Bodem- en infiltratieonderzoek
Tekst van het document
Milieu- en civieltechnisch onderzoek Rustoord ong. te Reuver (2400632DR-01, versie 0)
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
Milieu- en civieltechnisch onderzoek
in opdracht van Rho Adviseurs De heer D. van Roij Postbus 120 5617 BC EINDHOVEN betreffende locatie Rustoord (ongenummerd.) te Reuver documentkenmerk 2400632DR-01 versie 0 vestiging Nuenen datum 23 december 2024
opgesteld door:
gecontroleerd door:
D.J.L. Lormans
F.F.J.M. Top
Projectleider bodem
Operationeel directeur bodem
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies. Op dit rapport is een disclaimer van toepassing; zie https://www.tritium.nl/bodem-disclaimer/
Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid T.
088 44 02 900
E.
info@tritium.nl
I.
www.tritium.nl
KvK-nr.
17108024
Tritium Advies is gevestigd in:
Breda >> Nuenen >> Rijkevoort
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
Samenvatting In opdracht van Rho Adviseurs heeft Tritium Advies een milieu- en civieltechnisch bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Rustoord te Reuver. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen wijziging omgevingsplan en herontwikkeling van de onderzoekslocatie. De doelstellingen van het onderzoek zijn als volgt: •
fundering/
:
indicatief bepalen van de hergebruiksmogelijkheden (inclusief asbest).
:
vaststellen van de kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te
puinlagen •
bodem
bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging; indicatief bepalen van de civieltechnische en milieuhygiënische hergebruiksmogelijkheden; bepalen van de doorlatendheid van de bodem en het geven van een indicatie voor de infiltratiemogelijkheden van hemelwater in de bodem; vaststellen van de veiligheidsklasse voor het werken met (verontreinigde) grond (CROW400); een indicatieve uitspraak doen over het asbestgehalte in de bodem. Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende deellocaties onderscheiden: •
deellocatie I :
•
deellocatie II :
zuidoostelijk terreindeel
•
deellocatie III :
klinkerweg
•
deellocatie IV :
parkeerplaats
noordwestelijk terreindeel
Funderingen De funderingen op de locatie bestaan overwegend uit puingranulaat. In de fundering ter plaatse van het klinkerpad zijn ook bijmengingen aangetroffen met bakstenen, zandcement en brokken asfalt. Klinkerpad De funderingslaag onder het klinkerpad heeft een oppervlakte van 400 m 2, en een gemiddelde dikte van 0,25 m (volume: 100 m3, tonnage: 200 ton). Deze funderingslaag komt volledig in aanmerking voor hergebruik als N-bouwstof en bevat geen asbest. Parkeerplaatsen De funderingslaag onder de parkeerplaatsen heeft een oppervlakte van 1.200 m2, en een gemiddelde dikte van 0,35 m (volume: 420 m3, tonnage: 840 ton). Deze funderingslaag komt volledig in aanmerking voor hergebruik als N-bouwstof en bevat een maximaal asbestgehalte van 2 mg/kg d.s. asbest.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
Bodem Zintuiglijk zijn bijmengingen aangetroffen in de grond met puin, bakstenen, beton en kolengruis. Uit de resultaten blijkt dat in de bodem géén sterke verontreinigingen (interventiewaarde overschrijdingen) zijn aangetoond. Wel zijn plaatselijk licht verhoogde gehaltes voor kobalt en PAK aangetoond. In het grondwater is een overschrijding van de signaleringsparameter voor zink aangetoond. Verder is er ook een matig verhoogd gehalte aan cadmium, en licht verhoogde gehaltes barium, kobalt, nikkel en xylenen aangetoond. Uit onderzoek dat in het kader van het Grondwaterbeschermingsplan Limburg is uitgevoerd, alsmede uit de vele Indicatieve Bodemonderzoeken, is gebleken dat in een aantal regio's in Noorden Midden-Limburg veelvuldig verhoogde gehaltes aan zware metalen in het grondwater worden aangetoond zonder dat de bovenliggende bodem ter plekke verontreinigd is. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen bronnen bekend waardoor de verontreinigingen met zware metalen verklaard kunnen worden. Dergelijke verontreinigingen worden vaker in deze regio aangetoond zonder dat hiervoor een duidelijke oorzaak aan te wijzen is. De resultaten zijn als betrouwbaar beoordeeld en worden derhalve als verhoogde achtergrondwaarden gedefinieerd.
Asbest in grond Uit de analyseresultaten blijkt dat er binnen het plangebied in de puinhoudende grond geen asbest is aangetoond boven de detectiegrens van 2 mg/kg d.s. asbest. In een enkel mengmonster van de puinhoudende bovengrond nabij de parkeerplaatsen zijn twee asbestverdachte vezels aangetoond. Omdat het gehalte aan asbest ruim onder de hergebruiksnorm blijft wordt de uitvoering van een SEM-analyse op deze fractie niet zinvol geacht. Mogelijk zijn deze vezels vrijgekomen bij het voorbehandelingsproces in het laboratorium. Derhalve zijn geen aanvullende maatregelen ten aanzien van asbest vereist. Civieltechnisch onderzoek Uit de interpretatie van de analyseresultaten blijkt het vrijkomende zanderige materiaal uit de humeuze bovengrond en de ondergrond tussen 1,00 en 2,00 m-mv indicatief herbruikbaar te zijn als ‘zand in aanvulling of ophoging’. Deze bodemlagen komen niet in aanmerking voor ‘zand in zandbed’ of als ‘draineerzand’. De niet-humeuze zandlaag tussen 2,00 en 2,80 m-mv blijkt indicatief herbruikbaar te zijn als ‘zand in aanvulling of ophoging’ en voor ‘zand in zandbed’, maar niet als ‘draineerzand’. Doorlatendheidsonderzoek Op basis van de huidige bodemopbouw, de te verwachte GHG (3,0 tot 4,0 m-mv) en meetresultaten is infiltratie vanaf gemiddeld 1,50 m-mv naar verwachtring (zeer) goed mogelijk.
Het ontwerpen en aanleggen van een infiltratievoorziening moet door een ervaren specialist worden uitgevoerd. Het bepalen of huidige ontwerp van het infiltratiesysteem voldoende functioneert valt buiten de reikwijdte en het doel van onderhavig onderzoek.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
Voor het vergroten van de berging van hemelwater en de infiltratiecapaciteit kan eventueel gedacht worden aan: -
uitbreiden van de oppervlakte van het infiltratiesysteem; het verbeteren van het oorspronkelijke bodemprofiel (afhankelijk van de voorgenomen infiltratievoorzieningen). Bijvoorbeeld middels een combinatie van het verwijderen van humeuze en siltige bovenlaag (met bijmengingen) en het aanvoeren van goed doorlatend materiaal zoals drainagezand.
Veiligheidsklassebepaling Uit de toetsing blijkt dat voor werkzaamheden in de grond geen veiligheidsklasse van toepassing is (basishygiëne). De aangetoonde gehaltes asbest, in zowel de grond als het fundering materiaal bedragen gehalten beneden de helft van de hergebruikswaarde. Derhalve zijn geen aanvullende maatregelen ten aanzien van asbest vereist. Opgemerkt wordt dat de veiligheidsklasse niet automatisch bepaalt welke maatregelen getroffen dienen te worden, maar een indicatie vormt voor de veiligheidskundige om te bepalen welke maatregelen passend zijn tijdens de uitvoering van de (civieltechnische) werkzaamheden. De definitieve veiligheidsklasse dient te worden bepaald door een veiligheidskundige. Resumé De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoekslocatie.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
Inhoudsopgave pagina 1.
