Infiltratieonderzoek Wederikstraat
Tekst van het document
Infiltratieonderzoek Nieuwbouw modulewoningen Wederikstraat Reuver GB230004.057.R01.V1.1 6 augustus 2024
Infiltratieonderzoek Nieuwbouw modulewoningen Wederikstraat Reuver Documentnummer GB230004.057.R01.V1.1 6 augustus 2024
Opdrachtgever Stichting Nester Pastoor Vranckenlaan 4 5953 CP Reuver
+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen
Geonius.nl Functie
Naam
Adviseur geohydrologie
L.N. Zomerdijk MSc.
Collegiale toets
P.D.L. Born MSc.
GB230004.057.R01.V1.1
Handtekening
2 van 14
Inhoud 1
Inleiding ......................................................................... 4
2
Grondonderzoek ...........................................................5
2.1
Algemeen
5
2.2
Inmeting
5
2.3
Boringen
5
2.4
Doorlatendheidsmetingen
5
2.5
Archiefgegevens
5
3
Bodemgesteldheid ...................................................... 6
3.1
Terrein en projectomgeving
6
3.2
Bodemopbouw
6
3.3
Grondwaterstand
7
3.4
Doorlatendheid
7
4
Infiltratie hemelwater ............................................... 8
4.1
Toetsing
8
4.2
Conclusie
9
5
Dimensionering infiltratievoorziening .............. 10
5.1
Uitgangspunten
5.1.1
Algemeen.................................................................................................................................................. 10
5.1.2
Wadi............................................................................................................................................................ 11
5.2
Ontwerpadvies
11
5.3
Overige ontwerpaspecten
12
5.3.1
Algemeen.................................................................................................................................................. 12
5.3.2
Wadi............................................................................................................................................................ 12
5.4
Voorzuivering en onderhoud
10
12
Bijlagen Bijlage 1 Situatietekening Bijlage 2 Boringen Bijlage 3 Doorlatendheidsmetingen Bijlage 4 Dimensionering infiltratievoorziening
GB230004.057.R01.V1.1
3 van 13
1 Inleiding Door Stichting Nester werd aan Geonius de opdracht gegeven om een infiltratieonderzoek uit te voeren en een funderingsadvies op te stellen voor de nieuwbouw van modulewoningen aan de Wederikstraat in Reuver. De ligging van de projectlocatie is weergegeven in Figuur 1.1. Door Geonius is eerder een funderingsonderzoek en advies uitgevoerd en is gerapporteerd onder kenmerk GA230004.057.R01.V1.0 (d.d. 18 december 2023). Aanvullend wordt een milieukundig onderzoek en archeologisch onderzoek uitgevoerd door Geonius welke separaat zullen worden gerapporteerd. In voorliggend rapport zijn zowel de resultaten van het infiltratieonderzoek als het infiltratieadvies opgenomen. Bij het infiltratieonderzoek zijn handboringen en doorlatendheidsmetingen uitgevoerd. Dit rapport is een aanpassing van het eerder gerapporteerde infiltratieonderzoek onder kenmerk GA230004.057.R02.V2.0 (d.d. 26 januari 2024). Hoofdstuk 5 dimensionering infiltratievoorziening is aangepast aan veranderde verharde oppervlaktes in het project.
Figuur 1.1: Luchtfoto met ligging projectlocatie [bron: PDOK]
GB230004.057.R01.V1.1
4 van 13
2 Grondonderzoek 2.1 Algemeen Ten
behoeve
van
het
infiltratieonderzoek
zijn
in
januari
2024
drie
handboringen
en
drie
doorlatendheidsmetingen uitgevoerd. Hieronder is het uitgevoerde onderzoek verder beschreven.
2.2 Inmeting De situering met de coördinaten van de onderzoekspunten zijn op situatietekening GB230004.057.T01 weergegeven, welke in Bijlage 1 is opgenomen. De onderzoekspunten zijn met behulp van 06-GPS ingemeten t.o.v. het Rijksdriehoekstelsel en NAP met een nauwkeurigheid van ca. 0,1 m. Alle gegevens van de inmeting zijn een momentopname en daarmee alleen te gebruiken in het kader van voorliggend onderzoek.
2.3 Boringen Om de toplagen nader te verkennen en doorlatendheidsmetingen uit te kunnen voeren, zijn op de locatie handboringen (genummerd GB230004.057 HB01 en DB02 t/m DB04) tot ca. 3,2 m- maaiveld uitgevoerd. Tijdens de boorwerkzaamheden is het opgeboorde materiaal geïdentificeerd en beschreven conform NEN-EN-ISO 14688-1:2019+NEN 8990:2020: boorklasse B3. De boorstaten zijn gepresenteerd ten opzichte van maaiveld en NAP en zijn opgenomen in Bijlage 2.
