Omgevingsplan Keulseweg 145/145a Reuver - Toelichting
Tekst van het document
Gezondheid 5.7.1
Endotoxinen
5.7.1.1 Wettelijk kader De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM 10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.
5.7.1.2 Toets In de omgeving van het besluitgebied zijn geen intensieve veehouderijbedrijven gesitueerd. Hiermee is geen sprake van endotoxine contouren. Dit plan is in het kader van endotoxine dan ook geen bezwaar.
5.7.2
Geitenhouderijen
5.7.2.1 Wettelijk kader Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer dan gemiddeld kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van longontstekingen in relatie tot geitenhouderijen en een integrale aanpak voorhanden is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met de uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige functies in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico’s op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies.
Crijns Rentmeesters bv
28
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
5.7.2.2 Toets Het besluitgebied is gelegen binnen het landelijke gebied van de gemeente Beesel. Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging van veehouderijen in de wijde omtrek van Beesel. Er zijn geen geitenhouderijen gelegen in de wijde omgeving van het besluitgebied. Dit plan is in het kader van de ligging ten opzichte van geitenhouderijen geen bezwaar.
Figuur 9: Beeld van veehouderijen, niet zijnde geitenhouderijen in de wijder omtrek van Reuver waarbij het besluitgebied met een rode cirkel is aangeduid
5.7.3
Gewasbeschermingsmiddelen
5.7.3.1 Wettelijk kader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.
5.7.3.2 Toets Het besluitgebied is gelegen nabij het stedelijke gebied van de kern Reuver. De toepassing van gewasbeschermingsmiddelen wordt in dit TAM-Imro plan in de directe omgeving binnen het besluitgebied
Crijns Rentmeesters bv
29
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
uitgesloten. Het pand Keulseweg 145 is reeds aanwezig en wordt hergebruikt voor een reguliere woonfunctie. Rondom deze functie is, aan de overige drie zijden, een woonfunctie gelegen twee burgerwoningen en een bedrijfswoning. Dit plan leidt dan ook niet tot de conclusie dat het woon- en leefklimaat onacceptabel is met het oog op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
5.7.4
Hoogspanningsverbindingen
5.7.4.1 Wettelijk kader Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving. Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor ‘magneetvelden’ geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen tot 15 jaar langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van ‘geluid’ geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen van het besluitgebied. Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden.
5.7.4.2 Toets In de wijde omgeving liggen geen hoogspanningslijnen. Het aspect hoogspanningsverbindingen heeft dan ook geen invloed op dit plan.
5.7.5
Positieve gezondheid
5.7.5.1 Wettelijk kader Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken. Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd. Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal aan dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd. De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het Omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen.
Crijns Rentmeesters bv
30
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
5.7.5.2 Toets Met dit plan wordt aan één bestaande agrarische bedrijfswoning een reguliere woonfunctie toegekend. Het agrarische bouwvlak wordt verkleind en er mogen geen bestrijdingsmiddelen meer toegepast worden op het agrarische bouwvlak ten behoeve van de boomteelt. Dit plan heeft daarmee enkel een positief effect op de leefbaarheid van de directe omgeving.
5.7.6
Luchtkwaliteit
5.7.6.1 Wettelijk kader Inleiding Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het van belang om het thema luchtkwaliteit mee te nemen in de beoordeling of met een plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het Omgevingsplan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het Omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is. Aandachtsgebieden In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Het kan ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt.
De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Bal regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft. Uitgezonderde locaties (blootstelling) De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl). Niet in betekenende mate Toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (NO2 en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook ‘niet in betekende mate’ (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBMtoets. Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen.
Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. Voor woonwijken geldt hierbij een
Crijns Rentmeesters bv
31
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
aantal van 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg en van 3.000 woningen bij twee of meer ontsluitingswegen.
5.7.6.2 Toets Aandachtsgebieden Het besluitgebied is niet gelegen binnen een aandachtsgebied in het kader van de luchtkwaliteit. Dit aspect is daarmee niet relevant. Uitgezonderde locaties (blootstelling) Binnen het besluitgebied wordt een reguliere woonfunctie aan een bestaande agrarische bedrijfswoning toegekend. Binnen het besluitgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM 10 van circa 16 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM 2,5 bedraagt circa 8,7 µg/m³. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het besluitgebied en directe omgeving weer.
