Ontwerpplan (Toelichting, regels en verbeelding)
Tekst van het document
Ook in noordelijke richting volgt de weg de Maasoever. Vanaf de weg zijn de hoogteverschillen in het landschap goed te ervaren; aan de zijde van de Maas is duidelijk te zien dat de weg een hoge oever volgt. De bebouwing in Ouddorp bestaat, naast het kerkhof en de pastorie, voornamelijk uit boerderij van het langgeveltype uit het begin van de twintigste eeuw. De boerderijen hebben streekeigen kenmerken, zoals siermetselwerk, zadeldak, geringe overstek en donkerkleurige pannen. Bebouwingsbeeld Ouddorp Opvallend in het bebouwingsbeeld in Ouddorp is het aantal langgevelboerderijen, gebouwd met donkere baksteen en een zadeldak bedekt met grijze muldenpannen. Een aantal gebouwen heeft rode muldenpannen. Deze pannen werden tussen 1850 en 1950 gebakken in Reuverse en Tegelse pannenbakkerijen. Veel bebouwing staat met de nokrichting evenwijdig aan de weg, zoals van toepassing op de woning van onderhavige ontwikkeling. Haaks geplaatste bebouwing komt ook voor. De pastorie vormt met haar schilddak een uitzondering in het bebouwingsbeeld. Nadere typering te beschermen waarden Als hulpmiddel bij de vertaalslag naar een verder ruimtelijk (kwaliteits)beleid zijn in de toelichting de te beschermen waarden nog eens nader getypeerd en uitgeschreven. In de toelichting is een onderscheid gemaakt tussen de ‘stedenbouwkundige structuur’ en het ‘bebouwingsbeeld’.
4
Gelders Genootschap, Toelichting beschermd dorpsgezicht, januari 2009
Hoofdstuk 4
31
Stedenbouwkundige structuur In Ouddorp zijn enkele aspecten in de structuur die dienen te worden beschermd: De ligging van Ouddorp langs de Maas. De ligging van de (vis)markt tegenover het oude kerkhof in Ouddorp. De oude linde op de markt en de oude linde en kastanjeboom op de hoek van de Kerkstraat en de Huilbeekweg. De ligging van het Kerkpad tussen de kern van Beesel en Ouddorp en de daarlangs gelegen beplanting. De onverharde landwegen ten noorden van Ouddorp, Ouddorp en de Huilbeekweg. De groene met gras begroeide driehoeken op de splitsing van de onverharde landwegen Ouddorp, Ohe Broekerveldweg en Huilbeekweg. Het zicht op de oude pastorie (‘Aaj Weem’) over de open weide op de hoek Kerkweg-Kerkstraat. Bebouwingsbeeld Naast de structurele aspecten is ook het te beschermen bebouwingsbeeld van belang: De voormalige pastorie aan Ouddorp 8 uit 1770 (gemeentelijk monument). Kerkhof Ouddorp met muur uit 1697 (gemeentelijk monument). Diverse langgevelboerderijen in Ouddorp nr 2 uit 1930, 20 uit 1858 (gemeentelijke monumenten). Onderhavige ontwikkeling voorziet in de bestemmingswijziging, de renovatie van de bestaande woning en de sloop van de voormalige agrarische opstallen. Zodoende wordt er niets veranderd aan de bestaande ruimtelijke en stedenbouwkundige structuur.
Daarnaast betreft de ontwikkeling, aan de Ouddorp 24, ook geen te beschermen bebouwing conform de ‘Toelichting beschermd dorpsgezicht’. Daarnaast betreft onderhavige ontwikkeling de renovatie van de woning. Zodoende is er enkel sprake van een verbetering en opwaardering van de bebouwing en het straatbeeld. Advisering monumentencommissie Met betrekking tot onderhavig initiatief waarbij onder andere het voornemen bestaat om de voormalige agrarische opstallen te slopen is advies ingewonnen bij de monumentencommissie van de gemeente Beesel. De commissie heeft onderzocht of de opstallen gesloopt kunnen worden en of de sloop geen nadelige gevolgen heeft voor het beschermd dorpsgezicht. De commissie concludeert als volgt: “De locatie ligt binnen het beschermd dorpsgezicht Beesel, Op basis van de planregels van de bestemming 'Beschermd dorpsgezicht' is het verboden zonder een omgevingsvergunning gebouwen en andere bouwwerken te slopen die ouder zijn dan 50 jaar. De omgevingsvergunning wordt slechts verleend na advies van de gemeentelijke Monumentencommissie. De sloop mag geen onevenredige schade toebrengen aan de cultuurhistórische, (historisch-) stedenbouwkundige en (historisch-) architectonische waarden van het beschermd dorpsgezicht. In 1921 was er een grote brand in Ouddorp. De boerderij waarvan deze bijgebouwen deel uitmaken is toen ook grotendeels afgebrand.