2.4 Doorlatendheidsmetingen In de boorgaten DB02 t/m DB04 zijn doorlatendheidsmetingen uitgevoerd. Deze zijn genummerd GB230004.057 DM02 t/m DM04 en zijn weergegeven in Bijlage 3. Doorlatendheidsmetingen DM02 t/m DM04 zijn ter plaatse van een geplande infiltratievoorziening uitgevoerd en zijn gemeten volgens de omgekeerde open-boorgatmethode (Porchet) gemeten. Om de meting te kunnen uitvoeren, wordt allereerst een gat geboord tot de onderkant van de te beproeven laag. Vervolgens wordt in het boorgat water toegevoegd en wordt de daling van de grondwaterstand per tijdseenheid gemeten, hieruit kan de doorlatendheid worden berekend.
2.5 Archiefgegevens Aanvullend op het grondonderzoek zijn met een bureauonderzoek gegevens verzameld van de projectlocatie. Hiervoor zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Projectarchief Geonius • DINOloket van TNO; • Grondwatertools van TNO;
GB230004.057.R01.V1.1
5 van 13
3 Bodemgesteldheid 3.1 Terrein en projectomgeving
Het terrein was ten tijde van de uitvoering van het grondonderzoek braakliggend. Tijdens de uitvoering van het infiltratieonderzoek lag het maaiveld ter plaatse van de onderzoekspunten op een niveau van NAP +25,18 tot +25,27 m. Op basis van de ingemeten onderzoekspunten heeft het terrein een hoogteverschil van ca. 0,1 m. Tevens is de hoogte van een aantal referentiepunten ingemeten. De resultaten zijn in onderstaande Tabel 3.1 weergegeven. Tabel 3.1: Ingemeten hoogte van referentiepunten
Meetpunt
Hoogte in m t.o.v. NAP
Put A
+25,28
Put B
+25,18
3.2 Bodemopbouw De bodemopbouw kan op basis van het uitgevoerde grondonderzoek en TNO archiefgegevens door middel van het volgende lagensysteem worden beschreven. Zie ook verticale doorsnede van het GeoTOP v1.6 model in Figuur 3.1. Toplaag (Formatie van Boxtel) Vanaf maaiveld wordt tot 1,5 m- maaiveld (NAP +23,8 m) een zwak lemige zandafzetting aangetroffen. De afzettingen behoren volgens het GeoTOP v1.6 model tot de Formatie van Boxtel. Onderlaag (Formatie van Beegden) Hieronder bevindt zich de Formatie van Beegden, welke bestaat uit een grove zandafzetting met grindige inslag. De afzettingen zijn aangetroffen tot de maximaal verkende diepte en worden op basis van het GeoTOP v1.6 model van TNO verwacht tot ca. NAP +9,5m. Het betreft naar verwachting een goed doorlatende laag.
Figuur 3.1 Verticale doorsnede ondergrond BRO GeoTOP v1.6 [Bron TNO]
GB230004.057.R01.V1.1
6 van 13
3.3 Grondwaterstand Het grondwaterniveau is tijdens de uitvoering van het grondonderzoek in de boorgaten niet vastgesteld tot de maximaal verkende diepte van ca. 3,2 m-maaiveld (NAP +22,0 m). Daarnaast is bij het funderingsadvies (rapport nr. GA230004.057.R01) in de sondeergaten ook geen grondwater aangetroffen tot de maximaal verkende diepte van ca. 4,1 m- maaiveld (NAP +21,1 m). De grondwaterstand verschilt van seizoen tot seizoen en wordt beïnvloed door zomer-/winterpeil, variërende neerslag, lagenopbouw en lokale omstandigheden (aanvoer van grondwater uit hoger gelegen gebieden, grondwateronttrekkingen, kwel en/of inzijging). Het is niet uit te sluiten dat in nattere of drogere jaargetijden een hogere of lagere grondwaterstand kan worden aangetroffen. Exacte vaststelling van de grondwaterpotentialen en fluctuatie hiervan, kan alleen middels frequente en/of langdurige peilbuismetingen worden verkregen. Op basis van peilbuisgegevens van TNO Grondwatertools, wordt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) op de locatie door ons ingeschat op ca. NAP +21,5 m. De fluctuatie tussen GHG en GLG bedraagt ca. 1,1 m. Het infiltratiesysteem dient te allen tijde boven de grondwaterstand aangelegd te worden.