Figuur 10: Uitsnede kaart met fijnstofuitstoot (PM10) (bron: RIVM) voor het besluitgebied (met een blauwe marker aangeduid) en omgeving
Crijns Rentmeesters bv
32
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
Figuur 11: Uitsnede kaart met fijnstofuitstoot (PM2,5) (bron: RIVM) voor het besluitgebied (met een blauwe marker aangeduid) en omgeving
Binnen het besluitgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO 2 van 12,9 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 binnen het besluitgebied en in de omgeving weer.
Crijns Rentmeesters bv
33
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
Figuur 12: Stikstofdioxide 2021 (bron: RIVM) voor het besluitgebied
Geconcludeerd kan worden dan de beoogde functiewijziging in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijnstof en stikstofdioxide aanvaardbaar is. Niet in betekenende mate Binnen het besluitgebied wordt een reguliere woonfunctie aan een bestaande agrarische bedrijfswoning toegekend. De woning is gelegen aan één ontsluitingsweg. Derhalve valt de omvang van dit plan onder de drempelwaarden van het begrip ‘niet in betekende mate’ en is in het kader van de uitstoot van schadelijke stoffen geen nader onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk. Deze functiewijziging is aanvaardbaar in het kader van de luchtkwaliteit.
Bedrijven en milieuzonering 5.8.1
Wettelijk kader
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de functie en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het Omgevingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. Navolgende tabel geeft de richtlijnafstanden van bedrijven binnen een rustig buitengebied en een gemengd gebied weer.
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
Tabel 1: Tabel met richtlijnafstanden
De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De omgeving van het besluitgebied kan getypeerd worden als ‘een gemengd gebied’. In de directe omgeving van het besluitgebied zijn immers, naast het agrarische bedrijf ook burgerwoningen en een bedrijf voor opslag gelegen. Het besluitgebied is tevens in de directe nabijheid van een autosnelweg gelegen. Alleen al vanwege deze ligging zal er geen sprake zijn van een rustig buitengebied. Om te onderzoeken of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn de bedrijven in de omgeving van het besluitgebied geïnventariseerd en is uitgegaan van de huidige toegestane richtafstanden van deze bedrijven op basis van de nu toebedeelde milieucategorieën.
5.8.2
Toets
Het besluitgebied is gelegen in een gemengd gebied. Naast de agrarische functie is er nu tevens sprake van de functies burgerwoningen en de functie bedrijf. Op een afstand van 20 meter tot het besluitgebied bevindt zich een bedrijf gericht op opslag. Het besluitgebied bevindt zich tevens in de directe nabijheid van een autosnelweg. Het specifieke agrarische bedrijf gericht op het opslaan, sorteren en verhandelen van boomkwekerijgewassen is te classificeren als een categorie 2 bedrijf ‘Akkerbouw en fruitteelt’ bedrijf. Voor een dergelijk bedrijf geldt een grootste afstand op grond van de milieufactor geluid van 30 meter. Deze afstand mag verkleind worden tot 10 meter in verband met de ligging in een gemengd gebied. De naar een reguliere woning om te zetten bedrijfswoning bevindt zich op 95 meter vanaf het bedrijf gericht op opslag waarmee aan de benodigde afstand ruimschoots wordt voldaan. De agrarische bedrijfsactiviteiten welke nader zijn gespecificeerd als het opslaan, sorteren en verhandelen van boomkwekerijgewassen vinden plaats in de huidige bedrijfsloods. Deze loods bevindt zich op 45 meter vanaf de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning. Het besluitvlak voor de nieuwe woonbestemming bevindt zich op een afstand van 10 meter vanaf het agrarische bouwvlak waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.
Hiermee wordt voldaan aan de benodigde afstand en is sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
Omgevingsveiligheid 5.9.1
Wettelijk kader
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico’s van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de ‘feitelijke’ risico’s (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico’s worden ervaren. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn de relevante risico’s geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het Omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening.