De boerderij die toen nog dwars op de weg lag kreeg toen een nieuwe oriëntatie parallel aan de weg.
Hoofdstuk 4
32
Stallen dragen weliswaar bij aan de agrarische sfeer van het gebied, maar gezien de staat van de gebouwen en de gebruikte materialen en het feit dat al is ingestemd met de wijziging naar een burgerwoning door de gemeente, vindt de commissie dat er ruimte is om de sloop zoals gevraagd toe te laten en brengt deze geen onevenredige schade toe aan het beschermd dorpsgezicht. De commissie geeft een positief advies af over het verzoek.” Conclusie Binnen het plangebied bestaan er geen belemmeringen in relatie tot cultuurhistorie of archeologie.
4.4 Ecologie Beleidskader De Wet natuurbeheer bevat het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en soorten. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt in overeenstemming zijn met de Wnb. De provincie is bevoegd gezag voor soortenbeschermingsbepalingen en gebiedsbeschermingsbepalingen uit deze wet. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De gebiedsbescherming heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden ten opzichte van deze gebieden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking. Dit betekent dat ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Toetsing Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied.
Hoofdstuk 4
33
De nabijgelegen Natura 2000-gebieden Swalmdal’, 'Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg' en ‘Leudal’ bevinden zich respectievelijk op circa 1,8 kilometer ten zuiden, 4,1 kilometer ten zuidoosten en 4,4 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de sloop van bestaande stallen en de renovatie van het woonhuis betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is de stikstofdepositie op dit Natura 2000gebied berekend5. Gelet op het planvoornemen, waarbij sprake is van de renovatie van de woning en de sloop van de stallen, verbeterd het feitelijke gebruik ten opzichte van de huidige situatie. Aangezien er ter plaatse van de locatie reeds een woning is gelegen en het gebruik daarvan niet verandert en door de sloop van de stallen het agrarische gebruik verdwijnt, is onderhavige ontwikkeling voor wat betreft het gebruik niet bezwaarlijk. Derhalve wordt het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening voor de gebruiksfase niet noodzakelijk geacht.
Zodoende is enkel een berekening voor de aanlegfase uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat bij de aanlegfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de in bijlage 4 opgenomen onderzoeksrapportage. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.
Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden of als deze effecten kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Toetsing Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen de zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone. Het bouwvlak, wat de boerderij en de agrarische bijgebouwen betreft, valt buiten zowel de zilvergroene natuurzone als de bronsgroene landschapszone. De weidegronden in het westen van het plangebied vallen gedeeltelijk binnen de zilvergroene natuurzone. Binnen voorgenomen plannen zullen dit weidegronden behouden blijven, en zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van de zil-
5
BRO, Aeriusnotitie Ouddorp 24, Projectnr. P03150, d.d. 29 oktober 2020.
Hoofdstuk 4
34
vergroene natuurzone niet worden aangetast. Het zuiden van het plangebied valt binnen de bronsgroene landschapszone. Hier is enig reliëf aanwezig in de vorm van een oude dijk, waarop de Ouddorp is gelegen. Dit reliëf zal behouden blijven binnen de voorgenomen landschappelijke inpassing. Hier wordt een hoogstamboomgaard aangelegd, wat bijdraagt aan de landschappelijke waardes. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor vervolgonderzoek in het kader van het NNN dan ook niet noodzakelijk geacht wordt. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); Soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); Andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Toetsing Om de (potentieel) aanwezige soorten in beeld te brengen is een quickscan flora en fauna uitgevoerd.6 Deze quickscan is als bijlage 5 aan deze toelichting toegevoegd. Uit de quickscan volgt dat potentieel de navolgende beschermde soorten in het plangebied aanwezig kunnen zijn: de huismus. Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen:
6
Met betrekking tot de renovatie van de boerderij zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
BRO, Quickscan flora en fauna ‘Ouddorp 24’ te Beesel, Projectnr. P03150, d.d. 13 november 2020.
