA230137.R01.V2.1

Ja

Soortgroep

Mogelijke effecten

Toetsing noodzakelijk?

Grondgebonden zoogdieren Diverse soorten

Vernietigen van verblijfplaatsen en doden van dieren bij

Nee*

werkzaamheden als bouwrijp maken van het perceel en af en aanvoer van materieel. Amfibieën Diverse soorten

Ten aanzien van rugstreeppad: Creëren van ideale

Ja ten aanzien van rugstreeppad*

voortplantingsomstandigheden voor rugstreeppad bij graafwerkzaamheden, of aan-/afvoer van zwaar materieel, waardoor dieren kunnen worden gedood tijdens de werkzaamheden in recent gecreëerd habitat dat mogelijk weer wordt vernietigd. Ten aanzien van algemeen voorkomende amfibieën: vernietigen van verblijfplaatsen en doden van dieren bij werkzaamheden als bouwrijp maken van het perceel en af en aanvoer van materieel. Reptielen Levendbarende

Doden van incidenteel aanwezige dieren bij werkzaamheden als

hagedis

bouwrijp maken van het perceel, af- en aanvoer van materieel en

Ja**

rooien van struweel en bomen. Hazelworm

Doden van incidenteel aanwezige dieren bij werkzaamheden als

Ja**

bouwrijp maken van het perceel, af- en aanvoer van materieel en rooien van struweel en bomen. Insecten en overige ongewervelden Diverse soorten

Negatieve effecten ten aanzien van strikt beschermde soorten, gezien

Nee

het ontbreken van deze soorten binnen het plangebied. *Provincie Limburg hanteert een vrijstelling voor een aantal in het plangebied mogelijk aanwezige soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Zie hiervoor bijlage 1. Deze soorten worden niet in de toetsing meegenomen. Desondanks geldt wel de zorgplicht voor deze en alle andere soorten. **Voor deze soorten geldt in de provincie Limburg een tijdelijke vrijstelling voor aantasting van leefgebied (niet voor doden en verwonden van dieren). Ten aanzien van levendbarende hagedis loopt de tijdelijke vrijstelling van 15 augustus tot en met 15 oktober en voor hazelworm in juli, augustus en september.

4.1.2 Toetsing aan Omgevingswet Zoals gebleken uit de effectbeoordeling kunnen er mogelijk nadelige gevolgen optreden voor de soorten ten gevolge van de ingreep. Deze nadelige gevolgen resulteren mogelijk in een vergunning plicht Omgevingswet onderdeel natuur. In dit hoofdstuk is de ingreep getoetst in de (mogelijk) aanwezige soorten. In de onderstaande Tabel 4.2 wordt inzichtelijk gemaakt tot welke beschermingscategorie de (mogelijk) aanwezige soorten toe behoren. Tabel 4.2: Beschermingscategorie van de mogelijk aanwezige soorten. Soort/soortgroep

Beschermingscategorie

Vogels met een jaarrond beschermd nest Huismus

Vogelrichtlijnsoorten – Art. 11.37 Bal

Vogels zonder jaarrond beschermd nest Diverse soorten

EA230137.R01.V2.1

Vogelrichtlijnsoorten – Art. 11.37 Bal

Soort/soortgroep

Beschermingscategorie

Vleermuizen Boom bewonende vleermuizen

Habitatrichtlijnsoorten – Art. 11.46 Bal

Diverse soorten

Habitatrichtlijnsoorten – Art. 11.46 Bal

Amfibieën Rugstreeppad

Habitatrichtlijnsoorten – Art. 11.46 Bal

Reptielen Levendbarende hagedis

Andere soorten - Art. 11.54 Bal

Hazelworm

Andere soorten - Art. 11.54 Bal

Per beschermingscategorie worden de effecten op deze soorten in onderstaande tabellen getoetst aan de Omgevingswet. Met deze toetsing wordt geen rekening gehouden met eventuele maatregelen die deze effecten verzachten. Tabel 4.3: Overzicht van schadelijke handelingen: vergunning plichtige gevallen Vogelrichtlijn (Art. 11.37 Bal). Soort

