CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties Wederikstraat

Besluitvormende raadsvergadering 23 september 2024, gemeente BeeselBij agendapunt: Raadsadvies buitenplanse afwijking woningbouw Wederikstraat13.752 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

• • •

een scherpere norm, bijvoorbeeld voor fijnstof een resultaatsverplichting voor een rijksomgevingswaarde waar in het Bkl een inspanningsplicht voor geldt voor de lokale omgevingswaarde geldt dezelfde getalswaarde op locaties waar de rijksomgevingswaarde niet geldt

De gemeente Beesel hanteert 40 μg/m3 (pm10) en 40 μg/m3 (NO²) als grenswaarden.Op basis van de concentratiekaarten van het RIVM is getoetst of ter plaatse van het besluitgebied wordt voldaan aan de gestelde omgevingswaarden voor fijnstof en stikstof. Fijn stof De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijn stof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd. Voor het besluitgebied blijkt dat de achtergrondconcentratie voor fijn stof circa 14,01 μg/m3 (PM10) bedraagt. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de wettelijk gestelde grenswaarden. Stikstofdioxide Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het besluitgebied bedraagt circa 10,73 μg/m3. Dit betekent dat de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de wettelijk gestelde grenswaarden ligt. Initiatief Een ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op het aantal verkeersbewegingen dat uiteindelijk effect heeft op de luchtkwaliteit. Gezien het feit dat er 18 woningen worden gerealiseerd, zal er sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Uit paragraaf 5.13 blijkt dat het aantal verkeersbewegingen maximaal toeneemt met 93 verkeersbewegingen per etmaal.

Om te bepalen of deze toename een onevenredige invloed heeft op de luchtkwaliteit is gebruik gemaakt van artikel 5.54 Bkl, waarin staat dat woningbouwinitiatieven van 1500 woningen of minder per definitie ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) zijn. Indien sprake is van een bijdrage die niet in betekenende mate is, is nader onderzoek naar luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Conclusie Zowel op het gebied van fijn stof als stikstofdioxide is in de huidige situatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast is de ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ van invloed op de luchtkwaliteit. Een nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

5.8

Geur Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vormt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 het toetsingskader voor de omgevingsvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. In het Bkl zijn in artikel 5.109 standaardnormen opgenomen die vanuit het Rijk zijn vastgesteld. Middels onderbouwing heeft een gemeente de mogelijkheid van deze standaardwaarden af te

26

wijken. Indien de gemeente al een geurverordening had opgesteld onder de Wgv, dan is deze automatisch opgenomen in het omgevingsplan. In principe bepaalt het Bkl de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Omgevingswet is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woonen leefklimaat. Het Bkl geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In het Bkl is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten. Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State[1] heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. In de omgeving van het besluitgebied zijn geen bedrijven en/of functies met een dusdanige geuruitstoot aanwezig welke een belemmering zou kunnen vormen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de (module)woningen op het gebied van geur.

Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Omgevingsveiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Binnen het beleidskader voor activiteiten staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

27

Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Hierbij zijn er drie typen aandachtsgebieden: - brandaandachtsgebied - explosieaandachtsgebied - gifwolkaandachtsgebied De aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Het bevoegd gezag bepaalt de benodigde beschermende maatregelen binnen een aandachtsgebied.

In het ‘Handboek Omgevingsveiligheid’ van het RIVM staan stappenplannen voor het bepalen van aandachtsgebieden. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het besluitgebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Overige wet- en regelgeving Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.

Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een 28

voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl) • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl) • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Toetsing De nieuwe woningen betreffen geen risicovolle inrichtingen welke een belemmeringen kunnen vormen voor (ontwikkelingen in) de omgeving. Met behulp van de Signaleringskaart EV is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het besluitgebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 6 is te zien dat een klein deel van het besluitgebied binnen het gifwolkaandachtsgebied van de spoorlijn Venlo-Roermond valt. Het risicovol transport over water en wegen heeft geen risicocontouren en aandachtsgebieden die over het besluitgebied reiken. De aanwezigheid van een gifwolkaandachtsgebied betekent dat in dat deel van het besluitgebied niet zonder meer zeer kwetsbare gebouwen gebouwd mogen worden. De beoogde woonfunctie valt in de categorie ‘kwetsbaar’.