3.4 Doorlatendheid Om de doorlatendheid van de bodem ten behoeve van infiltratie te berekenen, zijn drie proeven in de onverzadigde zone uitgevoerd volgens de omgekeerde open-boorgatmethode (Porchet) voor de horizontale doorlatendheid. Bij de doorlatendheidsproeven worden drie metingen uitgevoerd. De eerste meting geeft meestal een hogere doorlatendheid omdat de aanwezige grond dan nog niet verzadigd is. Bij de volgende twee metingen raakt de grond langzaam verzadigd. De derde meting is meestal maatgevend voor de doorlatendheid. De range van gemeten doorlatendheden is opgenomen in Tabel 3.2. De resultaten van de metingen zijn opgenomen in Bijlage 3. Tabel 3.2: Gemeten doorlatendheden
Meting
Traject
Traject
Grondsoort
Doorlatendheid
[m- maaiveld]
[m t.o.v. NAP]
DM02
2,0 – 3,0
+23,2 tot +22,2
ZAND, middelgrof, zwak grindig
>10*
DM03
2,0 – 3,0
+23,3 tot +22,3
ZAND, grof, zwak grindig
>10*
DM04
2,0 – 3,0
+23,2 tot +22,2
ZAND, grof, zwak grindig
1,9 – 4,1
[m/d]
* de gemeten doorlatendheid is hoger dan de toepassingsrange van de gehanteerde meettechniek. De afzetting is zeer goed doorlatend.
GB230004.057.R01.V1.1
7 van 13
4 Infiltratie hemelwater Over het algemeen wordt gesteld dat infiltratie van hemelwater interessant is indien: •
de doorlatendheid groter is dan ca. 0,2 m/d*;
•
de grondwaterstand dieper dan 0,5 à 0,7 m minus maaiveld aanwezig is;
•
het in te leiden hemelwater niet is verontreinigd.
4.1 Toetsing In Tabel 4.1 zijn de maatgevende doorlatendheden weergegeven ter plaats van de metingen. De doorlatendheid van de bodem is geclassificeerd en tevens is weergegeven of de doorlatendheid aan de eerste eis voldoet. Tabel 4.1: toetsing waterdoorlatendheid conform Cultuurtechnisch Vademecum (2008)
Meting
Traject
Traject
Maatgevende
Classificatie
Gunstige
doorlatendheid
doorlatendheid
mogelijkheden voor
[m- maaiveld]
[m t.o.v. NAP]
[m/d]
bodem
infiltratie
DM02
2,0 – 3,0
+23,2 tot +22,2
10,0
Zeer goed
Ja
DM03
2,0 – 3,0
+23,3 tot +22,3
10,0
Zeer goed
Ja
DM04
2,0 – 3,0
+23,2 tot +22,2
1,9
Goed
Ja
Aan de tweede eis wordt voldaan aangezien het grondwater niet is aangetroffen tot een diepte van ca. 4,1 mmaaiveld ofwel NAP +22,0 m en de GHG wordt verwacht op een diepte van NAP +21,5 m. Aan de derde eis kan worden voldaan door alleen het schone regenwater te infiltreren. Voor infiltratie van het water zal een zand- en slibvangsysteem moeten worden aangebracht. De mogelijkheden voor infiltratie zijn als volgt: 1.
Infiltratie in de bovengrond (tot ca. 1,0 m- maaiveld) door middel van oppervlakkige infiltratie via doorlatende verharde oppervlakten. Infiltratie in de bovengrond is niet onderzocht voor dit rapport. Op basis van de goede doorlatendheid van de ondergrond en de tamelijk homogene samenstelling van de grond over het boortraject is infiltratie in de bovengrond waarschijnlijk mogelijk. Dit is geen economisch aantrekkelijke oplossing en zeer gevoelig voor dichtslibben (met name in de aangetroffen geroerde ondergrond). Bovendien heeft doorlatende verharding geen tot weinig bergend vermogen. Doorlatende verhardingen kunnen wel toegepast worden om het af te koppelen oppervlak (en dus de toestroom van hemelwater) te beperken, bijvoorbeeld door de verhardingen met grind of grasbetontegels uit te voeren. Tevens zal rekening gehouden moeten worden met de geroerde toplaag, deze zal moeten worden verwijderd en vervangen door goed doorlatend materiaal.
2.
Infiltratie in de bovengrond (tot ca. 1,0 m- maaiveld) middels een open bovengronds systeem zoals een infiltratieveld, wadi of greppel. Infiltratie in de bovengrond is niet onderzocht voor dit rapport. Op basis van de goede doorlatendheid van de ondergrond en de tamelijk homogene samenstelling van de grond over het boortraject is infiltratie in de bovengrond waarschijnlijk mogelijk. Een open bovengronds systeem zal echter ten koste gaan van de beschikbare ruimte. Afhankelijk van de beschikbare ruimte is dit een economisch aantrekkelijk, robuust en goed onderhoudbaar systeem.
GB230004.057.R01.V1.1
8 van 13
3.
Infiltratie in de ondiepe ondergrond (tot ca. 3,0 m- maaiveld) middels een ondergronds systeem. Hierbij valt te denken aan infiltratie via infiltratiekratten, infiltratiekoffers, putten en/of infiltratieriool. Dit behoort tot de mogelijkheden. Het gekozen infiltratiesysteem dient wel op voldoende afstand van de bestaande en nieuwbouw geprojecteerd te worden.
