CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering 'Evenwichtige toedeling van functies aan locaties'

Besluitvormende raadsvergadering 6 juli 2026, gemeente BeeselBij agendapunt: Afwijking omgevingsplan gezondheidscentrum Kerkstraat 14 te Beesel12.947 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.9

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarl ijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn milieubelastende activiteiten uit het Bal;

verschillende 29

• • •

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangeweze milieubelastende activiteit in het Bal; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende

spoor) ; n

als

activiteit in het Bal .

Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden . Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinde n met eenzelfde PR. Binnen de 10 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10 6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

-6

-

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebi eden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen . Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarbij zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • brandaandachtsgebied; • explosieaandachtsgebied; • g ifwolkaandachtsgebied. Toetsing initiatief Met behulp van de EV - Signaleringskaart ( figuur 8) is risicobronnen in de nabijheid van het projectgebied zijn gelegen.

gekeken welke

30

Figuur 8 Uitsnede PAV - kaart Register Externe Veiligheid

Transport van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De regels met betrekking tot de ruimtelijke ordening v allen onder de Omgevingswet. • Risicovol transport over spoor - en auto wegen In de omgeving van het projectgebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over spoor - en auto wegen plaats. Dit aspect vormt geen hinder ten aanzien van de ontwikkeling. • Risicovol transport over waterwegen In de omgeving van het projectgebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over waterwegen plaats. Dit aspect vormt geen hinder ten aanzien van de ontwikkeling. Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het projectgebied is g een risicovolle inrichting aanwezig. Het projectgebied is niet gelegen binnen de risicocontour van een inrichting waardoor dit aspect geen hinder vormt ten aanzien van de ontwikkeling.

31

Buisleidingen In de omgeving van het projectgebied zijn geen buisleidingen aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.10

Milieubelastende activiteiten Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan: een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit . In het Bal word en in hoofdstuk 3 de hoofdcategorieën van milieubelastende activiteiten benoemd en worden de procedureregels vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbijbehorende nevengeschikte milieubelastende activiteiten de gedragsregels vastg esteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen, zoals bodem, luchtkwaliteit en industrielawaai, activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en - infrastructuur, activiteiten die de natuur beïnvloeden en overige activiteiten van nationaal belang. Om een en ander hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient t e zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur.

Het ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen heeft als doel om: • Het al in het ruimtelijk spoor voorkomen , danwel het zoveel mogelijk beperken , van hinder en gevaar voor omliggende gevoelige objecten zoals woningen; • Het voldoende zekerheid bieden aan bedrijven om de gewenste milieubelastende activiteit uit te voeren. De afstanden uit de VNG - publicatie zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustig buitengebied/woonwijk’. Indien er sprake is van een ‘gemengd gebied’ mogen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. De omgevingstypen zijn te definiëren als; • Rustig buitengebied/woonwijk: Een omgevingstype dat gericht is op het principe van functiescheiding. Er komen enkel gebiedsgerichte activiteiten voor waarbij geen tot kleinschalige functiemenging plaatsvindt. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: Een omgevingstype dat gekenmerkt wordt door een matige tot sterke functiemenging. In de directe nabijheid van woningen vinden meerdere verschillende functies plaats in de vorm van winkels, horeca en kleine bedrijven. Met betrekking tot het buitengebied geldt dat sprake is van lintbebouwing met overwegend agrarische en niet agrarische bedrijvigheid.

32

Toetsing initiatief De beoogde ontwikkeling is gelegen in een gemengd gebied . De aan te houden afstanden conform de VNG - publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In de beoogde situatie wordt een gezondheidscentrum gerealiseerd. Een gezondheidscentrum wordt gekenmerkt als een milieucategorie 1 bedrijf met een richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid , maar deze richtafstand mag derhalve met 1 stap verkleind worden naar 0 meter . Op korte afstand van de beoogde ontwikkeling zijn de percelen van de woningen nummer 14 en 7a gelegen. Gezien de richt afstand 0 meter bedraagt worden gee n belemmeringen verwacht . Het voorgaande geldt evene ens voor de nieuwbouwwoning nummer 14 , welke direct grenst aan het projectgebied . De woning is daarnaast op circa 6 meter afstand van de perceelsgrens gelegen. De beoogde bouw wordt op een afstand van minimaa l 3 meter vanaf de perceelsgrens gerealiseerd . Hierdoor is er sprake van een afstand van circa 9 meter tussen de woning en het gezondheidscentrum en wordt voldaan aan de rich tafstand . Daarnaast zal bij de realisatie van het gezondheidscentrum rekening gehouden worden met de geluidsisolatie waardoor het aspect geluid geen belemmering vormt voor de directe omgeving en er in het kader van de beoogde ontwikkeling sprake is en blijft van een goed woon - en leefklimaat .