Inleiding
1
2.
Vooronderzoek
2
2.1
Locatiegegevens
2
2.2
Eerder uitgevoerd onderzoek
4
2.3
Terreinverkenning
4
2.4
Bodemopbouw
5
2.5
Conclusies vooronderzoek
6
3.
Onderzoek fundering
7
3.1
Onderzoeksstrategie
7
3.2
Uitvoering
7
3.2.1 Maaiveldinspectie
8
3.2.2 Inspectiegaten en boorwerk
8
3.2.3 Analyses
9
3.3
9
Analyseresultaten
3.3.1 Toetsingskader
9
3.3.2 Resultaten – asbest
9
3.3.3 Resultaten – indicatief uitloogonderzoek
10
3.4
Bespreking resultaten
10
4.
Verkennend bodemonderzoek
11
4.1
Onderzoeksstrategie
11
4.2
Uitvoering
11
4.2.1 Kwalibo
11
4.2.2 Plaatsen boringen en peilbuizen
12
4.2.3 Bemonstering grondwater
13
4.2.4 Analyses
14
4.3
15
Analyseresultaten
4.3.1 Toetsingskader(s)
15
4.3.2 Grond
16
4.3.3 Grondwater
17
4.4
Bespreking resultaten
17
5.
Verkennend asbestonderzoek
18
5.1
Onderzoeksstrategie
18
5.2
Uitvoering
18
5.2.1 Kwalibo
18
5.2.2 Maaiveldinspectie
19
5.2.3 Inspectiegaten en boorwerk
19
5.2.4 Analyses
20
5.3
Analyseresultaten
20
5.3.1 Toetsingskader
20
5.3.2 Analyseresultaten
21
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
5.4
Bespreking resultaten
21
6.
Civieltechnisch grondonderzoek
22
6.1
Onderzoeksstrategie
22
6.2
Uitvoering
22
6.3
Analyseresultaten
6.3.1 Toetsingskader
23 23
6.3.2 Resultaten grond
23
6.4
Bespreking resultaten
23
7.
Doorlatendheidsonderzoek
24
7.1
Onderzoeksstrategie
24
7.2
Uitvoering
24
7.3
Analyses
25
7.4
Resultaten
25
7.4.1 Toetsingskader
25
7.4.2 Resultaten
26
7.5
Bespreking resultaten
27
8.
Voorlopige veiligheidsklasse bepaling
28
8.1
Toetsingskader
28
8.2
Bespreking resultaten
28
9.
Conclusie en aanbevelingen
29
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
Bijlagen Bijlage 1:
Topografische kaart
Bijlage 2:
Situatietekeningen
Bijlage 3:
Profielbeschrijvingen
Bijlage 4:
Analyseresultaten grond
Bijlage 5:
Analyseresultaten grondwater
Bijlage 6:
Analyseresultaten asbest (grond)
Bijlage 7:
Analyseresultaten fundering / halfverharding
Bijlage 8:
Analyseresultaten zeefkromme
Bijlage 9:
Toelichting toetsingskader(s)
Bijlage 10:
Toetsingstabellen grond
Bijlage 11:
Toetsingstabellen grondwater
Bijlage 12:
Toetsingstabellen zeefkromme
Bijlage 13:
Toetsingstabellen uitloogonderzoek
Bijlage 14:
Berekening K-waarde
Bijlage 15:
Veiligheidsklassebepaling CROW400
Bijlage 16:
Foto’s onderzoekslocatie
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
1. Inleiding In opdracht van Rho Adviseurs heeft Tritium Advies een milieu- en civieltechnisch bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Rustoord te Reuver. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen wijziging omgevingsplan en herontwikkeling van de onderzoekslocatie. De doelstellingen van het onderzoek zijn als volgt: •
fundering/
:
indicatief bepalen van de hergebruiksmogelijkheden (inclusief asbest).
:
vaststellen van de kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te
puinlagen •
bodem
bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging; indicatief bepalen van de civieltechnische en milieuhygiënische hergebruiksmogelijkheden; bepalen van de doorlatendheid van de bodem en het geven van een indicatie voor de infiltratiemogelijkheden van hemelwater in de bodem; vaststellen van de veiligheidsklasse voor het werken met (verontreinigde) grond (CROW400); een indicatieve uitspraak doen over het asbestgehalte in de bodem. Tritium Advies heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk advies- en onderzoeksbureau. Kwalibo Op een deel van de werkzaamheden die in het voorliggende rapport worden beschreven is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Voor deze kwaliteitsborging zijn onderdelen van het onderzoek onder Kwalibo uitgevoerd. Indien dit het geval is, dan is dit bij het betreffende onderdeel expliciet vermeld. Onderdelen zonder vermelding van Kwalibo, zijn niet onder Kwalibo uitgevoerd.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
2. Vooronderzoek Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725:2023. De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in de volgende tabel. Tabel 2.1: overzicht geraadpleegde bronnen tijdens vooronderzoek vooronderzoek aanleiding A
opstellen hypothese milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van bodemonderzoek;
aanleiding F
gebruik van bodemkwaliteitskaarten ten behoeve van de milieuverklaring bodemkwaliteit;
aanleiding H
uitvoeren van (milieubelastende) activiteit graven (exclusief tijdelijk uitnemen) en inschatten van arbeidhygiënische risico’s.
Categorie
Bron
geraadpleegd datum
contactpersoon
20-02-2024
n.v.t.
Internet kadastrale gegevens
kadastralekaart.com
actuele terreinsituatie
BAG Viewer - Kadaster Slagboom en Peeters Luchtfotografie Google Maps
historische gegevens
Topotijdreis
bodeminformatie
Bodemloket Actueel Hoogte Bestand DINOloket WKO tool Nederland bodemkwaliteitskaart
09-12-2024
locatiegegevens
opdrachtgever
09-02-2024
Dhr. D. van Roij
terreinverkenning
Tritium Advies (de heer T. van Wijk)
23-10-2024
n.v.t.