Hoofdstuk 4
35
Uit nadere beoordeling is gebleken dat de aangetroffen huismus aanwezig is ter plaatse van de bestaande woning. De woning zal niet gesloopt worden, enkel gerenoveerd. De werkzaamheden mogen de huismus echter niet verstoren. Derhalve is het noodzakelijk om een vervolgonderzoek uit te laten voeren. Uit nader onderzoek dient te blijken op welke wijze de werkzaamheden concreet uitgevoerd gaan worden. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Toetsing Aangezien er binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
Ecologie totaal Vanuit het aspect ecologie bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. In de bestemmingsplanregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Mochten beschermde soorten aanwezig zijn, dan kan gelet op de voorwaardelijke verplichting pas met de werkzaamheden (verbouwen en/of slopen) worden gestart indien dit in voldoende mate is onderzocht en eventuele mitigerende maatregelen zijn genomen.
4.5 Verkeer en parkeren Verkeer De beoogde ontwikkeling betreft enkel de omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning. Hierbij worden de agrarische opstallen gesloopt en het woonhuis gerenoveerd. Qua verkeersgeneratie zal er een vermindering plaatsvinden. Omdat de agrarische bedrijvigheid stop is gezet komt de bijbehorende verkeersgeneratie te vervallen. Ten opzichte van de verkeersgeneratie behorende bij de woning zal er niets veranderen omdat er enkel sprake is van een omzetting. Het woonhuis blijft gehandhaafd, zodoende ook de verkeersgeneratie. Parkeren Het uitgangspunt van het gemeentelijk parkeerbeleid is dat bij bouwplannen of plannen voor een gewijzigd gebruik van gebouwen, die leiden tot een vergroting van de parkeervraag, wordt voorzien in
Hoofdstuk 4
36
parkeerruimte op eigen terrein. Op deze manier wil de gemeente Beesel de bereikbaarheid en de leefbaarheid van de gemeente bevorderen. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in een gewijzigd gebruik van de bestaande bebouwing. Zoals reeds beschreven wordt de agrarische bebouwing gesloopt en blijft het woonhuis gehandhaafd. Derhalve is er geen sprake van een toename van de bebouwing of een gewijzigd gebruik van de woning. Daarbij zal het parkeren op eigen terrein worden opgelost. Conclusie Vanuit het oogpunt van verkeer en parkeren bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Waterhuishouding Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Nationaal: Nationaal Waterplan; Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Beleid waterschap Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Dit plan is, vooruitlopend op de fusie die in 2017 heeft plaatsgevonden tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden.
Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Brochure ‘Regenwater schoon naar beek en bodem’ De brochure van de Limburgse waterbeheerders bevat de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat
Hoofdstuk 4
37
voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen. Structuurvisie Beesel De gemeente Beesel zet maximaal in op het afkoppelen van hemelwater volgens de volgorde ‘vasthouden, bergen en afvoeren’. Daarnaast is als gevolg van klimaatverandering een robuustere inrichting van het watersysteem noodzakelijk. Kenmerken van het watersysteem Grondwater en waterkwaliteit Op basis van het POL2014 blijkt dat het plangebied niet ligt binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone. Oppervlaktewater In het plangebied en de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de toekomst zal hier ook niet in voorzien worden. Hemel- en afvalwater Het afvalwater wordt geloosd op het bestaande rioolstelsel. Wat betreft hemelwater streven het Waterschap Limburg en de gemeente Beesel ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen de planlocatie te verwerken. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in nieuwbouw of herstructurering. Bij de renovatie van de woning zal wel rekening worden gehouden met de afkoppeling van het water. Binnen de bestemming ‘Wonen’ wordt een ondergrondse grindkoffer gerealiseerd voor de opvang van hemelwater.
Conclusie Als gevolg van de omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.7 M.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het voorliggende initiatief betreft de omzetting van een agrarische bedrijfswoning in een reguliere burgerwoning. In de bestaande situatie is ter plaatse 1 agrarische bedrijfswoning met diverse bijgebouwen gelegen. Deze bestaande woning wordt gerenoveerd en bestaande opstallen worden gesloopt. De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van
Hoofdstuk 4
38
een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen. Deze drempelwaarde bedraagt een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Blijkens jurisprudentie7 dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol. In het voorliggende geval is geen sprake van een toename van wooneenheden. Er is enkel sprake van de renovatie van een bestaande woning. Gezien de omvang van het project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project.
Daarnaast is er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 5). Op basis van het bovenstaande dient de voorliggende ontwikkeling niet aangemerkt te worden als (de uitbreiding van) een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.
