Motivering 'Evenwichtige toedeling van functies aan locaties'
Tekst van het document
Motivering ‘E ven wichtige toedeling van functies aan locaties’ Kerkstraat 14 te Beesel Gemeente Beesel
Colofon Motivering : ‘Kerkstraat 14 te Beesel ’ Rapportnummer: 2025.3766 Status: Definitief Datum: 30 april 2026 30 april 2026 Projectlocatie Kerkstraat 14 5954 BC Beesel Opdrachtnemer Reland Adviseurs B.V. Bezoekadres: Mgr . Bekkersstraat 56 5846 AJ Ledeacker Correspondentieadres Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl
Hurksestraat 60 5652 AL Eindhoven :
Projectleiding Reland Telefoon 085 043 1949 Email info @reland .nl
© april 2026 Reland
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De info rmatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding
................................
................................
1.1
Aanleiding en doel ................................
1.2
Projectgebied ................................
1.3
Het omgevingsplan ................................
1.4
Leeswijzer ................................
HOOFDSTUK 2 Gebieds
................................
................................
..... 5
............................
................................
................................
...........................
5 .. 5 6
................................
................................
........ 7
- en projectprofiel ................................
................................
......... 8
................................
.......... 8
2.1
Inleiding ................................
2.2
Gebiedsprofiel ................................
2.3
Projectprofiel, huidige situatie projectgebied
................................
HOOFDSTUK 3 Voorgenomen ontwikkeling 3.1
................................
................................
HOOFDSTUK 4 Beleid en regelgeving
................................
................................
Projectbeschrijving ................................ Inleiding ................................
4.2
Rijksbeleid ................................
....................
................................
................................
................................
4.1
................................
................................
9
................ 11
................................
................................
8
....... 9
..........................
................................
.8
.......... 11
................................
....... 11
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
................................
................................
. 11
4.2.2
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
................................
...............................
11
4.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
................................
.........................
12
4.2.4
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
................................
..........................
13
Provinciaal beleid ................................
................................
...........................
13
4.3.1
Provinciale Omgevingsvisie Limburg
................................
............................
13
4.3.2
Omgevingsverordening Limburg
................................
. 14
4.3
4.4 4.4.1
................................
Gemeentelijk beleid ................................ Structuurvisie Beesel ................................
HOOFDSTUK 5 Fysieke leefomgeving
Erfgoed ................................
5.2
Beschermen van de gezondheid
5.3
Bodem ................................
5.4
Water(systemen) ................................
5.5
....................
15
............... 16
................................
................................
................................
Ecologie ................................
15
................................
................................
Kenmerken huidige watersysteem
........................
................................
................................
5.1
5.4.1
................................
.......... 16
................................
................................
................................ ................................
................................
...... 19
........... 22
............................
22
...............................
22
................................
......... 23
5.5.1
Gebiedsbescherming ................................
................................
................... 23
5.5.2
Soortenbescherming ................................
................................
.................. 24
5.6
Geluid ................................
................................
................................
........... 26
5.7
Kwaliteit van de buitenlucht
................................
................................
........... 26
5.8
Geur ................................
................................
................................
............. 29
5.9
Externe veiligheid ................................
................................
..........................
5.10
Milieubelastende activiteiten ................................
................................
........... 32
5.11
Niet - gesprongen explosieven ................................
................................
.......... 33
5.12
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen
................................
5.12.1
Kabels en leidingen ................................
5.12.2
Hoogspanningslijnen ................................
.........................
................................
33
...................... 33
................................
.................. 34
5.13
Mobiliteit ................................
5.14
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
5.15
Trillingen ................................
5.16
Energietransitie ................................
5.17
Lichthinder ................................
................................
................................
..... 37
5.18
Bezonning ................................
................................
................................
...... 38
5.19
Slagschaduw ................................
................................
................................
..38
5.20
Windhinder ................................
................................
................................
... 39
5.21
Project - mer - beoordeling ................................
HOOFDSTUK 6 Beperkingengebieden HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid 7.1
................................
29
................................
................................
................................
....... 34
................................
................................
................................
................................
Economische uitvoerbaarheid
................................
35
....... 36
..............................
37
................................
............... 39
................................
.............. 41
................................
................................
......................
................................
42
........ 42
7.1.1
Financieel economische haalbaarheid
................................
.........................
42
7.1.2
Kostenverhaal ................................
................................
...........................
42
7.1.3
Nadeelcompensatie
7.2
................................
................................
...................
42
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
................................
................................
. 42
7.2.1
Participatie ................................
................................
................................
42
7.2.2
Procedure ................................
................................
................................
.. 42
7.2.3
Bezwaar en Beroep ................................
HOOFDSTUK 8 Belangenafweging en conclusie
................................
................................
....................
43
...............................
44
8.1
Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
8.2
Conclusie ................................
................................
............ 44
................................
BIJLAGEN Bijlage I
Bouw historische verkenning en a rcheologisch onderzoek
Bijlage II
Stikstofonderzoek
Bijlage III
Quickscan flora en fauna
Bijlage IV
Omgevingsdialoog
....... 44
4
HOOFDSTUK 1.1
1Inleiding
Aanleiding en doel De initiatiefnemer is voornemens om op de locatie aan de Kerkstaat 14 te Beesel een gezondheidscentrum te realiseren ter plaatse van de aldaar nog aanwezige (ten behoeve van de voormalige agrarisch bedrijfsfuncties in gebruik zijnde) bebouwing. A angaande het initiatief is door het College van burgemeester en wethouders een posi tief principebesluit genomen op 4 augustus 2025 , met daarbij wel enkele voorwaarden voor de realisatie . Zo mag het bestaande pand uitsluitend gesloopt worden voor de realisatie van een gezondheidscentrum, dient het bouwplan te voldoen aan de welstandseisen, moet de afstand tussen de vergunde woning (ten westen van de bestaande woning Kerkstraat 16 ) en de nieuwbouw ten minste 6 meter bedrage n en dienen er voldoende parkeerplaatsen te zijn . Om de gewenste situatie te realiseren , dien t er te worden afgeweken van de geldende planologische mogelijkheden. Hiervoor is het noodzakelijk een planologische procedure te doorlopen, in dit geval een afwijking van het omgevingsplan in de vorm van een vergunningsaanvraag voor een ‘Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit ’ (BOPA) . Onderliggend document betreft de onderbouwing behorende bij de BOPA waarin het plan wordt toegelicht en gemotiveerd.
