CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

Quickscan flora en fauna

Raadscommissievergadering 23 juni 2025, gemeente BeeselBij agendapunt: Vaststelling omgevingsplanwijziging Rustoord Reuver10.432 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE Quickscan natuurwaarden Rustoord Reuver

Rapport quickscan natuurwaarden Rustoord, Reuver Opdrachtgever

Rho Adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven

1

Rapportnummer

24785.002

Versienummer

D2

Status

Definitief

Datum

19 december 2024

Opsteller1

Mevrouw S.J.A. Tanis, BSc

Kwaliteitscontrole

Mevrouw L.H.M. Geraets, BSc

Vrijgave

In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.

KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 2

2

GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 3 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 3 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 6

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 7

4

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 8 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

5

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 17 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

6

Vogels ............................................................................................................................................. 8 Vleermuizen ................................................................................................................................. 10 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 11 Reptielen ...................................................................................................................................... 12 Amfibieën ..................................................................................................................................... 13 Vissen ........................................................................................................................................... 13 Ongewervelden ............................................................................................................................ 14 Planten ......................................................................................................................................... 15 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 15

Broedvogels .................................................................................................................................. 17 Vleermuizen ................................................................................................................................. 18 Teunisbloempijlstaart .................................................................................................................. 18 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 18 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 19

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 20 6.1 6.2

Natura 2000 ................................................................................................................................. 20 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 21

7

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 23

8

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 24

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

24785.002 versie D2

Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Omgevingswet

1 / 26

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Rho Adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden aan Rustoord te Reuver. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

24785.002 versie D2

2 / 26

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 1,3 ha) ligt aan het Rustoord in Reuver. In figuur 2.1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood omkaderd en gele pijl).

De onderzoekslocatie is deels verhard en deels onverhard. Het verharde deel bestaat uit (een deel van) de straten Rustoord, Prinses Irenelaan, Parklaan en Meester Bosmanshof, en een parkeerplaats in het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie. Het onverharde deel bestaat uit een gemaaid grasveld met bomen ten noorden van de parkeerplaats en een verwoekerd veld in de noordwestelijke hoek. De onderzoekslocatie is gelegen in de bebouwde kom van Reuver en is omgeven door woonhuizen en appartementencomplexen. Ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich een basisschool. Verder ten oosten bevinden zich een begraafplaats en een park met kleine bosschage, ten noorden bevindt zich een grotere bosschage. Ten zuiden bevindt zich het centrum van Reuver.

24785.002 versie D2

3 / 26

In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m 2.11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Figuur 2.2 Luchtfoto van de onderzoekslocatie (wit omkaderd) en directe omgeving.

24785.002 versie D2

4 / 26

Figuur 2.3 Prinses Irenelaan, kijkrichting noordoost.

Figuur 2.4 Westelijke deel van veld gelegen aan de Prinses Irenelaan en Rustoord, kijkrichting noord.

Figuur 2.5 Oostelijk deel van veld gelegen aan Prinses Irenelaan en Rustoord, kijkrichting zuid.

Figuur 2.6 Zuidelijke deel Rustoord, kijkrichting zuid.

Figuur 2.7 Grasveld ten noorden van parkeerplaats aan Rustoord, kijkrichting noord.

Figuur 2.8 Parkeerplaats aan Rustoord, kijkrichting oost.

Figuur 2.9 Noordelijke deel Rustoord, kijkrichting noord.

Figuur 2.10 Siertuin behorende tot Rustoord 57 t/m 61, kijkrichting zuid.

Figuur 2.11 Meester Bosmanshof, kijkrichting noord.

24785.002 versie D2

5 / 26

2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens de wijk te vernieuwen door middel van het realiseren van nieuwbouw, het verleggen van een straat en het planten van bomen. Ten behoeve van de voorgenomen ingreep zal de verkeerssituatie wijzigen. De bomen op de onderzoekslocatie zullen tijdens en na de ingreep behouden blijven. In figuur 2.12 is een schets van de toekomstige situatie weergegeven.