Lid

Lid

Lid

Lid

1a

1b

1c

1d

Toelichting

Vogels met een jaarrond beschermd nest Huismus X Toelichting schadelijke handelingen Het is verboden om: Lid 1a : te doden of te vangen Lid 1b : opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen Lid 1c : eieren te rapen en deze onder zich te hebben Lid 1d : opzettelijk te verstoren; verstoring toegestaan indien niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding Lid 3 : het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder b, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Tabel 4.4: Overzicht van schadelijke handelingen: vergunning plichtige gevallen Habitatrichtlijn (Art. 11.46 Bal). Soort

Lid

Lid

Lid

Lid

Lid

Toelichting

1a

1b

1c

1d

1e

Boom bewonende vleermuizen

X

X

-

X

-

-

Overige soorten

-

X

-

X

-

-

X

X

X

X

-

Negatieve effecten treden enkel op in de actieve

Vleermuizen

Amfibieën Rugstreeppad

periode van rugstreeppad (april t/m september). Toelichting schadelijke handelingen Het is verboden om: Lid 1a : opzettelijk te doden of te vangen Lid 1b : opzettelijk te verstoren Lid 1c : eieren van de dieren opzettelijk te vernielen of te rapen Lid 1d : voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen Lid 1e : opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

EA230137.R01.V2.1

Tabel 4.5: Overzicht van schadelijke handelingen: vergunning plichtige gevallen Andere soorten (Art. 11.54 Bal). Soort

Lid 1a

Lid 1b

Lid 1c

Toelichting

X

-

-

-

Reptielen Levendbarende hagedis

Hazelworm X Toelichting schadelijke handelingen Het is verboden om: Lid 1a : opzettelijk te doden of te vangen Lid 1b : vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen Lid 1c : opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

4.1.3 Maatregelen ter voorkomen van negatieve effecten Voor de mogelijk aanwezige soort(groep)en in het plangebied is het mogelijk en noodzakelijk om maatregelen in acht te nemen zodoende nadelige gevolgen en daarmee de kans op overtreding te kunnen voorkomen. Voor alle strikt beschermde soorten die (mogelijk) in het plangebied voorkomen is het mogelijk door middel van deze maatregelen alle nadelige gevolgen op voorhand te voorkomen, met uitzondering van huismus. Ten aanzien van de huismuis zijn nadelige gevolgen niet op voorhand te voorkomen. Vervolgstappen voor deze soortgroep is inzichtelijk gemaakt in §4.1.4. De in het plangebied mogelijk aanwezige algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën zijn vrijgesteld in het kader van een ruimtelijke ingreep. Voor deze, en alle andere beschermde en niet-beschermde soorten geldt wel de zorgplicht (Afd. 1.3, Ow). Vogels zonder jaarrond beschermd nest Ten aanzien van vogels zonder jaarrond beschermd nest in en nabij het plangebied dient de verstoring dusdanig te worden beperkt zodat vergunning plichtige handelingen niet aan de orde zijn. Hiervoor dienen de volgende maatregelen te worden toegepast: •

Verwijdering van de struwelen en bomen dient te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen maart – augustus. Gedurende het broedseizoen kunnen deze werkzaamheden niet worden uitgevoerd zonder risico op overtredingen van de Omgevingswet;

•

Geplande werkzaamheden mogen niet conflicteren met benodigde maatregelen ten aanzien van huismus zoals uiteengezet in § 4.1.3

Boom bewonende vleermuizen: Tijdens het aanvullende veldbezoek zijn alle bomen in het plangebied uitvoerig gecontroleerd op de aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen als losse schors, nissen, ingerotte gaten en spechtenholen waar vleermuizen in zouden kunnen verblijven. In de vitale bomen en jonge opslag binnen het plangebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. Aan de buitenrand van het plangebied zijn echter locaties gevonden die mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen herbergen. In figuur 1.4.3b is een kaartje weergegeven met een polygoon waarop de bomen met holten en daarmee potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen. Zijn aangegeven. Het gaat om diverse populieren zoals zichtbaar op de afbeelding in figuur 1.4.3b. Deze bomen alsmede de bomen rondom in de groenstrook dienen behouden te blijven. Indien deze bomen niet gehandhaafd kunnen worden zijn er vervolgstappen noodzakelijk een onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in deze bomen te worden uitgevoerd conform het vleermuisprotocol versie 20211.