1.2
Projectgebied Het projectgebied betreft de locatie aan de Kerkstraat 14 te Beesel . De oppervlakte van dit gedeelte van het projectgebied bedraagt circa 1.150 m 2 (figuur 1).
5
Figuur 1 Projectgebied blauw omkaderd
1.3
Het omgevingsplan Voor het projectgebied is het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Beesel geldend . Dit tijdelijke omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, aangevuld met regels van het Rijk, de zogenaamde bruidsschat. Voor het projectgebied zijn derhalve de regels zoals vastgelegd in het (voormalige) bestemmingsplan ‘Bebouwde gebieden Beesel’ van toepassing op het projectgebied . Het projectgebied heeft de enkelbestemming ‘ Wonen ’ met de dubbelbestemming en ‘Waarde – beschermd dorpsgezicht’ en ‘Waarde – Archeologie 1’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – AMK terreinen’ (figuur 2). Daarnaast geldt de maatvoering ‘Maximum aantal wooneenheden: 3’.
6
Figuur 2 Uitsnede bestemmingsplan Bebouwde gebieden Beesel projectgebied blauw omkaderd
De gewenste ontwikkeling , de realisatie van een gezondheids centrum , is niet rechtstreeks mogelijk conform de gel dende planregels. Om de gewenste situatie mogelijk te maken is dan ook een afwijking van het tijdelijke Omgevingsplan van Beesel noodzakelijk in de vorm van een vergunning (saanvraag) voor een ‘Buitenplanse O mgevingsplanactiviteit ’ (BOPA ).
1.4
Leeswijzer Deze motivering ten behoeve van onderhavige vergunningaanvraag ‘Buitenplanse O mgevingsplan activiteit ’ (BOPA) bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het gebiedsprofiel en de huidige situatie van het projectgebied . Hoofdstuk 3 betreft een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling . Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het relevante beleid en de regelgeving. In hoofdstuk 5 is getoetst of de ontwikkeling al dan niet effect heeft op de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 zijn de beperkingengebieden aangegeven . In hoofdstuk 7 zijn de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en hoofdstuk 8 betreft een afweging van de belangen.
7
HOOFDSTUK 2.1
2 Gebieds - en projectprofiel
Inleiding In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de huidige situatie van het projectgebied en de omgeving waarin het zich bevindt.
2.2
Gebiedsprofiel Het projectgebied is gelegen in het centrum van Beesel naast Basisschool Het Spick en grens t aan de noordzijde aan het buitengebied . In de omgeving zijn aan de zuid zijde voornamelijk woningen aanwezig en aan de noord zijde voornamelijk agrarische functies.
2.3
Projectprofiel, huidige situatie
projectgebied
In de huidige situatie bevindt zich ter plaatse van het projectgebied een woonboerderij met bijgebouwen (figuur 3). Ten westen van de bestaande woning is in 2024 een vergunning afgegeven door de gemeente Beesel voor het realiseren van een levensloopbestendige woning . Momenteel is begonnen aan de bouw van deze woning .
Figuur 3 Projectgebied blauw omkaderd
8
HOOFDSTUK 3.1
3 Voorgenomen ontwikkeling
Projectbeschrijving De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van het projectgebied een gezondheidscentrum te realiseren (figuur 4) . Voor de realisatie van dit nieuwe pand is het noodzakelijk de bestaande woning en bijgebouwen te slope n. Binnen het gezondheidscentrum zullen verschillende functies gevestigd worden namelijk: een huisartsenpraktijk, fysiotherapie en andere eerstelijns zorgfuncties. Op basis van het gemeentelijk principebesluit dient minimaal 6 meter afstand gehouden te worden van de vergunde woning (ten we sten van de nog te slopen woning Kerkstraat 16 ). Hierbij geldt een minimale afstand van 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens voor beide gebouwen. De beoogde nieuwe woning op het naastgelegen perceel wordt gerealiseerd op circa 5 meter van de perceelsgrens. Daarnaast zal de beoogde nieuwbouw op 3 meter afstand van de perceelsgrens gerealiseerd worden. Hierdoor wordt voor beide panden voldaan aan de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. Uit de opgestelde tekening en voor de te realiseren nieuwbouw blijkt dat er voor fysiotherapie 3 behandelkamers worden gerealiseerd en voor de huisartsen praktijk 2 spreekkamers, een behandelkamer, een lab en een kamer voor behandeling door assistenten.
Het lab en de assistentenbehandelkamer zullen niet als zelfstandige behandelkamer gebruikt worden , maar voor eventuele vervolgbehandeling van pati ënten na het gesprek met de huisarts . Hierdoor zullen sommige patiënten derh alve van meerdere (behandel)kamers gebruik maken tijdens hun bezoek . Het lab en de assistentenbehandelkamer hebben hierdoor in basis dan ook geen eigen verkeersaantrekkende werking . In het kader van deze onderbouwing wordt dan ook per saldo rekening gehouden met 6 behandelkamers.
9
Figuur 4 Beoogde situatie
10
HOOFDSTUK 4.1
4 Beleid en regelgeving
Inleiding In dit hoofdstuk wordt onderhavige ontwikkeling getoetst aan het algemene Rijks - , provinciaal , regionaal en gemeentelijk beleid en regelgeving. Aan het eind van iedere paragraaf is een conclusie /beschrijving van de doorwerking van het specifieke beleid en wet - en regelgeving voor het projectgebied opgenomen.
4.2
Rijksbeleid
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wett elijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomge ving. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noo dzakelijke keuzes: a) Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; b) De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; c) Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken; d) Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening te worden gehouden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de NOVI.