4.
Infiltratie naar de diepere ondergrond (dieper dan ca. 3,5 m- maaiveld). Dit kan middels grindpalen naar een dieper niveau. Dit behoort tot de mogelijkheden, maar biedt gezien de zandige toplaag geen toegevoegde waarde. Tevens dient dan de doorlatendheid van de diepere ondergrond onderzocht te worden.
4.2 Conclusie Uit de gemeten doorlatendheden en grondwaterstand blijkt dat infiltratie van hemelwater tot de mogelijkheden behoort. De doorlatendheid van de ondergrond is goed tot zeer goed. Infiltratie in de bovengrond en ondiepe ondergrond behoort tot de mogelijkheden. Op verzoek van opdrachtgever wordt een wadi verder uitgewerkt als infiltratiesysteem. Infiltratie naar de dieper gelegen Formatie van Beegden door gebruik te maken van grindpalen wordt niet nodig geacht.
GB230004.057.R01.V1.1
9 van 13
5 Dimensionering infiltratievoorziening 5.1 Uitgangspunten
Ten aanzien van het totaal afwaterende oppervlak, de vrij goede doorlatendheid van de ondergrond, de beschikbare ruimte op het terrein en de wens van opdrachtgever dat een wadi in het plan wordt toegepast, wordt een wadi verder uitgewerkt als infiltratiesysteem. In de berekeningen is rekening gehouden met infiltratie door de bodem en wanden en worden de minimale afmetingen van de wadi berekend.
Figuur 5.1 Situatietekening opdrachtgever met verharde oppervlaktes rood omkaderd
Bij het dimensioneren van de voorziening zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
5.1.1 Algemeen •
conform situatietekening verstrekt door de opdrachtgever is het totale afwaterend oppervlak voor de uitbreiding (woningblokken inclusief tuinen, appartementenblok inclusief balkons, berging, verharde paden en nieuwe parkeerplaatsen aangeduid met rood kader) ingeschat ca. 1.117 m2;
•
Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet inwerking getreden, waarin beleidsregels voor het infiltreren van hemelwater niet is voorzien. Op basis van de overgangsregeling conform de beleidsregels van de Keur van Waterschap Limburg, specifiek voor het gebied Noord-Limburg, dient de voorziening
GB230004.057.R01.V1.1
10 van 13
gedimensioneerd te worden op een bui T=100 (100 mm in 24 uur). Als infiltreren aantoonbaar niet of nauwelijks mogelijk is kan middels een leegloopvoorziening van maximaal 10 l/s/ha vertraagd worden afgevoerd.; •
de hoeveelheid toestromend water is berekend op basis van het afwaterend oppervlak (1.117 m2), het oppervlak van de infiltratievoorziening en de gehanteerde bui. De uitkomst van deze berekeningen bedraagt ca. 150 m3 (wadi met minimale afmetingen);
•
conform de richtlijnen van RIONED wordt een ledigingstijd van maximaal 24 uur gehanteerd. Indien vanwege de doorlatendheid niet aan de ledigingstijd van 24 uur kan worden voldaan kan een leegloopvoorziening worden toegepast;
•
bij de dimensionering van de voorziening wordt uitgegaan van infiltratie tijdens de bui;
•
conform ISSO-publicatie 70.1 is de afvloeiingscoëfficiënt aangehouden op 1; dat wil zeggen dat alle neerslag op het beschouwde oppervlak, in het infiltratiesysteem terecht komt.
5.1.2 Wadi •
Voor de wadi is uitgegaan van een talud van 1:3 of flauwer zodat deze machinaal gemaaid kan worden;
•
voor de wadi wordt uitgegaan dat deze ontstaat door ontgraving van het terrein en begroeid zal zijn met gras. Derhalve is voor de berekening van de wadi conform de Leidraad Riolering uitgegaan van de doorlatendheid van gras welke conform de Leidraad 0,5 m/dag bedraagt. Doorlatendheid van gras is maatgevend, vanwege de zeer goede doorlatendheid van de ondergrond;
•
voor de berekening is uitgegaan van een wadi met een diepte van 0,5 m en een waakhoogte van 0,1 m. De maximale waterdiepte komt hiermee op 0,4 m;
•
voor het dimensioneren van een voorziening middels een wadi is als doorlatend oppervlak conform de Leidraad Riolering 40% van de hoogte van de wanden meegenomen en 100% van het bodemoppervlak.
Indien wordt afgeweken van voornoemde uitgangspunten dan dient ons bureau te worden gecontacteerd daar dan het advies mogelijk moet worden aangepast.
