Onderwijsachterstandenbeleid gemeente Beesel 2023-2026, 20 september 2023
Tekst van het document
Onderwijsachterstandenbeleid gemeente Beesel 2023-2026
1
Voorwoord Alle kinderen verdienen dezelfde kansen. De plek waar je wieg staat mag niet uitmaken in het succes van je verdere schoolcarrière. Helaas zien we dat zaken zoals de sociaaleconomische positie van ouders, het land van herkomst en de taalvaardigheid van ouders tot op heden nog een grote rol spelen in het schoolsucces dat kinderen kunnen behalen. Dat moet anders. Als gemeente Beesel willen we deze kansenongelijkheid terugbrengen. Dit gaan we doen door kinderen te ondersteunen in de dingen die ze van huis uit niet, minder of anders meekrijgen. Denk bijvoorbeeld aan de Nederlandse taal of bepaalde schoolse vaardigheden die van belang zijn tijdens de rest van de schoolloopbaan. In onze inzet zijn wij overtuigd van de leerbaarheid van het jonge kind en de kansen die dit biedt. Des te jonger kinderen van de juiste ondersteuning gebruik kunnen maken, des te meer profijt zij hier in de daaropvolgende jaren van hebben en des te kleiner de verschillen bij de start van de basisschool zijn. Daarom ligt het accent bij dit plan op de kinderen tussen de 2,5 en 4 jaar. Kansenongelijkheid zit helaas diep geworteld in onze maatschappij. Het vraagt dan ook niet alleen iets van de gemeente, het onderwijs en de kinderopvang, maar iets van onze maatschappij in de breedste zin, om gezamenlijk op te trekken in het tegengaan van ongelijkheid.
Ik ben ervan overtuigd dat we met onderliggend stuk een mooie start maken in het bestrijden van ongelijkheid op scholen en kinderopvang, hoewel ik mij realiseer dat de aanpak van kansenongelijkheid meer vraagt dan enkel een plan van aanpak in afstemming met het onderwijs. Maar een goed begin, is het halve werk. Anouk Huijs
2
Inhoudsopgave Inhoudsopgave ..............................................................................................................3 Inleiding .......................................................................................................................4 Aanleiding ..............................................................................................................4 Leeswijzer ..............................................................................................................6 1. Wettelijke kader ...................................................................................................7 Toekomstige ontwikkelingen .......................................................................7 2. Onderwijsachterstandenbeleid in de gemeente Beesel ................................................8 2.1 Kengetallen ............................................................................................8 2.2 Terugblik OAB-periode 2019 t/m 2022 ........................................................9 3.
Voorschoolse educatie .........................................................................................11 3.1 Doelgroepdefinitie...................................................................................11 3.2 Indicatie en toeleiding .............................................................................12 3.3 Bereik ...................................................................................................12 3.4 Toezicht ................................................................................................14 3.5 Kwaliteit VVE ..........................................................................................15 3.6 Samenwerken met ouders ........................................................................15 3.7 Pedagogisch beleidsmedewerker VE ..........................................................16 4 Onderwijsachterstandenbeleid in de basisschool ......................................................17 5. Samenwerking tussen voor- en vroegschoolse voorzieningen ....................................19 5.1 Doorgaande lijn en resultaatafspraken ......................................................19 5.2 Segregatie .............................................................................................20 6.
Subsidies ..........................................................................................................21 6.1 Peuteropvang………………………………………………………………………………………………………21 6.2 Overig……………………………………………………………………………………………………………… 21 7. Afstemming en relatie met andere beleidsterreinen .................................................22 7.1 Inzet vanuit de bibliotheek .......................................................................22 7.2 Sociaal medische indicatie (SMI ................................................................22 8. Overlegstructuur .................................................................................................23 9. Financieel kader ..................................................................................................23 9.1 Beschikbare financiële middelen ...............................................................24 9.2 Overzicht uitgaven 2023 ..........................................................................24 10 Uitvoeringsagenda ..............................................................................................27 Bijlage 1: Peuteropvang VVE-locaties in Beesel.................................................................31 Bijlage 2: CBS Dashboard Risico op onderwijsachterstanden gemeente Beesel…………………….32
Bijlage 3: Formats aanvraag en verantwoording OAB-peuteropvang…………………………35
3
Inleiding De gemeente Beesel wil jonge kinderen de beste kansen geven om zich te kunnen ontplooien en ontwikkelen zodat hun start in het onderwijs en later in de maatschappij zo optimaal mogelijk is. In de eerste jaren maakt het kind de grootste ontwikkeling door die de basis vormt voor de verdere ontwikkeling in de volgende levensjaren. Dit is dan ook een kansrijk moment om preventief in te zetten op de ontwikkeling van het kind. Hierdoor kunnen de ontwikkelingskansen en dus ook de onderwijskansen van kinderen worden vergroot. In Beesel willen wij achterstanden bij de start van het onderwijs voorkomen door het stimuleren van de deelname van kinderen aan voor- en vroegschoolse educatie (vve), taalonderwijs en de relatie tussen opvang en onderwijs te versterken. De gemeente vindt het belangrijk dat alle kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar naar een voorschoolse voorziening gaan. De voorschoolse voorzieningen voor peuters zijn een plek om te spelen en te ontwikkelen. Het is een manier van spelenderwijs leren en de wereld ontdekken. Het vroegtijdig signaleren, maar zeker ook door het aanbieden van een rijk aanbod voor de ontwikkeling in de eerste vier levensjaren van het kind heeft een bewezen preventief effect op de onderwijskansen van kinderen1. In Beesel ligt het accent van het onderwijsachterstandenbeleid (OAB) op de voorschoolse educatie (peuteropvang ve).
Het doel van voor en vroegschoolse educatie is om peuters en kleuters met een (taal)achterstand zo goed mogelijk voor te bereiden op de basisschool, zodat ze met zo min mogelijk achterstand naar groep 3 kunnen. Landelijk stelt het ministerie van OCW extra financiering beschikbaar voor de kinderen met het hoogste risico op onderwijsachterstand (gemiddeld 15 procent). In 2021 waren er in Beesel 195 peuters. Volgens de meest recente gegevens uit 2021 valt 15 procent ook daadwerkelijk binnen deze landelijke doelgroep2. Dat zijn 30 van de 195 peuters.
Aanleiding Eind 2022 is de vorige OAB-periode afgelopen. Elke OAB-periode kent 4 kalenderjaren. De vorige bestreek de jaren 2019-2022. In 2023 is de nieuwe OAB-periode 2023-2026 gestart. Dit is de aanleiding om het beleid te herzien, terug te blikken op de afgelopen 4 jaar en vooruit te kijken naar de ambities voor de komende 4 jaar. Hierbij wordt eveneens de nieuwe wet- en regelgeving vanuit het Rijk opgenomen. In 2020 en een deel van 2021 waren er door corona periodes met lockdown en andere maatregelen. Er moest noodopvang als onderwijs en opvang op afstand geboden worden. In de tussenliggende periodes waren verschillende coronamaatregelen van toepassing die invloed hebben gehad op de uitvoering van het onderwijs en de kinderopvang. Dit wordt in hoofdstuk 2.2 verder uitgewerkt. Op dit moment hebben we te maken met ernstige personeelstekorten in onderwijs en opvang. De verwachting is dat dit vooralsnog zo blijft. Dat kan van invloed zijn op de uitvoering van plannen in de komende OAB-periode. Bij blijvende personeelstekorten ligt de prioritiet van de organisaties op het rondkrijgen van roosters en het openhouden van locaties en groepen. Er zijn voortdurend instromers die nog geschoold en ingewerkt moeten worden. Dat kan tot gevolg hebben dat er minder tijd is om in te zetten op (extra) activiteiten in het kader van kwaliteitsversterking vve.
Onverminderd blijft het belangrijk om met elkaar ambities te blijven formuleren en doelen na te streven. Daarmee houden we de doorontwikkeling gaande en willen
1 Voor- en vroegschoolse educatie | Evidence | Gelijke kansen (gelijke-kansen.nl)
2 https://dashboards.cbs.nl/v3/onderwijsachterstanden/
4
we het OAB zo goed mogelijk aan laten sluiten bij de actuele praktijk. Tegelijkertijd moeten we realistisch zijn en er rekening mee houden dat de personeelstekorten vertragend kunnen werken op het realiseren van ambities en doelen.
