CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

P04376Toelichting Veegplan buitengebied Beesel 2023 20240424

Besluitvormende raadsvergadering 3 juli 2024, gemeente BeeselBij agendapunt: Veegplan Buitengebied Beesel 202311.540 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het gehele gebied is bebouwingsarm en leent zich vanwege de landschappelijke en natuurlijke waarden uitermate voor recreatief medegebruik.

Hoofdstuk 3

25

Figuur 3.2: Indeling gebieden 'Regionaal Ruimtelijk kwaliteitskader landelijk gebied Noord Limburg' met globale ligging gemeente Beesel (rood omcirkeld)

Het ruimtelijk kwaliteitskader geeft richting én ruimte aan het vertrekpunt om ontwikkelingen mogelijk te maken. Daarmee wordt niet alleen de kwaliteit van het landelijk gebied behouden en versterkt, maar worden ook de transitie-opgaven van kwaliteit voorzien. In het Regionaal Ruimtelijk Kwaliteitskader is een stappenplan opgenomen hoe ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van hun omgeving. De volgende stappen dienen te worden doorlopen: 1. Beschrijf het initiatief;

Hoofdstuk 3

26

2. 3. 4. 5.

Analyseer de omgeving; Wat zegt het beleid; Bepaal samen met de omgeving de ontwerpopgave; Zoek samen kwaliteit, vraag eventueel advies.

Daarnaast zijn enkele voorbeelden benoemd hoe het Ruimtelijk Kwaliteitskader kan worden ingezet bij de afweging van initiatieven binnen de verschillende beleidsvelden en hoe verbinding kan worden gezocht tussen de beleidsvelden. Meer specifiek zijn benoemd: land- en tuinbouw, vrijetijdseconomie, energie, water en natuur. Afweging Het Ruimtelijk Kwaliteitskader wordt ingezet bij nieuwe initiatieven. In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe initiatieven mogelijk gemaakt waarvoor het Ruimtelijk Kwaliteitskader een belemmering betekent en de verleende omgevingsvergunningen die in dit bestemmingsplan planologisch worden verankerd, zijn in een eerder stadium getoetst aan dit Ruimtelijk Kwaliteitskader. 3.3.3

Intergemeentelijke Structuurvisie Maasplassen

De Maasplassen vormen een gebied dat over een breedte van gemiddeld 10 km ligt over en langs de Limburgse Maas, tussen Echt in het zuiden en Reuver in het noorden. In 2011 heeft een aantal Midden-Limburgse gemeenten, GOML (Gebiedsontwikkeling Midden-Limburg) en de provincie Limburg het Masterplan Maasplassen vastgesteld. Hierin zijn de gewenste ontwikkelingen met betrekking tot leisure / (water)sport, bedrijvigheid en wonen neergelegd, binnen het casco van maatregelen op het gebied van hoogwaterbescherming en behoud en ontwikkeling van natuur en landschap. Hoogwaterbescherming in combinatie met natuur- en landschapsontwikkeling vormen daarbij het raamwerk voor de overige ontwikkelingen. Er is een planologische verankering van de in het Masterplan vervatte visie noodzakelijk. Daarbij is gekozen voor de vorm van een intergemeentelijke structuurvisie (afgekort IG-SV). Deze is vastgesteld door de gemeenteraden van – van zuid naar noord – Echt-Susteren, Maasgouw, Leudal, Roermond en Beesel. De intergemeentelijke structuurvisie moet een gedragen planologisch kader bieden tot 2030, voor de thema’s leisure (projecten), watergerelateerde woon- en werkfuncties (projecten), water (maatregelen hoogwaterveiligheid) en natuur en landschap.