In dit geval is er dan ook geen sprake van zeer kwetsbare gebouwen en vormt dit aspect geen belemmering.

Figuur 7 uitsnede EV-Signaleringskaart met projectgebied rood omcirkeld

Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Limburg-Noord adviseert rekening te houden met onderstaande beheersmaatregelen.

29

‘Het plangebied ligt op ongeveer 275 m van de spoorlijn Venlo-Roermond en is niet gelegen binnen een brand- of explosieaandachtsgebied van de spoorlijn. De afstanden voor deze aandachtsgebieden bedragen respectievelijk 30 m en 200 m volgens bijlage VII van het Bkl. Er is momenteel geen gifwolkaandachtsgebied aangewezen voor spoorwegen in de Omgevingsregeling. Het Basisnet maakt echter ook het toxisch vervoer mogelijk, ongeacht de mate van toxiciteit. Om deze reden zullen langs het gehele spoor mogelijk gifwolkaandachtsgebieden aangewezen worden via de Omgevingsregeling. De vaste afstand voor een gifwolkaandachtsgebied zal 300 m bedragen. Het gifwolkaandachtsgebied zal het plangebied deels overlappen. In het plangebied moet rekening worden gehouden met het ongevalscenario op het spoor waarbij een gifwolk zich met de wind mee verspreidt over het plangebied. Advies • Een goed handelingsperspectief bij een gifwolk is schuilen in de woning. Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving heeft een mechanisch ventilatiesysteem in een woonfunctie een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht.

Door het uitschakelen van een mechanische ventilatiesysteem en het sluiten van ramen en deuren, kunnen personen tijdelijk veilig schuilen in een woning voor een gifwolk. Een randvoorwaarde is dat personen snel worden gewaarschuwd door de hulpdiensten via een NL-alert of het sirenenetwerk bij een calamiteit met toxische stoffen. • De bereikbaarheid voor de brandweer van de woningen in het plangebied moet voldoen aan het door de gemeente vastgestelde beleid. De afstand tussen de toegang van een woning en een opstelplaats van een blusvoertuig, mag bij voorkeur maximaal 40 meter bedragen. De toegang van de verst gelegen woning ligt op ongeveer 50 meter van de dichtstbijzijnde opstelplaats. Deze incidentele overschrijding is akkoord. • De bluswatervoorziening voor de brandweer moet voldoen aan het door de gemeente vastgestelde beleid. De afstand tussen een opstelplaats van een blusvoertuig en een brandkraan, mag bij voorkeur maximaal 15 meter (één slanglengte) bedragen. In de Wederikstraat liggen de bestaande brandkranen binnen 35 meter (twee slanglengten) van een mogelijke opstelplaats. Deze overschrijding is akkoord. De capaciteit van de brandkranen in de Wederikstraat bedraagt minimaal 60 m3 per uur en voldoet aan het beleid voor bluswater.

Conclusie Hoewel een klein deel van het besluitgebied binnen een EV-aandachtsgebied valt is dat geen punt van aandacht omdat er geen zeer-kwetsbare objecten worden opgericht binnen het besluitgebied. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

30

5.10

Milieubelastende activiteiten Tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies zoals woningen, dient voldoende afstand te worden aangehouden. Om dit te bepalen wordt gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden richtafstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen een bedrijf/functie en gevoelige objecten. In de omgeving van het besluitgebied zijn vrijwel alleen woonbestemmingen te vinden waardoor er geen sprake is van gemengd gebied. In onderstaande tabel is getoetst of voldaan kan worden aan de VNG-afstanden. Adres

Functie

Richtafstand

Rijksweg 1F Rijksweg 2 Beeselseweg 15 Beeselseweg 17

Visrivier Composteerbedrijf Grondgebonden agrarisch Zonnepark

50 meter 100 meter 30 meter 50 meter

Werkelijke afstand 285 meter 405 meter 200 meter 75 meter

Voldaan? Ja Ja Ja Ja

In de tabel is te zien dat voor alle nabijgelegen bedrijvigheid aan de richtafstanden wordt voldaan. De bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling Conclusie Het aspect ‘milieubelastende activiteiten’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.