"Hoe belangrijk het is dat alle partijen samenwerken met het belang van het kind als focus, ook over grenzen van ieders eigen werkveld heen. " uitspraak bij de evaluatie van het OAB 2019-2022
5
Leeswijzer In dit beleidsplan wordt beschreven wat wij samen met onze partners doen om ondersteuning te bieden aan de doelgroeppeuters ve. In hoofdstuk 1 worden de wettelijke kaders beschreven en in hoofdstuk 2 wordt uitgelegd hoe het onderwijsachterstandenbeleid in Beesel is vormgegeven. Hierbij worden de belangrijkste kengetallen gegeven en is er een terugblik naar de beleidsperiode van 2019-2022. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 toegelicht welke rol de voorschoolse educatie heeft, wat de doelgroepdefinitie is in Beesel en hoe de indicering en toeleiding geregeld zijn. Daarbij wordt ook uitgelegd op welke wijze we het bereik monitoren en hoe de GGD-toezicht houdt op de kwaliteit van de vve. Tot slot wordt in dit hoofdstuk ook het kwaliteitskader, de nieuwe eis voor de pedagogisch beleidsmedewerker in de ve en de algehele kwaliteit van ve uiteengezet. Hoofdstuk 4 richt zich op de bestrijding van onderwijsachterstanden in de basisschool en de rol die onze gemeente hierin neemt. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de samenwerking tussen de gemeente en haar voor – en vroegschoolse voorzieningen toegelicht. Hoofstuk 6 richt zich op de subsidies en in hoofdstuk 7 wordt de afstemming met andere beleidsterreinen beschreven. De diverse samenwerkingen en overleggen staan in hoofdstuk 8 beschreven. Het financieel kader is opgenomen in hoofdstuk 9.
Tot slot staat in hoofdstuk 10 een uitvoeringsagenda waarmee wij in Beesel de komende 4 jaar aan de slag gaan. Alle relevante bijlagen zijn ook opgenomen.
6
1. Wettelijke kader Het onderwijsachterstandenbeleid (OAB) wordt gekaderd door de eisen uit de Wet op het Primair Onderwijs (WPO, artikelen 165 - 168), (aanpassingen op) de Wet Kinderopvang (WKO) en Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB). Gemeenten in Nederland zijn wettelijk verantwoordelijk voor het organiseren van een voldoende en gespreid aanbod van voorschoolse educatie3. Om de voor- en vroegschool goed op elkaar aan te laten sluiten zijn de kinderopvang, het onderwijs en de gemeente gezamenlijk aan zet. In overleg met schoolbesturen en kinderopvangpartners maken gemeenten afspraken over deelname, aanbod, segregatie, resultaten etc.4. Daarnaast kunnen gemeenten het onderwijs (financieel) ondersteunen om onderwijsachterstanden in de schoolse periode te verminderen5. Het tegengaan van (taal)achterstanden vraagt dus samenwerking van meerdere partijen die betrokken zijn bij kinderen met een (risico op) (taal)achterstand. De financiering van het onderwijsachterstandenbeleid loopt langs twee wegen: de gemeenten ontvangen een geoormerkt OAB-budget en de schoolbesturen ontvangen een niet geoormerkt OAB-budget. Deze budgetten worden sinds 2019 vastgesteld op basis van een nieuwe verdeelsystematiek6 . Daarnaast ontvangt de gemeente jaarlijks de zogenaamde Asscher-middelen of wel de decentralisatie uitkering voorschoolse voorziening peuters .
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de VNG hebben in 2015 bestuurlijke afspraken gemaakt over het vergroten van de toegankelijkheid van voorschoolse voorzieningen voor peuters die niet in aanmerking komen voor KinderOpvangToeslag of een gesubsidieerde plaats vanuit de OAB -middelen.
Toekomstige ontwikkelingen Het huidige demissionaire kabinet wil inzetten op het vergroten van de kansengelijkheid en zorgen voor een goede start van ieder kind in de basisschool. In het Regeerakkoord van 15 december 2021 is afgesproken dat de vergoeding voor kinderopvang voor alle werkende ouders naar 96% gaat. Recent is de ingangsdatum van de stelselherziening gewijzigd in 2027. Het rijk wil zo bezuinigen en ook zo meer tijd nemen om de stelselherziening beter uit te werken. Het is wel de vraag hoe dit na de val van het kabinet , de verkiezingen en de komst van een nieuwe regering wordt opgepakt. Vanuit het gemeentelijk perspectief volgen we dit nauwgezet. De huidige OAB-gelden blijven en de regierol van de gemeenten in het onderwijsachterstandenbeleid blijft voorlopig overigens ook nog groot. Daarnaast investeert het Rijk, als onderdeel van een brede aanpak van bestrijding van armoede, in kwetsbare wijken in School en omgeving. Dit wordt ook wel de ‘rijke schooldag’ genoemd, waarbij scholen zelf met hun samenwerkingspartners bepalen wat zij nodig achten om de kansenongelijkheid te verkleinen. Te denken valt aan begeleiding bij huiswerk, sport en cultuur in samenwerking met plaatselijke verenigingen en bibliotheken.
Om te beginnen start deze aanpak bij de scholen met de relatief hoogste achterstandsscores op basis van de CBS-indicator voor onderwijsachterstanden of relatief hoogste aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond.
3 Wet op Primair Onderwijs (Wpo), artikel 166. 4 Wpo, artikel 167 5 Wpo, artikel 165 6 https://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/dossier-onderwijsachterstanden
7
Ook deze ontwikkeling gaan we volgen om te kijken of er, daar waar mogelijk, verbindingen mogelijk zijn met het onderwijsachterstandenbeleid in Beesel en of wij hier al op kunnen anticiperen.
2. Onderwijsachterstandenbeleid in de gemeente Beesel De gemeente Beesel wil dat alle kinderen gelijke kansen krijgen. Het uitgangspunt hierbij is een ononderbroken ontwikkelingslijn voor 0-12-jarigen. De basis wordt gevormd door de jongste kinderen: zo vroeg mogelijk starten. Om te bereiken dat alle peuters naar de peuteropvang/ve kunnen, subsidieert de gemeente de kinderopvangvangorganisaties. Zij kunnen zo voldoende peuteropvang/ve-aanbod van goede kwaliteit organiseren met een goede spreiding in de gemeente. Kinderen vanaf 2,5 jaar kunnen na indicatie gebruik maken van ve. Wij verwachten dat doelgroepkinderen zo beter starten in het basisonderwijs. Naast ve, voor kinderen die extra stimulering nodig hebben, subsidieert de gemeente Beesel (reguliere) peuteropvang voor ouders (van jonge kinderen) die niet voor KinderOpvangToeslag (KOT) van de Belastingdienst in aanmerking komen. Zo wil de gemeente alle ouders stimuleren om hun peuters deel te laten nemen aan peuteropvang/ve.
2.1
Kengetallen
In de gemeente Beesel hebben wij twee organisaties die peuteropvang en ve-aanbieden. In Bijlage 1 zijn de vestigingsplaatsen van de ve-locaties weergegeven. Kengetallen:
Aantal peuters
Percentage dat tot de OAB-doelgroep behoort volgens het CBS7
2019
165
18% = 30 waarvan 25 in Reuver*
2020
175
11% = 20 in Reuver*
2021
195
15% = 30 waarvan 25 in Reuver*
* de rest van de peuters woont in de kern Beesel. Voor de doelgroep die in Reuver woont is geen uitsplitsing tussen Kern Offenbeek en Kern Reuver. Het aantal 2,5-4-jarigen in de gemeente Beesel is sinds 2019 toegenomen. Gegevens over de indicering van ve-peuters, de toeleiding van deze peuters naar een veplaats, het daadwerkelijk bereik en non-bereik over afgelopen jaren zijn moeilijk te achterhalen op dit moment. Dit is dan ook een van de grote verbeterpunten voor de komende periode.
7 https://dashboards.cbs.nl/v3/onderwijsachterstanden/
8
Aantal schoolbesturen
Aantal basisscholen
2
4 •
Het aantal schoolbesturen en basisscholen in de gemeente Beesel is in de periode van 2019 – 2022 niet gewijzigd.