1

Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021) Vleermuisprotocol 2021, januari 2021

EA230137.R01.V2.1

Overige vleermuizen De bomenrand dient gehandhaafd te blijven om mogelijke vliegroutes van vleermuizen te behouden. Dit betekent in de praktijk dat de bomen ten westen (rechts op de foto) van het de rode lijn in figuur 1.4.3a en b een doorlopende beplantingstrook van bomen dient te blijven die kan fungeren als een geleidende vliegroute structuur. De te behouden bomen dienen opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol. Tevens moet deze lijn door een begeleidend ecoloog in het veld worden uitgezet zodat de verwijdering van potentiële verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. Indien het niet mogelijk blijkt om deze bomen te behouden zijn er vervolgstappen noodzakelijk als een nader onderzoek conform het vleermuisprotocol versie 2021.

Figuur 4.1.3a boven en figuur 4.1.3b beneden

EA230137.R01.V2.1

Rugstreeppad Wegens de mobiele aard van rugstreeppadden dient tijdens de werkzaamheden kolonisatie van het werkgebied in ontstane poelen of water in rijsporen te worden voorkomen. Door waterpoelen of rijsporen waarin water kan verzamelen direct te dichten of laten leeglopen kan het risico op kolonisatie ten aanzien van rugstreeppad afdoende worden voorkomen. Deze handelswijze is enkel van toepassing in de periode april t/m september, buiten deze periode is de soort niet actief (winterrust) en wordt kolonisatie niet verwacht. Hazelworm en levendbarende hagedis Het potentiële leefgebied van levendbarende hagedis en hazelworm zoals weergegeven in figuur 4.1.3b dient behouden te blijven. Rooien van vegetatie en grondwerkzaamheden in dit gebied kan leiden tot schadelijke handelingen als het doden van dieren. Dergelijke handelingen vallen niet onder de periodieke vrijstelling van hazelworm en levendbarende hagedis die respectievelijk lopen van: juli tot en met september en 15 augustus tot en met 15 oktober. Indien het leefgebied zoals weergegeven in figuur 4.1.3b niet gehandhaafd kan blijven zijn er vervolgstappen ten aanzien van deze soorten noodzakelijk als een nader onderzoek conform het soortinventarisatieprotocol van Netwerk Groene Bureaus . Zorgplicht Werk in één richting in de richting van een veilige vluchtroute zodat dieren kunnen vluchten.

Voorkom daarbij dat dieren in hoeken ‘gevangen’ worden of richting het water door de werkrichting zodanig aan te passen. Individuen van soorten zoogdieren, amfibieën, etc. die zich in het werkterrein ophouden en niet zelfstandig weg kunnen komen dienen tot direct buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden op een veilige natuurlijke plek geplaatst te worden om zodoende doden en verwonden zoveel als mogelijk te voorkomen. Werk daarbij rustig zodoende aanwezige individuen de kans te bieden zich buiten het plangebied te verplaatsen. De specifieke zorgplicht, zoals genoemd in Artikel 11.27 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving, vraagt meer aandacht voor bedreigde soorten. In de specifieke zorgplicht wordt gesteld dat specifiek rekening gehouden dient te worden met de volgende soorten: •

Vogelrichtlijn Artikel 4.2 en bijlage 1

•

Rode lijst soorten

•

Habitatrichtlijn bijlage II, IV en V

•

Nationaal beschermde soorten

Uit het bureauonderzoek blijkt dat er diverse soorten van de Rode lijst aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied. Daarnaast is het niet uitgesloten dat er ook andere soorten van bovengenoemde richtlijnen voorkomen in het plangebied. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna uit bovengenoemde lijsten en Bijlage III. Nadelige gevolgen voor deze soorten en hun nesten, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen, eieren en groeiplaatsen dienen zoveel als mogelijk voorkomen te worden. Het is niet noodzakelijk om een nadere habitatbeoordeling op te laten stellen of passende preventieve maatregelen te treffen, omdat de maatregelen omtrent algemene zorgplicht en overige opgestelde maatregelen zoals beschreven in deze paragraaf afdoende zijn om aan de specifieke zorgplicht te voldoen.