5.11

Niet-gesprongen explosieven Voor ontplofbare oorlogsresten zijn geen rijksregels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt decentrale overheden de mogelijkheid zelf decentrale regels op te stellen voor de fysieke leefomgeving. Ontplofbare oorlogsresten zijn nietgesprongen explosieven en andere munitie, bijvoorbeeld uit de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Ze leveren een gevaar op als ze verplaatst of aangeraakt worden bij graaf- of baggerwerkzaamheden De Omgevingswet verplicht niet tot het opstellen van regels voor ontplofbare oorlogsresten. Elke gemeente maakt daarin een eigen afweging. De plek waar dit beleid is vastgelegd verschilt ook. Zo zijn de APV, het omgevingsplan, en los beleid alle drie mogelijk als plek om beleid aangaande niet gesprongen explosieven in vast te leggen. Gemeente Beesel heeft geen beleid aangaande niet gesprongen explosieven. Derhalve vormt dit aspect geen belemmering.

5.12

Kabels en leidingen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het besluitgebied kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden.

31

5.12.1

Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het Omgevingsplan staan geen of zeer beperkt gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen. De regels richten zich op de ligging, het type leiding en de gebruikskenmerken. In dit geval is het belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen al dan niet met veiligheidszone aanwezig zijn. In de omgeving van het besluitgebied zijn geen leidingen aanwezig met een risicocontour. Dit zorgt dan ook niet voor belemmeringen voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling.

5.12.2

Hoogspanningslijnen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk, maar hebben ook effect op de (ontwikkelingen in de) omgeving. Zo is vanwege de magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen. In de directe omgeving van het besluitgebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. Hoogspanningslijnen zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen vormen.

5.13

Mobiliteit Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat verschillende rijkinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. Mobiliteit is verder een aspect dat in de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen moet in acht genomen worden dat er geen belemmeringen zullen ontstaan voor de omliggende wegen. Daarnaast moeten er ook voldoende parkeerplaatsen voor (deel)auto’s en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie en gemeentelijk beleid. Vanuit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn er twee nationale belangen gericht op mobiliteit: - Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; - In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

Verkeersgeneratie Op basis van gemeentelijk beleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden of er sprake is van een wijziging van het aantal verkeersbewegingen afkomstig van de locatie en kan worden bepaald of dit gevolgen heeft met betrekking tot de infrastructuur. In de huidige situatie zijn er geen verkeersbewegingen afkomstig van de locatie. Door de ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen per saldo toenemen. De beoogde

32

ontwikkeling ziet op het toevoegen van 8 goedkope grondgebonden woningen en 10 goedkope appartementen. De verkeersgeneratie is gebaseerd op de CROW publicatie 381. Voor goedkope huurappartementen geldt een kencijfer van 4,5 verkeersbewegingen per etmaal en per goedkope huurwoning 6,0 per etmaal. Dit komt neer op een totale verkeersgeneratie van 10*4,5+8*6=93 verkeersbewegingen per etmaal. Gelet op het feit dat de huidige infrastructuur het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie zonder probleem kan verwerken, worden er voor de beoogde situatie tevens geen problemen verwacht. Derhalve behoeft de huidige infrastructuur geen aanpassingen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering. Parkeren Op basis van gemeentelijk parkeerbeleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. De gemeente Beesel gaat uit van CROW- publicatie 381. Voor goedkope huur appartementen en goedkope huurhuizen in een matig-stedelijk gebied wordt in principe uitgegaan van ten minste 1,8 respectievelijk 2 parkeerplaatsen per woning. Echter heeft de gemeente vanwege de beperkte omvang van de woningen in dit geval besloten om te rekenen met tinyhouses. Hiervoor geldt 0,8 parkeerplaatsen per woning voor een totaal van 0,8 * 18 = 13(12,6). In het ontwerp is rekening gehouden met 13 parkeerplaatsen.