Aantal basisschoolleerlingen
Percentage dat tot de OAB-doelgroep behoort volgens het CBS8
2019
940
18% = 165 waarvan 135 in Reuver*
2020
930
16% = 150 waarvan 135 in Reuver*
2021
885
16% = 140 waarvan 125 in Reuver*
* de rest van de peuters woont in de kern Beesel. Voor de doelgroep die in Reuver woont is geen uitsplitsing tussen Kern Offenbeek en Kern Reuver.
Hoogte GOAB-bijdrage vanuit het Rijk 2019:
€ 251.426
2020:
€ 289.229
2021:
€ 352.061
2022:
€ 393.373
2023:
€ 382.191
2.2
Terugblik OAB-periode 2019 t/m 2022
In de afgelopen beleidsperiode is de COVID-pandemie van grote invloed geweest. De JGZ/GGD heeft minder kinderen opgeroepen in deze periode vanwege personeelstekorten en andere inzet van het personeel. Ook waren er in plaats van live consultaties telefonische afspraken, waarbij mogelijk niet alles goed naar voren kwam. Ook kwamen ouders minder op de oproepen vanwege angst voor besmettingen of ziekte of omdat het minder makkelijk te regelen was door het thuiswerken en thuisonderwijs. De kinderopvang en de scholen constateren nu dat er kinderen komen met meer achterstanden of vertragingen, zowel in gedrag als bijvoorbeeld in taal. De kinderopvang en de scholen zijn een aantal keren geconfronteerd met de opdracht om de deuren sluiten, maar wel open te blijven voor kwetsbare kinderen. Een uitzonderlijke situatie waarbij een groot beroep is gedaan op alle professionals. Binnen alle beperkingen hebben zij alles op alles gezet om onderwijs en opvang voor de kinderen te regelen en in de periodes van thuisonderwijs, om zoveel mogelijk contact te houden met kinderen en hun ouders.
8 https://dashboards.cbs.nl/v3/onderwijsachterstanden/
9
Het ingezette beleid van de afgelopen jaren laat toch positieve ontwikkelingen zien zowel voor de kwaliteit als voor onderlinge samenwerking, waarbij het ene thema verder is uitgewerkt dan het andere. Deels heeft dat te maken met de beperkingen als gevolg van de COVID-pandemie tijdens de beleidsperiode en de personeelswisselingen bij de gemeente. In ieder geval is er alle reden om het huidige beleid voort te zetten. Daarbij komen een aantal speerpunten naar voren die extra aandacht nodig hebben om de peuteropvang/ve verder door te ontwikkelen naar een kwalitatief hoogwaardige basisvoorziening. In de OAB-periode 2019-2022 lag het accent op een goede implementatie van de nieuwe weten regelgeving. Bij de start van de vorige OAB-periode, op 1 januari 2019, was de harmonisatie van peuterspeelzalen en kinderopvang in de gemeente Beesel net achter de rug. Om ervoor te zorgen dat peuteropvang/ve bereikbaar is voor alle peuters heeft de gemeente een aantal (beleids)afspraken: I. Financiering peuteropvang en ve Sinds de harmonisatie van peuterspeelzalen en kinderopvang kunnen kinderopvangorganisaties peuteropvang en/of ve aanbieden. In Beesel is er voor gekozen om ve vanwege het belang van de doorgaande lijn in of bij een school aan te bieden waar een nauwe inhoudelijke en organisatorische samenwerking mee is.
Als een organisatie voldoet aan de gestelde eisen kunnen ze hiervoor subsidie aanvragen. De huidige aanbieders zijn Spring en ’t Rovertje. De peuteropvang/ve-locaties worden gefinancierd op basis van het aantal deelnemende peuters. Hier wordt het grootste deel van het OAB-budget aan besteed. II. Spreiding locaties in gemeente: De peuteropvang- en ve-locaties liggen verspreid binnen de gemeente. In alle drie de kernen van de gemeente Beesel is een ve-locatie gevestigd in de basisschool. In principe is het daardoor voor elke peuter mogelijk om in hun omgeving gebruik te kunnen maken van peuteropvang en/of ve. Kindvolgend budget Per 1 januari 2021 is de nieuwe financieringssystematiek (kindvolgend budget) ingevoerd. Waarbij ook de uitbreiding van het ve-aanbod voor de doelgroeppeuters van 10 naar 16 uur per week vanaf september 2020 tot januari 2021 is geïmplementeerd. De kinderopvang dient ieder jaar een begroting in met daarin het verwachte aantal kinderen. De afrekening vindt het jaar daarop plaats. De gemeente heeft hiervoor een format opgesteld. Vanaf 2022 is per ve-plaats een pedagogisch beleidsmedewerker ve voor 10 uur per jaar per doelgroeppeuter ve verplicht. De bekostiging is opgenomen in het subsidie format van de gemeente.
Leeftijd ve van 2,0 naar 2,5 jaar In de afgelopen beleidsperiode is de leeftijd, om van ve gebruik te kunnen maken, in Beesel verhoogd van 2 jaar naar 2,5 jaar. Het OAB-budget wat de gemeente ontvangt van het rijk is gebaseerd op het aantal doelgroeppeuters van 2,5 tot 4 jaar. Werving, toeleiding en bereik De JGZ/GGD heeft de wettelijke taak om te signaleren of een kind binnen de doelgroepdefinitie ve valt. De JGZ/GGD geeft hiervoor een indicatie af en verwijst alle ouders van de risicokinderen naar een ve-locatie.
10
Niet alle kinderen met een vve-indicatie gaan ook daadwerkelijk naar een ve-locatie, dat noemen wij non-bereik. Monitoring De gemeente Beesel heeft over de jaren 2018, 2019 en 2020 een monitor Voor- en Vroegschoolse voorzieningen door BCO uit laten voeren. De uitkomsten waren de basis voor de verbeterpunten in het jaar daaropvolgend, aangevuld met de punten die vanuit de werkgroep VVE werden aangedragen en de wettelijke verplichtingen. In hoofdstuk 3.3 komen we hier op terug. OAB 2023-2026 Voor de nieuwe beleidsperiode van 2023-2026 zijn er vanuit het Rijk geen inhoudelijke beleidswijzigingen als vervolg op de vorige periode 2019-2022. Op financieel vlak komt er een herziening van het kinderopvangstelsel. In het Coalitieakkoord van het huidige demissionaire kabinet zijn afspraken gemaakt over de kinderopvang voor de werkende ouders. Welke gevolgen deze herziening heeft voor de niet werkende ouders en de ve-doelgroepkinderen is nu nog niet duidelijk. Het heeft in ieder geval geen directe gevolgen voor deze periode, de invoering is van 2025 naar 2027 verschoven. Bovendien is per juli 2023 het huidige kabinet demissionair verklaard. De gemeente Beesel heeft het voornemen om de lijn van het OAB-beleid voort te zetten. Op basis van de evaluatie van de doelen uit de periode van 2019-2022 formuleren wij het nieuwe beleid.
3
Voorschoolse educatie
Voorschoolse educatie is een specifiek aanbod in de kinderopvang voor peuters vanaf 2,5 jaar met (een risico op) een (taal)achterstand. Voorschoolse educatie wordt aangeboden door vvegecertificeerde kinderopvangorganisaties in en is erop gericht om peuters zoveel mogelijk zonder achterstand in het basisonderwijs te laten starten. De peuteropvang voor zowel vedoelgroeppeuters als niet-doelgroeppeuters vindt op dit moment plaats in een school. Het streven is om de peuteropvang in gemengde groepen uit te voeren om segregatie en stigmatisering zo veel mogelijk tegen te gaan en om het leren van en met elkaar zo veel mogelijk te stimuleren. Door een grotere toename van ve-peuters dan in voorgaande jaren staat dit echter sinds 2022 onder druk.