7
O.a. ABRS 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) en Rechtbank Amsterdam 6 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:648).
Hoofdstuk 4
39
5.
JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking en maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan. Deze heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse regels artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Verder is aangesloten bij de systematiek van de geldende bestemmingsplannen ‘Bebouwde gebieden Beesel’ en ‘Bebouwde gebieden, veegplan 2019’ van de gemeente Beesel.
5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond. De planlocatie is deels bestemd als ‘Wonen’ en deels bestemd als ‘Agrarisch - Onbebouwd. Binnen de gehele bestemming ‘Wonen’ is een bouwvlak opgenomen dat het volledige bestemmingsgebied betreft.
5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels;
Hoofdstuk 5
40
Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels omvatten de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving.
In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten.
Hoofdstuk 5
41
Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht. ‘Agrarisch – onbebouwd’ De voor ‘Agrarisch – onbebouwd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere duurzaam agrarisch grondgebruik, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en landschappelijke inpassing. ‘Wonen’ De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in woningen, aan-huis-gebonden beroepen en bedrijvigheid, webwinkels, tuinen, erven en verhardingen, parkeervoorzieningen ten dienste van de woning, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en landschappelijke inpassing. ‘Waarde - Archeologie 1’ De gronden binnen deze bestemming zijn naast de andere bestemmingen mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeesters en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd.
‘Waarde – Beschermd dorpsgezicht’ De gronden binnen deze bestemming zijn naast de andere bestemmingen mede bestemd voor het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden en het stedenbouwkundige beeld, voor zover die bepaald worden door: a de architectonische waarden van de afzonderlijke gebouwen; b de historisch bepaalde rangschikking en samenhang van de gebouwen; c de landschappelijk inpassing van de gebouwen. Voor het bouwen en gebruiken van de gronden zijn specifieke hoofdlijnen bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden ter bescherming van het beschermde dorpsgezicht. Tevens is er een regeling opgenomen dat voor bepaalde werkzaamheden en het slopen van bouwwerken een specifieke omgevingsvergunning nodig is. ‘Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed’ De gronden binnen deze bestemming zijn naast de andere bestemmingen mede bestemd voor riviergebonden activiteiten en het waarborgen van een veilige afvoer van en berging van rivierwater, voor de waterhuishouding, voor de aanleg, het onderhoud en de verbetering van de waterkering en het vergroten van de afvoercapaciteit. Op deze gronden mag in beginsel niet worden gebouwd. Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het waterbergend en stroomvoerend vermogen van het gebied kan, mits Rijkswaterstaat gehoord is, worden afgeweken van het bouwverbod.
‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ De gronden binnen deze bestemming zijn naast de andere bestemmingen mede bestemd voor een waterbergende functie. Op deze gronden mogen in beginsel uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd. Door middel van een omgevingsvergunning kunnen burgemeester en wethouders onder voorwaarden wel van deze bepaling afwijken.
Hoofdstuk 5
42
5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels met betrekking tot bestaande afwijkende maatvoering en ondergronds bouwen opgenomen. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is beschreven wat in ieder geval verstaan dient te worden als strijdig gebruikt, en zijn enkele afwijkingsmogelijkheden daarvan gegeven. Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te voorkomen dat door sloop en/of bouwwerkzaamheden natuurwaarden aangetast worden. Algemene afwijkingsregels Middels de algemene afwijkingsregels kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van geringe afwijkingen in het plan.
Algemene wijzigingsregels Deze bepaling geeft aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid om kleine wijzigingen aan te brengen het bestemmingsplan. Overige regels De overige regels bevatten een verwijzing naar andere wettelijke regelingen en bevatten een regeling omtrent het parkeren. 5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.
Hoofdstuk 5
43
Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
Hoofdstuk 5
44
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). De toepassing van de Grexwet richt zich voor het afdwingbare kostenverhaal, op bouwplannen.
De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in het Bro: de bouw van een of meerdere woningen; de bouw van een of meerdere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m²; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Aangezien dit initiatief ziet op de bestemmingswijziging en de renovatie van een bestaande woning is hier geen sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), waardoor geen verplichting geldt tot kostenverhaal.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg ex artikel 3.1.1. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleggen burgemeester en wethouders met het Waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. In het kader van het overleg op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vraagt de gemeente aan de relevante besturen en diensten van de betrokken bevoegde gezagen om een reactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan.
Hoofdstuk 6
45
Inspraak Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan zal overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro voor een periode van zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze periode bestaat voor eenieder de mogelijkheid een zienswijze op het plan in te dienen.