Figuur 2.12 Schets toekomstige situatie, met daarin: nieuwbouw roze gearceerd, bestaande bebouwing zwart omkaderd, nieuwe bestrating geel gearceerd, bestaande bestrating zwart omkaderd en bestaande bomen donkergroen gearceerd.

24785.002 versie D2

6 / 26

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het bureauonderzoek heeft plaatsgevonden zowel voorafgaand aan het veldboek, als bij het schrijven van de rapportage. Het veldbezoek is afgelegd op 26 juni 2024. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.

Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

24785.002 versie D2

7 / 26

4

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.

4.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. In de omgeving van de onderzoekslocatie kunnen dit nestlocaties zijn van: boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, havik, huiszwaluw, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, steenuil, torenvalk en wespendief. Van deze soorten kunnen nestgelegenheden van boomvalk, bosuil, havik, kerkuil, ransuil, steenuil, torenvalk en wespendief op voorhand worden uitgesloten, vanwege het ontbreken van geschikt habitat op en rond de onderzoekslocatie en de mate van verstoring in de bebouwde kom. Waarnemingen van deze soorten zullen eerder betrekking hebben op de bosschages en weilanden in de omgeving. Boerenzwaluw en huiszwaluw De boerenzwaluw en huiszwaluw zijn typische gebouwbewonende koloniebroeders. De boerenzwaluw bouwt zijn nestkommetje van modder hoofdzakelijk in boerenstallen in het agrarisch buitengebied. De huiszwaluw maakt nesten tegen de (witte) gevels of onder (wit) dakoverstek van bebouwing. Wegens het ontbreken van bebouwing op de onderzoekslocatie kan de aanwezigheid van nesten van de boerenzwaluw en huiszwaluw binnen de onderzoekslocatie worden uitgesloten.

Tevens zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten of nestresten van deze soorten aangetroffen bij de aangrenzende bebouwing. Overtreding ten aanzien van de boerenzwaluw en de huiszwaluw kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Gierzwaluw en huismus De gierzwaluw en huismus zijn typische gebouwbewonende koloniebroeders. De gierzwaluw broedt enkel binnen de bebouwde kom en heeft zijn nestlocatie onder overhangende dakpannen of in spleten in bebouwing. De huismus wordt zowel binnen als buiten de bebouwde kom waargenomen, en nestelt meestal in ruimtes onder dakpannen, die de huismus via de dakgoot kan bereiken. Wegens het ontbreken van bebouwing binnen de onderzoekslocatie kunnen nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus op de onderzoekslocatie worden uitgesloten. In het appartementencomplex en de woningen grenzend aan de westelijke zijde van de onderzoekslocatie kunnen potentieel nesten van huismus of gierzwaluw in de bebouwing aanwezig zijn. Om verstoring van potentieel aanwezige nesten te voorkomen dient buiten het broedseizoen te worden gewerkt (zie hoofdstuk 5).

24785.002 versie D2

8 / 26

Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van (snelstromende) beken en rivieren, liefst met loofbos en loofbomen omzoomd. Vanwege het ontbreken van geschikte nestgelegenheden op de onderzoekslocatie, zoals nissen in muren of nestkasten, biedt deze echter geen geschikt habitat aan de grote gele kwikstaart. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van de grote gele kwikstaart kan op basis van het natuurwaardenonderzoek worden uitgesloten. Ooievaar Ooievaars zijn bouwers van grote nesten. De ooievaar broedt op hoge plekken zoals schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform, en zeer zelden in bomen. Over het algemeen is deze soort te vinden rond extensief beheerde weilanden in veenweidegebieden en uiterwaarden met een hoge waterstand. Binnen de onderzoekslocatie zijn geen nestpalen of grote nesten van de ooievaar aangetroffen. De waarnemingen uit de NDFF hebben hoofdzakelijk betrekking op de bosschages en weilanden in de omgeving van de onderzoekslocatie. De aanwezigheid van beschermde nesten van de ooievaar kunnen binnen de onderzoekslocatie worden uitgesloten. Roek Roeken zijn echte koloniebroeders die in de toppen van bomen, tientallen tot soms wel duizend nesten bouwen, vaak aan kanalen, spoor- of snelwegen.