Overig
2.1 Locatiegegevens Op basis van de geraadpleegde bronnen, is een overzicht opgesteld van de locatiegegevens. Het overzicht is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 2.2: overzicht onderzoekslocatie actuele locatiegegevens Adres Straat
Rustoord, Prinses Irenelaan, Parklaan, Meester Bosmanshof
huisnummer
ongenummerd
Plaats
Reuver
kadastraal gemeente
Beesel
sectie
B
nummers
3503, 3506, 3507, 3509, 3510, 3511, 3512, 3513, 4573, 4574, 4575, 4576, 4577, 4615
locatie oppervlak
totaal circa 7.740 m2
huidig gebruik
braakliggend terreindeel, wegdeel, parkeerplaatsen
geplande werkzaamheden
De opdrachtgever is voornemens in de toekomst de locatie te herontwikkelen.
onbebouwd
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
Tabel 2.3 (vervolg): overzicht onderzoekslocatie actuele locatiegegevens locatie voormalig gebruik
Van oudsher kende het merendeel van de onderzoekslocatie een agrarisch gebruik. Enkel in het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie was van oudsher al bebouwing aanwezig. Omstreeks 1956 zijn de Rustoord en de Prinses Irenelaan gerealiseerd, waarna ook veel van de bebouwing aan deze straten is gerealiseerd (jaren ’60). In 2004 is het noordelijke deel van de onderzoekslocatie aan de Parklaan herontwikkeld. Vanaf omstreeks 2015 is een groot deel van de bebouwing aan de Rustoord gesloopt. Omstreeks 2018 is op het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie een nieuwe parkeerplaats gerealiseerd.
toekomstig gebruik
openbare weg, wonen met tuin
dempingen, ophogingen,
geen bekend
bijmengingen met puin bodembedreigende activiteiten
Bekend is dat op meerdere plekken binnen de onderzoekslocatie bebouwing gesloopt is.
en calamiteiten PFAS
In december 2021 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het ‘Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ van toepassing verklaard. Door het wijdverbreide gebruik en door emissies en incidenten worden poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) inmiddels in Nederland (en breder in de wereld), niet alleen bij puntbronnen, maar ook als diffuse verontreinigingen in bodem, grondwater en oppervlaktewater aangetoond. Derhalve zijn de bovengrond (tot 1,0 m-mv) en geroerde bodems verdacht op PFAS.
bodemkwaliteitskaart
•
bron: Nota bodembeheer Limburg Noord en Midden 2020-2029
•
ontgravingskaart boven- en ondergrond: ‘landbouw/natuur’
•
toepassingskaart boven- en ondergrond: ‘landbouw/natuur’
•
bodemfunctiekaart: ‘wonen’
asbestaspecten jaartallen
toepassing
opstallen
bouwjaar omstreeks jaren ’60, sloop omstreeks 2015
Terrein
aanleg omstreeks 1956
Van de locatie is bekend dat in het verleden bebouwing is gesloopt waarin mogelijk asbest aanwezig was.
terreinsituatie bebouwing
geen
maaiveld
tuin, braak, verhard
verhardingen
tegels, klinkers
installaties
geen bekend
omgeving gebruik belendende percelen
wonen met tuin, openbare weg, schoolgebouw, begraafplaats
milieubelastende activiteiten en
geen bekend
calamiteiten
De topografische kaart van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1. Een situatietekening is weergegeven in bijlage 2. Foto’s van de onderzoekslocatie zijn toegevoegd in bijlage 16. De ligging van de locatie is weergegeven in de volgende figuur.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
Figuur 2.1: inrichtingstekening onderzoekslocatie/plangebied Rustoord
2.2 Eerder uitgevoerd onderzoek Voor zover bekend is op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd.
2.3 Terreinverkenning Op 23 oktober 2024 is er door de heer T. van Wijk van Tritium Advies een terreinverkenning uitgevoerd. Hierbij zijn geen bijzonderheden geconstateerd. De resultaten van de terreinverkenning hebben dan ook geen aanleiding gegeven om de onderzoeksstrategie aan te passen.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
2.4 Bodemopbouw In de volgende tabel is een overzicht opgenomen van de regionale bodemopbouw en de geohydrologische situatie. Tabel 2.4: bodemopbouw en geohydrologie bodemopbouw maaiveldhoogte
25 m+NAP
deklaag
dikte
5m
samenstelling
zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
1e watervoerende pakket
doorlatendheid
matig
dikte
15 m
samenstelling
zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, met weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken
doorlatendheid
goed
stijghoogte
20,5 m+NAP
stromingsrichting
noordwestelijk
stijghoogte
onbekend
stromingsrichting
noordwestelijk
geohydrologie freatisch grondwater 1e watervoerende pakket
waterhuishouding oppervlaktewater
niet aanwezig binnen 500 meter
grondwaterbeschermingsbied
De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.
grondwateronttrekking
Op de onderzoekslocatie vindt geen grondwateronttrekking plaats. Van de omgeving zijn geen gegevens bekend.
boringvrije zone
De onderzoekslocatie is niet gelegen in een boringsvrije zone.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
2.5 Conclusies vooronderzoek Op basis van de beschikbare gegevens kunnen de in de volgende tabel weergegeven deellocaties worden onderscheiden. Tabel 2.5: deellocaties deel-
omschrijving
afmeting
hypothese
motivatie
locatie I
stoffen noordwestelijk
2
ca. 5.040 m
verdacht
historische sloopactiviteiten
NEN-parameters, asbest
ca. 2.399 m2
verdacht
historische sloopactiviteiten
NEN-parameters, asbest
onbekende kwaliteit en samenstelling
asbest, org. parameters
terreindeel II
verdachte
zuidoostelijk
(bij puin)
terreindeel
(bij puin)
III
klinkerweg
ca. 400 m2
verdacht
IV
parkeerplaats
ca. 1.200 m2
verdacht
(mogelijke) fundering onbekende kwaliteit en samenstelling (mogelijke) fundering
en uitloog asbest, org. parameters en uitloog
Opmerkingen bij de tabel: NEN- parameters
:
pakket NEN 5740 voor grondparameters (organische stof en lutum, 9 metalen, PAK, PCB en minerale olie) en NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie);
org. parameters
:
de organische parameters PAK, PCB en minerale olie;
uitloog
:
schudproef met een eluaatanalyse op 15 metalen en 4 anionen.
PFAS Voor hergebruik van grond zijn in het ‘Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ (d.d. december 2021) regels opgesteld waardoor voorafgaand aan hergebruik van grond wel onderzoek naar PFAS nodig is. Omdat vooralsnog onbekend is, of bij de geplande herontwikkeling grond van de locatie wordt afgevoerd of elders buiten de locatie wordt hergebruikt, wordt geen onderzoek naar PFAS verricht.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
3. Onderzoek fundering 3.1 Onderzoeksstrategie Omdat de herkomst en kwaliteit van de puinfunderingen niet bekend zijn, worden de kwaliteit en hergebruiksmogelijkheden bepaald middels een indicatief uitloogonderzoek. Tevens geldt dat de (puin)fundaties verdacht zijn op het voorkomen van asbest. Het verkennend asbestonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5897+C2 (december 2017). Het oppervlak van (een gedeelte van) de locatie is afgesloten door een (klinker/tegel) verharding. Voor deze terreindelen kan op basis van de maaiveldinspectie dan ook geen opdeling worden gemaakt in verdachte en onverdachte delen. De onderliggende funderingen dienen derhalve als uniforme asbestverdachte locaties beschouwd te worden. Een overzicht van de te verrichten werkzaamheden is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 3.1: strategie onderzoek funderingslaag strategie 1)
deellocatie
III. klinkerweg
K-FUND
maaiveld-
inspectiegaten (m-mv)
inspectie
(0,3 x 0,3 m)
2 richtingen,
4 3)
stroken 1,5 m IV. parkeerplaats
K-FUND
2 richtingen,
analyses 2)
1 x org. parameters + uitloog 1 x asb-p
7 3)
stroken 1,5 m
1 x org. parameters + uitloog 2 x asb-p
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring strategie: K-FUND
2)
3)
:
onderzoeksstrategie volgens NEN 5897+C2 voor een kleinschalige afgedekte funderingslaag.
verklaring analyses: org. parameters
:
de organische parameters PAK, PCB en minerale olie;
uitloog
:
schudproef met een eluaatanalyse op 15 metalen en 4 anionen;
asb-p
:
asbest in puin NEN 5898.