Mocht dit aantal parkeerplaatsen na realisatie te weinig blijken, dan bestaat de mogelijkheid om extra parkeerplaatsen toe te voegen.

5.14

Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid en klimaatadaptatie draaien om het lang termijn perspectief van een ontwikkeling. Duurzaamheid gaat vooral over het energieverbruik van een ontwikkeling, terwijl klimaatadaptatie vooral gaat over weersextremen en hoe daaraan aan te passen. Zowel in de Nationale klimaatadaptatiestrategie als in het Deltaprogramma is als 'overall' doel geformuleerd dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust (veilig voor overstromingen) moet zijn.

5.14.1

Deltaprogramma Het Deltaprogramma heeft zijn wettelijke basis in de Deltawet waterveiligheid en zoetwatervoorziening, die op 1 januari 2012 van kracht geworden is. Alleen voor waterveiligheid bestaan concrete doelen en de normen. Deze zijn vastgelegd in de Omgevingswet (Bkl 2.0a t/m 2.0k). De andere onderdelen van het deltaprogramma zijn achtergebleven in de uitgeklede waterwet.

5.14.2

Nationale klimaatadaptatiestrategie De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Het document laat daarmee zien hoe de uitvoering van de NAS wordt aangepakt en wat nodig is om te versnellen. Er staat bijvoorbeeld dat we vanaf nu bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening moeten houden met zeespiegelstijging, toenemende hitte, langere periodes

33

van droogte en meer extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer, intensiever en inclusiever. Investeringen in de gebouwde omgeving, in zowel fysieke gebouwen als de openbare ruimte, worden voor een langere periode gedaan. Bij grote investeringen moet rekening worden gehouden met het toekomstige klimaat. Dit geldt bij investeringen in de woningbouwopgave, maar ook bij investeringen in de bestaande woningvoorraad. Investeringen moeten zoveel mogelijk klimaatrobuust zijn. Dat wil zeggen dat ontwikkelingen ook binnen de verwachte gevolgen van klimaatverandering levensvatbaar moeten zijn. Onderhavige ontwikkeling voorziet in het toevoegen van achttien woningen in relatief hooggelegen gebied. Daarmee is de verwachte stijging van de zeespiegel geen problemen op de lange termijn veroorzaakt. De beoogde ontwikkeling voldoet aan de doelstellingen die gesteld zijn in het Deltaprogramma en het NUPKA, welke zodoende geen belemmering vormen voor onderhavig voornemen.

5.15

Trilling Ten behoeve van de bescherming van de fysieke leefomgeving, kunnen gemeenten regels opnemen ten aanzien van trillingen. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor het op een locatie toelaten van een activiteit en/of een trillinggevoelig gebouw en het aanpassen daarvan. De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: • In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. • Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in het omgevingsplan. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. Een gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden.

Uit het oogmerk van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan de gemeente bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen. Weg- en Spoorwegverkeer Ook trillingen door weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen, scholen en dergelijke. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(wegen) en/of trillinggevoelige gebouwen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er gelden geen instructieregels van het rijk. In deze situatie kan het bevoegd gezag gebruikmaken van de SBR-richtlijn. 34

Binnen het besluitgebied zullen trilling gevoelige objecten toegevoegd worden. De dichtstbijzijnde potentiële trillingsbron (spoorlijn Venlo-Roermond) ligt echter op meer dan 250 meter afstand, waardoor er nagenoeg zeker aan de SBR richtlijn zal worden voldaan. Hierdoor vormt het aspect trillingen geen belemmering voor onderhavig voornemen.