Er zijn geen indicaties aangetroffen voor de aanwezigheid van een roekenkolonie, bijvoorbeeld in de vorm van foeragerende individuen, nesten of andere sporen van roek. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van roek kan op basis van het natuurwaardenonderzoek worden uitgesloten. Broedvogels (categorie 4-soorten) In Limburg wordt onderscheid gemaakt tussen de vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 3), en vogels waarvan voldoende functioneel leefgebied aanwezig moet blijven, de zogenaamde categorie 4-soorten. Deze vogels worden voldoende flexibel geacht om elders een nieuw nest te bouwen. Echter zijn ze wel dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit van hun leefgebied niet in het geding mag komen. In de omgeving van de planlocatie zijn waarnemingen bekend van de volgende categorie 4-soorten: blauwe reiger, buizerd, grauwe klauwier, ijsvogel, kramsvogel, oeverzwaluw, paapje, ringmus, sperwer, spotvogel, visdief en zwarte specht. In de omgeving van de onderzoekslocatie is voldoende alternatief leefgebied aanwezig voor categorie-4 soorten, namelijk het park ten oosten van de onderzoekslocatie en de weilanden en bosschages buiten de bebouwde kom. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben.

Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen (zie hoofdstuk 5). Overige broedvogels De bebouwing/beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan algemene broedvogelsoorten zoals groenling, houtduif en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 5).

24785.002 versie D2

9 / 26

4.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: bosvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Bij verblijfplaatsen van vleermuizen is onderscheid te maken tussen een zomerverblijf, kraamverblijf, paar/baltsverblijf (die ook als individueel winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden) en massawinterverblijf. Deze functies worden mede bepaald door specifieke kenmerken van bebouwing op de onderzoekslocatie. Deze verblijfplaatsen kunnen door diverse vleermuissoorten worden gebruikt. Gebouwbewonende vleermuizen De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde. Boombewonende vleermuizen Bij een deel van de aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn holtes, spleten en/of loshangend schors aangetroffen, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen (zie figuur 4.1 t/m 4.3). De bomen zullen behouden blijven, waardoor potentiële verblijfplaatsen niet zullen verdwijnen.

Wel dient zowel tijdens als na de ingreep verstoring van deze verblijfplaatsen te worden voorkomen (zie hoofdstuk 5).

Figuur 4.1 Boomholte, potentieel geschikt voor vleermuizen.

24785.002 versie D2

Figuur 4.2 Spleten en loshangende schors, potentieel geschikt voor vleermuizen.

Figuur 4.3 Loshangende schors, potentieel geschikt voor vleermuizen.

10 / 26

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Aangrenzend aan de onderzoekslocatie bevinden zich een aantal appartementencomplexen en woningen die geschikt zijn voor vleermuizen. In figuur 4.4 is een voorbeeld weergegeven van een potentieel geschikte verblijfplaats voor vleermuizen. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep potentieel hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie (zie hoofdstuk 5). Figuur 4.4 Stootvoeg in bebouwing grenzend aan Foerageerhabitat onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk boombewonende vleermuissoorten om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft het park ten oosten van de onderzoekslocatie.

Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.

4.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, damhert, das, edelhert, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn. Van deze soorten kunnen vaste rust- en/of verblijfplaatsen van bever, damhert, das, edelhert en wild zwijn op voorhand worden uitgesloten binnen de invloedssfeer van de onderzoekslocatie vanwege het ontbreken van geschikt habitat en schuilmogelijkheden. Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het dichte bladerdek niet goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn niet kan worden uitgesloten. De bomen op de onderzoekslocatie blijven echter behouden, waardoor eventuele nesten niet zullen verdwijnen. Potentieel maakt de eekhoorn gebruik van de onderzoekslocatie als foerageergebied.