EA230137.R01.V2.1

4.2 Vervolgstappen Nadelige gevolgen door het verwijderen van essentieel leefgebied van huismus is niet op voorhand te voorkomen. De werkzaamheden leiden tot schadelijke handelingen en het is noodzakelijk om een vergunning te verkrijgen in het kader van de Omgevingswet. Indien niet kan worden voldaan aan de in 4.1.3 gestelde voorwaarden en maatregelen dan is mogelijk naast huismus ook onderzoek en vergunningsplicht noodzakelijk voor reptielen en vleermuisfuncties. Huismuis Door het verwijderen van de liguster- en Spaanse aak struwelen in het noordelijk deel van het plangebied zal essentieel foerageer- en dekkingsgebied van huismussen die in de directe omgeving van het plangebied broeden worden vernietigd. Gezien het ontbreken van vergelijkbaar leefgebied ( essentieel leefgebied ligt binnen 50 meter van een nestplek) in de directe omgeving van de lokale huismusterritoria is een vergunning plichtige handeling onvermijdelijk wanneer deze struwelen binnen het plangebied worden verwijderd. Het is noodzakelijk om tijdens het broedseizoen van de huismus doorlopend afdoende geschikt leefgebied te behouden binnen het plangebied en binnen de afstand territoria van de betreffende huismussen.

Dit kan door tijdelijke en permanente maatregelen te treffen zoals de aanplant van goed ontwikkelde hagen met Spaanse aak en (haag) beuk en door het aanbieden van tijdelijke maatwerk mussen voedsel en schuilplekken. De vervolgstappen bestaan uit het opstellen van een activiteitenplan, uitvoeren van de mitigerende maatregelen en het aanvragen van een vergunning bij het bevoegd gezag.

4.3 Gebiedsbescherming 4.3.1Effectbeoordeling Natura 2000 Door de ligging van het plangebied buiten het Natura 2000 gebied zijn directe effecten uitgesloten. Echter, een effect als gevolg van stikstofdepositie is gezien de afstand van grofweg 3 kilometer tot nabijgelegen Natura 2000gebieden en de omvang van de werkzaamheden (hoewel beperkt) niet volledig uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen het NNN. Daarmee zijn directe effecten ten gevolge van de ingreep uitgesloten. Vanwege de afstand tussen de ingreep en het meest nabij gelegen gebied vallend onder het NNN en de relatief kleinschalige aard en tijdsdoorloop zijn nadelige gevolgen door een externe werking tevens uitgesloten. Houtopstanden De voorgenomen bomenkap voldoet niet aan de voorwaarden van het onderdeel houtopstanden onder de Omgevingswet. Met de kap van bomen zijn mogelijk wel gemeentelijke verordeningen van toepassing.

4.3.2 Vervolgstappen gebiedsbescherming Ten aanzien van gebiedsbescherming dient de volgende vervolgstap genomen te worden: •

Stikstofdepositieberekening met de Aerius-calculator om vervolgstappen voor het aspect stikstof te bepalen met betrekking tot de aanleg- en gebruiksfase. Afhankelijk van de resultaten van deze berekening kunnen vervolgstappen noodzakelijk zijn. .

EA230137.R01.V2.1

5 Conclusie en advies Geonius Milieu B.V. heeft in opdracht van Stichting Nester een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd ter plaatse van de locatie de Wederikstraat te Reuver, provincie Limburg. Aanleiding voor deze quickscan natuurwetgeving vormt de aanleg van bebouwing op percelen aan de Wederikstraat te Reuver. Dergelijke ingrepen kunnen leiden tot nadelige gevolgen op beschermde soorten en of beschermde gebieden en daarmee vergunningplicht in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. Zie bijlage 1 voor het wettelijk kader. Dergelijke ingrepen kunnen leiden tot nadelige gevolgen op beschermde soorten en of beschermde gebieden en daarmee overtreding van de Omgevingswet onderdeel natuur. Doel van het onderzoek is om inzichtelijk maken welke beschermde natuurwaarden in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn en te beoordelen of de voorgenomen werkzaamheden nadelige gevolgen kunnen hebben op deze waarden.