5.11

Niet - gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Voor ontplofbare oorlogsresten zijn geen rijksregels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt decentrale overheden mogelijkheid om zelf decentrale regels op te stellen voor de fysieke leefomgeving.

wel de

Toetsing initiatief Conform de VEO bommenkaart is er in de omgeving van de Maas reeds een vooronderzoek uitgevoerd . Ter plaatse van het project zijn geen niet gesprongen explosieven gevonden. Daarom kan ge steld worden dat de locatie als niet verdacht aangemerkt kan worden.

5.12

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het projectgebied kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden.

5.12.1

Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het gemeentelijk Omgevingsplan zijn normaliter geen of zeer beperkt e gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen opgenomen aangaande ligging , type leiding en gebruikskenmerken. 33

In het kader van een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is het echter wel belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen (al dan niet met veiligheidszone ) aanwezig zijn. Toetsing initiatief In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig. Deze zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmeringen vormen. 5.12.2

Hoogspanningslijnen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk, maar hebben ook effect op (ontwikkelingen in) de omgeving. Zo is vanwege de magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen. Toetsing initiatief In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. Hoogspanningslijnen zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmeringen vormen.

5.13

Mobiliteit Het Bkl bevat verschillende rijkinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. Mobiliteit is daarnaast ook een belangrijk aspect dat meeweegt in het kader van de afweging of er sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen moet in acht genomen worden dat er geen belemmeringen zullen ontstaan voor de omliggende wegen. Daarnaast moeten er ook voldoende parkeerplaatsen voor (deel)auto’s en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankel ijk van de locatie en gemeentelijk beleid. Vanuit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn er twee nationale belangen gericht op mobiliteit: - Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; - In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeersgeneratie Op basis van de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden of er sprake is van een wijziging van het aantal verkeersbewegingen afkomstig van de locatie en kan worden bepaald of dit gevolgen heeft met betrekking tot de infrastructuur.

34

Toetsing initiatief In de huidige situatie is er feitelijk en planologisch - juridisch al sprake van verkeersbewegingen afkomstig van de locatie ten behoeve van het gebruik van de woning. In de beoogde situatie z al er sprake zijn van verkeersbewegingen afkomstig zijn van de locatie ten behoeve van een gezondheidscentrum.

welke

Het projectgebied bevindt zich in een gebied welk gekenmerkt kan worden als ‘niet stedelijk gebied ’ in de ‘rest bebouwde kom ’. Voor een gezondheidscentrum kan daarbij worden uitgegaan van gemiddeld 20,6 verkeersbewegingen per etmaal per behandelkamer . Uitgaande van 6 behandelkamers (zie ook hoofdstuk 3 van deze onderbouwing) is er zodoende dan sprake van in totaal 123,6 verkeersbewegingen per etmaal afkomstig van het projectgebied. Gelet op het feit dat de huidige infrastructuur /doorgaande weg (Kerkstraat) het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie kan verwerken en de extra verkeers generatie niet substantieel is , worden er voor de beoogde situatie geen problemen verwacht. Derhalve behoeft de huidige infrastructuur geen aanpassingen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling . Parkeren Op basis van de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden hoeveel (extra) parkeerplaatsen er nodig zijn voorde beoogde ontwikkeling. Voor een gezondheidscentrum zijn er minimaal 2,2 p arkeerplaatsen noodzakelijk per behandelkamer . Aangezien er 6 behandelkamers zijn, zijn er 13,2 (afgerond 1 4) parkeerplaatsen noodzakelijk voor de ontwikkeling. In de bouw plan - tekeningen is te zien dat er 13 parkeerplaatsen ingetekend zijn op eigen terrein .

Daarnaast i s er reeds een bestaande langsparkeer plaats aanwezig aan de straatzijde, welke thans ook al wordt gebruikt door de bewoners van de bestaande woning. Aangezien er verwacht wordt dat veel pati ënten uit de directe omgeving komen en zodoende per fiets of te voet naar het gezondheidscentrum zullen komen , is het totaal aantal van 13 + 1 (14) parkeerplaatsen dan ook voldoende om te kunnen voorzien in de parkeer behoefte van het medisch centrum . Deze parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd . Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling .

5.14

Duurzaamheid en klimaatadaptatie De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Zo is het uitgangspunt dat vanaf nu bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening moeten worden ge houden met 35

zeespiegelstijging, t oenemende hitte, langere periodes van droogte en meer extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer, intensiever en inclusiever worden . Toetsing initiatief In het kader van onderhavige ontwikkeling vindt een toename plaats van het verhard oppervlak . Daarnaast zal er geen duurzame energie opgewekt worden. Het aspect duurzaamheid zal in het kader van de uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning Bouwen nader uitgewerkt worden. Het aspect duurzaamheid is op dit moment dan ook nog niet van toepassing in het kader van deze onderbouwing . Voor het aspect klimaatadaptatie worden bomen en ander groen aangelegd om hittestress tegen te gaan. Daarnaast zullen e r groene pa rkeerplaatsen gerealiseerd worden om te zorgen dat het hemelwater zo goed mogelijk kan infiltreren in de bodem. Hier door vor mt het aspect klimaatadaptatie geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.15

Trillingen Ten behoeve van de bescherming van de fysieke leefomgeving, kunnen gemeenten regels opnemen ten aanzien van trillingen. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de b escherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor het op een locatie toelaten van een activiteit en/of een trillinggevoelig gebouw en /of het aanpassen daarvan. De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: • In een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen ; • Een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in h aar omgevingsplan.

Niet op alle locaties leiden de voornoemde standaardwaarden voor een activiteit die trillingen genereert tot het gewenste evenwicht tussen ‘beschermen ’ en ‘benutten ’. Een gemeente kan dan ook gemotiveerd kiezen voor andere waarden voor specifieke locaties . Zo kan een gemeente, u it het oog punt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties , bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen. Toetsing initiatief Met onderhavige ontwikkeling worden t rilgevoelige ruimten toegevoegd. Er zullen daarnaast geen trilgevoelige activiteiten uitgevoerd worden. Aangezien 36

er in de omgeving geen activiteiten plaatsvinden waarmee trillingen worden veroorzaakt , is verdere toetsing aan dit aspect niet noodzakelijk. Het aspect trillingen zal voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen vormen.

5.16

Energietransitie In navolging van de hogere overheden, werkt ook de gemeente in haar omgevingsplan haar visie op het gebied van energietransitie uit in regels voor haar grondgebied. Bijvoorbeeld door (al dan niet in navolging van het Rijks en/of provinciaal beleid) regels te stellen over de aanwijzing van functies of locaties die windparken mogelijk maken of een verbod op houtstook. De ruimte in de fysieke leefomgeving die de energietransitie vraagt, maakt dit een belangrijk onderwerp voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat daarbij deels over fysieke ingrepen bovengronds, zoals de aanleg van windmolens, zonneparken of schakelstation s. Maar de energietransitie heeft ook gevolgen voor de ondergrond. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van warmtenetten, geothermie of de ondergrondse opslag van warmte voor verwarming van gebouwen. Gemeenten dienen conform de artikelen in paragraaf 5.1.7.3 Bkl rekening te houden met de elektriciteitsvoorziening. In Bijlage XV bij het Bkl staan de van rijkswege gemarkeerde locaties voor ontwikkelingen binnen de energietransitie , maar d aarnaast kunnen gemeenten zelf ook locaties reserveren voor deze doeleinden. Toetsing initiatief Onderhavige locatie ligt niet binnen een aangewezen gebied voor ontwikkelingen binnen de energietransitie. Hierdoor vormt dit aspect belemmering voor de beoogde ontwikkeling .

5.17

geen

Lichthinder Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Afhankelijk van de positionering van deze verlichting en de functies in de omgeving kan er sprake zijn van lichthinder. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken : - hinder voor de mens ; - hinder langs wegen ; - verstoring van de natuur ; - horizonvervuiling. Voorbeelden hiervan zijn verstoring voor verkeer door het optreden van reclameverlichting , of natuurimpact als gevolg van onvoldoende duisternis . Lichthinder is dan ook een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. In het gemeentelijke omgevingsplan kan het aspect lichthinder meewegen in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit . 37

Toetsing initiatief Aangezien geen verlichting wordt toegevoegd aspect lichthinder echter niet van toepassing.

5.18

in of op het projectgebied is het

Bezonning Voor gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is het belangrijk dat er voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw aanwezig is . Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysiek e leefomgeving echter geen instructieregels opgesteld, waardoor de gemeente deze regels zelf in kan vullen. Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast - natuurwetenschappelijk onderzoek) heeft een norm voor bezonning bepaald : De bezonningsliniaal – een eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. Veel gemeenten hanteren deze TNO norm, maar dit is niet verplicht. Een aantal gemeenten heeft haar beleid op het gebied van bezonning gebaseerd op deze norm. Zo kan een gemeente er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO - norm in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan) op te nemen.

TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • D e 'lichte' TNO - norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam ; • D e 'strenge' TNO - norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam . Om voldoende zonlicht en schaduw te borgen kunnen gemeenten bouwregels opnemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan) . Ook behoren een omgevingsvergunningplicht en /of een meldingsplicht voor het bouwen van hoge gebouwen tot de mogelijkheden . Toetsing initiatief Aangezien in de toekomstige situatie geen hoge bebouwing en/of hoogopgaand groen zal worden geplaatst en er sprake is van een ruime afstand ten opzichte van omliggende woningen, zal het woongenot van omwonenden niet worden aangetast. Dit aspect zorgt derhalve niet voor belemmeringen.

5.19

Slagschaduw De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan bij zonnig weer een hinderlijk schaduweffect veroorzaken. Wanneer een windturbine met een rotordiameter van 2 meter of meer op een locatie wordt toegelaten , gelden er voor het aspect slagschaduw instructieregels (paragraaf 5.1.4.4a Bkl). Deze regels gelden alleen ter bescherming tegen slagschaduw op gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Gemeenten kunnen de regels voor slagschaduw van de 38

windturbines en windparken op hun grondgebied aanpassen omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan) .

in het

Toetsing initiatief In de omgeving van het projectgebied zijn geen windmolens gelegen die slagschaduw kunnen veroorzaken. Het aspect slagschaduw vormt geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

5.2 0

Windhinder Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen zoals kantoren, woontorens of hotels. Wanneer het gemiddelde windklimaat te wensen overlaat (het waait te hard en te vaak) zullen mensen (recreatieve ) plekken eerder mijden. Dit betekent dat de aantrekkingskracht van bijvoorbeeld winkelgebieden, pleinen en terrassen afhankelijk is van het gemiddelde windklimaat. Gemeenten kunnen de gevolgen van windhinder beperken door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan) . Deze (stedenbouwkundige ) oplossingen kunnen zijn: - Voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing ; - Per locatie bekijken welke bouwhoogte toegestaan kan worden ; - Rekening houden met de fysieke vorm van de gebouwen . Voor het beoordelen van het windklimaat is een norm opgesteld, namelijk NEN 8100. Deze norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans (in percentage van het aantal uren per jaar ). In de NEN - norm wordt aangegeven wanneer een windonderzoek nodig is: - In geval van g ebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig ; - Bij b eschut gelegen gebouwen met een hoogte van 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is ; - Bij o nbeschut gelegen gebouwen met een hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is .

Deze norm ering is echter niet wet telijk verplicht , maar een gemeente kan er wel voor kiezen om hiertoe regels op te nemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan) . Toetsing initiatief In de nabijheid van het projectgebied is geen hoge bebouwing gelegen en zal geen hoge nieuwbouw plaatsvinden. Derhalve is het niet aannemelijk dat er windhinder zal plaatsvinden. Het aspect windhinder vormt geen b elemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.2 1

Project - mer - beoordeling Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu beschreven. Het doel van een mer is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma’s en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben. Milieu is een breed 39

begrip. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. Een p roject kan op twee manieren leiden tot een p roject - mer - plicht: 1. de generieke aanwijzing geldt voor plannen waarvoor direct een project mer - plicht geldt . 2. de project - mer - beoordeling geldt voor een project dat kaderstellend is Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die al dan niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. Staat het project niet in bijlage V dan geldt geen project - mer - (beoordelings - )plicht. Staat het project wel in kolom 1, dan dient te worden gek eken of de ondergrenzen voor een (beoordelings - )plicht al dan niet worden overschreden. Toetsing initiatief Onderhavige ontwikkeling kan worden gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in kolom I van bijlage V Omgevingsbesluit. Dat houdt in dat bij aanleg, wijziging of uitbreiding beoordeeld moet worden of er sprake is van nadelige milieueffecten o p de omgeving. Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen nadelige milieueffecten heeft op de omgeving. Het bevoegd gezag kan dan ook besluiten dat geen milieueffectrapportage hoeft worden opgesteld.

40

HOOFDSTUK

6 Beperkingengebieden

In een beperkingengebied gelden beperkingen voor activiteiten die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kunnen verstoren. Dit kan onder andere gaan om wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken. In de hoofdstukken 6 tot en m et 10 van het Bal staan de voorschriften voor speciale gebieden in beheer bij het Rijk. Niet alleen het Rijk kan beperkingengebieden aanwijzen, dat geldt ook voor provincies en waterschappen. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied). De beperkingen ku nnen een vergunningplicht inhouden of bestaan uit algemene regels . Toetsing initiatief In onderhavig projectgebied is geen sprake van een belemmeringengebied. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in activiteiten die op grond van deze regels aan beoordeling door het bevoegd gezag onderhevig zijn. Derhalve vormt dit aspect geen belemmering .