Inspectiegaten worden gegraven tot onderzijde van de verdachte laag.
De analyses worden door een geaccrediteerd laboratorium uitgevoerd.
3.2 Uitvoering In de volgende tabel zijn de namen van de veldwerkers weergegeven, die voor onderhavig onderzoek het veldwerk hebben uitgevoerd. Tabel 3.2: veldwerkers Tritium Advies veldwerker
datum uitvoering
nummers
24-10-2024
maaiveld
24-10-2024
A12, A13, A14, A20
maaiveldinspectie T. van Wijk, L. Emaus (in opleiding) inspectiegaten en boringen T. van Wijk, L. Emaus (in opleiding)
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
3.2.1
Maaiveldinspectie
Het maaiveld van de locatie was tijdens de maaiveldinspectie bedekt met klinkers en plaatselijk tegels. Vanwege de toestand van het maaiveld wordt de efficiëntie van de maaiveldinspectie geschat op 90 - 100%. Tijdens de maaiveldinspectie zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld.
3.2.2
Inspectiegaten en boorwerk
De locaties van de inspectiegaten zijn weergegeven op de tekening in bijlage 2. Tijdens de uitvoering van het veldwerk deden zich geen belemmeringen of bijzonderheden voor. De bij de werkzaamheden vrijkomende grond is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn de in de volgende tabel weergegeven waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging met asbest. Tijdens de graafwerkzaamheden zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Voor de bodemopbouw wordt verwezen naar de profielbeschrijvingen in bijlage 3. Tabel 3.3: waarnemingen en bijzonderheden inspectiegat
traject
overige waarnemingen en
of boring
(m-mv)
bijzonderheden
einddiepte
A12
0,15 - 0,40
volledig puin, sterk baksteenhoudend, sterk zandcement houdend, brokken asfalt
0,90
A13
0,15 - 0,40
volledig puin, sterk baksteenhoudend, sterk zandcement houdend, brokken asfalt
0,90
A14
0,15 - 0,40
volledig puin, sterk baksteenhoudend, sterk zandcement houdend, brokken asfalt
0,90
A20
0,15 - 0,40
volledig puin, sterk baksteenhoudend, sterk zandcement houdend, brokken asfalt
0,41
B01
0,15 - 0,50
volledig puin
2,00
B02
0,15 - 0,50
volledig puin
1,00
B03
0,15 - 0,50
volledig puin
0,70
B04
0,15 - 0,50
volledig puin
0,70
B05
0,15 - 0,50
volledig puin
1,20
B06
0,15 - 0,50
volledig puin
0,70
B07
0,15 - 0,50
volledig puin
0,70
(m-mv)
Opmerkingen bij de tabel: 1)
Dit betreft het gewicht van de aangetroffen materialen zoals gemeten in het veld. De gewogen materialen zijn niet gedroogd, waardoor de vermelde gewichten kunnen afwijken van de analysecertificaten.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
3.2.3
Analyses
De monsters zijn volgens volgende tabel geanalyseerd door AL-West te Deventer (geaccrediteerd). Tabel 3.4: geanalyseerde monsters vindplaats of
monster-
inspectiegat
code
analyses 2)
traject
toelichting
(m-mv) 1)
III. klinkerweg (ca. 400 m2) A12 t/m A14, A20
Asbmm04
0,15 - 0,40
asb-p
Uitloog01
0,15 - 0,40
org. parameters en uitloog
volledig puin, sterk baksteenhoudend, sterk zandcement houdend, brokken asfalt
2
IV. parkeerplaats (ca. 1.200 m ) B01, B02, B04
Asbmm05
0,15 - 0,50
asb-p
B03, B05, B06, B07
Asbmm06
0,15 - 0,50
asb-p
B01 t/m B07
Uitloog02
0,15 - 0,50
org. parameters en uitloog
volledig puin
Opmerkingen bij de tabel: 1)
in geval er sprake is van een monster dat samengesteld is uit deelmonsters, betreft het aangegeven traject de minimale en maximale diepte van de deelmonsters in het betreffende mengmonster.
2)
verklaring analyses: org. parameters
:
de organische parameters PAK, PCB en minerale olie;
uitloog
:
schudproef met een eluaatanalyse op 15 metalen en 4 anionen;
asb-p
:
asbest in puin NEN 5898.
3.3 Analyseresultaten 3.3.1
Toetsingskader
Analyseresultaten van puinmonsters worden vergeleken met bijlage A en/of B van de Regeling bodemkwaliteit (Nederlandse Staatscourant, nr. 1338, 19 januari 2023 en de daaropvolgende wijzigingen). Voor een nadere toelichting op de gehanteerde toetsingskaders wordt verwezen naar bijlage 9. In de volgende tabel is weergegeven op welke wijze de mate van verontreiniging na toetsing van de analyseresultaten aan de normen in het rapport wordt weergegeven. Tabel 3.5: aanduiding bodemkwaliteitsklasse aanduiding in rapport
betekenis
N-bouwstof
niet vormgegeven bouwstof die kan worden toegepast zonder aanvullende maatregelen.
niet-toepasbare bouwstof (NT)
niet vormgegeven bouwstof die niet in aanmerking komt voor hergebruik elders en alleen mag worden ingenomen door een erkende verwerker.
3.3.2
Resultaten – asbest
De analyseresultaten zijn weergegeven in bijlage 7. De berekening van de totale gewogen gehalte asbest is weergegeven in de volgende tabel.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
Tabel 3.6: berekening gewogen gehalte vindplaats of
traject
monster-
inspectiegat
(m-mv)
code
omschrijving
gehalte asbest (mg/kg d.s.) fractie
fractie
totaal
< 20 mm 1)
> 20 mm
gewogen 2)
<2
n.a.
<2
deellocatie III. klinkerpad (ca. 400 m2) A12 t/m A14, A20
0,15 - 0,40
Asbmm04
volledig puin, sterk baksteenhoudend, sterk zandcement houdend, brokken asfalt
deellocatie IV. parkeerplaats (ca. 1.200 m2) B01, B02, B04
0,15 - 0,50
Asbmm05
volledig puin
2
n.a.
2
B03, B05, B06,
0,15 - 0,50
Asbmm06
volledig puin
<2
n.a.