5.9.2
Toets
5.9.2.1 Risicovolle inrichtingen Inleiding Binnen het besluitgebied is sprake van een wijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woonfunctie binnen een bestaand pand in de kernrandzone van de kern Reuver. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid waarop de ligging van het besluitgebied is aangeduid.
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
Figuur 13: Uitsnede risicokaart externe veiligheid, waarop de ligging van het besluitgebied globaal is aangeduid met een rode cirkel.
Inrichtingen in de omgeving Het besluitgebied is gelegen in de kernrandzone van de kern Reuver. In de omgeving van het besluitgebied zijn geen inrichtingen gelegen met een risicocontour die reikt over het besluitgebied.
5.9.2.2 Transport van gevaarlijke stoffen Wegtransport Het besluitgebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Beesel nabij de kern Reuver en nabij de A73. Op de A73 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het besluitgebied is dan ook gelegen in een Gifwolkaandachtsgebied en in een Explosieaandachtsgebied. Het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning maakt deze situatie niet anders. Een agrarische bedrijfswoning en een burgerwoning zijn beide te kenschetsen als kwetsbare gebouwen. Het aspect vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde functiewijziging binnen het besluitgebied. Transportleidingen Er bevindt zich geen buisleiding (transportleiding) binnen of nabij het besluitgebied. Het aspect vervoer van gevaarlijke stoffen door transportleidingen vormt geen belemmering voor de beoogde functiewijziging binnen het besluitgebied. Luchtvaart, Spoorwegen en waterwegen Er zijn vanuit luchtvaart geen belemmeringen voor wijziging van het besluitgebied. Het besluitgebied ligt buiten contouren waar in verband met luchtvaartverkeer rekening gehouden dient te worden. In de omgeving van het besluitgebied zijn geen spoorwegen of waterwegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
5.9.2.3 Groepsrisico De beoogde functiewijziging wordt niet belemmerd door externe veiligheidsaspecten. Gezien de ligging van het besluitgebied ten opzichte van inrichtingen en transportroutes en de aard van de ontwikkeling is het plan niet van invloed op het groepsrisico.
Duurzaamheid 5.10.1 Wettelijk kader Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de Nationale Omgevingsvisie is ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid. Dit is weer uitgewerkt in programma's. In het Omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voorzover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.
5.10.2 Toets Dit plan ziet op een functiewijziging waarbij een bestaande agrarische bedrijfswoning wordt hergebruikt voor een reguliere woonfunctie. Er is geen sprake van wijziging van het pand. Hergebruik van een bestaande bebouwde locatie en het verder inperken van de negatieve effecten op de leefomgeving is duurzaam en toekomstbestendig.
Klimaat 5.11.1 Wettelijk kader Om invulling te geven aan de in de Nationale Omgevingsvisie beschreven prioriteit ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de
Crijns Rentmeesters bv
38
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving.
5.11.2 Toets Met dit plan vindt hergebruik van een bestaand pand plaats en wordt het agrarische bouwvlak verkleind en het gebruik nader gespecificeerd. Er is geen sprake van wijziging in de bebouwing en het gebruik van het bouwvlak is gereduceerd. Dit plan is daarmee klimaatneutraal.
Toetsing m.e.r.-beoordeling 5.12.1 Wettelijk kader Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r. Op deze manier vormt de mer een hulpmiddel voor de besluitvorming. Een Omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34). De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en b. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1.
de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
5.12.2 Toets Het toevoegen van woningen is opgenomen op de lijst J onder J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (201807060/1/R1) blijkt dat de ontwikkeling van enkele woningen niet aangemerkt wordt als een stedelijk ontwikkelingsproject in het kader van de m.e.r.-beoordeling. De toekenning van één reguliere woonfunctie aan een bestaande agrarische bedrijfswoning is niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt dan ook niet voor op bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een merbeoordeling dan ook niet aan de orde.