Toetsing initiatief In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de van toepassing zijnde omgevingsaspecten en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze van invloed is op de fysieke leefomgeving. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit de NOVI geen belemmeringen bestaan voor het initiatief.
4.2.2
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Vanuit de algemene rijksregels voor de fysieke leefomgeving zijn vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) opgesteld. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels van het Rijk voor een evenwichtige toedeling van functies aan locatie s. Bovenlokale belangen werken daarmee 11
door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan. Deze instructieregels (afdeling 5.1 Bkl) gelden ook voor de omgevingsverordening, het projectbesluit en de omgevingsvergunning (artikel 8.0b, 8.0c, 8.0d en 8.0e). Bij deze regels gaat het over nor men voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, externe veiligheid en erfgoed. Toetsing initiatief In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan deze rijksregels uit het Bkl en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze hieraan voldoet. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit het Bkl geen belemmeringen bestaan voor het initiatief. 4.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 5.129g ‘zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand’ van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De ladder voor duurzame verstedelijking is een uitwerking van het geen is opgenomen in het NOVI en ziet op ‘ zorgvuldig ruimtegebruik ’. De ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke ontwikke lingen geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en in sommige gevallen zelfs kwantitatief is. Een stedelijke ontwikkeling w ordt gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. De tweede vraag is of het een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Om dit te bepalen moet een vergelijking worden gemaakt tussen de planologische mogelijkheden in de huidige en toekomstige situatie. In het Bkl is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Op basis van jurisprudentie kan gesteld worden dat de grens in beginsel ligt op het toevoegen van 12 woningen o f meer, dan wel 500 m² of meer voor andere ontwikkelingen. Toetsing initiatief Onderhavige ontwikkeling kan worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking . Er wordt immers een nieuwe functies toegevoegd op een locatie met een 2 gebruiksoppervlakte groter dan 500 m . Op basis van artikel 5.129g van het Bkl dient inzicht te worden gegeven in de behoefte van de stedelijke ontwikkeling en of de stedelijke ontwikkeling binnen het bestaande stedelijk gebied gerealiseerd wordt.
12
In dit geval worden de beoogde functies toegevoegd op deze locatie omdat er binnen het dorp weinig tot geen eerstelijns zorgfunctie s (meer) aanwezig zijn. Deze functies (huisartsenpraktijk, fysiotherapie en andere eerstelijns zorgfuncties ) zijn van belang binnen een dorp welk groeiend is en waar tevens relatief veel ouderen wonen. Op deze wijze wordt dan ook voldaan aan de eerste eis vanuit de systematiek van de ladder. Verder betreft het een functiewijziging binnen bestaand stedelijk gebied. Op deze wijze wordt automatisch voldaan aan de tweede voorwaarde conform de systematiek van de ladder. Een nadere toets ing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet aan de orde. 4.2.4
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving – burgers, bedrijven en overheid. Toetsing initiatief In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan deze rijksregels uit het Bal en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze hieraan voldoet. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit het Bal geen belemmeringen bestaan voor het initiatief.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Deze visie bouwt deels voort op eerder gemaakte beleidskeuzes en op andere onderdelen zijn er nieuwe keuzes gemaakt. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de langetermijnvisie voor de per iode 2021 tot 2030 - 2050 uitgewerkt en wordt richting gegeven aan toekomstbestendige ontwikkelingen. Hierbij wordt steeds de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving gezocht. Hoofdstuk 3 Limburgse principes en algemene zonering In de Limburgse omgevingsvisie wordt het toekomstbeeld voor 2030 - 2050 geschetst voor de provincie. Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen u it de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg (zie paragraaf 4.3.2). Volgens de Limburgse Omgevingsvisie dient er bij nieuwe ontwikkelingen de balans te worden gezocht tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging wordt gemaakt op basis van de volgende Limburgse principes: - Er wordt gestreefd naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving; - De kenmerken en identiteit van gebieden staat centraal; - Meer stad en meer land;
13
-
Er wordt zorgvuldig omgegaan met de ruimte en voorraden bovengronds en ondergronds.
Het projectgebied is gelegen binnen het bebouwde gebied van Beesel. In de omgeving van het projectgebied zijn meerdere woningen en maatschappelijke functies aanwezig , waardoor de locatie een goede locatie is in de kern van het dorp voor de ontwikkeling . Hiermee sluit de ontwikkeling aan bij de provinciale omgevingsvisie van de provincie Limburg. 4.3.2
Omgevingsverordening Limburg Op 17 december 2021 is de Omgevingsverordening Limburg 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en gewijzigd op 16 december 2022. De Omgevingsverordening is op 1 januari 2024, gelijktijdig met de Omgevingswet in werking getreden. In de Omgevingsverordening staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen (grond - )water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Toetsing initiatief Uit de kaarten horende bij de omgevingsverordening Limburg blijkt dat het projectgebied is gelegen in de landelijke kern , over stromingskasgebied E en het uitsluitingsgebied windturbines (figuur 7). Met de ontwikkeling zullen geen windturbines gerealiseerd worden waardoor dit aspect niet van toepassing is op de ontwikkeling. Voor het overstromingskansgebied E dient er rekening mee gehouden te worden dat de gemiddelde overstromingskans 1:100 per jaar is. Met de realisatie zal rekening gehouden worden met waterberging waardoor de kans op overstroming verminderd wordt binnen het projectgebied. Voor de ontwikkeling van een gezondheidscentrum in de landelijke kern gelden geen specifieke regels uit de omgevingsverordening. In de voorgaande par agraaf (4.3.1) is reeds aangetoond dat de ontwikkeling wel voldoet aan de Limburgse principes en algemene zonering. Verdere toetsing aan de Omgevingsverordening is dan ook niet aan de orde.
Onderhavige ontwikkeling voldoet daarmee aan de provinciale omgevi ngsverordening.