5.1 Soortenbescherming Uit de quickscan is gebleken dat het plangebied (mogelijk) functies biedt voor de volgende beschermde soorten: •

Vogels met een jaarrond beschermd nest → essentieel leefgebied binnen het plangebied voor huismussen in de directe omgeving bestaand uit foerageer- en dekkingsgebied;

•

Vleermuizen → verblijfplaatsen voor boom bewonende vleermuizen binnen het plangebied en vliegroutes voor diverse soorten vleermuizen;

•

Grond gebonden zoogdieren → leefgebied van algemeen voorkomede grondgebonden zoogdieren;

•

Amfibieën; rugstreeppad, en algemeen voorkomende amfibieën, landhabitat gedurende het actieve seizoen;

•

Reptielen → leefgebied voor levendbarende hagedis en hazelworm binnen een deel van het plangebied.

Door de voorgenomen ingreep leidt dit voor een aantal soorten tot nadelige gevolgen en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Ow. Deze nadelige gevolgen zijn voor vogels zonder jaarrond beschermd nest, vleermuizen, hazelworm, levendbarende hagedis en rugstreeppad te voorkomen door middel van de maatregelen zoals beschreven in § 4.1.3 waaronder mogelijk gedeeltelijke aanpassing van de uitvoeringsplannen. Enkel wanneer deze maatregelen volledig toepasbaar en uitvoerbaar zijn binnen de werkzaamheden zijn nadelige gevolgen en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen Ow te voorkomen. Door de voorgenomen ingreep leidt dit voor een huismus tot nadelige gevolgen en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow. De mogelijke nadelige gevolgen voor huismus zijn niet volledig te voorkomen. Ten aanzien van huismus zijn de volgende vervolgstappen van toepassing: opstellen activiteitenplan, uitvoeren van tijdelijke en permanente mitigerende maatregelen, aanpassing en rekening houden in planning en uitvoeringsperiode en het aanvragen (verkrijgen) van een vergunning bij het bevoegd gezag.

EA230137.R01.V2.1

5.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura2000-gebieden zijn nadelige gevolgen ten gevolge van een toename van stikstofdepositie door de ingreep niet volledig uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Nadelige gevolgen ten gevolge van de ingreep zijn daarmee op voorhand uitgesloten. Houtopstanden De voorgenomen kap van bomen voldoet niet aan de voorwaarden van het onderdeel houtopstanden Ow. Wel kunnen mogelijk gemeentelijke verordeningen van toepassing zijn. Ten aanzien van gebiedsbescherming dienen de volgende vervolgstappen genomen te worden: •

Stikstofdepositieberekening met de Aerius-calculator om vervolgstappen voor het aspect stikstof te bepalen met betrekking tot de aanleg- en gebruiksfase. Afhankelijk van de resultaten van deze berekening kunnen vervolgstappen noodzakelijk zijn.

EA230137.R01.V2.1

Bijlage 1 Wetgeving Toetsingskader De Omgevingswet (Ow) is per 1 januari 2024 van kracht. Deze wet regelt het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Onder de Omgevingswet onderdeel ‘natuur’ valt de bescherming van soorten, Natura 2000-gebieden, Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. In onderstaande paragrafen wordt het wettelijke kader per thema kort uiteengezet. Soortenbescherming Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht waarin de voorgaande Wet natuurbescherming is opgenomen. De Wet natuurbescherming was sinds 1 januari 2017 van kracht en diende als vervanger van de vroegere Flora en Faunawet, Natuurbeschermingswet en Boswet. Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgenomen onder de Omgevingswet. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De zorgplicht en Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) behandelen de soortenbescherming binnen Nederland, waaronder zowel plant- als diersoorten vallen. Voorheen was de rijksoverheid het bevoegd gezag, echter is dit sinds de invoering van de Wet Natuurbescherming gedelegeerd naar de provincies.