3.1
Doelgroepdefinitie
Voor- en vroegschoolse educatie (vve) is bedoeld voor peuters en kleuters met een risico op een onderwijsachterstand. Gemeenten hebben de beleidsvrijheid om zelf te bepalen welke kinderen in aanmerking komen voor een verrijkt (taal) aanbod in het kader van voor- en vroegschoolse educatie (vve). Gemeenten kunnen daarbij kiezen voor een breed geformuleerde of juist een smalle doelgroepdefinitie en alles daar tussenin. Met een brede doelgroepdefinitie kunnen meer kinderen profiteren van vve met de kanttekening dat daarmee ook kinderen bereikt worden die mogelijk een andere vorm van ondersteuning nodig hebben, zoals in het geval van gezins-of gedragsproblematiek. De doelgroepdefinitie die de gemeente Beesel hanteert is breed: “kinderen waar zorgen om zijn of waarbij een vergroot risico is op een achterstand voordat ze de basisschool gaan bezoeken, komen in aanmerking voor een VVE-indicatie.” 11
De inzet van vve voor kinderen die onder deze definitie vallen is te rechtvaardigen omdat achtergrondkenmerken van kinderen (o.a. opleidingsniveau van de ouders/verzorgers, financiële problemen) een risico vormen voor het oplopen van een onderwijsachterstand. In de komende beleidsperiode evalueren we de doelgroepdefinitie jaarlijks in de werkgroep VVE. Wij bespreken of we in Beesel met de doelgroep definitie nog steeds de juiste kinderen bereiken en of aanpassingen wenselijk dan wel noodzakelijk zijn. Hierbij betrekken we o.a. de lokale context en informatie vanuit het CBS. De CBS-dashboards over de verwachte onderwijsachterstanden maken inzichtelijk in welke regio’s’ (binnen de gemeente) de risico’s op onderwijsachterstanden groter zijn. Ook geven ze achtergrondinformatie over het aandeel gezinnen in schuldsanering en/of het aandeel ouders met een laag opleidingsniveau. Zie bijlage 2. Daarnaast bespreekt de werkgroep VVE ook, vanuit praktijkervaringen, op oorzaken die mogelijk een rol spelen wanneer ouders geen gebruik maken van vve. Op basis daarvan zullen we acties bepalen om het bereik te verhogen. Speerpunt komende periode: • Doelgroepdefinitie jaarlijks in de werkgroep VVE evalueren
3.2
Indicatie en toeleiding
De JGZ/GGD heeft de wettelijke taak om te signaleren of een kind een (risico op een) (taal)achterstand heeft. Ze verwijzen alle ouders van de risicokinderen naar een ve-locatie, hiervoor wordt een vve-indicatie gegeven. Het blijft echter de eigen verantwoordelijkheid en keuzevrijheid van ouders om wel of geen gebruik van het ve-aanbod te maken. Het is en blijft een uitdaging om alle kinderen met een vve-indicatie toe te leiden naar peuteropvang/ve. Een deel van de ouders loopt daarbij tegen (praktische) knelpunten aan. Tijdens corona is door verschillende oorzaken zowel de indicering als de toeleiding afgenomen. Dat had direct gevolgen voor het bereik en non-bereik van de doelgroepkinderen. We zien dat er nu weer een inhaalslag plaatsvindt. Speerpunten komende periode: - Onderzoeken of indicering bij 18 maanden een beter resultaat oplevert. JGZ/GGD ruimt bij dit consult hiervoor ook voldoende tijd in. Indicering op dit tijdstip geeft de kinderopvang ook meer tijd om een ve-plaats te regelen. -Signaal over een mogelijk doelgroepkind vanuit de kinderopvang leidt altijd tot een vve- indicatie bij de JGZ/GGD. -JGZ/GGD gaat bij de indicering met de ouders in gesprek over de toeleiding om tot oplossingen voor bestaande knelpunten te komen.
3.3
Bereik
Het onderwerp “bereik” en ’non-bereik’ is al jarenlang een aandachtspunt in de gemeente Beesel. De JGZ/GGD levert wel de gegevens over de indiceringen, maar niet over een al dan niet geslaagde toeleiding. Bij de kinderopvang moet uitgevraagd worden hoeveel geïndiceerde kinderen geplaatst zijn. Per jaar zouden er minstens 30 doelgroeppeuters naar de ve-groepen toegeleid moeten worden volgens het CBS Dashboard. Omdat de gemeente een zeer brede doelgroepdefinitie hanteert, zouden er zelfs wel meer verwacht kunnen worden. Dat betekent
12
dat er per jaar dan minstens 45 ve-plaatsen bezet zouden zijn. Het aantal bezette ve-plaatsen per jaar was de afgelopen periode echter minder dan 30. Medio 2020 is dit al besproken en zijn de volgende verbeterafspraken gemaakt met de betrokkenen: De keten signalering -indicering JGZ-bereik/plaatsing moet een gesloten keten zijn: Er is 1 x per kwartaal overleg tussen de JGZ en de kinderopvang. JGZ indiceert en krijgt een terugkoppeling van de kinderopvang bij plaatsing. JGZ/GGD krijgt ook een terugkoppeling bij een mutatie van de plaatsing, zoals bij het afnemen van minder uren, het stopzetten of overgaan naar een andere vorm van opvang. Dit vormt ook onderdeel van de agenda van het overleg tussen JGZ en de gemeente. De doelgroeppeuter ve wordt met voorrang geplaatst. Bij alle afspraken geldt dat de AVG afspraken in acht moeten worden genomen. 9 In de evaluatie bleek dat bovenstaande afspraken niet bij iedereen bekend waren. En het lukte niet om de keten al dan niet met bovenstaande afspraken gesloten te krijgen en te houden. Wij stellen dan ook voor om hier een instrument voor aan te schaffen zoals de Peutermonitor.
Deze monitor geeft zicht op het bereik en non-bereik van de voorschoolse opvang, laat in een vroeg stadium zien of de subsidie die als voorschot is toegekend ook toereikend is en maakt de exacte verdeling in subsidie voor de reguliere peuter en de geïndiceerde peuter zichtbaar. Het geeft ook inzicht in welke wijken deze kinderen wonen en hoeveel uur zij gebruikmaken van één van de beschikbare voorschoolse voorzieningen. Het geeft ook financieel inzicht in de uiteindelijke afrekening van onder andere de onderwijsachterstandsgelden voor VVE, Asscher-middelen en gemeentelijke middelen. Ook is het mogelijk om informatie van peuters die een vve-indicatie hebben, maar (nog) geen plek hebben in de kinderopvang, weer terug te leveren aan de GGD/JGZ. Op deze manier is er duidelijke informatie. Vervolgens kan met en door alle betrokkenen gezocht worden naar de oorzaken van het non-bereik.
Wij gebruiken in de zoektocht naar de oorzaken van het non-bereik de 5 B’s: • beschikbaarheid – is er voldoende plek beschikbaar • betaalbaar – zijn de kosten een probleem of het aanvragen van subsidie of KOT • bereikbaar – is het kindnabij • begrijpelijk – snappen de ouders de informatie • bruikbaar – wellicht zit het kind al elders, zoals in de gastouderopvang of in de kinderopvang bij een buurtgemeente of de jeugdhulpverlening Vervolgens kan een verbeterplan opgesteld worden om heel gericht actie te ondernemen om het bereik zo optimaal mogelijk te krijgen. Speerpunten komende periode: Bereik voorschoolse educatie verhogen: Afspraken uit 2020 aanpassen en uitvoeren binnen de privacy wetgeving AVG. Er is 1 x per kwartaal overleg tussen de JGZ/GGD en de kinderopvang, hierbij is ook de gezinscoach aanwezig. Er kan alleen met toestemming van de ouders over specifieke kinderen gesproken worden, is er geen toestemming dan kan het alleen geanonimiseerd. In dit overleg wordt afgestemd wie in overleg met de ouders gaat en hoe dit gevolgd kan worden.