Algemeen De Intergemeentelijke Structuurvisie Maasplassen 2030 schetst het toekomstbeeld voor de Maasplassen tot 2030 en is in de gemeente Beesel vastgesteld op 13 maart 2014. Met een gemeenschappelijk gedragen toekomstvisie kunnen ontwikkelingen beter en met meer onderlinge samenhang tot stand worden gebracht. Daarnaast maakt de structuurvisie het voor de gemeen-

Hoofdstuk 3

27

ten mogelijk om beter samen met andere organisaties ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De intergemeentelijke structuurvisie is een thematische structuurvisie en heeft een kaderstellende status voor andere gemeentelijke ruimtelijke instrumenten, zoals bestemmingsplannen die de gemeente vaststelt. Voor de gemeenten is de intergemeentelijke structuurvisie een voor hen zelf bindend en richting gevend document. Het is echter geen document dat juridisch bindend is voor de burger en/of andere belanghebbenden. Burgers en marktpartijen mogen er echter op rekenen dat de gemeenten zich houden aan de voornemens in deze visie. Er is voor gekozen om op basis van het Masterplan Maasplassen uit 2011 een thematische intergemeentelijke structuurvisie op hoofdlijnen op te stellen die voldoende ruimte en flexibiliteit geeft voor nadere uitwerking. Doordat de gemeenten zich beperken tot de hoofdlijnen is een hanteerbare, overzichtelijke en inspirerende structuurvisie ontstaan, die geschikt is voor het beoogde gebruik. De Maasplassen vormen een gebied dat met een breedte van gemiddeld 10 kilometer over en langs de Limburgse Maas ligt. Over een afstand van 43 kilometer rijgt de Maas 39 plassen tot een aaneengesloten watersportgebied van circa 3000 ha.

Het plassengebied is een compact maar uiterst veelzijdig en uniek gebied en gelegen in de Nederlandse gemeenten Echt-Susteren, Maasgouw, Leudal, Roermond en Beesel en de Belgische gemeenten Kinrooi en Maaseik. De Maasplassen zijn ontstaan door grindwinning, voornamelijk in de 20e eeuw. Hierdoor ontstonden grote aaneengesloten plassen. De omliggende gemeenten profiteerden hiervan en hebben getracht er een attractief (water)recreatiegebied van te maken. Langs de plassen liggen diverse horecagelegenheden, jachthavens, dagstranden, campings en natuurgebieden. Het Maasplassengebied heeft echter een “boost” nodig door onder andere clustering van voorzieningen en een kwaliteitsimpuls, maar ook door de balans te herstellen tussen economie, infrastructuur en leefmilieu. Het Maasplassengebied is aantrekkelijk en gevarieerd en vormt in Midden-Limburg een belangrijke pijler voor de provinciale én regionale economie. Mede als gevolg van de regelgeving ten aanzien van de hoogwaterveiligheid is de afgelopen periode onvoldoende ingespeeld op onder meer de veranderende leisuremarkt. Daardoor is ook de positionering en branding van het gebied achtergebleven. Het Maasplassengebied moet een krachtige regio worden; het top-waterrecreatiegebied van Nederland en de Euregio. Hier ligt zowel een rol bij ondernemers en marktpartijen (initiatieven) als bij de overheid (stimuleren en ondersteunen).

De Intergemeentelijke Structuurvisie Maasplassen 2030 biedt een gedragen planologisch kader tot 2030 voor de thema’s:  water (hoogwaterveiligheid);  natuur en landschap.  recreatie en toerisme.  watergerelateerde woon- en werkfuncties.

Hoofdstuk 3

28

De Intergemeentelijke Structuurvisie Maasplassen 2030 is daarmee dus een thematische structuurvisie.

Figuur 3.3 Uitsnede Intergemeentelijke Structuurvisie Maasplassen met globale ligging gemeente Beesel

Beesel De gemeente Beesel heeft de ambitie om het gebied aantrekkelijker te maken voor recreanten, toeristen en eigen inwoners. Verder zijn de volgende ambities beschreven: 

Rivierkundige structuur: Voor het traject vanaf de molen Grauwe Beer wordt in noordelijke richting gekozen voor een herprofilering van de Maasoever. Vanwege de bijzondere landschappelijke kwaliteiten wordt hier gekozen voor een evenwichtige maatregel en wordt niet ingezet op de optimale rivierkundige ingrepen met de grootste bijdrage aan het behalen van de taakstelling;

Hoofdstuk 3

29

Natuur en landschap: Het gaat om het versterken en beter benutten en beleven van het landschap en de aanwezige natuurwaarden, vaak in samenhang met de cultuurhistorische waarden, landbouw en recreatie; Recreatie en toerisme: De gemeente streeft naar een verbreding van het aanbod verblijfsrecreatie en zoekt daarnaast vooral naar mogelijkheden om recreatie te koppelen aan natuur, landschap en cultuur.