Crijns Rentmeesters bv
39
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
6. UITVOERBAARHEID Eén omgevingsplan Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente van rechtswege over één (tijdelijk) omgevingsplan. Dit tijdelijk omgevingsplan bestond op die datum uit alle op dat moment geldende ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, wijzigings-, uitwerkingsplannen en beheersverordeningen, samen met een set regels die met de invoering van de Omgevingswet door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set overgedragen regels wordt de ‘bruidsschat’ genoemd. Deze is opgenomen in hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan. Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe separate ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het omgevingsplan gewijzigd om een functiewijziging mogelijk te maken. Via het Omgevingsloket is op termijn daarom nog maar één geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekkend omgevingsplan ‘nieuwe stijl’ gereed zijn.
Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) De publicatie van een wijziging van het Omgevingsplan moet plaatsvinden volgens de Standaard officiële publicaties (STOP) en de wijziging dient om raadpleegbaar te zijn via het Omgevingsloket te voldoen aan het Toepassingsprofiel Omgevingsplan (TPOD omgevingsplan). Indien een gemeente technisch nog niet in staat is het Omgevingsplan te wijzigen volgens STOP/TPOD kan gebruik worden gemaakt van een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) die kort gezegd inhoudt dat
bij
de
wijziging
van
het
Omgevingsplan
gebruik
mag
worden
gemaakt
van
de
IMRO-standaard, die voorheen werd gebruikt voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen. Deze TAM wordt in de praktijk aangeduid als TAM-IMRO. Een gemeente mag er overigens ook om andere redenen dan technische redenen voor kiezen om TAM-IMRO toe te passen, bijvoorbeeld in verband met een urgente gebiedsontwikkeling. Deze wijziging van het Omgevingsplan gemeente Beesel is opgesteld op basis van TAM-IMRO.
Opzet planwijziging Ook al lijkt het juridisch deel van deze wijziging van het omgevingsplan op een bestemmingsplan, het karakter van dit plan is anders. Inhoudelijk dient deze wijziging te voldoen aan de eisen die de Omgevingswet aan een Omgevingsplan stelt, met uitzondering van de wijze van digitale vormgeving en publicatie van het plan. Anders dan een bestemmingsplan maakt deze wijziging van het omgevingsplan géén onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, maar maakt deze onderdeel uit van het nieuwe deel. In juridisch opzicht worden de in dit TAM-Omgevingsplan opgenomen regels en locaties dus fictief toegevoegd aan het initieel Omgevingsplan zoals dat per 1 januari 2024 is te raadplegen via het Om-
Crijns Rentmeesters bv
40
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
gevingsloket. Daarmee vormt het ook één geheel met de bruidsschat die reeds is opgenomen in hoofdstuk 22 van dat plan, de begripsbepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van dat plan en de slotbepaling die is opgenomen in hoofdstuk 23 van dat plan. Dit TAM-Omgevingsplan is gebaseerd op de Werkafspraak TAM-Omgevingsplan van Geonovum, de bijbehorende technische handreiking en de Bijsluiter TAM-IMRO omgevingsplan van de VNG. Dat houdt in het kort het volgende in: -
met dit TAM-Omgevingsplan wordt één hoofdstuk toegevoegd aan het Omgevingsplan, tussen hoofdstuk 22 en hoofdstuk 23, in dit geval hoofdstuk 22d.
-
Aangezien het omgevingsplan zoals dat raadpleegbaar is via het Omgevingsloket technisch alleen inhoudelijk kan worden gewijzigd volgens STOP/TPOD, vindt die toevoeging fictief plaats door een TAM-omgevingsplan op te stellen volgens de IMRO-standaard (plantype bestemmingsplan) en dat als zodanig te publiceren via ruimtelijkeplannen.nl, waarna het plan via de zogenoemde overbruggingsfunctie alsnog in het Omgevingsloket zichtbaar wordt. De plannaam maakt duidelijk dat sprake is van een TAM-omgevingsplan, waarbij ook het beoogde hoofdstuknummer in de plannaam terugkomt. In dit geval is dat TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145 a Reuver.