9 Handreiking AVG en informatieoverdracht en -uitwisseling tussen kinderopvang en basisonderwijs (goab.eu)
13
-
-
-
3.4
Kinderopvang deelt per e-mail maandelijks de mutaties en bijzonderheden rondom de vve-indicaties, o.a. terugkoppeling plaatsing, afname uren, stopzetten of overgaan naar andere opvang. Ook dit kan alleen met toestemming van de ouders over specifieke kinderen besproken worden, is er geen toestemming dan kan het alleen geanonimiseerd. Deze gegevens zijn ook onderdeel van de agenda van het overleg tussen JGZ/GGD en de gemeente. De JGZ/GGD gaat in een volgend consult na de indicering in gesprek met de ouders of het kind op een ve-plaats terecht is gekomen, voor 16 uur per week en zo niet, wat daarvan de oorzaken zijn. Ook wordt besproken hoe we deze drempels voor ouders weg kunnen nemen. JGZ/GGD koppelt dit terug aan de samenwerkingspartners, met toestemming van ouders specifiek en zo niet geanonimiseerd. Aantal indicaties en bereik/ non-bereik twee keer per jaar in de werkgroep OAB/VVE bespreken. Onderzoeken of de GedragsWetenschapper hier een rol in kan spelen. Informatiemateriaal van de gemeente actualiseren. In de LRK zijn 15 adressen van gastouders te vinden: onderzoeken wat de rol van de gastouderopvang kan zijn hierin. Aanschaf instrument voor bijhouden actuele indiceringen en plaatsingen zoals de Peutermonitor. En natuurlijk: de doelgroeppeuter ve wordt met voorrang geplaatst.
Toezicht
De GGD heeft de wettelijke taak om toezicht te houden op kinderopvang (waaronder ook alle vve-locaties) en gastouderopvang. Het doel hiervan is het bevorderen van de kwaliteit en uniformiteit in het toezicht. Kinderopvanglocaties die in het LRK staan, worden jaarlijks door de GGD geïnspecteerd om te beoordelen of de locaties aan de landelijke kwaliteitseisen voldoen. De resultaten van de inspecties zijn terug te vinden in de jaarverantwoording van de kinderopvangorganisaties en op de website van het landelijk register kinderopvang10. Daarnaast moeten de kinderopvangorganisatie de inspectierapporten op hun website vermelden waardoor ze zichtbaar zijn voor de ouders. De Inspectie van het Onderwijs inspecteert de kinderopvang steekproefsgewijs op de kwaliteit van ve. Een volgende stap om het toezicht meer toe te spitsen op de gemeentelijke kwaliteit, is het aansluiten en afstemmen van het toezicht in Beesel op de speerpunten van het gemeentelijke OAB. Speerpunt komende periode: • Jaarlijks gesprek met de GGD over de aandachtspunten in het gemeentelijk beleid en terugkoppeling van de GGD. De gemeente staat onder toezicht van de Inspectie van het Onderwijs. Sinds 2023 is er sprake van Interbestuurlijk toezicht.
Interbestuurlijk toezichtkader 2023 | Kinderopvang | Inspectie van het onderwijs (onderwijsinspectie.nl) De inspectie houdt bij de gemeentes toezicht op 1) de taken toezicht en handhaving op de kinderopvang en 2) de taak rondom onderwijsachterstandenbeleid. In het nieuwe kader zijn deze taken samen genomen zodat er meer samenhang en een eenduidigere uitvoering is. Het is de
10 www.landelijkregisterkinderopvang.nl
14
bedoeling dat kwaliteit van deze twee taken zo wordt verhoogd en dat gemeenten hun taken beleidsrijk uitvoeren en goed borgen. Speerpunt komende periode: • Het OAB-beleid met behulp van de Uitvoeringsagenda in de pdca-cyclus uitvoeren, evalueren en bijstellen.
3.5
Kwaliteit VVE
Gemeenten moeten kwaliteitseisen11.
ervoor
zorgen
dat
peuteropvang
en
vve
voldoen
aan
wettelijke
Brede kwaliteitsimpuls vve BCO heeft over 2018, 2019 en 2020 de monitor Voor- en vroegschoolse voorzieningen afgenomen. Op basis van ondermeer deze uitkomsten zijn in de afgelopen beleidsperiode onderdelen van het kwaliteitsbeleid besproken in de werkgroep VVE. Deze werkgroep is ingesteld na de verdieping van de uitkomsten van de monitor door middel van een aantal gespreksrondes met alle samenwerkingspartners door de CED-Groep in 2019. De werkgroep komt 3 tot 4 maal per jaar bij elkaar. De volgende onderwerpen zijn ter sprake geweest: uitbreiding ve-aanbod peuters van 10 naar 16 uur per week, formuleren van de gezamenlijke visie Jonge Kind, een vastgestelde doelgroepdefinitie vve, warme overdracht doelgroepkinderen, inhoudelijke doorgaande lijn binnen de locaties, een vve-coördinator in iedere locatie, doorgaande lijn doelgroepkinderen, samenwerken met ouders. Er zijn een aantal extra inhoudelijke bijeenkomsten geweest over vve, samenwerken met ouders en taalontwikkeling jonge kind. Zowel bij de gemeente als in het werkveld is er een grote betrokkenheid en brede motivatie om de kwaliteit van vve verder te versterken. De inspanningen van vve zijn nadrukkelijk bedoeld om de achterstanden van kinderen te verminderen. En dat kan alleen als de educatieve kwaliteit op orde is. Wij willen hier dan ook in de komende beleidsperiode de grootste prioriteit aan geven.
Speerpunten komende periode: Wij gaan met de werkgroep VVE een Kwaliteitskader vve formuleren: wat is ‘educatieve kwaliteit’: wat verstaan we onder een rijke taalstimulering, begeleid spel en spelend leren, feedback geven. Er komt een (gezamenlijk) begrippenkader. De basis is het ‘spelend leren’, zoals verwoord in de visie Jonge Kind,. Het vaststellen van wat we verwachten te zien in de ontwikkeling van de doelgroepkinderen. Wat hebben we daarbij nodig, zoals lerende netwerken vve. Afspraken maken over de evaluatie cq monitoring om de effecten van interventies en activiteiten in de vve te kunnen beoordelen en zo onderbouwd vervolgstappen te kunnen nemen.
11
WPO, Wet Kinderopvang, Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie, Wet IKK 15
3.6
Samenwerken met ouders
De thuissituatie is ontzettend belangrijk voor de ontwikkeling van een kind. Betrokkenheid thuis levert een grote bijdrage aan de ontwikkeling en het (leer)succes van kinderen, zeker bij peuters. Immers peuters zijn meestal ook nog een groot deel van de week thuis. Wij richten ons dan ook op educatief partnerschap. Het is hierbij vooral van belang dat ouders een rijke taalomgeving bieden, met hun kinderen praten over de (voor)school/opvang en de tips toepassen die zij krijgen van de (voor)school (voorlezen, gesprekjes voeren met kinderen, liedjes zingen, omgaan met meertaligheid). Voorschoolse instellingen en scholen kunnen het niet alleen. Zij hebben de ouders óók hard nodig als het gaat om het stimuleren van kansen voor kinderen. Daarom zullen wij ons in de komende periode ook blijven richten op het belang van samenwerken met ouders in de vve. Speerpunten komende periode: Alle locaties kennen de situatie van de ouders, hun vragen en behoeftes wat betreft de contacten en ondersteuning. In het locatieplan is samenwerken met ouders een van de onderdelen. Er wordt jaarlijks in het locatieplan een samenhangend en onderbouwd aanbod voor ouders van doelgroepkinderen vastgelegd op basis van de doelen met concrete acties en in te zetten communicatiemiddelen. In deze OAB-periode wordt de BoekStartcoach in de JGZ/GGD uitgebreid en wordt ingezet op het ouder café.
3.7
Pedagogisch beleidsmedewerker VE
Vanaf 1 januari 2022 is het wettelijk verplicht om een pedagogisch beleidsmedewerker in de voorschoolse educatie in te zetten12. Het ministerie van OCW kiest voor een grotere inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker (pbm’er) en/of coach op basis van meerdere onderzoeken waaruit blijkt dat beleidsmatige en coachende ondersteuning een positieve invloed heeft op de kwaliteit van ve en daarmee op de ontwikkeling van doelgroeppeuters. De achterliggende gedachte van de maatregel is dat hiermee een substantiële kwaliteitsslag wordt gemaakt. Coaching is een krachtig middel voor verdere professionalisering en kwaliteitsbevordering. Daarnaast kan het de beroepstrots en het werkplezier van medewerkers aanzienlijk vergroten. De functie van pbm’er in de ve moet worden onderscheiden van de functie van pedagogisch beleidsmedewerker op grond van de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang die met ingang van 1 januari 2019 verplicht is in de kinderopvang, maar kan bij voldoen aan de functie-eisen wel in één persoon verenigd worden. Besluit Basisvoorwaarden Kwaliteit VE
Wet IKK
Beleidsvorming en coaching: Aantal doelgroeppeuters x 10 uur (jaarbasis).