Afweging Voor dit bestemmingsplan is relevant dat de eerder verleende omgevingsvergunning voor de dijkverbetering wordt meegenomen. De doelstelling van het dijkversterkingsprogramma is primair: het verbeteren van de waterveiligheid in de Maasvallei (versterkingsopgave). Daarnaast geldt als secundaire doelstelling: het versterken van gebiedskwaliteiten (opgave ruimtelijke kwaliteit). De dijkversterking draagt dus bij aan de wensen wat betreft rivierkundige structuur, natuur, landschap, recreatie en toerisme, en is daarmee in overeenstemming met de Intergemeentelijke Structuurvisie Maasplassen 2030.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toetsings-KODE Beesel De raad van Beesel heeft een kader voor de opwekking van duurzame energie vastgesteld, waaraan initiatieven op het gebied van zon en wind dienen te voldoen, Toetsings-KODE Beesel. Dit kader is op 27 januari 2020 vastgesteld. Het kader voor zonneprojecten in de KODE wordt gevormd door 4 pijlers, 4 doelen (toetsen): 

Ruimte: zuinig en zorgvuldig gebruik van de ruimte  waar mogelijk uitgaan van dubbel ruimtegebruik. Waar dit niet kan kijken of d.m.v. gebiedsontwikkeling met inzet van energieopwekking een impuls kan worden gegeven (denk aan agrarische ontwikkeling of natuurontwikkeling op den duur).  Inwoners (participatie): samen werken aan acceptabel plan  hoge eisen stellen aan de omgevingsdialoog gedurende de planperiode en daarna.  Locatie: esthetica, inpassing, verbetering kwaliteit en ecologie  werken aan projecten die de kwaliteit van de omgeving verbeteren.  Eigenaarschap: eerlijk verdelen van lasten en lusten  borgen dat de economische voordelen tijdens aanleg en exploitatie voor een substantieel deel in de regio en gemeente blijven.

Hoofdstuk 3

30

Daarnaast zijn tien 10 uitgangspunten geformuleerd voor zonneprojecten en tien uitgangspunten voor windprojecten. Per pijler en doel zijn de uitgangspunten nader uitgewerkt, zodat er een kader is ontstaan waaraan de gemeente Beesel initiatieven kan toetsen. Dit biedt handelingsperspectief aan de gemeente als overheid, de initiatiefnemer, betrokken belanghouders, maar ook de omgeving. Per pijler ontstaat zo een toets die bestaat uit één of meer uitgangspunten. Per uitgangspunt is aangegeven of sprake is van flankerende ontwikkelingen en die de gemeente op dit punt kan overzien. Tevens is aangegeven wat de gemeente op korte en langere termijn gaat doen. Afweging Dit bestemmingsplan omvat geen nieuwe duurzaamheidsprojecten. Verleende vergunningen voor zonneweides zijn in dit bestemmingsplan planologisch verankerd.

Hoofdstuk 3

31

4.

MILIEUASPECTEN 4.1 Milieuhygiënische aspecten In de bijgevoegde ruimtelijke onderbouwingen (Bijlagen bij de toelichting) is per initiatief ingegaan op de milieuaspecten. Waar nodig zijn aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Indien hiervan sprake is, is dit aangegeven in de ruimtelijke onderbouwingen. Middels het onderhavige bestemmingsplan worden voor het overige geen nieuwe functies of uitbreidingen met milieuhygiënische gevolgen daarvan toegevoegd die volgens het geldende bestemmingsplan niet ook al toegestaan zijn, danwel feitelijk reeds gedurende vele jaren aanwezig en/of vergund. Dit bestemmingsplan is dan ook niet van invloed op de bodem- en grondwaterkwaliteit, de externe veiligheid en de luchtkwaliteit. Er worden ook geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt middels dit bestemmingsplan. Nader onderzoek ten aanzien van deze milieuaspecten is derhalve niet noodzakelijk.