Hoofdstuk 6
46
7. PROCEDURE 7.1 Procedure Een bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De wettelijke procedure start met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Vooroverleg met betrokken instanties; Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een
verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoofdstuk 7
47
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Beoordeling melding Rijkswaterstaat Bijlage 2: Bodemonderzoek Bijlage 3: Rapport Sanering Bijlage 4: Stikstofonderzoek Bijlage 5: Quickscan Flora en Fauna
Toelichting
Regels
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl
Ouddorp 24 te Beesel
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 11
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
13
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Agrarisch - Onbebouwd Wonen Waarde - Archeologie 1 Waarde - Beschermd dorpsgezicht Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed Waterstaat - Waterbergingsgebied
13 14 17 19 21 25
Hoofdstuk 3
Algemene regels
27
Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
27 28 29 31 32 33
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
34
Artikel 15 Artikel 16
Overgangsrecht Slotregel
34 35
Bijlagen bij regels
37
Bijlage 1 Bijlage 2
38 48
2
Landschappelijke inpassing Staat van bedrijfsactiviteiten aan-huis-gebonden bedrijvigheid
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
Regels
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan:
het bestemmingsplan 'Ouddorp 24 te Beesel' van de gemeente Beesel met idenficatienummer NL.IMRO.0889.BPOuddorp24-ON01 van de gemeente Beesel. 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
verbeelding:
de verbeelding van het bestemmingsplan 'Ouddorp 24 te Beesel', bestaande uit de verbeelding NL.IMRO.0889.BPOuddorp24-ON01. 1.3
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
aan-huis-gebonden bedrijvigheid:
a. het bedrijfsmatig verlenen van diensten; b. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid geheel of overwegend door middel van handwerk; dat door zijn beperkte omvang in een woning met bijbehorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. 1.6
aan-huis-gebonden beroep:
het aan huis uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten dat door zijn beperkte omvang binnen de woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. Deze diensten kunnen betrekking hebben op juridisch, medisch, therapeutisch, administratief kunstzinnig, ontwerptechnisch of daarmee gelijk te stellen gebied. 1.7
antenne:
een constructie bestaande uit een mast, een ontvang- en zenddraad of een stelsel van draden, danwel een schotel bestemd voor (tele)communicatiedoeleinden.
4
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
1.8
archeologisch onderzoek:
onderzoek verricht door een gecertificeerde dienst, bedrijf of instelling. Dit bedrijf moet beschikken over over een opgravingsvergunning ex artikel 9.6 van de Erfgoedwet, of voor de betreffende werkzaamheden een vergunning hebben van de minister van OCW). Het onderzoek moet zijn uitgevoerd overeenkomstig de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). Het bevoegd gezag moet het programma van eisen voorafgaand aan het onderzoek goedkeuren. 1.9
archeologisch onderzoeksgebied:
gebied met een daaraan toegekende archeologische waarde. Dit kan zijn een lage, middelhoge of hoge archeologische (verwachtings-)waarde. Deze waarde is toegekend op grond van de kennis en wetenschap van de in dat gebied verwachte overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. 1.10
archeologische verwachtingswaarde:
de aan een gebied toegekende verwachtingswaarde in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten (resten uit het verleden). 1.11
archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (menselijke sporen en of vondsten uit het verleden). 1.12
archeologisch waardevol gebied:
gebied met een daaraan toegekende archeologische waarde in verband met de kennis en wetenschap van de in dat gebied, gedane vondsten en/of voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. 1.13
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde. 1.14
bed & breakfast:
een voorziening voor overnachting met het serveren van ontbijt, als toeristisch-recreatieve activiteit, ondergeschikt aan de woonfunctie. Het bieden van overnachtingsmogelijkheid aan personen die tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid verrichten valt niet onder bed & breakfast. 1.15
bedrijfsmatig:
deelnemen aan het economisch verkeer al dan niet met winstoogmerk, en activiteiten die hiermee naar aard, omvang en regelmaat zijn gelijk te stellen. 1.16
bedrijfswoning/dienstwoning:
een woning die een functionele binding heeft met het bedrijf, de instelling of de inrichting, ten behoeve van beheer van en/of toezicht op het bedrijf, de instelling of de inrichting.