Beleidsvorming: Aantal locaties x 50 uur. Coaching: Aantal FTE pm’ers x 10 uur
Uren alleen flexibel inzetbaar op de VEgroepen binnen één locatie. Uren niet flexibel inzetbaar over alle VE-locaties van de organisatie.
Uren beleidsvorming flexibel inzetbaar over alle locaties van de organisatie. Uren coaching flexibel inzetbaar, iedere pm’er ontvangt een vorm van coaching.
Besluit van 20 september 2019 tot wijziging van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit Voorschoolse Educatie in verband met de verhoging van het minimaal aantal uren aanbod voorschoolse voorzieningen en de inzet van de pedagogische beleidsmedewerker (Staatsblad 2019,315) 12
16
Bron: Handreiking Pedagogische beleidsmedewerker in de VE (SWN, MBK, BK) Inzet Deze functie is binnen de kinderopvangorganisaties intussen verankerd en binnen het toezicht wordt verantwoording afgelegd over de inzet van uren. Het is aan de organisaties zelf om te bepalen hoe intervisie plaats vindt en met wie. De suggestie wordt nu gedaan om hierover jaarlijks met elkaar van gedachten te wisselen. Spring heeft naast de pbm’er ve nog de beschikking over een zorg coördinator en pedagogisch coaches. ‘T Rovertje heeft alleen pedagogisch coaches. Binnen de gemeente is ook een GedragsWetenschapper beperkt aanwezig in het onderwijs en op termijn ook via de NPO-gelden in de kinderopvang. Hier kunnen de pbm ‘ers mee sparren en afstemmen, m.n. over de zogenaamde schakelmomenten peuter-kleuter, de doorgaande lijn in zorg, indicering en een juiste toeleiding. Speerpunten komende periode: Met elkaar uitwerken van afspraken over waarover, wanneer en hoe de kinderopvang gebruik kan maken van de gedragswetenschapper. Uitwisselen van ervaringen van pbm’er in de peuteropvang ve
4
Onderwijsachterstandenbeleid in de basisschool
In paragraaf 2.1 is al beschreven dat in Beesel 18% van de leerlingen in 2019, 16% van de leerlingen in 2020 en 16% van de kinderen in 2021 viel onder de doelgroep definitie van het CBS. Dit betekent dat deze kinderen, in 2021 ging het om 140 van de 885 kinderen, die volgens de landelijke definitie een risico lopen op een onderwijsachterstand. In kader van WPO-artikel 165 mogen gemeenten ook (mede)financier zijn van OAB-activiteiten in scholen, zoals schakelklassen, zomerscholen en verlengde schooldagen. Dit is geen wettelijke verplichting. Het is een afweging die de gemeente zelf mag maken, uiteraard in goed overleg met het onderwijsveld. Schoolbesturen ontvangen niet geoormerkte OAB-middelen van het Rijk. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet hiervan. Hierover vindt nog weinig afstemming plaats tussen het onderwijs en de gemeente. De gemeente financiert sinds de vorige GOAB periode gedeeltelijk de ondersteuning NT2/ taalklas binnen de basisscholen. Inhoudend dat de kosten van de taalklas die over blijven na verrekening, van de rijksmiddelen die de school ontvangt, in rekening worden gebracht bij de gemeente tot een max van de formatie plaats van de leerkracht Nederlands als Tweede Taal (NT2). In de nieuwe periode wordt deze garantstelling uitgebreid met een 2e NT2 docent.
Momenteel is er namelijk één taalklas binnen de gemeente Beesel beschikbaar op basisschool Bösdael. Waarbij het taalniveau van de kinderen, de leerbaarheid en de culturele achtergronden vaak erg ver uit elkaar lagen. Dit gaf en geeft een extra druk voor de leerkracht NT2 in de taalklas. De onderwijskundige visie is dat kinderen bij het doorlopen van de taalklas (na 1,5 tot 2 jaar) instromen in een van de vier basisscholen verspreid over de gemeente. 17
In de praktijk zagen we dat deze kinderen veelal blijven op Bösdael, vanwege het feit dat ouders/verzorgers dit als natuurlijke instroom van hun kind(eren) zien. Dit zorgt voor een verdichting van kinderen met onderwijsbehoeften op het gebied van NT2 in combinatie met sociaal emotionele ontwikkeling (bijv. trauma-verwerking) in de reguliere klassen van Bösdael. De basisscholen hebben dit afgelopen schooljaar gezamenlijk besproken en nu wordt bij de intake in overleg met alle basisscholen de vervolgschool bepaald en stromen sindsdien jongere broertjes en zusjes meteen in bij de desbetreffende school of speelleergroep. Kijkend naar onderwijsopbrengsten voorziet het onderwijs in de Taalklas in een goede basis in de Nederlandse taal, deze is echter onvoldoende om het hele onderwijs in m.n. groep 5 t/m 8 te kunnen volgen. Denk hierbij aan abstracte taal in rekenen, begrijpend lezen en wereldoriëntatie. Ondersteuning van de kinderen blijft nodig om in het reguliere onderwijs te kunnen deelnemen. Het duurt 4 tot 6 jaar voordat de woordenschat en taalbegrip toereikend is om volledig aan te kunnen sluiten bij het onderwijsaanbod Wetend dat deze kinderen door de voorgeschiedenis al met een onderwijsachterstand binnen komen is het risico op onderpresteren / uitval groot in vervolgonderwijs.
Om dat te voorkomen is het noodzakelijk in te zetten op intensieve begeleiding van deze leerlingen (en hun leerkrachten) na instroom in de reguliere groepen. Ook is afgelopen jaren ervaren dat de toename van het aantal kinderen dat een beroep doet op de taalklas is toegenomen, vanuit verschillende doelgroepen. De verwachting naar de toekomst is dat de toestroom in de taalklas door statushouders of andere ontheemden niet minder maar eerder meer gaat worden. Met de uitbreiding van een extra leerkracht NT2, zet de gemeente Beesel in op flexibiliteit, behoud en borging van kwaliteit van het taal onderwijs. Doordat de extra leerkracht NT2 de leerkrachten in de reguliere klassen kan ondersteunen bij vraagstukken nadat de kinderen zijn uitgestroomd en dat er opgeschaald kan worden naar een tweede taalklas bij een grotere instroom. Bij voorkeur wordt tweede taalklas op andere locatie opgestart ivm spreidingsmogelijkheden van de gezinnen. Richtend op de toekomst: expertiseontwikkeling en -behoud is essentieel bij NT2-onderwijs. Er wordt voorzien dat de huidige leerkracht NT2 deze GOAB periode mogelijk nog met pensioen gaat. Middels bovenstaande wijze wordt er nu tijdig geïnvesteerd op het behoud en doorontwikkeling van de opgebouwde kennis voor de toekomst. Speerpunt komende periode:
• •
Afstemmen OAB-middelen onderwijs en gemeente: LEA. Aanvullende inzet OAB-middelen in schakelklas binnen het basisonderwijs
18
5
Samenwerking tussen voor- en vroegschoolse voorzieningen
5.1
Doorgaande lijn en resultaatafspraken
Vanuit het onderwijsachterstandenbeleid hebben gemeenten de wettelijke verplichting13 om afspraken te maken met aanbieders van voor- en vroegschoolse educatie (peuteropvang ve en basisonderwijs). Deze afspraken gaan over het gezamenlijk realiseren van een doorgaande lijn: van peuteropvang naar de kleutergroepen in het basisonderwijs en daarna naar alle groepen die volgen tot en met de stap naar het voortgezet onderwijs. Vooral voor doelgroepkinderen lijkt dit van groot belang om resterende achterstanden in te halen14. De doorgaande lijn heeft zowel betrekking op de overdracht van kindgegevens tussen de kinderopvang en het basisonderwijs als op de afstemming van het pedagogisch educatieve aanbod. In Beesel zijn de ve-locaties gehuisvest in de scholen en is de afgelopen jaren ingezet op het uitwerken van de samenwerking en afstemming door middel van locatieplannen en gezamenlijke overlegmomenten. Het is de bedoeling dat dit meer richting IKC vorming wordt uitgewerkt de komende jaren. In het kader van de doorgaande lijn in het woordenschatonderwijs in de kinderopvang en de groepen 1 en 2 van het basisonderwijs wordt onderzocht of de aanschaf van LOGO 3000 een goede aanvulling is op het educatieve aanbod. Een deel van de kosten kan worden vergoed vanuit het gemeentelijk NPO budget en voor de vve-groepen vanuit het OAB.