5.2 Ontwerpadvies In Tabel 5.1 is berekend welke dimensionering de voorziening minimaal moet hebben om aan de eisen te voldoen en of de voorziening daarmee aan de ledigingstijd voldoet. Afhankelijk van de beschikbare ruimte kunnen afwijkende afmetingen worden toegepast. Bij de berekening is uitgegaan van een stationaire situatie. De berekening is opgenomen in Bijlage 4. Tabel 5.1: Afmetingen infiltratievoorziening: wadi
Variant
Minimale
Bodem-
Bodem-
lengte
breedte
Diepte
Waak-
Talud
Ruimtebeslag
Berging
2
[m ]
3
[m ]
[uur]
31,9 x 12,0
122,8
23,9
hoogte
[m]
[m]
[m]
[m]
28,9
9
0,5
0,1
Leeg-
Toetsing
looptijd 1:3
Voldoet
afmetingen In Figuur 5.2 wordt de afvoercapaciteit van de voorziening getoetst aan de aanvoer op basis van de regenduurlijn welke overeenkomt met de eis van de gemeente. Hierbij is te zien dat de afvoercapaciteit van de wadi met minimale afmetingen voldoet aan de aanvoer van water gedurende een bui van T=100 (100 mm in 24 uur).
GB230004.057.R01.V1.1
11 van 13
De voorziening die is gedimensioneerd met minimale afmetingen voldoet zowel aan de leeglooptijd en de afvoercapaciteit.
Figuur 5.2 Aan- en afvoercapaciteit wadi (minimale afmetingen)
5.3 Overige ontwerpaspecten 5.3.1 Algemeen Het infiltratiesysteem dient van een noodoverstort te worden voorzien. Bij zeer intensieve buien (bijvoorbeeld T>100), zal het systeem het toestromende regenwater mogelijk niet kunnen verwerken en kan het regenwater gecontroleerd naar elders afstromen. Indien gekozen wordt voor een ondergrondse overstort op het gemeentelijke riool dan dient de overstort van een terugslagklep te worden voorzien. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de hoogte van de overstort, deze moet onder vrij verval kunnen afstromen richting het riool.
5.3.2 Wadi Om infiltratie te bevorderen en het ruimtebeslag te verkleinen kan het systeem via een bodemfilter en/of overstortvoorziening nog op een ondergronds pakket van poreus materiaal, infiltratiekratten of drainbuizen worden aangesloten. Tijdens de aanleg van de wadi dient te worden opgelet dat de bodem niet wordt dichtgereden of verslempt door bouwverkeer. In deze fase vormt ook het dichtslibben van de bodem door bouwafval, zand en slib een risico welke de infiltratiecapaciteit negatief beïnvloedt. Wij adviseren de wadi van een bodemfilter te voorzien met humeus materiaal. Hierop kan vegetatie groeien, waarvan de beworteling zorgt voor een doorlopend poriënstelsel, hetgeen de infiltratie bevordert.
5.4 Voorzuivering en onderhoud Door bezinking van slibdeeltjes kan vervuiling van het systeem optreden, waardoor de goede werking wordt beïnvloed. Het is daarom gewenst om bij de inlaat van het systeem een slibvang in te bouwen, zodat vuil, bladeren, etc. kunnen worden afgevangen. Daarnaast kan het noodzakelijk zijn om het aanvoersysteem op te
GB230004.057.R01.V1.1
12 van 13
schonen. Wij adviseren hiervoor voorzieningen aan te brengen. Wij wijzen er nadrukkelijk op het infiltratiesysteem regelmatig van onderhoud te voorzien. Het te infiltreren hemelwater dient gezuiverd te worden door middel van een bodemfilter of zuiverend substraat. Voor infiltratie van het water zal een zand- en slibvangsysteem moeten worden aangebracht. We adviseren een bodemfilter aan te leggen in de toplaag van de wadi. Een bodemfilter bestaat uit een organische stof- en lutumhoudende toplaag waarin verontreinigingen zich binden. De samenstelling moet een compromis zijn tussen het bindend vermogen van verontreinigingen en de waterdoorlaatbaarheid van de toplaag. Aanbevolen wordt om een bodemfilter aan te leggen met een lutumgehalte van 3 - 5 % en een organische stofgehalte van 2 - 4 %. Indien organische stof wordt toegevoegd, dient dit te gebeuren in de vorm van stabiele humus, omdat ‘verse’ organische stof (amorfe humusdelen) gemakkelijk uitspoelt en dus ook de hieraan gebonden verontreinigingen. Er dient rekening gehouden te worden met het dichtslibben van het bodemfilter. Het goed functioneren ervan zal dan ook sterk onderhoudsafhankelijk zijn. Er wordt dan ook geadviseerd de doorlatendheid van het bodemfilter periodiek te meten en indien nodig het bodemfilter te vervangen. Er zijn voorzuiveringssystemen beschikbaar waarmee tot ca.