14
Figuur 5 Uitsnede Omgevingsverordening Limburg projectgebied blauw omkaderd
4. 4
Gemeentelijk beleid
4. 4.1
Structuurvisie Beesel Op 12 september 2011 heeft de gemeenteraad van Beesel de ‘Structuurvisie Beesel’ vastgesteld. In de structuurvisie wordt ingegaan op de sociale leefomgeving. Hier wordt aangegeven dat Beesel is gericht op een levendige gemeenschap. Hier wordt in de toekomstvisie veel aandacht aan besteed. Tevens is er aandacht voor sportstimulering. In de algemene trends wordt gesignaleerd dat er sprake is van een toenemend aantal ouderen en sprake is van een toenemende vraag naar eerstelijns zorgfuncties . Toetsing initiatief Met de ontwikkeling worden de diverse trends die de gemeente identificeert in haar structuurvisie beantwoord. D e vergrijzing van de bevolking leidt tot een toenemende behoefte aan zorg - en welzijnsvoorzieningen. D oor een gezondheidscentrum te realiseren zullen de bestaande woningen dicht bij de voorzieningen komen te liggen. Dit is prettig voor de ouderen in het dorp zodat zij niet ver van huis hoeven voor eerstelijns zorg. Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen in lijn is met de structuurvisie van de gemeente Beesel.
15
HOOFDSTUK 5.1
5 Fysieke leefomgeving
Erfgoed Het beleidskader Cultureel Erfgoed (art. 5.130 lid 1 Bkl) is opgesteld voor alle aspecten van de fysieke leefomgeving en om als instrument uitvoering te geven aan het archeologiebeleid of voor het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke monumenten en pro vinciale monumenten. Uitgaande van de wettelijke begripsbepaling kan cultureel erfgoed in het stelsel van de Omgevingswet worden gezien als een soort ‘schijf van vijf’ die bestaat uit de volgende elementen: 1. Monumenten (gebouwd en aangelegd (groen) cultureel erfgoed); 2. Archeologische monumenten; 3. Stads - en dorpsgezichten; 4. Cultuurlandschappen; 5. Roerend en immaterieel erfgoed, voor zover in het omgevingsplan aan een locatie te verbinden. Cultureel erfgoed Voor de ontwikkeling dient te worden aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn ten aanzien van cultureel erfgoed. Wanneer een van de bovenstaande elementen voorkomt in het ontwikkelingsgebied, dient te worden bekeken welke mogelijkheden er zijn tot be scherming van het cultureel erfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (art.
5.130 lid 2 Bkl) over: ▪ Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; ▪ Verplaatsing van beschermde monumenten; ▪ Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; ▪ Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; ▪ Aantasting van karakteristieke stads - en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; ▪ Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Om het gewenste beschermingsregime te bepalen kunnen als voorbeeld de bijlagen uit de ‘Handreiking begrippenkader cultureel erfgoed onder de Omgevingswet november 2022’ worden gebruikt. Archeologie Vanuit artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 van het Bkl kan een gemeente lokale regels opstellen over archeologisch onderzoek. Conform het tijdelijke Omgevingsplan van Beesel heeft het projectgebied de dubbelbestemming ‘ Waarde – Archeologie 1’ . In de planregels is opgenomen dat een onderzoeksplicht naar mogelijk aanwezige archeologische waarden verplicht is indien de bodem voor 2 een oppervlak groter dan 500 m en dieper dan 40 centimeter wordt geroerd . 16
Het tijdelijke Omgevingsplan van Beesel bestendig t hiermee het beleid uit het beleidsplan archeologische monumentenzorg. Toetsing initiatief Cultuurhistorie Het projectgebied gelegen in een gebied dat is aangeduid als beschermd dorpsgezicht . Het dorp sgezicht is als zodanig aangewezen ter bescherming van de bestaande cultuurhistorische waarden en het stedenbouwkundige beeld. Ter plaatse geldt (op basis van het geldende planolog isch - juridisch regime ) een omgevingsvergunningplicht voor het slopen van gebouwen en bouwwerken ouder dan 50 jaar. Daarnaast dienen beeldbepalende panden binnen het beschermd dorpsgezicht behouden te blijven en worden nieuwe gebouwen , die niet in het totaalbeeld passen , geweerd. In het kader van onderhavige ontwikkeling is de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) om advies gevraagd over de mogelijke sloop van het bestaande pand. De commissie heeft op 31 oktober 2024 en op 1 mei 2025 advies uitgebracht. Op 7 maart 2024 heeft er een vooroverleg tussen de ARK, de initiatiefnemer en de archi tect plaatsgevonden. Op b asis van een locatiebezoek heeft de commissie vervolgens op 31 oktober 2024 een negatief oordeel over de sloop van het bestaande pand uitgebracht. Een mogelijke denkrichting was daarbij om de bestaande woning te behouden en sloop van de achterbouw toe te staan om het gewenste programma in te vullen.
Vervolgens heeft de initiatiefnemer een bouwhistorische verkenning uitgevoerd in relatie tot de waardestelling van het pand (zie ook bijlage I) . Daarover adviseerde de commissie ARK op 1 mei 2025 vervolgens als volgt: “ De commissie is van mening dat het een karakteristiek en beeldbepalend pand betreft dat een waardevolle bijdrage levert aan de lintbebouwing van de Kerkstaat en dit (op z’n minst deels) behouden moet worden. Gehele sloop betekent een verlies van een stuk v roege historie in het beschermd dorpsgezicht ook al wordt het pand als niet monumentaal geclassificeerd. Wat de commissie bij een eerdere behandeling aangaf is dat gedeeltelijke sloop mogelijk moet zijn en dat met het behoud van karakteristieke delen van het pand, (woonhuis) er voldoende mogelijkheden zijn om op verantwoorde wijze de gewenste functie van gezo ndheidscentrum te realiseren.” In haar principebesluit heeft het College van burgemeester en wethouders vervolgens een afweging gemaakt op basis van het advies van de commissie ARK en de behoefte aan een gezondheidscentrum in het dorp . De bestaande huisartsenpraktijk is in de huidige vorm niet duurzaam levensvatbaar. Daarnaast zorgt een verbreding naar een gezondheidscentrum met meerdere eerstelijns zorgfuncties voor een verbetering van de kwaliteit van de zorg.