Schadelijke handelingen ten aanzien van de eekhoorn zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 5).

24785.002 versie D2

11 / 26

Steenmarter Deze soort komt in de omgeving veelvuldig voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Tijdens het veldbezoek zijn deze niet aangetroffen. Tevens zijn er geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Potentieel maakt de steenmarter gebruik van de onderzoekslocatie als foerageergebied. In dat geval is de specifieke zorgplicht van toepassing (zie hoofdstuk 5). Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Wegens het ontbreken van water op en nabij de onderzoekslocatie kan de aanwezigheid van deze soort worden uitgesloten. Waarnemingen uit de NDFF zullen eerder betrekking hebben op de Maas 850 meter ten noorden van de onderzoekslocatie. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van de waterspitsmuis is niet aan de orde. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld.

Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en algemene muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen worden vergraven (zie hoofdstuk 5).

4.4 Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 10 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis en muurhagedis. Gladde slang, hazelworm en levendbarende hagedis De gladde slang komt voor op droge heideterreinen, maar ook op hogere delen van hoogveengebieden, open bossen en jonge aanplant op zandgrond. De hazelworm wordt voornamelijk waargenomen op bos- en heideterreinen, maar maakt daarnaast gebruik van tal van verschillende habitattypes. De levendbarende hagedis heeft een voorkeur voor heide en hoogveen, maar wordt ook waargenomen in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. Reptielen stellen specifieke eisen aan hun habitat. De onderzoekslocatie bestaat uit verharding, gemaaid gras, en een verwoekerd veld, en vormt daarmee slechts minimaal geschikt habitat voor deze soorten. De waarnemingen uit de NDFF zullen eerder betrekking hebben op de bosschages rondom Reuver. Verbindingsroutes van deze bosschages tot aan de onderzoekslocatie ontbreken. Beschermde reptielen zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten.

24785.002 versie D2

12 / 26

Muurhagedis De muurhagedis komt alleen voor in rivierdalen, op warme, stenige plekken, zoals rotswanden en stadsmuren (bron: RAVON). De soort komt enkel van nature voor in de directe omgeving van Maastricht. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot de kernpopulatie in Maastricht, kan worden uitgesloten dat de beschermde muurhagedis gebruik maakt van de onderzoekslocatie. De waarnemingen uit de NDFF hebben betrekking op uitgezette exemplaren. Deze zijn niet beschermd onder de Omgevingswet. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van de muurhagedis kan worden uitgesloten.

4.5 Amfibieën Alle amfibieën in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar de volgende soorten waargenomen: Alpenwatersalamander, kamsalamander en rugstreeppad. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor streng beschermde amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. Het voorkeurshabitat van de Alpenwatersalamander en kamsalamander bestaat uit beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. De rugstreeppad is een pioniersoort die een voorkeur heeft voor zandige gebieden als duinen en ruderale terreinen. De onderzoekslocatie bestaat uit verharding, gemaaid gras, en een verwoekerd veld, en vormt daarmee slechts minimaal geschikt landhabitat voor deze soorten. De waarnemingen uit de NDFF zullen eerder betrekking hebben op de bosschages rondom Reuver. Potentieel kunnen individuen afkomstig uit het park ten oosten van de onderzoekslocatie sporadisch voorkomen op de onderzoekslocatie.

In dat geval dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht (hoofdstuk 5). Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting langs de randen van de onderzoekslocatie en in het verwoekerde veld. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Omgevingswet (zie hoofdstuk 5).