-
De regels binnen een hoofdstuk van een omgevingsplan kunnen worden ondergebracht in paragrafen en subparagrafen. IMRO kent geen paragrafen en subparagrafen binnen een hoofdstuk en de nummering van hoofdstukken begint binnen IMRO altijd bij 1. Gelet op het voorgaande is daarom een zogenoemde preambule nodig die onder meer toelicht dat het gehele IMRO-plan moet worden gezien als hoofdstuk 22d van het omgevingsplan en dat de daarin opgenomen hoofdstukken daarom moeten worden gelezen als paragrafen. Dit wordt in paragraaf 6.4 nader toegelicht.
-
Voor de aanduiding van locaties in de regels c.q. het koppelen van regels aan een locatie wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die IMRO biedt en de beperkingen die daaruit voortvloeien. Denk aan het gebruik van hoofdgroepen van bestemmingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen, functieaanduidingen en maatvoeringsaanduidingen,
-
Een TAM-Omgevingsplan kan niet worden voorzien van annotaties.
-
Voor deze motivering wordt conform de eerder genoemde werkafspraak gebruik gemaakt van het objecttype ‘toelichting’ en is daarom onder dat kopje terug te vinden in het Omgevingsloket.
-
De zogenoemde ‘pons’ die er kortgezegd voor zorgt dat (delen van) bestemmingsplannen die inmiddels zijn ‘overschreven’ door een nieuw deel van het omgevingsplan niet meer worden getoond in het omgevingsloket werkt niet voor TAM-omgevingsplanen. Daarom is het noodzakelijk door middel van voorrangsregels duidelijk vast te leggen of, en zo ja welke delen van een bestemmingsplan (als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) komen te vervallen bij de inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan.
Artikel gewijzigde toelichting 6.4.1
Wonen
In dit artikel zijn regels opgenomen voor toekenning van een reguliere woonfunctie aan de agrarische bedrijfswoning aan Keulseweg 145 te Reuver. De regels voor de functie zijn overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Beesel (geconsolideerd)’ en de ‘Leidraad voor TAMIMRO omgevingsplannen’ van de gemeente Beesel.
Crijns Rentmeesters bv
41
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
Participatie en omgevingsdialoog 6.5.1
Algemeen
Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project. Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd. In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie.
Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten en welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn. Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan.
6.5.2
Omgevingsdialoog
Bij dit plan is sprake van een wijziging van het omgevingsplan. In het kader van participatie is een omgevingsdialoog gevoerd. PM.
Financiële uitvoerbaarheid 6.6.1
Algemeen
In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als
Crijns Rentmeesters bv
42
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
6.6.2
Kostenverhaal
Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. Is sprake van een ontwikkeling die niet op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 8.13 Ow. In artikel 8.13 is eveneens aangegeven welke activiteiten kostenverhaalsplichtig zijn. Een gebruiksfunctiewijziging waarbij een bestaande agrarische bedrijfswoning wordt hergebruikt voor een reguliere woonfunctie is niet opgenomen in het overzicht van kostenverhaalsplichtige activiteiten. Het overzicht betreft ook uitsluitend bouwactiviteiten en geen gebruiksfunctiewijziging. Kostenverhaal is voor dit initiatief dus ook niet aan de orde.
6.6.3
Nadeelcompensatie
Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen: -
die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.
De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn: -
het (gemeentelijk) Omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan),
-
een omgevingsvergunning,
-
een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en
-
rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.
Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:
-
het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of
-
het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting.
-
De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.
Crijns Rentmeesters bv
43
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Keulseweg 145 en 145a Reuver
Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen. Met dit plan is naar verwachting geen sprake van een schade voor een object in de omgeving, waarvan de schade boven het normaal maatschappelijk risico uitsteekt. Bij een beroep op nadeelcompensatie wordt dit door een onafhankelijke commissie beoordeeld. Gemeente en initiatiefnemer sluiten een nadeelcompensatieovereenkomst waarmee eventuele kosten als gevolg van nadeelcompensatie vanwege het initiatief op de initiatiefnemer worden verhaald.
Crijns Rentmeesters bv
44