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
5
1.17
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak. 1.18
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.19
bevoegd gezag:
bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 1.20
bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van het hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op het zelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.21
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.22
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak. 1.23
bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd. De begane grond is een bouwlaag, kelders en zolders zijn geen aparte bouwlaag. 1.24
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de bij dit plan behorende regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.25
bouwperceelsgrens:
de grens van een bouwperceel. 1.26
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.27
bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde verbonden is.
6
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
1.28
bouwwerk geen gebouw zijnde:
een bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel is (en niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf). 1.29
caravan:
een al dan niet uitklapbare wagen of voertuig die bedoeld is voor woon-, dag- of nachtverblijf en bedoeld is om als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook als deze wagen of voertuig wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, is hij voor de toepassing van dit plan een caravan. 1.30
carport/overkapping:
een dakconstructie met maximaal twee tot de constructie behorende wanden. 1.31
cultuurhistorische waarde:
de waarde die aan een natuurobject, gebouw, bouwwerk of gebied is toegekend en wordt gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat natuurobject, gebouw, bouwwerk of gebied. Hieronder is ook begrepen de archeologische waarde. 1.32
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden van, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen voor eigen gebruik of verbruik, dat niet betreft de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.33
functie:
het gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan dat volgens de regels is toegestaan. 1.34
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.35
hoofdgebouw:
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.36
horeca:
een bedrijf waar: a. bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor consumptie ter plaatse worden verstrekt; b. bedrijfsmatig logies wordt verstrekt.
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
7
1.37
huishouden:
een of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. 1.38
kamerverhuur:
woonvorm, voor niet-recreatieve bewoning, waarbij een pand wordt bewoond door meerdere personen die geen gezamenlijk huishouden vormen, en waarbij de afzonderlijke huishoudens afhankelijk zijn van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken en/of doucheruimte met toilet) buiten de woonruimte. 1.39
kap:
een gesloten bovenbeëindiging van een bouwwerk met ten minste één hellend dakvlak. 1.40
kelder:
een ruimte in een gebouw welke geheel of in overwegende mate ondergronds gelegen is. 1.41
maaiveld:
de bovenkant van het aansluitende afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. 1.42
omgevingsvergunning:
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.43
ondergeschikt:
een functie die qua omvang en uitstraling ten dienste staat van een op dezelfde plaats voorkomende (hoofd)functie. 1.44
ondergronds bouwen:
bouwen onder peil. 1.45
overig bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.46
pand
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.
8
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
1.47
pension:
deel van een woning of daarbij behorend gebouw met als doel het met het oog op recreatie aan 5 of meer personen op ten minste 2 en maximaal 10 kamers verstrekken van logies voor langere of kortere tijd. Met als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en/ of dranken aan de logerende gasten, een en ander zonder vermaakfunctie. 1.48
planperiode:
de periode gedurende welke dit bestemmingsplan geldt. 1.49
prostitutie:
het zich tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten of handelingen. 1.50
seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is: a. seksuele handelingen worden verricht; b. vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Deze regels verstaan onder een seksinrichting in ieder geval: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.51
selectiebesluit:
een besluit van het bevoegd gezag tot het al dan niet behouden van eventueel aanwezige archeologische waarden. Aan een slectiebesluit kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden. Het bevoegd gezag neemt een selectiebesluit op basis van een selectieadvies dat een rapport van een archeologisch onderzoek geeft. Dit besluit kan positief of negatief zijn. a. Bij een positief selectiebesluit zijn er drie mogelijkheden: 1. Behoud in situ: fysieke bescherming en ruimtelijke inpassing van archeologische waarden. De archeologische waarden blijven in de bodem bewaard. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door het treffen van technische maatregelen, zoals het ophogen van het maaiveld of door het toepassen van archeologievriendelijke bouwmethoden; 2. Opgraven: indien behoud in situ niet mogelijk is, kan ervoor worden gekozen om het plangebied te laten opgraven; 3. Begeleiden: er kan ook voor worden gekozen om bijv. de verstoring van de bodem (graafwerkzaamheden e.d.) te laten begeleiden door gekwalificeerde een archeoloog; b. Negatief selectiebesluit. Het besluit om na archeologisch onderzoek het plangebied vrij te geven, omdat geen vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht. 1.52
stedenbouwkundig beeld:
het beeld dat is bepaald door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's inclusief de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen of gevormde ruimte(n).