4.2 Natuur en landschap In de bijgevoegde ruimtelijke onderbouwingen (Bijlagen bij de toelichting) is per initiatief ingegaan op de natuur- en landschapsaspecten. Waar nodig zijn aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Indien hiervan sprake is, is dit aangegeven in de desbetreffende ruimtelijke onderbouwing. Voor het overige heeft het onderhavige bestemmingsplan geen nadelige consequenties voor natuuren landschapswaarden.

4.3 Flora en fauna In de bijgevoegde ruimtelijke onderbouwingen (Bijlagen bij de toelichting) is per initiatief ingegaan op de flora- en fauna-aspecten. Waar nodig zijn aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Indien hiervan sprake is, is dit aangegeven in de desbetreffende ruimtelijke onderbouwing. Omdat voor het overige geen directe bouw- en/of gebruikstitels worden geboden voor nieuwe ontwikkelingen die niet ook al mogelijk waren volgens het geldende bestemmingsplan, danwel feitelijk reeds aanwezig en/of vergund zijn, heeft dit bestemmingsplan geen nadelige consequenties voor eventueel aanwezige flora en fauna. Bovendien geldt altijd de algemene zorgplicht volgens de Wet natuurbescherming.

Hoofdstuk 4

32

4.4 Waterhuishouding In de bijgevoegde ruimtelijke onderbouwingen (Bijlagen bij de toelichting) is per initiatief ingegaan op de wateraspecten. Waar nodig zijn aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Indien hiervan sprake is, is dit aangegeven in de desbetreffende ruimtelijke onderbouwing. Omdat voor het overige geen directe bouw- en/of gebruikstitels worden geboden voor nieuwe ontwikkelingen die niet ook al mogelijk waren volgens het geldende bestemmingsplan, danwel feitelijk reeds aanwezig en/of vergund zijn, heeft dit bestemmingsplan geen nadelige consequenties voor de waterhuishouding binnen het plangebied.

4.5 Archeologie en cultuurhistorie In de bijgevoegde ruimtelijke onderbouwingen (Bijlagen bij de toelichting) is per initiatief ingegaan op de aspecten archeologie en cultuurhistorie. Waar nodig zijn aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Indien hiervan sprake is, is dit aangegeven in de desbetreffende ruimtelijke onderbouwing. Omdat voor het overige geen directe bouw- en/of gebruikstitels worden geboden voor nieuwe ontwikkelingen die niet ook al mogelijk waren volgens het geldende bestemmingsplan, danwel feitelijk reeds aanwezig en/of vergund zijn, heeft dit bestemmingsplan geen nadelige consequenties voor behoud van archeologische waarden. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en de daaraan verbonden gebiedsaanduidingen voor archeologische waarden blijven gehandhaafd voor de gronden die in het vigerende bestemmingsplan ook al als zodanig zijn bestemd.

4.6 Verkeer en parkeren 4.6.1 Verkeer In de bijgevoegde ruimtelijke onderbouwingen (Bijlagen bij de toelichting) is per initiatief ingegaan op de verkeersaspecten. Waar nodig zijn aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Indien hiervan sprake is, is dit aangegeven in de desbetreffende ruimtelijke onderbouwing. Omdat voor het overige geen directe bouw- en/of gebruikstitels worden geboden voor nieuwe ontwikkelingen die niet ook al mogelijk waren volgens het geldende bestemmingsplan, danwel feitelijk reeds aanwezig en/of vergund zijn, heeft dit bestemmingsplan geen nadelige consequenties voor de verkeersafwikkeling in het buitengebied.

Hoofdstuk 4

33

4.6.2

Parkeren

In de bijgevoegde ruimtelijke onderbouwingen (Bijlagen bij de toelichting) is per initiatief ingegaan op de consequenties voor parkeren. Waar nodig zijn aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Indien hiervan sprake is, is dit aangegeven in de desbetreffende ruimtelijke onderbouwing. Omdat voor het overige geen directe bouw- en/of gebruikstitels worden geboden voor nieuwe ontwikkelingen die niet ook al mogelijk waren volgens het geldende bestemmingsplan, danwel feitelijk reeds aanwezig en/of vergund zijn, heeft dit bestemmingsplan geen nadelige consequenties voor de beschikbare parkeercapaciteit en de mogelijkheid om op eigen erf te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte.