4.6 Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

24785.002 versie D2

13 / 26

4.7 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Omgevingswet een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Verder geldt voor libellen geldt dat water nodig is voor de voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF waarnemingen bekend van bruine eikenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart. Bruine eikenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder Geschikte waardplanten voor deze beschermde vlindersoorten zijn onder andere eik (bruine eikenpage), iep, populier, zoete kers en wilg (grote vos), boswilg en grauwe wilg (grote weerschijnvlinder), en kamperfoelie en sneeuwbes (kleine ijsvogelvlinder). Tijdens het veldbezoek is gelet op de aanwezigheid van waardplanten van deze soorten.

Deze zijn niet aangetroffen, en daarmee kan de aanwezigheid van bruine eikenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder binnen de onderzoekslocatie worden uitgesloten. Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart heeft open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen als habitat. De waardplanten van de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Tijdens het veldbezoek zijn waardplanten van teunisbloempijlstaart aangetroffen, namelijk de teunisbloem (zie figuur 4.5). Het kan niet worden uitgesloten dat de teunisbloempijlstaart gebruik maakt van de onderzoekslocatie (zie hoofdstuk 5). Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

24785.002 versie D2

Figuur 4.5 Teunisbloem

14 / 26

4.8 Planten De onderzoekslocatie is gelegen te midden van de bebouwde kom en is grotendeels verhard. Het onverharde deel bestaat uit een gemaaid veld en twee ongemaaide velden. Tijdens het veldbezoek zijn hier onder andere de volgende soorten waargenomen: margriet, luzerne, rolklaver, Engels raaigras, teunisbloem en vlaskbekje. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde plantensoorten is niet aan de orde.

4.9 Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten. Een Rode lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De dier- en plantensoorten zijn onderverdeeld in categorieën. Naast vogels zijn er ook lijsten voor amfibieën, bijen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, korstmossen, land- en zoetwaterweekdieren, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, reptielen, sprinkhanen en krekels, steenvliegen, vissen en zoogdieren. Volgens de actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn, naast de in hoofdstuk 4 reeds behandelde soorten, in de afgelopen 3 jaar Rode Lijst soorten uit de volgende categorieën waargenomen: dagvlinders, vaatplanten en zoogdieren.

Dagvlinders Volgens gegevens uit de NDFF komen de volgende vlindersoorten voor in de omgeving van de onderzoekslocatie: bruin blauwtje en zandoogje. De waardplanten van deze soorten zijn reigersbek, ooievaarsbek en zonneroosje (bruin blauwtje) en verschillende soorten gras (oranje zandoogje). Deze waardplanten zijn veel voorkomende soorten die voorkomen op de onderzoekslocatie. Er dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht en aanvullende maatregelen zijn noodzakelijk (zie hoofdstuk 5). Vaatplanten De volgende Rode lijst plantensoorten zijn volgens de NDFF in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen:, rapunzelklokje en tripmadam. Rapunzelklokje komt voor in bermen, grasland, bosranden en in spoorbermen. Tripmadam staat op open, zonnige, droge grond en op stenige plaatsen. Beide soorten komen voor in ruderale omgevingen. Hoewel het habitat op de onderzoekslocatie potentieel geschikt is voor deze soorten, zijn er tijdens het veldbezoek geen individuen van beide soorten waargenomen.

24785.002 versie D2

15 / 26

Aangezien het veldbezoek in de bloeiperiode van de soorten is uitgevoerd, kan de aanwezigheid van rapunzelklokje en tripmadam op de onderzoekslocatie worden uitgesloten. Zoogdieren Volgens gegevens uit de NDFF komen de haas, konijn en wezel voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is grotendeels verhard, en in het onverharde deel zijn geen konijnenholen of hazenlegers aangetroffen, noch anders sporen zoals uitwerpselen of wissels, die duiden op de aanwezigheid van deze soorten. Tevens ontbreek het op de onderzoekslocatie ontbreekt aan landschapselementen die met elkaar in verbinding staan. Gezien het ontbreken van voldoende schuilmogelijkheid en geschikte voortplantingslocaties zijn negatieve effecten voor deze soorten niet te verwachten. Potentieel kan een individu afkomstig uit de omgeving sporadisch voorkomen op de onderzoekslocatie. In dat geval dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (zie hoofdstuk 5).