De zorgplicht is vermeld onder afdeling 1.3 van de Omgevingswet en stelt dat ‘een ieder verantwoordelijk is voor een veilige en gezonde leefomgeving, door nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken en ongedaan te maken. Deze algemene zorgplicht is altijd van kracht. In de zorgplicht wordt de intrinsieke waarde van alle in het wild levende plant- en diersoorten beschermd. Dit is onafhankelijk van de beschermde status van het dier en geeft een basisbescherming voor soorten. In de praktijk betekent de zorgplicht dat eenieder voldoende zorg in acht dient te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, met hun directe leefomgeving, wanneer in het landschap ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Naast de algemene zorgplicht gelden er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet ook specifieke zorgplichten. Deze specifieke zorgplicht stelt dat degene die een flora- en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen (zoals bedoeld in artikel 11.23 Bal) verplicht is om maatregelen te nemen en gevolgen te voorkomen.

Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in dat voorafgaand aan de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie of in de directe nabijheid van nature in Nederland in het wild leven dieren en planten. Het besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gaat specifiek in op de beschermde soorten. Hierin bestaan drie verschillende beschermingsregimes: •

Artikel 11.37 t/m 11.45: Vogelsoorten beschermd conform de Europese Vogelrichtlijn;

•

Artikelen 11.46 t/m 11.53: Flora- en faunasoorten beschermd conform de Europese Habitatrichtlijn IV, Bijlage I/II uit het Bonn Verdrag en Bijlage 1 uit het Bern Verdrag;

•

Artikel 11.54 t/m 11.59: Nationaal beschermde soorten vermeld in onderdeel A en B van bijlage IX van het Bal.

Elk van deze regimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en eisen om vrijstelling of ontheffing te verlenen. De schadelijke handelingen zijn te vinden in onderstaand overzicht:

EA230137.R01.V2.1

Tabel: Overzicht schadelijke handelingen Omgevingswet, beschermingsregime soorten in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 11.37 Bal

Habitatrichtlijn § 11.46 Bal

Andere soorten § 11.54 Bal

Art 11.37 lid 1a

Art 11.46 lid 1a

Art 11.54 lid 1a

Het is verboden in het wild levende

Het is verboden soorten in hun natuurlijke

Het is verboden soorten opzettelijk te

vogels opzettelijk te doden of te vangen.

verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te

doden of te vangen.

vangen. Art 11.37 lid 1b

Art 11.46 lid 1d

Art 11.54 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten,

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of

Het

rustplaatsen en eieren van vogels te

rustplaatsen van dieren te beschadigen of te

voortplantingsplaatsen,

vernielen of te beschadigen, of nesten

vernielen.

of eieren van dieren opzettelijk te

van vogels weg te nemen.

is

verboden

de

vaste

rustplaatsen

beschadigen of te vernielen.

Art 11.37 lid 1c

Art 11.46 lid 1c

Het is verboden eieren te rapen en deze

Het is verboden eieren van dieren in de natuur

onder zich te hebben.

opzettelijk te vernielen of te rapen.

Art 11.37 lid 1d en lid 3

Art 11.46 lid 1b

Het is verboden vogels opzettelijk te

Het

storen, tenzij de storing niet van

verstoren.

is

verboden

Niet van toepassing

Niet van toepassing dieren

opzettelijk

te

wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Niet van toepassing

Art 11.46 lid 1e

Art 11.54 lid 1c

Het is verboden plantensoorten in hun

Het is verboden plantensoorten in hun

natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te

natuurlijke

plukken en te verzamelen, af te snijden, te

opzettelijk

te

plukken

ontwortelen of te vernielen.

verzamelen,

af

te

verspreidingsgebied en

te

snijden,

te

ontwortelen of te vernielen.

Normaliter kan een project of bestemmingsplan geen doorgang vinden wanneer het tot nadelige gevolgen voor soorten leidt (flora- en fauna-activiteit). Echter bestaan een aantal uitzonderingen, waarop verbodsbepalingen niet van toepassing zijn: •

Vrijstelling geldt op basis van een provinciale verordening.