80% van de vaste bestanddelen uit het te infiltreren water kunnen worden afgevangen. Zo kan toepassing van een goede voorzuivering en regelmatig onderhoud de levensduur van een infiltratiesysteem significant verlengen. Ook kan een vertraagde afvoer naar het riool of oppervlaktewater middels een regelbare debietbegrenzer worden toegepast, zodat de beschikbaarheid van de voorziening ook na een verminderde infiltratiecapaciteit kan worden gewaarborgd. Geonius heeft monitoringssystemen beschikbaar waarmee het waterpeil en de leeglooptijd van het systeem kan worden gemonitord. Deze kunnen worden toegepast ten behoeve van de controle van de werking van het systeem, op basis waarvan het onderhoudsregime kan worden bepaald. Indien gewenst kunnen we hierin nader adviseren, tevens kan het volledig ontwerp van de hemelwaterafvoer en de terreininrichting door ons bureau nader worden uitgewerkt.
GB230004.057.R01.V1.1
13 van 13
Bijlagen
GB230004.057.R01.V1.1
Bijlage 1 Situatietekening
GB230004.057.R01.V1.1
Geonius Geotechniek +31 (0) 88 1300 600
De Asselen Kuil 10
6161 RD Geleen www.geonius.nl
Bijlage 2 Boringen
GB230004.057.R01.V1.1
Projectnummer:
GA230004.057
NEN-EN-ISO 14688-1
Projectomschrijving: Nieuwbouw modulewoningen Wederikstraat te Reuver
Boring:
HB01
Maaiveldhoogte:
25.33
Datum: Opmerking:
7-11-2023 T.p.v. SW03
m. t.o.v. N.A.P.
0.00
X-coördinaat: 202528,95 Y-coördinaat: 365399,49
Boring:
DB02
Maaiveldhoogte:
25.234 m. t.o.v. N.A.P.
Datum:
18-12-2023
gras Zand fijn, zwak organisch, antropogeen, veel puin, donkerbruin, Edelmanboor, gelaagdheid niet intact
25.00
0.00
gras
0.50
Zand middelgrof, siltig, zwak organisch, met grind, weinig baksteen, donkerbruin, Edelmanboor, gelaagdheid intact
25.00
0.50
Zand fijn, bruin, gelaagdheid niet intact
X-coördinaat: 202515,16 Y-coördinaat: 365396,91
Zand middelgrof, siltig, organisch, standaardbruin, Edelmanboor, gelaagdheid intact
24.50
24.50
24.00 24.00 1.50
Zand middelgrof, zwak grindig, weinig roest, lichtgeel, Edelmanboor, gelaagdheid intact
23.50 23.50 2.00
2.30
23.00
Zand middelgrof, zwak grindig, bruin, gelaagdheid niet intact
23.00
Zand middelgrof, bruin, gelaagdheid niet intact 22.50
22.50 3.00 3.20
Boring:
DB03
Maaiveldhoogte:
25.273 m. t.o.v. N.A.P.
Datum:
18-12-2023
X-coördinaat: 202504,73 Y-coördinaat: 365401,59
0.00
gras
0.60
Zand middelgrof, siltig, zwak organisch, met grind, weinig baksteen, weinig kolen, weinig kalksteen, donkerbruin, Edelmanboor, gelaagdheid intact
25.00
24.50 1.00
24.00
3.20
1.30
1.60
23.50
Zand grof, siltig, zwak organisch, lichtbruin, Edelmanboor, gelaagdheid intact Zand middelgrof, lichtgeel, Edelmanboor, gelaagdheid intact Zand middelgrof, siltig, organisch, weinig roest, standaardbruin, Edelmanboor, gelaagdheid intact Zand grof, zwak grindig, standaardgeel, Edelmanboor, gelaagdheid intact
Boring:
DB04
Maaiveldhoogte:
25.175 m. t.o.v. N.A.P.