<2
B07 Opmerkingen bij de tabel: 1)
gehalte op analysecertificaat
2)
dit gehalte is bepaald op basis van een verkennend onderzoek en betreft derhalve een indicatieve waarde.
n.a.:
niet aangetroffen
3.3.3
Resultaten – indicatief uitloogonderzoek
De analyseresultaten zijn weergegeven in bijlage 7. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 13. Een samenvatting is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 3.7: samenvatting toetsingsresultaten uitloog monstercode
toelichting
samenvatting toetsingsresultaten
classificatie
>N-bouwstof deellocatie III. klinkerpad (ca. 400 m2) Uitloog01
volledig puin, sterk baksteenhoudend, sterk
-
N-bouwstof
-
N-bouwstof
zandcement houdend, brokken asfalt deellocatie IV. parkeerplaats (ca. 1.200 m2) Uitloog02
volledig puin
3.4 Bespreking resultaten De funderingen op de locatie bestaan overwegend uit puingranulaat. In de fundering ter plaatse van het klinkerpad zijn ook bijmengingen aangetroffen met bakstenen, zandcement en brokken asfalt. De funderingen bevat meer dan 50 % bodemvreemde bijmengingen en betreffen derhalve geen bodem. De funderingslaag onder het klinkerpad heeft een oppervlakte van 400 m 2, en een gemiddelde dikte van 0,25 m (volume: 100 m3, tonnage: 200 ton). Deze funderingslaag komt volledig in aanmerking voor hergebruik als N-bouwstof en bevat geen asbest. De funderingslaag onder de parkeerplaatsen heeft een oppervlakte van 1.200 m 2, en een gemiddelde dikte van 0,35 m (volume: 420 m3, tonnage: 840 ton). Deze funderingslaag komt volledig in aanmerking voor hergebruik als N-bouwstof en bevat een maximaal asbestgehalte van 2 mg/kg d.s. asbest.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
4. Verkennend bodemonderzoek 4.1 Onderzoeksstrategie Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740:2023 Tabel 4.1: strategie verkennend bodemonderzoek strategie 1)
analyses 2)
boorwerk (diepte in m-mv) boringen
peilbuizen
grond
grondwater
1
4 x NEN-g 3)
1 x NEN-gw
1
4 x NEN-g 3)
1 x NEN-gw
2
deellocatie I: noordwestelijk terreindeel (ca. 5.040 m ) VED-HE-NL
15 x (0,5) 3 x (2,0)
deellocatie II: zuidoostelijk terreindeel (ca 2.399 m2) VED-HE-NL
11 x (0,5) 2 x (2,0)
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring strategie: VED-HE-NL
:
onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig.
2)
verklaring analyses: NEN-g
:
NEN-gw
:
pakket NEN 5740 voor grondparameters (organische stof en lutum, 9 metalen, PAK, PCB en minerale olie); pakket NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie).
3)
conform de strategie VED-HE-NL dienen drie analyses te worden verricht op de meest verdachte laag. Om ook een uitspraak te kunnen doen over de milieuhygiënische kwaliteit van de (onverdachte) ondergrond is één extra analyse opgenomen.
De analyses worden door een geaccrediteerd laboratorium uitgevoerd. De grond- en grondwatermonsters worden conform AS3000 voorbewerkt.
4.2 Uitvoering 4.2.1 Kwalibo Op de veldwerkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Voor dit onderzoek zijn de werkzaamheden uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 conform protocollen 2001 en 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. In de volgende tabel zijn de namen van de erkende veldwerkers weergegeven, die voor onderhavig onderzoek het veldwerk hebben uitgevoerd.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
Tabel 4.2: erkende veldwerkers Tritium Advies veldwerker
datum uitvoering
boornummers/peilbuisnummer
23 t/m 25-10-2024
A01 t/m A19, B01 t/m B14, Infil01 t/m Infil06
boorwerkzaamheden (protocol 2001) T. van Wijk, L. Emaus (in opleiding) monstername grondwater (protocol 2002) R. van der Steen
01-11-2024
A18 en B13
Conform BRL-SIKB 2000 zijn de veldwerkzaamheden getoetst op partijdigheid. De uitvoerder van het veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als dat van een onafhankelijk onderzoeksbureau.
4.2.2 Plaatsen boringen en peilbuizen De locaties van de boringen zijn weergegeven in bijlage 2. Tijdens het plaatsen van de boringen en peilbuizen bleek dat enkele boringen niet dieper doorgezet konden worden (vermoedelijk in verband met bijmengingen/ aanwezigheid van keien en grind. Verder deden zich geen belemmeringen of bijzonderheden voor. De bij de boringen vrijkomende grond is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn de in de volgende tabel weergegeven waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Voor de bodemopbouw wordt verwezen naar de profielbeschrijvingen in bijlage 3. Tabel 4.3: waarnemingen en bijzonderheden boring
traject
waarnemingen en bijzonderheden
(m-mv)
einddiepte (m-mv)
deellocatie I: noordwestelijk terreindeel (ca. 5.040 m2) A01
0,00 - 0,30
sporen puin
0,80
A02
0,00 - 0,50
zwak puinhoudend
1,00
A04
0,00 - 0,50
zwak puinhoudend
1,00
A05
0,00 - 0,10
sporen baksteen
1,40
0,40 - 0,90
zwak puinhoudend
A06
0,00 - 0,50
sporen puin
1,00
A07
0,00 - 0,50
zwak puinhoudend
1,00
A08
0,00 - 0,50
zwak puinhoudend
1,40
0,50 - 0,90
zwak puinhoudend
A10
0,00 - 0,40
zwak puinhoudend
0,90
A11
0,00 - 0,50
zwak puinhoudend
1,20
0,50 - 0,70
zwak puinhoudend
A15
0,00 - 0,20
sporen beton
A16
0,60 - 1,20
hierna ondoordringbaar
0,70 1,20 2
deellocatie II: zuidoostelijk terreindeel (ca 2.399 m ) B03
0,50 - 0,70
sporen baksteen, hierna ondoordringbaar
0,70
B04
0,50 - 0,70
zwak kolengruishoudend, sporen baksteen, hierna ondoordringbaar
0,70
B05
0,50 - 0,70
zwak baksteenhoudend
1,20
B06
0,50 - 0,70
hierna ondoordringbaar
0,70
B07
0,50 - 0,70
hierna ondoordringbaar
0,70
B08
0,50 - 0,80
zwak keien, Hierna gestaakt i.v.m. keien
0,80
B09
0,30 - 0,80
zwak keien, Hierna ondoordringbaar i.v.m. keien
0,80
B14
0,10 - 0,40
sporen keien, Hierna ondoordringbaar i.v.m. keien
0,40
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
Tabel 4.4 (vervolg): waarnemingen en bijzonderheden boring
traject
waarnemingen en bijzonderheden
einddiepte
(m-mv)
(m-mv)
gehele locatie Infil03
Infil04
0,00 - 0,50
zwak puinhoudend
0,50 - 0,70
sporen puin
0,00 - 0,50
zwak puinhoudend
0,50 - 1,50
zwak puinhoudend
4,00
4,00
1,50 - 1,70
sporen puin
Infil05
0,80 - 1,30
zwak zandcement houdend
4,00
Infil06
0,40 - 0,50
sterk kolengruishoudend
4,00
Omdat de herkomst en kwaliteit van het puin onbekend is, dient deze als verdacht op het voorkomen van asbest te worden beschouwd. Derhalve is direct een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Dit deel van het onderzoek staat weergegeven in hoofdstuk 5.