De sloop van het bestaande pand doet weliswaar afbreuk aan het beschermd dorpsgezicht van Beesel , maar als onderhavige ontwikkeling niet door gaat , bestaat het risico dat er over enkele jaren geen medische zorg functi e meer aanwezig is in de kern van Beesel. Het C ollege van burgemeester en wethouders heeft in haar principebeslui t dan ook uiteindelijk besloten dat h et belang van het behoud en versterking van de eerstelijns gezondheidszorg in 17
Beesel zwaarder weegt dan het belang van behoud van dit historisch waardevolle pand. Hierdoor vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de ontwikkeling. Archeologie Met onderhavige ontwikkeling vinden er wel bodemingrepen plaats die de ontheffingsvrije waarden overschrijden. Derhalve is er een archeologisch onderzoek benodigd . De volledige rapportage is opgenomen in bijlage I hieronder zijn de belangrijkste conclusies opgenomen uit het onderzoek.
en
Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het project gebied een lage verwachting op het voorkomen van jager verzamelaars vindplaatsen uit het Laat Paleolithicum, het Mesolithicum en het Neolithicum, een middelhoge op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan landbouwsamenlevingen uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen en een hoge op het voorkomen van archeologische vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Archeologische waarden in situ kunnen worden aangetroffen vanaf 40 cm - mv vanaf de E - horizont(m 19.99 m +NAP). Deze resten kunnen bestaan uit losse artefacten en grondsporen. Vanwege de uitspoeling is de verwachting dat sporen mogelijk pas vanaf de B - horizont (50 cm - mv, 19.89 m +NAP) maar waarschijnlijker vanaf de BC - horizont (150 cm, 18.89 m +NAP) zichtbaar zullen zijn. Indien de graafwerkzaamheden zullen reiken tot het archeologisch niveau (40 cm - mv) en het is niet mogelijk de plannen aan te passen wordt een archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van een Inventariserend Veld Onderzoek door middel van Proefsleuven (IVO - P), na de sloop van de huidige bebouwing. Het doel van het IVO - P is gelijk aan het IVO - O namelijk het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek.
Ten behoeve van het uitvoeren van een IVO - P dient eerst een Programma van Eisen worden opgesteld. Het PvE dient ter beoordeling worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het doel van een PvE is het borgen van de inhoudelijke kwaliteit van archeologisch onderzoek en het kan beschouwd worden als basisdocument voor archeologisch onderzoek. Zonder een door het bevoegd gezag goedgekeurd PvE kan het IVO - P niet worden uitgevoerd. Tevens wordt op basis van het PvE de prijs bepaald voor het uitvoeren van het vervolgo nderzoek. Deze aanbevelingen vormen een advies dat getoetst dient te worden door de bevoegde overheid (gemeente Beesel). Deze zal een besluit nemen over wat de eventuele vervolgstappen dienen te zijn ten aanzien van eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het project gebied. Te alle tijden geldt dat, mochten tijdens de voorgenomen graafwerkzaamheden alsnog archeologische waarden worden aangetroffen, hiervan een melding dient te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de erfgoedwet. 18
Het PvE is als separate bijlage opgenomen bij de aanvraag. Het uitvoeren van het proefsleuvenonderzoek zal na verlening van de vergunning plaatsvinden. Om te waarborgen dat dit onderzoek uitgevoerd zal worden na verlening zal dit worden opgenomen a ls maatwerkvoorschrift in de omgevingsvergunning .
5.2
Beschermen van de gezondheid Conform artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Hierbij spelen onder andere aspecten z oals geur, bodem, spuitzones, ligging ten opzichte van veehouderijen en externe veiligheid een belangrijke rol. Kenmerkend voor de land - en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof di e tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind - en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt op stam (bijv. appels, peren etc.) dan bij de akkerbouw en lage fruitteelt bijvoorbeeld aardbeien en bess en), waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient, in het kader van de borging van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, afstand worden gehouden tussen gevoelige objecten en gronden met een agrarische functie waarop het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. In de jurisprudentie wordt een afstand van 50 meter als spuitvrije zone als niet onredelijk beschouwd.
Deze afstand is echter niet absoluut en kan, mits deugdelijk gemotiveerd en onderbouwd, kleiner worden vastgesteld. Toetsing initiatief Ten noord en van het projectgebied bevind en zich agrarische gronden waarop gewassen geteeld mogen worden. Dit betref fen de percelen M157, M158 en A 2345 . Algemene overwegingen Allereerst is het ter plaatse van d e omliggende percelen , conform de geldende bestemmingsregeling, planologisch niet rechtstreeks mogelijk om het huidige maaiveldniveau te veranderen door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven, diepploegen, indrijven of ophogen. Daarnaast is het eveneens niet rechtstree ks mogelijk om bomen of diepwortelende beplantingen aan te brengen, te vellen of te rooien. Ook het aanleggen van bos of boomgaarden en het aanbrengen van hoog opgaande beplanting (anders dan ten behoeve van de ecologische hoofdstructuur ) is niet toegestaan. Hoew el agrarisch gebruik (en daarmee het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen) niet direct is uitges loten, is d aarmee nieuwe aanplant van hoge teelt/fruitbomen feitelijk planologisch niet mogelijk . Op basis daarvan kan er in het kader van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dan ook van uitgegaan worden dat er in planologisch e zin wel lage tee lt kan plaatsvinden , waarvoor een kleinere rictafstand kan worden gemot iveerd.