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
9
1.53
voorgevelrooilijn:
de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd. 1.54
waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn voor een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit. Hieronder vallen onder andere duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen voor berging en infiltratie van hemelwater. 1.55
weg:
een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerplaatsen. 1.56
werk:
een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde. 1.57
woning:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
10
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
deze wordt gemeten vanaf het dichtst bij de perceelsgrens gelegen punt van het gebouw op 1 m boven peil en haaks op de perceelsgrens. 2.2
bebouwd oppervlak van een bouwperceel:
de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken, gemeten buitenwerks en 1 m boven peil. 2.3
bebouwingspercentage:
het oppervlak dat met bouwwerken mag worden bebouwd. Dit wordt uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat ligt: a. binnen de bestemming; b. binnen een in de planregels aangeduid gedeelte van die bestemming. 2.4
de bouwhoogte van een bouwwerk:
deze wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5
breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:
deze wordt gemeten tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren, op 1 m boven peil. De grootste maat bepalend is daarvoor bepalend. 2.6
de dakhelling:
deze wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.7
de goothoogte van een bouwwerk:
deze wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.8
de inhoud van een bouwwerk:
deze wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
11
2.9
de oppervlakte van een bouwwerk:
deze wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.10
peil:
a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst is dit de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in andere gevallen is dit de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein.
12
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
Hoofdstuk 2
Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Agrarisch - Onbebouwd
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Agrarisch – Onbebouwd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
f.
een duurzaam agrarisch grondgebruik; extensief recreatief medegebruik; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' de landschappelijke inpassing van de woning in de vorm van groenvoorzieningen met een visueel afschermende functie, zoals hagen en gebiedseigen bomen. De landschappelijke inpassing dient plaats te vinden, een en ander overeenkomstig het inrichtingsplan zoals weergegeven in bijlage 1 bij de regels en overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.3.4; Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - paardenstal' het gebruik als paardenstal bij de omliggende agrarische gronden als onderdeel van het op hobbymatige basis houden van dieren.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Gebouwen en overkappingen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, met dien verstande dat maximaal één paardenstal mag worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - paardenstal' met de navolgende afmetingen: a. De bouwhoogte mag maximaal 5 m zijn; b. De oppervlakte mag maximaal 50 m2 bedragen. 3.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. De bouwhoogte mag maximaal 5 m zijn. b. De bouwhoogte van erfafscheidingen mag maximaal 1 m zijn.
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
13
Artikel 4 4.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g.
wonen in woningen; aan-huis-gebonden beroepen en bedrijvigheid; webwinkels; tuinen, erven en verhardingen; parkeervoorzieningen ten dienste van de woning; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' de landschappelijke inpassing van de woning in de vorm van groenvoorzieningen met een visueel afschermende functie, zoals hagen en gebiedseigen bomen. De landschappelijke inpassing dient plaats te vinden, een en ander overeenkomstig het inrichtingsplan zoals weergegeven in bijlage 1 bij de regels en overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.3.4.
4.2
Bouwregels
4.2.1
Algemeen
Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. bouwwerken moeten worden gebouwd binnen het bouwvlak, met uitzondering van bouwwerken waarvoor in de volgende subleden is aangegeven dat die ook buiten het bouwvlak zijn toegestaan. b. van het bouwperceel mag maximaal 50% worden bebouwd. c. de breedte van het bouwperceel moet minimaal 5,4 m zijn. 4.2.2
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. voor grondgebonden woningen geldt dat het hoofdgebouw mag worden gebouwd binnen een denkbeeldig bouwvlak met de volgende minimale en maximale afmetingen: 1. de goothoogte mag maximaal 6,5 m zijn. 2. de breedte moet minimaal 5,4 m zijn. 3. de diepte (exclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken) mag maximaal 14 m zijn. 4. de inhoud (exclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken) mag maximaal 1.000 m3 zijn. 5. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt aan één zijde minimaal 3 m. 4.2.3
Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken, carports en overkappingen, gelden de volgende bepalingen: a. de voorgevel moet minimaal 1 m achter de naar de weg gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd. b. vóór de naar de weg gekeerde bouwgrens mag het hoofdgebouw worden uitgebreid dan wel mag per woning één bijbehorend bouwwerk worden aangebouwd, met dien verstande dat: 1. de naar de weg gekeerde bouwgrens met maximaal 1,5 m wordt overschreden; 2. over maximaal 60% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden aangebouwd; 3. de goothoogte maximaal 3 m mag zijn; 4. de oppervlakte maximaal 6 m² mag zijn;
14
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
c. Carports en overkappingen mogen ook buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. carports en overkappingen maximaal 1,5 m voor de voorgevelrooilijn mogen worden gebouwd; 2. carports en overkappingen voor de voorgevelrooilijn geen wanden mogen bevatten. d. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken, carports en overkappingen mag, buiten het denkbeeldige bouwvlak voor hoofdgebouwen, zoals bepaald volgens de voorwaarden onder 24.2.2, maximaal zijn: 1. 55 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 200 m2; 2. 60 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 300 m2; 3. 65 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 400 m2; 4. 70 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 500 m2; 5. 75 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 600 m2; 6. 80 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 700 m2; 7. 85 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 800 m2; 8. 90 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 900 m2; 9. 95 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.000 m2; 10. 100 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.100 m2; 11. 105 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.200 m2; 12. 110 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.300 m2; 13. 115 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.400 m2; 14. 120 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.500 m2; 15. 125 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 1.500 m2.