4.2.3 Bemonstering grondwater Tijdens de grondwatermonstername zijn in het veld de zuurgraad (pH), de troebelheid en de elektrische geleidbaarheid (Ec) van het grondwater bepaald. De peilbuisspecificaties en meetresultaten zijn weergegeven in de volgende tabel. De plaats van de peilbuizen is weergegeven in bijlage 2. Tabel 4.5: peilbuisspecificaties peilbuis
datum
filtertraject
grondwaterstand
pH
Ec
troebelheid
bemonstering
(m-mv)
(m-mv)
(-)
(µS/cm)
(ntu)
belucht
6,1
637
9,34
nee
4,7
554
2,88
nee
deellocatie I: noordwestelijk terreindeel (ca. 5.040 m2) A18
1-11-2024
5,00 - 6,00
4,50 2
deellocatie II: zuidoostelijk terreindeel (ca 2.399 m ) B13
1-11-2024
4,50 - 5,50
4,06
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
4.2.4
Analyses
De grond- en grondwatermonsters zijn volgens de volgende tabellen geanalyseerd. Tabel 4.6: geanalyseerde monsters (grond) monster-
traject
code
(m-mv)
analyses 1)
deelmonsters
toelichting
deellocatie I: noordwestelijk terreindeel (ca. 5.040 m2) MMA01
0,00 - 0,50
A02 (0,00 - 0,50), A04 (0,00 - 0,50),
NEN-g
A08 (0,00 - 0,50), A10 (0,00 - 0,40) MMA02
0,40 - 0,90
A12 (0,40 - 0,90), A13 (0,40 - 0,90),
zwak puinhoudende bovengrond
NEN-g
A14 (0,40 - 0,90)
zintuiglijk schoon zand onder fundering
MMA03
0,40 - 0,50
Infil06 (0,40 - 0,50)
NEN-g
sterk kolengruishoudend
MMA04
0,50 - 1,20
A03 (0,50 - 1,00), A09 (1,00 - 1,20),
NEN-g
zintuiglijk schone ondergrond
NEN-g
zintuiglijk schone bovengrond
zwak kolengruishoudend,
A16 (0,60 - 1,10) deellocatie II: zuidoostelijk terreindeel (ca 2.399 m2) MMB01
0,00 - 0,50
B08 (0,00 - 0,50), B10 (0,00 - 0,50), B12 (0,00 - 0,40), B13 (0,00 - 0,50)
MMB02
0,50 - 0,70
B04 (0,50 - 0,70)
NEN-g
MMB03
0,50 - 1,00
B01 (0,50 - 1,00), B02 (0,50 - 1,00),
NEN-g
sporen baksteen B06 (0,50 - 0,70), B07 (0,50 - 0,70) MMB04
0,70 - 1,80
B01 (1,00 - 1,50), B05 (0,70 - 1,20),
zintuiglijk schoon zand onder fundering
NEN-g
zintuiglijk schone ondergrond
B11 (1,40 - 1,80) Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: NEN-g
:
pakket NEN 5740 voor grondparameters (organische stof en lutum, 9 metalen, PAK, PCB en minerale olie).
Tabel 4.7: geanalyseerde monsters (grondwater) monster-
peilbuis-
filtertraject
code
nummer
(m-mv)
analyses 1)
motivatie
deellocatie I: noordwestelijk terreindeel (ca. 5.040 m2) A18-1-1
A18
5,00 - 6,00
NEN-gw
onderzoek grondwater
NEN-gw
onderzoek grondwater
deellocatie II: zuidoostelijk terreindeel (ca 2.399 m2) B13-1-1
B13
4,50 - 5,50
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: NEN-gw
:
pakket NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie).
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
4.3 Analyseresultaten 4.3.1 Toetsingskader(s) De analyseresultaten van de grond en/of grondwatermonsters zijn vergeleken met de momenteel geldende toetsingskader(s). Voor een nadere toelichting op de gehanteerde toetsingskaders wordt verwezen naar bijlage 9. In de volgende tabellen is weergegeven op welke wijze de mate van verontreiniging na toetsing van de analyseresultaten aan de normen uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Regeling bodemkwaliteit (Rbk) en Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het rapport wordt weergegeven. Tabel 4.8: mate van verontreiniging volgens Bal aanduiding in rapport
betekenis voor grond
<I
interventiewaarde wordt niet overschreden
>I
interventiewaarde wordt overschreden
Tabel 4.9: bodemkwaliteitsklasse volgens Rbk aanduiding in rapport
betekenis
landbouw/natuur (LN)
grond kan vrij worden toegepast bij elke bodemfunctie en elke bodemkwaliteit
wonen (Wo)
grond kan binnen het algemene generieke toetsingskader worden toegepast bij de bodemfuncties en bodemkwaliteiten "wonen" of "industrie"
industrie (Ind)
grond kan binnen het algemene generieke toetsingskader enkel worden toegepast bij de bodemfunctie en bodemkwaliteit "industrie"
matig verontreinigd (MV)
grond kan alleen worden toegepast bij de bodemfunctie en bodemkwaliteit “matig verontreinigd” of toepassing alleen geregeld door maatwerkregels/-voorschriften
sterk verontreinigd (SV)
toepassing alleen geregeld door maatwerkregels/-voorschriften
Tabel 4.10: signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering volgens Bkl aanduiding in rapport
betekenis voor grondwater
<SP
signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering wordt niet overschreden
>SP
signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering wordt overschreden
In verband met de overgangsperiode van de Wet bodembescherming naar de Omgevingswet zijn de resultaten vooralsnog aan beide kaders getoetst. De toetsingen aan de Wet bodembescherming zijn tussen haakjes opgenomen in de tabellen 4.11 en 4.12.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
4.3.2
Grond
De analyseresultaten van de grondmonsters zijn weergegeven in bijlage 4. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 10. Een samenvatting is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 4.11: samenvatting toetsingsresultaten grond monster-
traject
code
(m-mv)
toetsingsresultaten Bal (Wbb) 1, 2)
boring(en) motivatie
indicatie
< I (> AW)
< I (> T)
>I
Rbk 3)
-
-
-
LN
-
-
-
LN
2
deellocatie I: noordwestelijk terreindeel (ca. 5.040 m ) MMA01
0,00 - 0,50
MMA02
0,40 - 0,90
A02, A04,
zwak puinhoudende
A08, A10
bovengrond
A12, A13,
zintuiglijk schoon zand
A14
onder fundering
MMA03
0,40 - 0,50
Infil06
sterk kolengruishoudend
kobalt
-
-
LN
MMA04
0,50 - 1,20
A03, A09,
zintuiglijk schone
kobalt
-
-
LN
A16
ondergrond
-
-
-
LN
PAK
-
-
LN
-
-
-
LN
-
-
-
LN
deellocatie II: zuidoostelijk terreindeel (ca 2.399 m2) MMB01
0,00 - 0,50
MMB02
0,50 - 0,70
B08, B10,
zintuiglijk schone
B12, B13
bovengrond
B04
zwak kolengruishoudend, sporen baksteen
MMB03
0,50 - 1,00
MMB04
0,70 - 1,80
B01, B02,
zintuiglijk schoon zand
B06, B07
onder fundering
B01, B05,
zintuiglijk schone
B11
ondergrond
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring afkortingen: PAK
2)
:
polycyclische aromatische koolwaterstoffen.