19
Daarnaast is er op dit moment in het projectgebied reeds een gevoelige functie (woonfunctie en ook als zodanig bestemd ) aanwezig en dient derhalve bij een eventueel bedrijfsmatig agrarisch gebruik van het perceel al rekening te worden gehouden met deze bestaande milieugevoelige functie. Dat zelfde geldt voor de impact van de omliggende agrarische percelen op de aangrenzende onderwijsfunctie. Daarbij zijn de verplichte driftreducerende maatregelen , zoals deze in (onder ander e para graaf 4.64 van) h et Besl uit a ctiviteiten leefomgeving (Bal) zijn vastgelegd , ook van toepassing . Daarbij is overwogen dat er zodoende derhalve sprake is van een vervanging van de reeds bestaande gevoelige functie (wonen) door een nieuwe gevoelige functie (gezondheidsce ntrum) . Tevens geldt dat er in de nieuwe situatie ter plaatse minder p ersonen (ged urende ten minste 2 uur) zullen verbl ijven en er ook geen sprake is van overnachtingen. Immer s: de patiënten van het te vestigen m edisch centrum zullen uitsluitend tijdens hun afspraak (en bovendien uitsluitend inpandig) a anwezig zijn , zodat e nkel het personeel gedurende een werkdag (uitsluitend inpandig) aanwezig is. Daarnaast zijn deze personen gedurende vrijwel hun hele dagelijkse verblijf inpandig aanwezig en derhalve meer en beter beschermd dan in de bestaande situatie , waarin ook sprake is van tuingebruik.
Hierdoor is het eventuele effect van mogelijk g ewasbeschermingsmiddelen - gebruik in de nieuwe situatie dan ook aanmerkelijk kleiner dan in de bestaande situatie en kan zodoe nde worden geconcludeerd dat de beoogde nieuwe functie minder gevoelig is . Tenslotte i geldt dat de overwegende windrichting in Nederland zuidwestelijk is. Aangezien de agrarische percelen ten noorden van het projectgebied zijn gelegen wordt bij een zuidwestelijke wind de mogelijke drift niet richting het projectgebied verplaatst. Perceel M158 Het meest zuidelijk deel van dit perceel (dat gelegen is binnen 50 meter van de perceelsgrens ) is feitelijk niet in gebruik ten behoeve van bedrijfsmatige gewassenteelt, maar voor opslagdoeleinden (zie onderstaande afbeelding).
20
Op basis van een toetsing aan de maximale planologische ( agrarische) mogelijkheden van het perceel en de feitelijke situatie, is echter overwogen dat, gezien de locatiespecifieke omstandigheden, volstaan zou kunnen worden met een kleinere afstand dan de richtafstand van 50 meter. Het meest zuidelijke perceelsgedeelte is immers niet rechtstreeks toegankelijk vanaf de Kerkstraat (wel van Het Spick) en is dit gedeelte (althans voorzover gelege n binnen de van toepassing zijnde r ichtafstand) , niet bereik - en/of bewerkbaar voor grote agrarische voertuigen vanwege de tunnelkas die reeds vanaf 2008 ter pla a tse aanwezig is . Een efficiënt (bedrijfsmatig) gebruik van dit het perceel sgedeelte voor agrarische doeleinden is dan ook niet aan de orde. Gezien de beperkte oppervlakte van het (binnen de van toepassing zijnde richtafstand) relevante perceelsgedeelte, het huidige gebruik en de restricties ten aanzien van efficiënt agrarisch gebruik kan, naar aanleiding van de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (202403494/1/R3 d.d. 11 maart 2026) worden overwogen om een kleinere richtafstand (i.c. 10 meter op basis van bovengenoemde uitspraak) aan te houden. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat h et aspect ‘spuitzones’ voor dit naastgelegen perceel geen belemmering vormt .
Perceel M157 Hoewel voor dit perceel dezelfde planolo gische rechten, restricties en afwegin gen gelden als voor perceel M158, is het zo dat dit perceel i n eigendom is van de initiatiefnemer . In het kader van het bedrijfsmatig agrarisch grondgebruik zijn, aangaande het gebruik van bestrijdingsmiddelen in het kader van de pachtovere enkomst , afspraken gemaakt met de agrariër die het betreffende perceel in erfpacht heeft. Zodoende vormt het aspect ‘spuitzones’ voor dit naastgelegen perceel dan ook geen belemmering. Perceel A 2345 Dit perceel is g elegen op een afstand van 48 m eter van het projectgebied. Indien voor dit perceel (ondanks dezelfde planologische rechten, restricties en afwegingen gelden als voor de eerder genoemde percelen) uitgegaan zou worden van een richtafstand van 50 meter, dan zou de meest noordoostelijke punt van het projectgebied 2 meter binnen deze richtafstand vallen . Echter is binnen deze 2 meter in het kader van de beoogde ontwikkeling groenaanplant voorzien en worden hier geen gevoe lige functie s en/of gebouw en gerealiseerd . Daarnaast is er reeds een gevoelige functie (bestaande schoolgebouw) op een kleinere afstand van dit perce el gelegen , hetgeen betekent dat de betreffende agrariër/ grondeigenaar niet extra belemmerd wordt . Het aspect ‘spuitzones’ vormt voor dit naastgelegen perceel dan ook geen belemmering.
Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het projectgebied geen hinder zal ondervinden van het aspect spuitzones. Verder blijkt ui t de algehele toetsing van de fysieke leefomgevingsaspecten het vervolg van dit hoofdstuk dat er geen belemmeringen zijn voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling en de gezondheid hiermee niet in het geding komt.
in
21
5.3
Bodem Het onderdeel bodem dient getoetst te worden aan de volgende paragrafen artikel 2.34 Bkl : • §5.1.4 Beschermen van de gezondheid en van het milieu; ▪ §5.1.4.5 Bodemkwaliteit; - §5.1.4.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie; - §5.1.4.5.2 Nazorg (in stand houden afdeklagen en tijdelijke beschermingsmaatregelen om blootstelling aan bodemverontreiniging te voorkomen); - §5.1.4.5.3 Aanwijzing bodembeheergebieden en indeling landbodem in bodemfunctieklassen.
uit
Toetsing initiatief In de huidige situatie is er reeds sprake van een woonfunctie. Hiermee is het projectgebied dus al een gevoelige functie. Door de ontwikkeling wordt het projectgebied in planologisch - juridische zin niet gevoeliger en is het in dat kader dan ook niet noodzakelijk een bodemonderzoek uit te laten voeren. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. In het kader van de bouwaanvraag zal een bodemonderzoek worden uitg evoerd.