Datum:
18-12-2023
X-coördinaat: 202522,41 Y-coördinaat: 365384,67
0.00
gras
0.50
Zand middelgrof, siltig, zwak organisch, met grind, weinig baksteen, donkerbruin, Edelmanboor, gelaagdheid intact
25.00
24.50
Zand grof, standaardwit, Edelmanboor, gelaagdheid intact
0.80
24.00 1.40
Zand grof, zwak grindig, standaardgrijs, Edelmanboor, gelaagdheid intact Zand middelgrof, siltig, sterk organisch, standaardbruin, Edelmanboor, gelaagdheid intact Zand grof, zwak grindig, weinig roest, donkergeel, Edelmanboor, gelaagdheid intact
23.50
23.00
23.00
22.50 22.50 3.00 3.20
22.00
3.20
Zand grof, standaardgeel, Edelmanboor, gelaagdheid intact
Verticale schaal pagina 1 / 1
1: 50
Legenda (conform NEN-EN-ISO 14688-1)
KEIEN (KEITJES)
geur
SILT
KEIEN
geen geur zwakke geur
KEIEN, met grind
matige geur
SILT, met keien (keitjes)
sterke geur KEIEN, met zand
SILT, zwak grindig
KEIEN, met silt
SILT, sterk grindig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie KEIEN, met klei
SILT, zwak zandig
matige olie-water reactie sterke olie-water reactie
SILT, sterk zandig
GRIND
uiterste olie-water reactie
GRIND
p.i.d.-waarde
KLEI GRIND met keien (keitjes)
KLEI
>0 >1
GRIND, zwak zandig
KLEI, met keien (keitjes)
>10 >100 >1000
GRIND, sterk zandig
KLEI, zwak grindig
GRIND, siltig
KLEI, sterk grindig
GRIND, kleiig
KLEI, zwak zandig
>10000
monsters
geroerd monster
KLEI, sterk zandig
ZAND
ongeroerd monster ZAND
VEEN (HUMUS, DETRITUS) ZAND, met keien (keitjes)
VEEN
ZAND, zwak grindig
VEEN, zwak zandig
ZAND, sterk grindig
VEEN, sterk zandig
ZAND, kleiig siltig
VEEN, siltig
volumering
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
VEEN, kleiig
peilbuis
blinde buis
casing
hoogste grondwaterstand gemiddelde grondwaterstand laagste grondwaterstand zand afdichting bentoniet/mikoliet/klei afdichting
grind afdichting filter
Gemiddeld laagste grondwaterstand
Bijlage 3 Doorlatendheidsmetingen
GB230004.057.R01.V1.1
Projectnummer: Projectomschrijving: Locatie: Boring: Traject:
GA230004.057 Infiltratieonderzoek Reuver Wederikstraat Reuver DB02 - DM02 2 m tot 3 m -maaiveld
Formule om de doorlatendheid volgens Porchet te bepalen: kf = 1,15 * r * (log( h0 + r/2 ) - log( h1 + r/2 )) / dt [cm/s]
Hierbij is : h0 = waterhoogte in boorgat op tijdstip t = t0 h1 = waterhoogte in boorgat op tijdstip t = t1 r = radius boorgat dt = verlopen tijd van t = t0 tot t = t1 Onderzoekswaarden: Diepte boorgat Standaardhoogte Radius boorgat Niveau grondwater
D: M: R: W:
300 0 3,5 -
cm cm cm cm
160
Waterspiegelhoogte (cm)
140 120 100 80 60 40 20 0 0
100
200
300
Tijd (s) Meting 1
Meetsessie 1 50 t0 = 33,4 h0 = t1 = 65 h1 = 18,2 6,6E-04 kf = rc = -1,0E-02 56,9 k =
Geonius B.V. 18-1-2024
sec cm sec cm m/s m/s m/d
Meting 2
Meetsessie 2 50 t0 = 32,7 h0 = t1 = 75 h1 = 8,1 8,7E-04 kf = rc = -9,8E-03 75,5 k =
Meting 3
sec cm sec cm m/s m/s m/d
Meetsessie 1 100 t0 = 31,1 h0 = t1 = 200 h1 = 14,1 1,3E-04 kf = rc = -1,7E-03 11,0 k =
sec cm sec cm m/s m/s m/d
Tel. 088 - 130 06 00 info@geonius.nl
Projectnummer: Projectomschrijving: Locatie: Boring: Traject:
GA230004.057 Infiltratieonderzoek Reuver Wederikstraat Reuver DB03 - DM03 2 m tot 3 m -maaiveld
Formule om de doorlatendheid volgens Porchet te bepalen: kf = 1,15 * r * (log( h0 + r/2 ) - log( h1 + r/2 )) / dt [cm/s]
Hierbij is : h0 = waterhoogte in boorgat op tijdstip t = t0 h1 = waterhoogte in boorgat op tijdstip t = t1 r = radius boorgat dt = verlopen tijd van t = t0 tot t = t1 Onderzoekswaarden: Diepte boorgat Standaardhoogte Radius boorgat Niveau grondwater