24785.002 versie D2

16 / 26

5

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

5.1 Broedvogels Gierzwaluw en huismus Voor de potentieel aanwezige nesten van gierzwaluw en huismus in de bebouwing grenzend aan de onderzoekslocatie geldt dat de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode van deze soorten uitgevoerd dienen te worden. Artikel 11.37 (Bal) lid d (Het is verboden vogels opzettelijk te verstoren) is van toepassing. Volgens de Kennisdocumenten gierzwaluw (versie 2.0, juli 2023) en Kennisdocument huismus (versie 2.1, februari 2023), kan voor de kwetsbare periode grofweg de volgende periode genomen worden: begin maart - eind augustus. Werkzaamheden dienen dus in de periode september tot februari plaats te vinden. Indien het niet mogelijk of wenselijk is buiten de kwetsbare periode te werken, dient aanvullend onderzoek naar nestgelegenheden van de gierzwaluw en huismus plaats te vinden. Dit onderzoek bestaat uit meerdere veldrondes in het voorjaar en in de zomer, en wordt uitgevoerd conform de Kennisdocumenten gierzwaluw en huismus. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing.

De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.

24785.002 versie D2

17 / 26

5.2 Vleermuizen Een aantal bomen op de onderzoekslocatie en een deel van de bebouwing grenzend aan de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De geplande werkzaamheden op de onderzoekslocatie zouden in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot verstoring van deze verblijfplaatsen. Om verstoring van potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen te voorkomen, dient nachtelijke verlichting in de richting van de bebouwing zoveel mogelijk beperkt te worden, zowel tijdens de werkzaamheden als in de toekomstige situatie. De werkzaamheden zullen enkel bij daglicht worden uitgevoerd waardoor er geen extra uitstraling van verlichting zal zijn. Indien er toch gewerkt zal worden met werklichten, kan er worden verlicht met speciale verlichtingsarmaturen waarbij geen strooilicht ontstaat of zoveel mogelijk wordt voorkomen.

5.3 Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart valt onder de internationaal beschermde soorten conform Artikel 11.46, Bal. De soort staat vermeld in de Habitatrichtlijn, bijlage IV. Voor deze soorten geldt dat het verboden is om ze te doden, vangen of verstoren, en voortplantings- of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen. Ten aanzien van teunisbloempijlstaart dient aanvullend onderzoek uit te wijzen of de soort gebruik maakt van de onderzoekslocatie. Hiervoor zullen in de periode begin juli tot begin augustus een aantal veldbezoeken plaatsvinden. Het onderzoek vindt plaats conform het “onderzoeksprotocol vlinders en libellen” (Vlinderstichting, versie december 2023).

5.4 Specifieke zorgplicht Voor de specifieke zorgplicht soorten geldt dat negatieve gevolgen voor belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats van deze soorten dienen te worden voorkomen. Er dienen passende preventieve maatregelen te worden getroffen, welke moeten worden gemonitord op effectiviteit én er moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen. Dagvlinders Op de onderzoekslocatie zijn mogelijk dagvlinders behorende tot de Rode Lijst aanwezig. Om negatieve gevolgen te voorkomen dient het verwijderen van de beplanting en graafwerkzaamheden buiten de kwetsbare periodes plaats te vinden. Voor dagvlinders geldt de kwetsbare periode als de periode waarop rupsen op de waardplanten zitten. Voor het bruin blauwtje en oranje zandoogje is dit de periode van half augustus t/m eind juni. Het verwijderen van de beplanting op het verwoekerde veld dient dus plaats te vinden in de periode juli tot half augustus. Tevens dient in de toekomstige situatie weer geschikt habitat voor deze vlinders aanwezig te zijn, door middel van maaibeheer en de aanwezigheid van waardplanten van deze soorten in de toekomstige situatie. Zoogdieren en amfibieën Potentieel komen individuen van eekhoorn, steenmarter, Alpenwatersalamander, kamsalamander en rugstreeppad sporadisch voor op de onderzoekslocatie. Tevens kunnen algemene soorten zoals gewone pad, bruine