5.4
Water(systemen) Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij een wijzig ing of afwijking van het planologisch regime rekening gehouden worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. De relevante beleidsdocumenten zijn de Europese Kaderrichtlijn ste Water (KRW), het Nationaal Waterplan (N W), het Waterbeleid voor de 21 eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet. Onder de Omgevingswet is het beleid van de waterschappen d ie de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borg en opgenomen in de waterschapsverordening en. Binnen de ruimtelijke planvorming vormt water een belangrijk aspect. De toename van verhard oppervlak zorgt voor hitte, verdroging en vergroot de kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten de waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het projectgebied op een evenwichtige wijze beschouwd worden. Deze zogenaamde Watertoets is verplicht. In paragraaf 5.1.3 van het Bkl zijn aanvullende eisen gesteld ten aanzien van relevante waterhuiskundige elementen.
Aangezien onderhavige ontwikkeling niet in de nabijheid ligt van een van deze waterhuishoudkundige elementen is een nadere toetsing niet aan de orde.
5.4.1
Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het projectgebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een 22
onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater In het projectgebied zal geen grondwater worden onttrokken. Daarnaast zullen er geen activiteiten plaats vinden die het grondwater mogelijk kunnen vervuilen. Er worden ten aanzien van grondwater dan ook geen belemmeringen verwacht. Oppervlaktewater In het projectgebied zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en er zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd. Afvalwater In de huidige situatie is er geen afvalwater afkomstig van de locatie. In de beoogde situatie wordt het afvalwater middels het gemeentelijke rioleringsstel sel afgevoerd. Hemelwater Aangezien de hoeveelheid verharding en bebouwing binnen het projectgebied toeneemt zal de hoeveelheid te verwerken hemelwater eveneens toenemen. Het hemelwater zal worden opgevangen binnen de projectlocatie en krijgt hier de kans om te infiltreren in de bodem. De gemeente Beesel heeft een bergingseis van 60 mm per vierkante meter verhard oppervlak. Met de ontwikkeling wordt een pand gerealiseerd van circa 470 m 2. Daarnaast wordt er circa 250 m 2 aan verharding toegevoegd voor de realisatie van parkeergelegenheid. Hierdoor wordt circa 7 20 m 2 verhard.
Nadere uitwerking van de wijze van infiltratie zal aangeleverd worden in het kader van de uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning Bouwen . Conclusie Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat onderhavige ontwikkeling geen belemmeringen vormt voor de afvoer, kwaliteit of infiltratie van water.
5.5
Ecologie De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Het aspect ecologi e kent dan ook twee subcategorieën : Natura 2000 - gebieden en (beschermde) flora en fauna.
5.5.1
Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in ee n Natura 2000 - gebied geldt een vergunningsplicht. 23
In hoofdstuk 11 van het Bal is bepaald wanneer een vergunning nodig is. Zo is het conform artikel 5.1, lid 1, en onder e Ow verboden om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000 - activiteit te verrichten. Het verbod geldt: 1. Niet voor een Natura 2000 - activiteit in gevallen die zijn aangewezen in een omgevingsverordening. 2. In gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt. Er is sprake van een algemene zorgplicht voor alle inheemse flora - en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora - en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurw etgeving verplicht. Toetsing initiatief Het projectgebied is niet binnen een Natura 2000 - gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000 - gebieden betreffen ‘Swalmdal’ en ‘Leudal’ welke op een afstand van respectievelijk 1,9 en 4, 6 kilometer van het projectgebied zijn gelegen.
Aangezien er binnen het projectgebied gebouwd zal worden is het noodzakelijk een aeriusberekening uit te (laten ) voeren. In bijlage II is de volledige rapportage opgenomen. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek opgenomen. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000 - gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen be lemmering vormt voor de realisatie en het gebruik van de beoogde ontwikkeling aan de Kerkstraat 14 in Beesel. 5.5.2
Soortenbescherming In de Omgevingswet wordt de bescherming en instandhouding van planten - en diersoorten die in het wild voorkomen geregeld. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild l evende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In dit geval is de definitie van een flora - en fauna - activiteiten een 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze strikte formulering van een flora - en fauna - activiteit moet bij vrijwel alle activite iten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
24
• •
Er soorten aanwezig zijn; en Welke soorten dat zijn.
In artikel 11.27 van het Bal is opgenomen dat degene die een flora - en fauna activiteit verricht en weet , of redelijkerwijs kan vermoeden , dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen (bedoeld in artikel 11.23 Bal) , verplicht is: a. A lle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. V oor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. A ls die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Toetsing initiatief Aangezien er binnen het projectgebied gebouwd z al worden, is het noodzakelijk een quickscan flora en fauna uit te voeren. In bijlage III is het volledige onderzoeksrapport opgenomen. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. In de opgaande vegetatie en de bebouwing in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatr egelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht.
Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie en de bebouwing buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijd eren/slopen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie en slopen van de bebouwing toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Daarnaast komen er in het p roject gebied mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere beschermde soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beh eer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora - en fauna - activiteiten voor is verkregen (deze soorten zijn opgenomen in Bijlage X van de Omgevingsverordening Limburg; Provin ciale Staten van Limburg, 2025).
Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijd ens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. 25
Als met het bovenstaande rekening wordt gehouden vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.6
Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een of meerdere geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de regels zoals die aangaande het aspect ‘geluid’ zijn opgenomen in de Omgevingswet. Deze regels in de Omgev ingswet betreffen enerzijds ‘direct werkende regels’ (regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit) en anderzijds ‘instructieregels’ (algemene regels waarmee een bestuursorgaan aan een ande r bestuursorgaan aangeeft hoe een taak of bevoegdheid op het gebied van ‘geluid’ moet worden uitgeoefend). 1. Direct werkende regels omtrent ‘geluid’ zijn/worden door de gemeente vastgelegd in het gemeentelijk Omgevingsplan; 2. Instructieregels omtrent ‘geluid’ zijn terug te vinden in het Bkl en de Provinciale omgevingsverordening. Omdat de rijksoverheid in het kader van gezondheid en milieu mensen wil beschermen tegen geluid, zijn er voor wat betreft de verschillende situaties onder 1 en 2 in het Bkl concrete standaard - en grenswaarden vastgelegd. Voldoen aan de standaardwaarde is vanzelfsprekend het hoofduitgangspunt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Als voldaan wordt aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein.