D: M: R: W:
300 0 3,5 -
cm cm cm cm
120
Waterspiegelhoogte (cm)
100
80
60
40
20
0 0
100
Tijd (s) Meting 1
Meetsessie 1 45 t0 = 68,7 h0 = 65 t1 = 9,2 h1 = 1,6E-03 kf = -3,0E-02 rc = 140,7 k =
Geonius B.V. 18-1-2024
sec cm sec cm m/s m/s m/d
Meting 2
Meetsessie 2 50 t0 = 47,8 h0 = 65 t1 = 8,5 h1 = 1,8E-03 kf = -2,6E-02 rc = 158,2 k =
Meting 3
sec cm sec cm m/s m/s m/d
Meetsessie 1 50 t0 = 38,0 h0 = 65 t1 = 8,3 h1 = 1,6E-03 kf = -2,0E-02 rc = 139,0 k =
sec cm sec cm m/s m/s m/d
Tel. 088 - 130 06 00 info@geonius.nl
Projectnummer: Projectomschrijving: Locatie: Boring: Traject:
GA230004.057 Infiltratieonderzoek Reuver Wederikstraat Reuver DB04 - DM04 2 m tot 3 m -maaiveld
Formule om de doorlatendheid volgens Porchet te bepalen: kf = 1,15 * r * (log( h0 + r/2 ) - log( h1 + r/2 )) / dt [cm/s]
Hierbij is : h0 = waterhoogte in boorgat op tijdstip t = t0 h1 = waterhoogte in boorgat op tijdstip t = t1 r = radius boorgat dt = verlopen tijd van t = t0 tot t = t1 Onderzoekswaarden: Diepte boorgat Standaardhoogte Radius boorgat Niveau grondwater
D: M: R: W:
300 0 3,5 -
cm cm cm cm
300
Waterspiegelhoogte (cm)
250
200
150
100
50
0 0
100
200
300
400
500
600
700
800
900
Tijd (s) Meting 1
Meetsessie 1 200 t0 = 70,9 h0 = t1 = 400 h1 = 49,6 3,0E-05 kf = rc = -1,1E-03 2,6 k =
Geonius B.V. 18-1-2024
sec cm sec cm m/s m/s m/d
Meting 2
Meetsessie 2 300 t0 = 58,1 h0 = t1 = 500 h1 = 44,7 2,2E-05 kf = rc = -6,7E-04 1,9 k =
Meting 3
sec cm sec cm m/s m/s m/d
Meetsessie 1 200 t0 = 30,7 h0 = t1 = 400 h1 = 17,2 4,7E-05 kf = rc = -6,8E-04 4,1 k =
sec cm sec cm m/s m/s m/d
Tel. 088 - 130 06 00 info@geonius.nl
Bijlage 4 Dimensionering infiltratievoorziening
GB230004.057.R01.V1.1
Projectnummer: Projectomschrijving: Locatie: Datum uitvoering: Versie:
Werksheet V0.7 Dimensionering infiltratievoorziening Laatst bijgewerkt op: donderdag 1 augustus 2024 Wadi minimale afmetingen
Infiltratie met wadi, greppel of infiltratieveld uitgaande van stationaire toestand Uitgangspunten: Neerslag:
Bodem:
Overige voorzieningen: Berging:
0,0
[m3]
[-]
Vertraagde afvoer:
0,0
[l/s/ha]
Waterkolom
h:
100
[mm]
Doorlatendheid
k:
0,5
[m/d]
Duur bui
t:
1440
[min]
Veiligheidsfactor
:
1
2
Oppervlak
A:
1500
[m ]
Wandfactor
:
0,4
[-]
Infiltratie:
0,0
[m3/uur]
Reductiefactor
r:
1
[-]
Bodemfactor
:
1
[-]
Capaciteit:
0,0
[m3]
150,0
3
Verhang
l:
1,0
[-]
0,1
[m]
Lengte
l:
31,9
[m]
3
[m]
Breedte
b:
12,0
[m]
100
[%]
Infiltrerend oppervlak:
362,1
[m2]
Bergingseis
V:
[m ]
Dimensionering van de voorziening Afmetingen: Lengte bodem
Ruimtebeslag inclusief talud: l:
28,9
[m]
Waakhoogte:
Breedte bodem b:
9,0
[m]
Talud:
Hoogte
0,5
[m]
Porositeit:
Berging voorziening:
122,8
[m3]
Debiet voorziening:
6,3
[m3/uur]
Capaciteit voorziening:
273,2
[m3]
Vertaagde afvoer tijdens bui:
0,0
[m3]
Capaciteit:
0,0
[m3]
Beschikbare capaciteit:
273,2
[m3]
Benodigde capaciteit: Leeglooptijd:
150,0 23,9
[m3]
Max. overschot regenwater:
0,0
h:
1 op
Infiltratie en afvoer Infiltratievoorziening: 9,0
0,5
Overige voorzieningen:
Controle:
[uur] [m3]
Voorziening voldoet aan de gestelde eisen en overstroomt niet.
Overzicht aanvoer regenwater en capaciteit voorziening
300
Volume [m3]
250 200 150 100
Limburg: Niet Heuvelland (T=100)
50
Wadi minimale afmetingen 0 0
Geonius B.V. 2-8-2024
2
4
6
8
10
12
Tijd [uur]
14
16
18
20
22
24
Tel. 088 - 130 06 00 info@geonius.nl