Daarnaast is de gemeente verplicht om ten minste jaarlijks overleg te voeren en zorg te dragen voor het maken van afspraken met het onderwijs en peuteropvang over resultaten van voor- en vroegschoolse educatie. Resultaatafspraken zijn bedoeld als een streven, een ambitie en niet als doelen waarop wordt afgerekend. Ze zijn vooral bedoeld als aanknopingspunt om met elkaar in gesprek te gaan over de kwaliteit en over de opbrengst van vve. Wat draagt bij aan het bereiken van de vve-doelstelling: het voorkomen, vroegtijdig opsporen en aanpakken van taal- en onderwijsachterstanden bij jonge kinderen met als doel die achterstand in te lopen. De inspanningen zijn erop gericht zoveel mogelijk kinderen goed te laten starten in groep 3.
We hebben voorlopig de volgende resultaatafspraken geformuleerd 1. Elk kind groeit, verkleint of behoudt hooguit dezelfde afstand van de ontwikkelleeftijd met de kalenderleeftijd op de volgende domeinen: a. Sociaal-emotioneel (welbevinden, betrokkenheid, basiskenmerken) b. Motoriek c. Taal d. Rekenen 2. Kinderen voldoen aan het einde van (de eerste keer) groep 2 * E2 aan de persoonlijke/ algemene en leervoorwaarden om aan het aanvankelijke leerproces te beginnen zoals de cruciale doelen van beginnende geletterdheid en gecijferdheid, sociaal-emotionele vaardigheden en motoriek met de ontwikkelleeftijd tussen 5,6-6,6 jaar. *Voor peuters: om naar het basisonderwijs door te stromen moet de ontwikkelleeftijd tussen de 3,6 en 4,6 jaar zijn. De basiskenmerken moeten zo zijn dat de peuter kan komen tot ontwikkelen/leren En verder: a. Wij streven er naar om 100 % van de peuters met een VVE indicatie succesvol toe te leiden naar ve-peuteropvang. 13 WPO-artikel 167 lid 1b 14
Slot & Leseman (2019) 19
b. Bij 100 % van de doelgroeppeuters heeft een warme overdracht naar de basisschool plaatsgevonden. c. 100 % procent van de doelgroepkinderen zijn op de vroegschool in beeld en krijgen een passend aanbod. Speerpunten komende periode: Op basis van het gezamenlijk te formuleren en gedragen kwaliteitskader wordt een convenant doorgaande lijn en resultaatafspraken opgesteld te ondertekenen door de scholen en de kinderopvangorganisaties. Dit wordt op de locaties in gezamenlijkheid verder uitgewerkt: de ontwikkelingsleerlijnen, de overdracht, de scharniermomenten op 3,5 en 4,5 jaar. De samenwerking en afstemming richting IKC vorming wordt verder uitgewerkt met elkaar. De aanschaf van LOGO 3000 wordt onderzocht.
5.2
Segregatie
We weten dat de achtergrond van kinderen veel invloed heeft op hun (ontwikkelings)kansen. In de kamerbrief van 18 december 202015 (‘Beleidsagenda tegen segregatie in het funderend onderwijs’) en de brief Kansengelijkheid van 10 maart 2023 is aangegeven dat de maatschappelijke segregatie toeneemt en dat dit ook te zien is in het onderwijs. De segregatie tussen leerlingen op scholen, op basis van de sociaaleconomische status (SES) van ouders neemt toe. Zowel in het primair onderwijs als in het voortgezet onderwijs is de SES van grote invloed op naar welke school een kind toegaat. In de brief Kansengelijkheid worden de volgende maatregelen aangekondigd: 1. Investeringen kwaliteit en bereik vve 2. Garanderen basiskwaliteit onderwijs: meerjarige aanpak basisvaardigheden en beschikbaarheid goede leraren 3. Zorg gelijke toegang onderwijs 4. Verrijking omgeving via School en Omgeving 5. Vergroten van flexibiliteit en maatwerk in het onderwijs Met dit OAB sluiten wij met name aan bij punt 1. Wij vinden het belangrijk dat kinderen in Beesel, met verschillende achtergronden, al van jongs af aan samen opgroeien. Binnen de gesubsidieerde peuteropvang/ve willen we dan ook zoveel mogelijk gemengde peutergroepen, dat wil zeggen dat peuters met en zonder ve-indicatie en/of met en zonder KinderOpvangToeslag bij elkaar in de groep zitten.
Deze ambitie houden we vast, ook al zien we sinds 2022 dat dit onder druk komt te staan door een grotere toename van ve geïndiceerde peuters met een grotere problematiek. Dit wordt in het Kwaliteitskader opgenomen en is een voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen. Voor daadwerkelijke integratie
15 https://open.overheid.nl/repository/ronl-31eb81d8-8046-4174-a5a2-1476a3cd1f91/1/pdf/brief-tweede-kamer-inz
15 Eerste Kamer brief over visie Kansengelijkheid funderend onderwijs | Kamerstuk | Rijksoverheid.nlakebeleidsagenda-segregatie.pdf
20
zijn er ook inspanningen nodig richting ouders, zij bepalen immers of (jonge) kinderen elkaar ook na en buiten de peuteropvang tijd zien. Speerpunten komende periode: Segregatie zal een vast punt worden op de agenda van de werkgroep VVE. Samen zal nagedacht worden welke stappen we nog meer kunnen nemen om segregatie tegen te gaan. Over de verdeling doelgroepkind – niet doelgroepkind en dan met name het aantal zogenaamd zware indicaties in de ve-groepen vinden nadere gesprekken plaats.
6
Subsidies
6.1 Peuteropvang Primaire opdracht voor de gemeente is om met de beschikbare middelen een goed netwerk aan voorschoolse voorzieningen op te bouwen en in stand te houden. Deze peuteropvangvoorzieningen bieden voor alle 2 tot 4-jarigen in onze gemeente een aanbod van 8 uur per week voor 40 weken peuteropvang gericht op de brede ontwikkelingen van deze kinderen met extra aandacht voor de taalontwikkeling. Dat is maximaal 320 uur per jaar. De doelgroeppeuters ve hebben daarnaast in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar recht op nog eens 8 uur opvang (in totaal is het dan 2 x 8 uur = 16 uur). Voor ouders die geen KinderOpvangToeslag ontvangen is dit 16 uur x 40 weken, in totaal maximaal 640 uur per kind op basis van de subsidieregeling VVE 2020. Als ouders wel KinderOpvangToeslag ontvangen, dan betalen ouders zelf de eerste 8 uur en de 8 uur ve worden door de gemeente gefinancierd, dat is maximaal 320 uur per kind per jaar. De peuteropvang en ve-locaties worden gefinancierd op basis van het aantal deelnemende peuters. Ouders betalen een eigen bijdrage van €1 per uur. De gemeente vult dit bedrag aan tot een vast bedrag per uur, ook wel bekend als kostprijs. De subsidiabele uurprijs betreft de jaarlijks vastgestelde maximale uurprijs door het ministerie. Subsidiëring vindt plaats op basis van deze subsidiabele uurprijs na aftrek van €1 eigen bijdrage van ouders.
voor 2021: €8,46€1,00= €7,46 voor 2022: €8,50 -€1= €7,50 voor 2023 €9,12-€1= €8,12 De kostprijs voor 2024, 2025 en 2026 zal jaarlijks opnieuw vastgesteld worden. Zie hiervoor het format in bijlage 3. De kinderopvangaanbieders kunnen jaarlijks vóór 1 november een subsidie aanvragen via het aanvraagformulier van de gemeente. De afrekening vindt plaats op basis van een verantwoording van de kinderopvangaanbieders en een vaststellingsbeschikking van de gemeente. Deze subsidie moet het voor de aanbieders mogelijk maken kwalitatief goede peuteropvang en ve te bieden. Een aanzienlijk deel van het OAB-budget wordt hieraan besteed.