41

HOOFDSTUK 7.1

7 Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven.

7.1.1

7.1.2

Financieel economische haalbaarheid Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor BOPA voor rekening komen van de initiatiefnemer .

het opstellen van een

Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding worden kosten gerekend. Deze worden verrekend via de gemeentelijke leges. In dit geval wordt er een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer waarin het kostenverhaal is opgenomen. Hiermee is het kostenverhaal in voldoende mate geborgd.

7.1.3

Nadeelcompensatie Op basis van art. 4.5 Awb wordt voor een afwijking van het omgevingsplan een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze onderbouwing evenwichtige toe deling van functies aan locaties wordt aan de gemeente Beesel voorgelegd welk gedurende 8 weken de tijd he eft een besluit te nemen. Wanneer sprake is van benodigde afstemming met de Provincie zullen deze 6 weken verlengd worden tot 1 4 weken.

7.2.1

Par ticipat ie In bijlage I V is de omgevingsdialoog toegevoegd conclusies opgenomen uit het verslag.

. Hieronder zijn de belangrijkste

De initiatiefnemer heeft een inloopavond georganiseerd waarbij omwonenden de stukken konden inzien en vragen konden stellen. Vanuit de omgeving kwamen de opmerkingen dat het bestaande pand gedateerd is en het fijn is dat het vervange n zal worden. Daarnaast vinden omwonenden het fijn dat alle zorg bij samen onder een dak komt te zitten . Er waren geen bezwaren op de ontwikkeling. 7.2.2

Procedure Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het tijdelijke Omgevingsplan van Beesel dient de reguliere procedure, zoals beschreven in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) , te worden doorlopen. 42

De aanvraag wordt ingediend via het DSO. De beslistermijn begint te lopen vanaf het moment van ontvangst van de aanvraag. Als het bevoegd gezag de beslissing op de aanvraag aanhoudt, begint de termijn te lopen op de dag waarop de aanhouding eindigt. De beslistermijn is normaliter 8 weken. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn 1 maal met maximaal 6 weken verlengen. Het bevoegd gezag maakt het besluit tot verlenging bekend aan de aanvrager binnen de beslistermijn (artikel 16.64, lid 1 en 2, Omgevingswet, en 4:14 Awb ). Bij een besluit op de aanvraag geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking. Het geeft kennis in een zelf uitgegeven elektronische publicatie (gemeenteblad, provinciaal blad, et cetera) via DROP. In de kennisgeving (artikel 16.64, lid 3, en artikel 16.64a Omgevingswet) staat: • Een zakelijke weergave van de inhoud ; • Dat geen omgevingsvergunning nodig is, als het bevoegd gezag vindt dat dit het geval is ; • Dat het gaat om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, als dit het geval is . Een vergunning welke is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop het bevoegd gezag het besluit bekend heeft gemaakt. 7.2. 3

Bezwaar en Beroep Na het verlenen van de vergunning kan bezwaar worden in gediend bij de gemeente Beesel te gen de verleende vergunning. Tot slot kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

43

HOOFDSTUK 8.1

8 Belangenafweging en conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? De initiatiefnemer is voornemens om op de locatie aan de Kerkstaat 14 te Beesel een gezondheidscentrum te realiseren ter plaatse van de aldaar nog aanwezige (ten behoeve van de voormalige agrarisch bedrijfsfuncties in gebruik zijnde) bebouwing. Onderhavige ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan binnen het huidige planologisch - juridische kader. Binnen de kaders van het geldende tijdelijk e omgevingsplan zijn ook geen afwijkings - en/of wijzigingsregels opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan. Door het afwijken van het tijdelijke omgevingsplan middels een BOPA , kan het initiatief mogelijk worden gemaakt. Met de realisatie van een gezondheidscentrum wordt invulling gegeven aan het te kort aan eerstelijns zorgfuncties. Daarnaast worden belangen uit de omgeving niet geschaad. Verder is het projectgebied op dergelijke afstand gelegen dat de ontwikkeling de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet zal belemmeren. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen zijn reeds in het projectgebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade worden toegebracht aan natuur - of landschapselementen en - structuren.

8.2

Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede fysieke leefomgeving aanvaardbaar en haalbaar is. Derhalve is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=427d9f36-b959-45c4-90e6-0619cf4355ea