5.16

Energietransitie In het omgevingsplan werken overheden hun omgevingsvisie op het gebied van energietransitie uit in regels voor hun grondgebied. Bijvoorbeeld door regels over de aanwijzing van functies of locaties die windparken mogelijk maken of een verbod op houtstook. Het is aan de gemeente om de (minimale) eisen en voorwaarden vanuit de energietransitie te borgen in het omgevingsplan. De ruimte in de fysieke leefomgeving die de energietransitie vraagt, maakt dit een belangrijk onderwerp voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat daarbij deels over fysieke ingrepen bovengronds, zoals de aanleg van windmolens, zonneparken of schakelstations. Maar de energietransitie heeft ook gevolgen voor de ondergrond. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van warmtenetten, geothermie of de ondergrondse opslag van warmte voor verwarming van gebouwen. Gemeenten zijn conform het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht om locaties voor grootschalige energieopwekking, kerncentrales en hoogspanningsverbindingen, zoals genoemd in artikel 5.156 t/m 5.159 Bkl, te waarborgen in het omgevingsplan. Dit betekent ook dat er geen functies mogen worden toegekend die hiervoor op termijn een belemmering kunnen vormen. Gemeenten kunnen naast de verplichte locaties ook zelf locaties voor energieopwekking aanwijzen in het omgevingsplan. Of ruimte reserveren voor distributienetwerken voor energie of warmte.

Deze locaties kunnen volgen uit de Regionale Energiestrategie. Zo kan het omgevingsplan het realiseren en gebruiken van een zonnepark juridisch toestaan in een bepaalde wijk. Het instrument omgevingsplan waarin de omgevingswaarden zijn vastgesteld, biedt mogelijkheden om regels op te stellen die meer sturend zijn. Door het naar eigen inzicht opnemen van omgevingswaarden, verplicht de gemeente zichzelf om aan deze waarden te voldoen. Onderhavige locatie ligt niet binnen een aangewezen gebied voor ontwikkelingen binnen de energietransitie. Hierdoor vormt dit aspect geen belemmering voor onderhavig voornemen.

5.17

Lichthinder Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een

35

gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Kunstmatige verlichting kan 4 soorten negatieve effecten veroorzaken: - Hinder voor de mens - Hinder langs wegen - Verstoring van de natuur - Horizonvervuiling. De lichthinder die kunstmatige verlichting veroorzaakt hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Gemeentelijk beleid In het omgevingsplan van de gemeente Beesel wordt enkel naar lichthinder gekeken in het kader van buitensportvoorzieningen. Derhalve is dit aspect in onderhavig geval niet van toepassing.

5.18

Bezonning Bezonning is een van de afwegingsaspecten voor de ruimtelijke kwaliteit. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De gemeente kan voorkomen dat er te veel schaduw ontstaat. En juist zorgen voor voldoende schaduw. Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld, waardoor de gemeente deze regels zelf in kan vullen. Gemeentelijk beleid Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepastnatuurwetenschappelijk onderzoek) heeft een norm voor bezonning: De bezonningsliniaal – Een nieuw eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. Veel gemeenten hanteren deze TNO-norm, maar dit is niet verplicht.

TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam • de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam Om voldoende zonlicht en schaduw te borgen kunnen gemeenten bouwregels opnemen in het omgevingsplan. Ook behoren een omgevingsvergunningplicht en een meldingsplicht voor het bouwen van hoge gebouwen tot de mogelijkheden

36

De beoogde ontwikkeling betreft slechts twee bouwlagen hierdoor is het niet aannemelijk dat deze problemen met betrekking tot bezonning veroorzaakt. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig voornemen.