6.2 Overig Een deel van het OAB-budget wordt ingezet voor extra taal stimulerende activiteiten, met name de Bibliotheek, voor de BoekStartcoach bij de JGZ/GGD en aanvullend NT2 in het basisonderwijs.
21
7 Afstemming en relatie met andere beleidsterreinen Naast wat al genoemd is in dit beleidsstuk zijn er activiteiten vanuit preventieve logopedie en vanuit de bibliotheek. Deze kunnen meer betrokken worden bij het beleid en beleidsuitvoering, zodat er logische samenhang is tussen diverse activiteiten. Een dergelijke afstemming moet ook plaats vinden met aanpalende beleidsvelden binnen de gemeente, zoals o.a. armoedebeleid, laaggeletterdheid, jeugdhulp, gelijke kansenbeleid.
7.1 Inzet vanuit de bibliotheek De taal- en ontwikkelingsstimulering van peuters is gebaat bij een veelheid aan activiteiten. De bibliotheek levert hiervoor een belangrijke bijdrage. De inzet van de bibliotheek start al voor aanvang van de peuteropvang met BoekStart voor baby’s. Vervolgens komt BoekStart ook terug in de peuteropvang en wordt de combinatie gemaakt met BoekenPret. Speerpunt komende periode: Met alle peuteropvanglocaties worden afspraken gemaakt over deelname aan bijvoorbeeld workshops ter voorbereiding op de Nationale Voorleesdagen, het voorlezen in elke groep tijdens Nationale Voorleesdagen, bezoeken aan de bibliotheek, ouderbijeenkomsten over kind en media en over voorlezen en de deelname aan andere cursussen en trainingen. -
7.2 Sociaal medische indicatie (SMI) Er komen steeds meer kinderen met een SMI indicatie op de ve-groepen. SMI is een tijdelijke voorziening en geen (goedkope) vervanging van Jeugdzorg: Ouders kunnen in aanmerking komen voor SMI als ze om sociale en/of medische redenen tijdelijk niet in staat zijn om voor hun kinderen te zorgen. In aanmerking komen gezinnen die geen recht hebben op KinderOpvangToeslag, bijvoorbeeld omdat maar één van de ouders werkt, terwijl de andere ouder om sociale en/of medische redenen tijdelijk niet in staat is om voor de kinderen te zorgen. Met SMI krijgen kinderen de mogelijkheid een paar dagen per week naar de opvang te gaan. Kinderopvang kan dan een (tijdelijke) oplossing bieden om ouders te ontlasten en/of de ontwikkeling van het kind niet te schaden. Voor de kinderopvang vormen deze kinderen een verzwaring en de vergoeding lijkt niet voldoende te zijn voor de extra zorg die deze kinderen geboden zou moeten worden. Het is de vraag of plaatsing in een ve-groep passend en haalbaar is op een SMI-indicatie. Ook vraagt dit veel overleg met o.a. gezinscoaches, gezinnen, pedagogisch medewerkers en pedagogisch beleidsmedewerker. De uurprijs SMI dekt deze kosten niet en hierdoor ontstaat een spanningsveld. Deze problematiek hoort wellicht meer bij jeugdzorg, dan bij ve.
Speerpunten komende periode: Onderzoeken met jeugdzorg en andere betrokkenen of deze kinderen wel op hun plaats zijn in een VE groep, is VE het antwoord op deze meestal multi gezinsproblematiek Komen tot werkbare afspraken en een meer kostendekkende financiering.
22
8 Overlegstructuur Binnen de gemeente is de beleidsmedewerker Jeugd en Onderwijs betrokken om de brug te slaan tussen het onderwijsachterstandenbeleid en de uitvoering. Daarnaast is er een werkgroep VVE, bestaande uit vertegenwoordigers van alle scholen en vanuit kinderopvangorganisaties die vve aanbieden. Deze werkgroep denkt mee en is tevens de linking pin naar hun achterban. Deze structuur bestaat al lang in de gemeente en blijkt van grote meerwaarde. Het zorgt voor een grote betrokkenheid, zowel van de werkgroep als van hun achterban. De wisselwerking tussen beleid en praktijk is efficiënt, omdat de lijnen kort zijn en de afstand dus klein. De gemeente voert twee keer per jaar op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met alle schoolbesturen. Ook wordt twee keer per jaar overleg gevoerd over OAB-activiteiten met bestuurders, schooldirecties en kinderopvangaanbieders tijdens de net gestarte Lokaal Educatieve Agenda (LEA). Daarnaast is er twee maal per jaar directeurenoverleg PO. Verder organiseert de gemeente informele netwerklunches waar o.a. ontwikkelingen in peuteropvang en het onderwijs met alle medewerkers uit de kinderopvang en het onderwijs worden gedeeld. Voorheen werden voor de netwerklunches pedagogisch medewerkers van de speelleergroepen (voormalige peuterspeelzalen) uitgenodigd waarbij de ureninzet door de gemeente werd gesubsidieerd.
Pedagogisch medewerkers kinderopvang werden niet uitgenodigd en de kosten voor de ureninzet waren dan voor de kinderopvangorganisatie. Het biedt kansen als alle pedagogisch medewerkers werkzaam in het voorschoolse om 1 a 2 keer per jaar deel te kunnen nemen aan een netwerklunch met een passend thema. Onderwijs, opvang en kindpartners kunnen elkaar dan in een anders setting ontmoeten en expertise delen. Speerpunt komende periode: • Onderzoeken of er een netwerklunch of vergelijkbaars voor alle professionals die met jonge kinderen werken kan worden georganiseerd en gefinancierd door de gemeente.
9 Financieel kader OAB-middelen moeten jaarlijks verantwoord worden in de gemeentelijke jaarrekening en voor het ministerie van OCW. Gemeenten geven via de Single information, Single audit (SiSa)verantwoording het bedrag weer dat in het voorgaande jaar is ingezet. De gemeentelijke accountant toetst of dit correct is gebeurd en geeft een verklaring af over de gemeentelijke verantwoording van de besteding van de middelen. Het Ministerie van OCW neemt het besluit van de accountant in principe over. Dat betekent dat de initiële doelmatigheidstoets bij de gemeentelijk accountant ligt. Het is dus belangrijk om de gemeentelijke accountant mee te nemen in de denkrichtingen die er zijn en de argumentatie achter de keuzes. Dit geeft de ruimte die nodig is om voldoende breed te kijken naar het OAB-budget. De beleidsperiode is vastgesteld op 4 jaar (2023-2026). Vanuit de voorgaande beleidsperiode mocht er maximaal 50% van het budget van 2022 doorgeschoven worden naar de huidige periode.
2019 2020
GOAB-bijdrage Uitgaven Rijk 251.426 94.776 289.229 207.486
23
2021 2022 Totaal
352.061 393.373 1.286.089
398.025 399.414 1.099.701
Restant periode 2019-2022: 186.388 In totaal hebben we in de vorige beleidsperiode € 1.286.089 ontvangen en € 1.099.701 uitgegeven. Het resterende bedrag van € 186.388 mogen we doorschuiven naar de periode 2023-2026.
9.1
Beschikbare financiële middelen
Dit beleidskader is geldig voor de komende 4 jaar en wel van 2023-2026. De middelen die hiervoor worden ingezet zijn reguliere investeringen vanuit de gemeentelijke begroting, de Asscher-middelen vanuit SZW en OAB-middelen vanuit OCW. De OAB-budgetten over de periode 2023 – 2026 zijn niet per jaar gebonden. Er mag binnen deze periode van 4 jaar met de middelen geschoven worden. Daarnaast wordt jaarlijks het model van het CBS opnieuw berekend, waardoor de verwachte budgetten nog kunnen worden bijgesteld. Hieronder zijn de budgetten voor 2023 in beeld gebracht.
Decentralisatie-uitkering voorschoolse voorziening peuters (Asscher) OAB -middelen (voorlopig) Doorgeschoven OAB middelen 2022 Totaal