•

Gewerkt wordt met een goedgekeurde (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) RVO gedragscode.

•

Vergunning kan worden verleend.

Vrijstelling Provincies zijn bevoegd af te wijken van de vermelde beschermde soorten uit de Omgevingswet/Bal. De provincie verleent vrijstelling door de betreffende soort op te nemen in de provinciale verordening. Bij vrijstelling dient gekeken te worden of de ‘staat van instandhouding’ van de betreffende soort niet in gevaar komt. Vrijstelling geldt met name voor een aantal algemeen en beschermende voorkomende soorten, waaronder verscheidene knaagdieren, vossen en konijnen. Indien een soort op deze vrijstellingenlijst komt te staan, hoeft bij een nieuw project of bestemmingsplan niet getoetst te worden aan de verbodsbepalingen. RVO Gedragscode Voor diverse (reguliere) activiteiten en ruimtelijke ontwikkelingen kan vrijstelling van toetsing aan een initiatiefnemer worden verleend. Hiervoor dient een initiatiefnemer te handelen conform een gedragscode die

EA230137.R01.V2.1

is goedgekeurd door de RVO. Het gaat hierbij om onder andere handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik of ruimtelijke ontwikkelingen. In een dergelijk document wordt beschreven dat zorgvuldig gewerkt dient te worden, zodat geen schade aan beschermde plant- en diersoorten veroorzaakt wordt. Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit Voor een flora- en fauna-activiteit kan een initiatiefnemer een omgevingsvergunning aanvragen om af te wijken van verbodsbepalingen. Hiervoor is de provincie het bevoegd gezag. Om een vergunning te kunnen krijgen, dient aan de volgende criteria te worden voldaan: •

Geen andere bevredigende oplossing is mogelijk voor de handeling.

•

Het project/plan voldoet aan één van de in het Bal genoemde belangen.

•

De ingreep/handeling resulteert niet in een verslechtering van de ‘staat van instandhouding’ van de betreffende soort.

Gebiedsbescherming Om natuurgebieden op Europese schaal te beschermen, is door de Europese Commissie in 1979 de Vogelrichtlijn en in 1992 de Habitatrichtlijn ingevoerd. Vanuit beide richtlijnen is gebiedsbescherming een belangrijke component. Vanuit de Vogelrichtlijn dien(d)en door de lidstaten beschermde leefgebieden voor vogelsoorten aangewezen te worden. Voor de Habitatrichtlijn geldt dit voor alle andere (bedreigde) plant- en diersoorten. Hoofdstuk 11 van het Bal behandelt de bescherming van circa 160 Natura 2000-gebieden in Nederland. Voorheen was de rijksoverheid bevoegd gezag, echter is dit sinds de invoering van voorgenoemde wet gedelegeerd naar de provincies. (Ruimtelijke) Ontwikkelingen en nieuwe bestemmingsplannen leiden mogelijk tot significant nadelige gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Indien dit het geval is, wordt gesproken van een Natura 2000-activiteit. Natura 2000-activiteit: inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000 gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000 gebied.

Om vast te stellen of het project mogelijk leidt tot nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden dient een zogenaamde voortoets te worden uitgevoerd om de effecten van de geplande ontwikkelingen in kaart te brengen. Wanneer uit een dergelijke voortoets volgt dat nadelige (significante) gevolgen niet zijn uit te sluiten, dient aanvullend een verslechteringstoets en/of een passende beoordeling gedaan te worden. Verslechteringstoets Een verslechteringstoets wordt uitgevoerd wanneer vanwege de ingreep nadelige gevolgen zijn te verwachten, die niet significant zijn. In dit onderzoek wordt bekeken welke nadelige gevolgen kunnen optreden en wat voor impact deze hebben op de kwaliteit van een Natura 2000-gebied. Verder dient aangetoond te worden met welke mitigerende maatregelen de nadelige gevolgen worden weggenomen of verminderd. Tevens wordt beoordeeld of alsnog een vergunning noodzakelijk is. Passende beoordeling Als significant nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dient een passende beoordeling gedaan te worden. Deze beoordeling dient aan te tonen of de geplande ingrepen resulteren in significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Hierbij wordt nader ingegaan op verschillende habitattypen en doelsoorten van een betreffend gebied. Tevens wordt onderzocht welke mitigerende