24785.002 versie D2

18 / 26

kikker, muizen en mollen, en zoogdieren uit de Rode Lijst, namelijk haas, konijn en wezel voorkomen op de onderzoekslocatie. Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (Bal) in. Voor de te verwachten voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, of geldt dat deze slechts sporadisch voorkomen op de onderzoekslocatie, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. Het verwijderen van het groen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uitgevoerd te worden. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen.

5.5 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

24785.002 versie D2

19 / 26

6

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

6.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, het Swalmdal, bevindt zich op circa 5,5 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie (figuur 6.1). Circa 8 kilometer ten zuidwesten van de onderzoekslocatie bevindt zich het Leudal, op 15 kilometer ten noordwesten bevindt zich de Deurnsche Peel en Mariapeel, en op 18 kilometer ten noordwesten de Groote Peel.

Deurnsche Peel en Mariapeel

Groote Peel

Leudal

Swalmdal

Figuur 6.1 Ligging van de onderzoekslocatie (wit omkaderd en gele pijl) ten opzichte van Natura 2000 (geel en groen gearceerd).

24785.002 versie D2

20 / 26

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de voorgenomen ingreep op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de vergunningplicht ‘Natura 2000activiteit’ ten aanzien van stikstof wordt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).

6.2 Natuurnetwerk Nederland In Limburg worden de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk en hierbinnen streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal, maar deze zone maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone worden wel ondersteund. De bronsgroene natuurzone omvat de landschappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden. Echter, de zilvergroene natuurzones en bronsgroene landschapszones maken wel onderdeel uit van het Provinciaal Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich op circa 200 meter afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

24785.002 versie D2

21 / 26

Legenda Goudgroene natuurzone Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone

Figuur 6.2

Ligging van de onderzoekslocatie (wit omkaderd) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

De onderzoekslocatie is circa 200 meter gelegen van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk wordt niet noodzakelijk geacht.

24785.002 versie D2

22 / 26

7

HOUTOPSTANDEN

In art. 11.112 zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf in artikel 11.111 (Bal). De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht.

24785.002 versie D2

23 / 26

8

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een quickscan natuurwaarden uitgevoerd aan Rustoord te Reuver. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de wijk te vernieuwen door middel van het realiseren van nieuwbouw, het verleggen van een straat en het planten van bomen. Ten behoeve van de voorgenomen ingreep zal de verkeerssituatie wijzigen. De bomen op de onderzoekslocatie zullen behouden blijven. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 8.1

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen. Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Omgevingsvergunning

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

mogelijk

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren

gierzwaluw en huismus

ja

nee*

nee*

nee*

*mits gewerkt wordt buiten de kwetsbare periode (september – februari), anders nader onderzoek

verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie

ja

mogelijk

nee

nee

beperken van nachtelijke verlichting

verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie

ja

mogelijk

nee

nee

beperken van nachtelijke verlichting

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

algemene soorten en steenmarter

ja

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van eekhoorn, steenmarter, egel en algemene muizensoorten

Soortgroep

Broedvogels

Vleermuizen

Grondgebonden zoogdieren

24785.002 versie D2

mogelijk

24 / 26

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Omgevingsvergunning

Bijzonderheden / opmerkingen*

Amfibieën

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van gewone pad en bruine kikker en incidenteel voorkomende Alpenwatersalamander, kamsalamander en rugstreeppad.

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en vlinders

ja

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

nader onderzoek naar teunisbloempijlstaart conform Onderzoeksprotocol vlinders en libellen (Vlinderstichting, 2023).