Het bevoegd ge zag mag echter meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Dit ‘gemeentelijk geluidsbeleid’ kan zij dan opnemen in het gemeentelijke Omgevingsplan overeenkomstig de vereisten uit de instructieregels van het Bkl. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarden toestaan als ze voldoet aan de voorwaarden die daartoe in (de artikelen 3, 5 en 8 van) het Bkl zijn opgenomen. Tenslotte kan het bevoegd gezag in een aantal specifieke situaties ook een overschrijding van de grenswaarden toelaten. Deze specifieke situaties en de daarbij behorende randvoorwaarden zijn eveneens terug te vinden in (de artikelen 3 en 5 van) het Bkl. Toetsing initiatief In de beoogde situatie is er sprake van een gevoelig gebruik voor het aspect geluid. Echter zijn de omliggende wegen 30 km - wegen waarbij minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal gebruik maken van deze wegen. Derhalve is er g een akoestisch onderzoek benodigd en vormt het aspect geluid geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.7
Kwaliteit van de buitenlucht Om de risico's van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor 26
stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarde n vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. In Artikel 5.50 t/m 5.54 Bkl worden vervolgens de kaders gesteld waarbinnen al dan niet getoetst moet worden aan de luchtkwaliteitseisen. In het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag te toetsen of aan de (rijks)omgevingswaarde n wordt voldaan. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling : a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde ; b. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging ( een plan is ‘NIBM’ als dat blijkt uit de NIBM - Tool, of als deze valt onder de ‘standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit’ (artikel 5.54 Bkl).) . d. Een plan betreft een locatie waarvoor in artikel 5.52 Bkl een uitzondering is opgenomen. Ter plaatse van de te realiseren ontwikkeling dient sprake te zijn van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Gemeenten kunnen zelf bepalen welke luchtkwaliteit zij aanvaardbaar vinden bij woningen.
Dit kunnen de rijksomgevingswaarden zijn (40 μg/m 3 (PM 10) en 40 μg/m 3 (NO²)), maar gemeenten kunnen ook strengere waarden hanteren. Hiervan zijn drie varianten: • Een scherpere norm, bijvoorbeeld voor fijnstof ; • Een resultaatsverplichting voor een rijksomgevingswaarde waar in het Bkl een inspanningsplicht voor geldt ; • V oor de lokale omgevingswaarde geldt dezelfde getalswaarde op locaties waar de rijksomgevingswaarde niet geldt . Toetsing initiatief De gemeente Beesel hanteert een maximum van 40 μg/m 3 (PM 10) en 40 μg/m 3 (NO²) als grenswaarden. Het projectgebied is, op basis van de concentratiekaarten van het RIVM, getoetst aan de gestelde omgevingswaarden voor fijnstof en stikstof. Fijnstof De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m 3. Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijnstof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd. Voor het projectgebied blijkt dat de achtergrondconcentratie voor fijnstof circa 13,76 μg/m 3 (PM 10) bedraagt. Er wordt dus voldaan aan de gestelde grenswaarden.
27
Figuur 6 Uitsnede GCN en GDN Fijn stof
(PM10)
Stikstofdioxide Voor stikstofdioxide (NO 2) geldt een grenswaarde van 40 μg/m 3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied bedraagt circa 9,289 μg/m 3. Dit betekent dat de hoeveelheid stikstofdioxide beneden de gestelde grenswaarden ligt.
Figuur 7 Uitsnede GCN en GDN Stikstof
dioxide
Geconcludeerd wordt dat de hoeveelheid fijnstof en stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied beneden de gestelde grenswaarden ligt waardoor de kwaliteit van de buitenlucht door onderhavige ontwikkeling niet in het geding zal komen. Daarnaast heeft de ontwikkeling g een onevenredig negatief effect op de omgeving. Hierdoor levert de luchtkwaliteit g een belemmeringen op voor de voorgestane ontwikkeling.
28
5.8
Geur De Omgevingswet heeft onder andere tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting vanwege dierenverblijven en veehouderijen. D oor het opnemen van geurnormen en/of vaste afstanden in het Bkl, wordt er op dit punt gestreefd naar een acceptabel woon - en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Anderzijds dient sprake te zij n van een a anvaard baar woon - en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling. Individuele geurhinder In het Bkl zijn in artikel 5.109 standaardwaarde n opgenomen die gelden voor landbouwhuisdieren waar voor ( bij ministeriële regeling ) geuremissiefactoren zijn opgenomen. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in artikel 5.112 van het Bkl. Gemeenten hebben de bevoegdheid om in hun omgevingsplan afwijkende geurnormen en afstanden op te nemen. Tot het moment dat een gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld , blijven (indien een geurverordening van kracht w as onder de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ), de geurnormen en afstanden uit de geurverordening van kracht.
Indien een gemeente geen geurverordening onder de Wgv heeft vastgesteld, gelden de regels zoals opgenomen in artikel 5.109 en 5.112 van het Bkl. De geurhinder dient te worden berekend op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 van het Bkl is opgenomen welke gebouwen gedefinieerd zijn als geurgevoelig gebouw. Gemeenten mogen in hun omgevingsplan meerdere gebouwen definiëren als geurgevoelig. Toetsing initiatief In de beoogde situatie is er geen sprake van een gevoeliger gebruik voor het aspect geur. In de omgeving van het projectgebied zijn geen veehouderijen gelegen , derhalve is er geen geuronderzoek benodigd en vormt het aspect geur geen belemmering voor de ontwikkeling.