Hoofdstuk 4

34

5.

UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.1.1

Kostenverhaal

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien:  het kostenverhaal anderszins is verzekerd;  het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is;  het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. In de bijgevoegde ruimtelijke onderbouwingen (Bijlagen bij de toelichting) is per initiatief ingegaan op de noodzaak van kostenverhaal. Daar waar nodig c.q. van toepassing is met initiatiefnemers een anterieure overeenkomst kostenverhaal worden gesloten. Kostenverhaal is daarmee anderszins verzekerd. Binnen het plangebied worden voor het overige geen bouwplannen mogelijk gemaakt, zoals bedoeld in artikel 6.12, lid 1 Wro in samenhang met artikel 6.2.1. onder a Bro. voor het onderhavige bestemmingsplan is daarom geen exploitatieplan nodig. 5.1.2

Planschade

Op grond van het bepaalde in artikel 6.1 Wro kennen burgemeester en wethouders aan degene die schade leidt als gevolg van de inwerkingtreding van onder andere een bestemmingsplan een tegemoetkoming toe voor zover de schade niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. Met de initiatiefnemers van ontwikkelingen waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend zijn overeenkomsten gesloten met betrekking tot afwenteling op initiatiefnemers van eventueel door de gemeente toe te kennen tegemoetkomingen in planschade Er is voor het overige geen sprake van nieuwe ontwikkelingen op grond waarvan derden aanspraak kunnen maken op tegemoetkoming in planschade.

Hoofdstuk 5

35

6.

JURIDISCHE OPZET 6.1 Algemeen Een bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor iedereen bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

6.2 Opzet herziening Voorliggend bestemmingsplan betreft een gedeeltelijke herziening van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Beesel’ (moederplan) met inachtneming van de daarin aangebrachte wijzigingen middels het ‘Veegplan Buitengebied gemeente Beesel’. Hierdoor is sprake van een afwijkende opzet in vergelijking met een 'regulier' bestemmingsplan. Voor het inzichtelijk krijgen van de geldende situatie binnen het plangebied is het noodzakelijk om naast deze herziening ook de geldende bestemmingsplannen ‘Buitengebied Beesel en ‘Veegplan Buitengebied gemeente Beesel’ te raadplegen; er ontstaat geen compleet overzicht van de nieuwe geldende situatie. Zo zijn in de regels en in de toelichting slechts die onderdelen opgenomen, die deel uitmaken van deze herziening. Zo geldt voor de regels: uitsluitend de bepalingen uit het moederplan die wijzigen dan wel worden aangevuld door onderhavige herziening zijn in de planregels opgenomen. Het voornemen is om na het onherroepelijk worden van het onderhavige bestemmingsplan een geconsolideerde versie (geïntegreerde versie) van het moederplan, het veegplan en de onderhavige herziening op te stellen, waardoor er een compleet overzicht van de geldende planologische situatie ontstaat. Voor een onderbouwing van de herziene delen van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Beesel' wordt verwezen naar de voorgaande hoofdstukken.

Hoofdstuk 6

36

7

PROCEDURE BESTEMMINGSPLAN 7.1 Algemeen De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit:  Openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan;  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;  Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken na afloop van de termijn van tervisielegging;  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden  Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is

ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Vooroverleg betrokken instanties In het kader van het wettelijk verplicht vooroverleg is het veegplan aangeboden aan de Provincie Limburg, Waterschap Limburg en Rijkswaterstaat. Het verslag van het vooroverleg is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Naar aanleiding van de reacties is het bestemmingsplan op verschillende punten aangepast. Dit is terug te lezen in het verslag.

7.3 Zienswijzeprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro vanaf 14 december 2023 zes weken ter inzage gelegen. In het kader van deze terinzagelegging zijn 4 zienswijzen ingediend. Voor een weergave van de zienswijze en voor een inhoudelijke standpuntbepaling naar aanleiding van de zienswijze wordt verwezen naar de Nota zienswijzen, welke als bijlage bij het vaststellingsbesluit is gevoegd.

Hoofdstuk 7

37

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

Hoofdstuk 7

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=a28ec5f0-6972-49b7-9a6d-f85de587df8e