gezien de overgangsperiode van de Wet bodembescherming naar de Omgevingswet zijn de resultaten vooralsnog aan beide kaders getoetst
3)
de toetsing aan het Regeling bodemkwaliteit betreft een indicatie van de hergebruiksmogelijkheden
In verband met een logistieke storing in het laboratorium is de conserveringstermijn voor naftaleen (als onderdeel van PAK) in mengmonster MMB01 overschreden. De overschrijding bedraagt slechts enkele dagen. In die tijd wordt het monster volgens de gangbare bewaarprocedure (gekoeld en donker) bewaard op het laboratorium. De invloed op het resultaat is daarmee beperkt. Daarnaast worden de overige PAK-verbindingen eveneens in zeer beperkte mate aangetoond. Gelet op de zeer beperkte afwijking en gelet op de analyseresultaten van de overige grond mengmonsters worden de resultaten representatief geacht.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
4.3.3 Grondwater De analyseresultaten van de grondwatermonsters zijn weergegeven in bijlage 5. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 11. Een samenvatting is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 4.12: samenvatting toetsingsresultaten grondwater peilbuis- monsternummer
filtertraject
code
motivatie
(m-mv)
toetsingsresultaten Bkl (Wbb) 1) < SP (> S)
< SP (> T)
> SP (> I)
barium
-
-
kobalt, nikkel,
cadmium
zink
deellocatie I: noordwestelijk terreindeel (ca. 5.040 m2) A18
A18-1-1
5,00 - 6,00
onderzoek grondwater
deellocatie II: zuidoostelijk terreindeel (ca 2.399 m2) B13
B13-1-1
4,50 - 5,50
onderzoek grondwater
xylenen Opmerkingen bij de tabel: 1)
gezien de overgangsperiode van de Wet bodembescherming naar de Omgevingswet zijn de resultaten vooralsnog aan beide kaders getoetst
4.4 Bespreking resultaten Zintuiglijke waarnemingen Zintuiglijk zijn bijmengingen aangetroffen in de grond met puin, bakstenen, beton en kolengruis. Noordwestelijk terreindeel Uit de analyseresultaten blijkt dat er in de grond enkel licht verhoogde gehaltes kobalt en in het grondwater enkel een licht verhoogd gehalte barium zijn aangetoond. Zuidoostelijk terreindeel Uit de analyseresultaten blijkt dat er in de grond enkel een licht verhoogd gehalte PAK is aangetoond. In het grondwater wordt de signaleringsparameter voor zink overschreden. Verder zijn er verhoogde gehaltes kobalt, nikkel, cadmium en xylenen aangetoond.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
5. Verkennend asbestonderzoek 5.1 Onderzoeksstrategie Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5707+C2 (december 2017). De te volgen strategie is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 5.1: strategie verkennend asbestonderzoek strategie 1)
veldwerkzaamheden maaiveldinspectie
inspectiegaten
analyses inspectiegaten
(0,3 x 0,3 m,
tot onderzijde
0,5 m-mv)
verdachte laag 2)
deellocatie V: terreindeel ten westen van wegdeel (ca. 3.130 m2) VED-HE
2 richtingen,
12
2
3 x asbest in grond
2
2 x asbest in grond
1
2 x asbest in grond
stroken 1,5 m deellocatie VI: terreindeel ten oosten van wegdeel (ca. 1.500 m2) VED-HE
2 richtingen,
10
stroken 1,5 m deellocatie VII: braakliggend terreindeel bij parkeerplaatsen (ca. 1.180 m 2) VED-HE
2 richtingen,
7
stroken 1,5 m Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring strategie: VED-HE
:
onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming.
2)
de gaten worden uitgevoerd tot aan de onderzijde van de verdachte laag met een maximum van 2 meter. Indien blijkt dat vanaf een bepaalde diepte het graven van gaten niet meer mogelijk is, worden boringen uitgevoerd met een diameter van tenminste 12 cm.
De analyses worden door een geaccrediteerd laboratorium uitgevoerd.
5.2 Uitvoering 5.2.1 Kwalibo Op de veldwerkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Voor dit onderzoek zijn de werkzaamheden uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 conform protocol 2018 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. In de volgende tabel zijn de namen weergegeven van de erkende veldwerkers, die voor onderhavig onderzoek het veldwerk hebben uitgevoerd.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
Tabel 5.2: erkende veldwerkers Tritium Advies veldwerker
datum uitvoering
nummers
24 en 25-10-2024
maaiveld
maaiveldinspectie T. van Wijk, L. Emaus (in opleiding) D. van der Laar, J. Matthijssen
27-11-2024
inspectiegaten (protocol 2018) T. van Wijk, L. Emaus (in opleiding) D. van der Laar, J. Matthijssen
24 en 25-10-2024 27-11-2024
A01 t/m A11, A21, Infil04 en Infil03 A22 t/m A33, B15 t/m B22
Conform BRL-SIKB 2000 zijn de veldwerkzaamheden getoetst op partijdigheid. De uitvoerder van het veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als dat van een onafhankelijk onderzoeksbureau.
5.2.2 Maaiveldinspectie Het maaiveld van de locatie was tijdens de maaiveldinspectie bedekt met vegetatie (lang gras, onkruid). Vanwege de toestand van het maaiveld wordt de efficiëntie van de maaiveldinspectie geschat op 90 - 100 %. Tijdens de maaiveldinspectie zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld.
5.2.3 Inspectiegaten en boorwerk De locaties van de inspectiegaten en boringen zijn weergegeven in bijlage 2. Tijdens de uitvoering van het veldwerk deden zich geen belemmeringen of bijzonderheden voor. De bij de werkzaamheden vrijkomende grond is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn de in de volgende tabel weergegeven waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging met asbest. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Voor de bodemopbouw wordt verwezen naar de profielbeschrijvingen in bijlage 3. Tabel 5.3: waarnemingen en bijzonderheden inspectiegat
traject
overige waarnemingen en
of boring
(m-mv)
bijzonderheden
einddiepte (m-mv)
A21
0,00 - 0,50
zwak puinhoudend
0,51
A24
0,20 - 0,50
zwak puinhoudend
1,00
A26
0,20 - 0,50
zwak puinhoudend
0,50
A27
0,30 - 0,50
matig puinhoudend
0,50
A28
0,20 - 0,50
zwak puinhoudend
0,50
A33
0,00 - 0,50
sporen baksteen
0,50
B15
0,00 - 0,50
zwak puinhoudend
0,50
B17
0,00 - 0,40
sporen puin
0,50
B18
0,00 - 0,50
zwak puinhoudend
0,50
B19
0,00 - 0,20
sporen puin
0,50
B20
0,00 - 0,40
zwak puinhoudend
0,50
B21
0,00 - 0,50
zwak puinhoudend
0,50
B22
0,00 - 0,50
zwak puinhoudend
0,50
Omdat er maar plaatselijk puin is aangetroffen bij deellocatie VI kon er maar één mengmonster samengesteld en geanalyseerd worden.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
5.2.4 Analyses De monsters zijn volgens de volgende tabel geanalyseerd. Tabel 5.4: geanalyseerde monsters vindplaats of
monster-
inspectiegat
code
traject
analyses
toelichting
(m-mv) 1)
deellocatie V: terreindeel ten westen van wegdeel (ca. 3.130 m2) A07, A08, A10,
Asbmm01
0,00 – 0,50
asbest in grond
zwak puinhoudend
Asbmm02
0,00 – 0,90
asbest in grond
sporen tot zwak puinhoudend
Asbmm03
0,00 – 0,50
asbest in grond
sporen tot zwak puinhoudend
A11 A04, A05, A06, A21 A01, A02, Infil03
deellocatie VI: terreindeel ten oosten van wegdeel (ca. 1.500 m2) A24, A26, A27,
Asbmm07
0,20 – 0,50
asbest in grond
zwak tot matig puinhoudend
A28 deellocatie VII: braakliggend terreindeel bij parkeerplaatsen (ca. 1.180 m 2) B15, B17, B19
Asbmm08
0,00 – 0,50
asbest in grond
sporen tot zwak puinhoudend
B18, B20, B21,
Asbmm09
0,00 – 0,50
asbest in grond
sporen tot zwak puinhoudend
B22 Opmerkingen bij de tabel: 1)
in geval er sprake is van een monster dat samengesteld is uit deelmonsters, betreft het aangegeven traject de minimale en maximale diepte van de deelmonsters in het betreffende mengmonster.