EA230137.R01.V2.1

maatregelen nodig zijn om de effecten weg te nemen. Als deze niet zijn weg te nemen kan een vergunning niet verleend worden, tenzij een ADC-toets uitgevoerd kan worden. ADC-toets Bij een ADC-toets dient naar een aantal zaken gekeken te worden. Allereerst dient aangetoond te worden dat geen (A)lternatieven voor de ontwikkeling van toepassing zijn. Daarnaast moet een ontwikkeling voldoen aan (D)wingende redenen van groot openbaar belang. Als laatste dient te worden aangetoond dat het mogelijk is om negatieve effecten te (C)ompenseren voor het aangetaste Natura 2000-gebied. Bescherming NNN Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genaamd, bestaat sinds 1990. De rijksoverheid heeft dit netwerk via het Natuurbeleidsplan (1990) en de Nota Ruimte (2005) gerealiseerd. Destijds is dit systeem in het leven geroepen om een samenhangend natuurnetwerk te creëren, van hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen, ter bevordering van de Nederlandse natuur. Momenteel bestaat het NNN uit Natura 2000-gebieden, de vroegere natuurmonumenten en natuurgebieden met een andere status. Deze gebieden zijn onderling verbonden door middel van ecologische verbindingszones om de migratie van plant- en diersoorten te bevorderen.

De bescherming van het NNN is in de Omgevingswet opgenomen in artikel 7.8 lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij omgevingsverordening worden in het belang van bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN regels gesteld. Deze regels moeten verzekeren dat: •

De kwaliteit en oppervlakte van het NNN niet achteruitgaan;

•

De samenhang tussen de gebieden van het NNN wordt behouden;

•

Dat als binnen het NNN activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijft.

Het NNN is juridisch beschermd wanneer het NNN planologisch is vastgesteld in de (kaart)bijlage Omgevingsverordening provincie. Bij wijziging van het bestemmingsplan (Omgevingsplan Ow) dienen bovenstaande regels getoetst te worden. Houtkap In afdeling 11.3 van het Bal is bepaald dat Nederlandse bossen beschermd dienen te worden, inhoudende dat niet zonder geldige reden bosareaal gekapt mag worden. Het betreft houtopstanden die voldoen aan de volgende criteria: •

De te kappen houtopstand is gelegen buiten de bebouwingscontour houtkap én;

•

De te kappen houtopstand maakt deel uit van een totale houtopstand van meer dan 10 are en/of;

•

De te kappen houtopstand bestaat uit meer dan twintig bomen in een rijbeplanting.

In de praktijk betekent dit dat wanneer bomen gekapt worden, of een bomenbestand gekapt wordt, hiervoor een melding bij het Omgevingsloket gedaan dient te worden. Verder geldt een herplantplicht waarvoor geldt dat herplant op hetzelfde perceel gerealiseerd dient te worden of ergens anders. De concrete uitwerking van deze regels verschilt per provincie. Herplanten: door aanplant, bezaaiing of natuurlijke verjonging of op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand;

EA230137.R01.V2.1

Behalve dat op provinciaal niveau wordt toegezien op de kap van bomenbestanden, wordt op gemeentelijk niveau ook toegezien op de kap van monumentale bomen en/of houtopstanden. Afhankelijk van de gemeente wordt per project gekeken hoe hiermee wordt omgegaan. Meer informatie over natuur onder de Omgevingswet is beschikbaar via de volgende link: Activiteiten natuur | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl)

EA230137.R01.V2.1

Bijlage 2 foto impressie plangebied

EA230137.R01.V2.1

Struweel met braam, hazelaar, spaanse aak en liguster

EA230137.R01.V2.1

EA230137.R01.V2.1

Spechtenhol in dode (ratel)populier

EA230137.R01.V2.1

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=e43d8b0a-e578-453f-9f9a-bceea25035ee