5.19

Toetsing Besluit m.e.r./ m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van uw plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu beschreven. Het doel van een mer is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma’s en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben. Milieu is een breed begrip. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. Een plan kan op twee manieren leiden tot een plan-mer-plicht: de generieke aanwijzing en de plan-mer-beoordeling. Onder de generieke aanwijzing van plannen waarvoor direct een plan-mer-plicht geldt. Een plan-mer-beoordeling geldt voor een plan dat kaderstellend is voor projecten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die al dan niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. Staat het project niet in bijlage V dan geldt altijd een plan-mer-beoordeling. Staat het project wel in bijlage V, maar komt deze niet boven de drempel van kolom 2 uit deze bijlage dan geldt een planmer-beoordeling als: 1. Het plan een kleine wijziging van het plan is. 2. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau en als voor dat plan een gemeente het bevoegd gezag is.

In dit geval is sprake van het toestaan van een stedelijke ontwikkeling. Deze activiteit komt voor in kolom 1 van Bijlage V. Een plan mer beoordeling is dan ook aan de orde. Vormvrije m.e.r.-beoordeling De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.- procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: - belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; - belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project • Omvang van het project • Cumulatie met andere projecten 37

• Gebruik van natuurlijke grondstoffen • Productie van afvalstoffen • Verontreiniging en hinder • Risico van ongevallen, mede gelet op gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project • Bestaand grondgebruik • Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied • Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect • Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) • Grensoverschrijdende karakter van het effect • Waarschijnlijkheid van het effect • Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect Tabel 1 Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling

De toevoeging van 18 woningen is kleinschalig en betreft geen direct milieubelastende activiteit. Uit de uitgevoerde onderzoeken waarover in dit hoofdstuk is gerapporteerd blijkt ook dat er geen significante impact op het milieu zal zijn. Derhalve is het opstellen van een milieueffectrapportage niet aan de orde.

38

HOOFDSTUK

6 Beperkingengebieden

In een beperkingengebied gelden beperkingen voor activiteiten die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kunnen verstoren. Dit kan onder andere gaan om wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken. In de hoofdstukken 6 tot en met 10 van het Besluit activiteit leefomgeving (Bal) staan de voorschriften voor speciale gebieden in beheer bij het rijk. Niet alleen het Rijk kan beperkingengebieden aanwijzen, dat geldt ook voor provincies en waterschappen. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag (meestal het Rijk) wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied). De beperkingen kunnen een vergunningplicht inhouden, of bestaan uit algemene regels In onderhavig projectgebied is geen sprake van een beperkingengebied. Derhalve is dit aspect niet aan de orde.

39

HOOFDSTUK 7.1

7 Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven.

7.1.1

Financieel economische haalbaarheid Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een BOPA voor rekening komen van de initiatiefnemer.

7.1.2

Kostenverhaal De grond is in de huidige situatie nog eigendom van de gemeente Beesel en zal verkocht worden aan de ontwikkelende partij. In het kader van de grondverkoop zijn afspraken gemaakt op basis van artikel 13.13 het privaatrechtelijke kostenverhaal door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.13 Ow).

7.1.3

Nadeelcompensatie De grond is in de huidige situatie nog eigendom van de gemeente Beesel en zal verkocht worden aan de ontwikkelende partij. Afspraken over de nadeelcompensatie zijn gemaakt in het kader van de grondverkoop op basis van titel 4.5 Awb.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1

Participatie Initiatiefnemer heeft in een vroeg stadium de omgeving al bij het plan betrokken. Zo is er een inspraakavond gehouden waarin de voorkeur is uitgesproken voor de in onderhavige aanvraag uitgewerkte variant. De provincie heeft de aanvraag en de daarbij behorende stukken beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. Na beoordeling van de aangeleverde stukken constateert de provincie dat er provinciale belangen spelen rondom het aspect wonen en natuur. Het aspect natuur geeft aanleiding tot de volgende opmerkingen. Er is momenteel nog geen zicht op het verkrijgen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. - Op basis van de quickscan is duidelijk dat voor het verwijderen van het groen een vergunning noodzakelijk is. - Figuur 4 van onderhavige toelichting geeft de indruk dat het groen waar potentieel vleermuizen en reptielen kunnen zitten weg moet. Dit betekent dat nader onderzoek naar deze diersoorten noodzakelijk is om vast te kunnen stellen of deze soorten gebruik maken van dit groen en daarnaast wat de betekenis is van het groen voor die soorten. - Hoofdstuk ecologie van onderhavige toelichting geeft momenteel geen zekerheid dat er zicht is op vergunningverlening. Daarnaast staat er in dat hoofdstuk ook niet beschreven hoe het initiatief overtredingen probeert te voorkomen. Het genoemde nader onderzoek is nog in uitvoering.