met inachtneming van het bepaalde in 24.2.1 onder b. e. f. g. 1. 2.
De goothoogte mag maximaal 3,5 m zijn. De bouwhoogte mag maximaal 6 m zijn. Ter plaatse van gestapelde woningen gelden de volgende bepalingen: De oppervlakte per woning mag maximaal 20 m² zijn. De goothoogte mag maximaal 3 m zijn.
4.2.4
Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. erfafscheidingen en vlaggenmasten mogen ook buiten het bouwvlak worden gebouwd. b. de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn mag maximaal 2 m zijn. c. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn mag maximaal 1 m zijn, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 1,8 m mag zijn indien: d. de erfafscheiding boven de 0,75 m voor minimaal 90% een open constructie heeft; e. de erfafscheiding op een afstand van minimaal 1 m van de openbare weg, niet zijnde een trottoir, wordt gebouwd. f. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag maximaal 6 m zijn. g. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag maximaal 3 m zijn. 4.3
Specifieke gebruiksregels
4.3.1
Aan-huis-verbonden-beroepen en bedrijvigheid
Voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en van aan-huis-gebonden bedrijvigheid in of bij de woning, gelden de volgende bepalingen: a. De maximale oppervlakte voor beroeps-/bedrijfsmatig gebruik van de gebouwen mag: 1. voor aan-huis-gebonden beroepen 60 m² per woning zijn; 2. voor aan-huis-gebonden bedrijvigheid 25 m² per woning zijn. b. Aan-huis-gebonden bedrijvigheid is toegestaan wanneer het bedrijven betreft die voorkomen in de
Bestemmingsplan "Ouddorp 24 te Beesel" (voorontwerp)
15
c.
d. e. f.
g.
categorieën 1 en 2, zoals genoemd de Staat van bedrijfsactiviteiten aan-huis-gebonden bedrijvigheid (bijlage 2). Bij aan-huis-gebonden bedrijvigheid zijn erotisch getinte bedrijvigheid, een horecabedrijf of detailhandel niet toegestaan. Beperkte verkoop die verband houdt met, en ondergeschikt is aan de uitgeoefende bedrijfsactiviteit, is wel toegestaan. Wonen dient ter plaatse de hoofdfunctie te blijven. Degene die de bedoelde activiteit uitoefent, moet op het zelfde perceel wonen. Het aan-huis-gebonden beroep/bedrijf mag niet zoveel verkeer aantrekken dat: 1. de woonomgeving onevenredig wordt belast; 2. extra verkeersmaatregelen, waaronder parkeervoorzieningen, noodzakelijk zijn, tenzij deze op eigen terrein worden aangelegd. Bij een aan-huis-gebonden beroep of aan-huis-gebonden bedrijvigheid is één reclame-uiting toegestaan met een afmeting van ten hoogste 0,5 x 1 m.
4.3.2
Webwinkel
Bij de woning is een webwinkel toegestaan, met dien verstande dat: a. de maximale oppervlakte voor het gebruik als webwinkel (inclusief opslag van goederen) maximaal 25 m² mag zijn; b. uitstalling, bezichtiging, verkoop en afhalen van goederen niet is toegestaan; c. wonen ter plaatse de hoofdfunctie moet blijven; d. degene die de bedoelde activiteit uitoefent, op het zelfde perceel woont; e. de webwinkel niet zoveel verkeer mag aantrekken dat: 1. de woonomgeving onevenredig wordt belast; 2. extra verkeersmaatregelen, waaronder parkeervoorzieningen, noodzakelijk zijn, tenzij deze op eigen terrein worden aangelegd; f. reclame-uitingen ten behoeve van de webwinkel niet zijn toegestaan. 4.3.3