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

- verwijderen kruidachtige beplanting buiten kwetsbare periode dagvlinders en zorgen voor nieuw geschikt habitat in toekomstige situatie - aandacht voor zorgplicht ten aanzien van haas, konijn en wezel

Rode lijst

ja

mogelijk

nee

Nee

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

5,5 km

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

oriënterend stikstofonderzoek middels AERIUS-calculator uitvoeren voor aanlegfase en gebruiksfase

Natuurnetwerk Nederland

0,2 km

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

nee

nee

nee

nee

-

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie Broedvogels Voor de gierzwaluw en de huismus geldt dat werkzaamheden buiten de kwetsbare periode uitgevoerd dienen te worden. Indien dit niet mogelijk of wenselijk is, dient aanvullend onderzoek naar deze soorten plaats te vinden. Voor de algemene broedvogels en categorie 4-broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door eventuele nesten op de onderzoekslocatie buiten de broedperiode te verwijderen. Vleermuizen Voor potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in de bomen op de onderzoekslocatie en in de bebouwing grenzend aan de onderzoekslocatie dient verstoring te worden voorkomen door het beperken van nachtelijke verlichting tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.

24785.002 versie D2

25 / 26

Ongewervelden Op basis van onderhavige quickscan natuurwaarden dient voor uitvoering van de plannen middels een aanvullend onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van het plangebied voor teunisbloempijlstaart. Specifieke zorgplicht Ten aanzien van dagvlinders uit de Rode lijst dient de kruidige beplanting buiten de kwetsbare periode te worden verwijderd en dient in de toekomstige situatie weer geschikt habitat met waardplanten voor deze soorten aanwezig te zijn. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de specifieke zorgplicht. Er dient buiten kwetsbare periodes gewerkt te worden en dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. Gebiedsbescherming Ten aanzien van Natura 2000-gebieden wordt een oriënterend stikstofonderzoek en het opstellen van een voortoets noodzakelijk geacht. Wat betreft het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien bij de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.

Econsultancy Swalmen, 19 december 2024.

24785.002 versie D2

26 / 26

GERAADPLEEGDE BRONNEN BIJ12 (2023a). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ BIJ12 (2023b). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ BIJ12 (2024). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ Bos-Groenendijk, G.I. & N. Thierry (2023). Onderzoeksprotocol vlinders en libellen. Rapport VS2023.058, De Vlinderstichting, Wageningen. Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Krijgsveld KL, B Klaassen & J van der Winden (2022). Verstoring van vogels door recreatie. Literatuurstudie van verstoringsgevoeligheid en overzicht van maatregelen. Deel 1 hoofdrapport & deel 2 soortbesprekingen. Uitgave Vogelbescherming Nederland, Zeist. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 19 december 2024 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.).

Uitvoerportaal; zoekgebied Beesel, periode 2014-2024. NDFF. Geraadpleegd op 26 juni 2024 van https://ndff-ecogrid.nl. Ravon (z.d.). Soorten. Geraadpleegd op 19 december 2024 van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 19 december 2024 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 19 december 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Vlinderstichting (z.d.) Vlinders. Geraadpleegd op 19 december 2024 van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders Vogelbescherming (z.d.). Vogelgids. Geraadpleegd op 19 december 2024 van https://www.vogelbescherming.nl/ Zoogdiervereniging (z.d.) Zoogdiersoorten. Geraadpleegd op 19 december 2024 van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten

Provinciale bronnen www.limburg.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg) www.natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg)

BIJLAGE 1 NATUURWETGEVING EN DOELEN NATURA 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1-1-2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn.

Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Wnb. en per 1-1-2024 artikel 5.1, lid 1, sub e Ow). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen).

Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Doelen Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: • •

• •

De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

BIJLAGE 2 NATUURWETGEVING Natuurnetwerk Nederland Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie is getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1 januari 2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. In de Omgevingswet staan de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen in de omgevingsverordening (artikel 2.44, lid 4 en 5 Ow en artikel 7.6, lid 1 Bkl).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=aed6a25d-0c91-4d2f-b0b3-fcd84d3d4153