Het onderzoeksrapport is/wordt toegevoegd aan de separate bijlagen bij deze vergunningsaanvraag. Omdat het leefgebied van de huismus niet behouden blijft, geldt een vergunningplicht.

40

7.2.2

Ontwerp Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het Omgevingsplan van rechtswege dient de uitgebreide procedure te worden doorlopen, zoals beschreven in de gemeentelijke ‘Beleidsregel uniforme openbare voorbereidingsprocedure omgevingsvergunning’ en art. 16.65 lid 4 van de Omgevingswet. De initiatiefnemer kan de aanvraag (laten) indienen via het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet). De beslistermijn begint te lopen vanaf het moment van ontvangst van de aanvraag. Als het bevoegd gezag de beslissing op de aanvraag aanhoudt, begint de termijn te lopen op de dag waarop de aanhouding eindigt. De beslistermijn is 6 maanden. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn 1 maal met maximaal 6 weken verlengen. Het bevoegd gezag maakt het besluit tot verlenging bekend aan de aanvrager binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag (artikel 16.66, lid 3, van de Omgevingswet en artikelen 3:18, lid 2, en 4:14, van de Awb). Deze onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt ingevolge artikel 16.66, lid 2 van de Omgevingswet en art. 3:11 van de Awb gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Bij een besluit op aanvraag geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking.

Het geeft kennis in een zelf uitgegeven elektronische publicatie (gemeenteblad, provinciaal blad, et cetera) via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties). In de kennisgeving (artikel 16.64, lid 3, en artikel 16.64a Omgevingswet) staat: • een zakelijke weergave van de inhoud • dat geen omgevingsvergunning nodig is, als het bevoegd gezag vindt dat dit het geval is • dat het gaat om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, als dit het geval is Een omgevingsvergunning die is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure, treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop het bevoegd gezag het besluit bekend heeft gemaakt.

7.2.3

Bezwaar/ Beroep Na het verlenen van de vergunning kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank tegen de verleende vergunning. Tot slot kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

41

HOOFDSTUK

8 Afweging belangen

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Met het oog op het (kwalitatieve) woningtekort in Reuver is initiatiefnemer voornemens woningen te ontwikkelen. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op het realiseren van achttien woningen aan de Wederikstraat te Reuver. Aangezien deze ontwikkeling niet rechtstreeks past binnen het geldende tijdelijke omgevingsplan, moet door middel van een vergunning BOPA worden afgeweken van het omgevingsplan. Een vergunning BOPA is alleen mogelijk als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De ETFAL afweging gaat verder dan alleen de ruimtelijke aspecten en heeft betrekking op de totale fysieke leefomgeving. Ook gevolgen voor het beschermen van de gezondheid van de mens worden betrokken bij deze belangenafweging. Uit hoofdstuk 4, 5, 6 en 7 van deze onderbouwing blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met het Rijks, provinciale en gemeentelijke beleid, dat er geen belemmeringen zijn vanuit de fysieke leefomgeving, de uitvoerbaarheid van het plan voldoende geborgd is, en dat de omgeving heeft kunnen meepraten over de te kiezen invulling. Uit onderhavige onderbouwing blijkt dat het planvoornemen niet voor belemmeringen zal zorgen voor functies in de omgeving, waardoor geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=552fa790-4f23-4411-961a-83359d68e50b