5.3 Analyseresultaten 5.3.1 Toetsingskader De analyseresultaten van de grond worden vergeleken met het momenteel geldende toetsingskader. Toetsingskader Bal De analyseresultaten van de grond worden vergeleken met de interventiewaarde bodemkwaliteit uit bijlage IIa van het Besluit activiteiten leefomgeving. Een toelichting op het toetsingskader is weergegeven in bijlage 9.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
5.3.2 Analyseresultaten De analyseresultaten zijn weergegeven in bijlage 6. De berekening van de totale gewogen gehalte asbest is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 5.5: berekening gewogen gehalte vindplaats of
traject
monster-
inspectiegat
(m-mv)
code
omschrijving
gehalte asbest (mg/kg d.s.) fractie
fractie
totaal
< 20 mm 1)
> 20 mm
gewogen 2)
deellocatie V: terreindeel ten westen van wegdeel (ca. 3.130 m2) A07, A08, A10, A11
0,00 – 0,50 Asbmm01
zwak puinhoudend
<2
n.a.
<2
A04, A05, A06, A21
0,00 – 0,90 Asbmm02
sporen tot zwak puinhoudend
<2
n.a.
<2
A01, A02, Infil03
0,00 – 0,50 Asbmm03
sporen tot zwak puinhoudend
<2
n.a.
<2
<2
n.a.
<2
deellocatie VI: terreindeel ten oosten van wegdeel (ca. 1.500 m2) A24, A26, A27, A28
0,20 – 0,50 Asbmm07
zwak tot matig puinhoudend
deellocatie VII: braakliggend terreindeel bij parkeerplaatsen (ca. 1.180 m 2) 0,00 – 0,50 Asbmm08
sporen tot zwak puinhoudend
<2
n.a.
<2
B18, B20, B21, B22 0,00 – 0,90 Asbmm09
sporen tot zwak puinhoudend
<2
n.a.
<2
B15, B17, B19
Opmerkingen bij de tabel: 1)
gehalte op analysecertificaat
2)
dit gehalte is bepaald op basis van een verkennend onderzoek en betreft derhalve een indicatieve waarde.
n.a.:
niet aangetroffen
Wel zijn in Asbmm09, in de fractie < 0,5 mm, met de optische lichtmicroscoop twee verdachte vezels (chrysotiel en amosiet) waargenomen. Omdat het gehalte aan asbest ruim onder de hergebruiksnorm blijft wordt de uitvoering van een SEM-analyse op deze fractie niet zinvol geacht. Mogelijk zijn deze vezels vrijgekomen bij het voorbehandelingsproces in het laboratorium. Derhalve zijn geen aanvullende maatregelen ten aanzien van asbest vereist.
5.4 Bespreking resultaten Uit de analyseresultaten blijkt dat er binnen het plangebied in de puinhoudende grond geen asbest is aangetoond boven de detectiegrens van 2 mg/kg d.s. asbest. In een enkel mengmonster van de puinhoudende bovengrond nabij de parkeerplaatsen zijn twee asbestverdachte vezels aangetoond. Omdat het gehalte aan asbest ruim onder de hergebruiksnorm blijft wordt de uitvoering van een SEM-analyse op deze fractie niet zinvol geacht. Mogelijk zijn deze vezels vrijgekomen bij het voorbehandelingsproces in het laboratorium. Derhalve zijn geen aanvullende maatregelen ten aanzien van asbest vereist.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
6. Civieltechnisch grondonderzoek 6.1 Onderzoeksstrategie De veldwerkzaamheden worden gecombineerd uitgevoerd met het verkennend bodemonderzoek (zie hoofdstuk 4). Van de relevante bodemlagen wordt indicatief de civieltechnische kwaliteit bepaald. Een overzicht van de uit te voeren werkzaamheden is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 6.1: strategie civieltechnisch bodemonderzoek deellocatie
Omschrijving
boorwerk
analyses 1,2)
gehele
bovengrond (0,0 – 1,0 m-mv)
combinatie met verkennend
1 x SCG
onderzoekslocatie
ondergrond (1,0 - 2,0 m-mv)
bodemonderzoek
1 x SCG
diepere ondergrond (2,0 - 3,0 m-mv)
1 x SCG
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: SCG
:
SCG-zeefkromme bestaande uit gehalte organische stof en fractiebepaling (<2 µm, <16 µm, <20 µm, <32 µm, <50 µm, <63 µm, <125 µm, <250 µm, <500 µm, <1 mm, <2 mm en >2 mm).
2)
Analyses voor het civieltechnisch onderzoek worden uitgevoerd in combinatie met de analyses voor het infiltratieonderzoek.
6.2 Uitvoering Het veldwerk is tegelijkertijd uitgevoerd met het verkennend onderzoek. De plaats van de boringen is weergegeven in bijlage 2. De profielbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage 3. Uit de boorprofielen blijkt dat de vaste bodem op de locatie globaal tot 1,0 m-mv bestaat uit matig fijn en zwak siltig humeus zand. Vanaf 1,0 tot 6,0 m-mv (maximaal verkende diepte) bestaat de bodem voornamelijk uit matig fijn, zwak ziltig, niet humeus zand met plaatselijke klei(houdende) lagen. Puinhoudende grond en leemlagen komen in principe niet voor civieltechnisch hergebruik in aanmerking. De grondmonsters zijn volgens de volgende tabel geanalyseerd door AL-West te Deventer. Tabel 6.2: geanalyseerde grondmonsters (civieltechnisch onderzoek) monster-
Boringen
code
traject
analyses
omschrijving laag
(m-mv)
MMSCG01
Infil01, Infil02
0,50 - 1,00
SCG
zintuiglijk schone humeuze bovengrond
MMSCG02
Infil01, Infil03, Infil05
1,00 - 2,00
SCG
zintuiglijk schoon zand ondergrond
MMSCG03
Infil01, Infil02, Infil03, Infil04,
2,00 - 2,80
SCG
zintuiglijk schoon zand diepere ondergrond
Infil05, Infil06 Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: SCG
:
SCG-zeefkromme bestaande uit gehalte organische stof en fractiebepaling (<2 µm, <16 µm, <20 µm, <32 µm, <50 µm, <63 µm, <125 µm, <250 µm, <500 µm, <1 mm, <2 mm en >2 mm).
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
6.3 Analyseresultaten 6.3.1
Toetsingskader
De analyseresultaten van de grondmonsters zijn vergeleken met de normen in de RAW 2010, hoofdstuk 22 'Grondwerken algemeen', paragraaf 6 'Bouwstoffen'. Voor een nadere toelichting op het gehanteerde toetsingskader wordt verwezen naar bijlage 9.
6.3.2
Resultaten grond
De analyseresultaten van de grondmonsters zijn weergegeven in bijlage 8. De toetsing van de analyseresultaten van de grondmonsters aan de RAW-normen is weergegeven in bijlage 12. Een samenvatting is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 6.3: samenvatting toetsingsresultaten grond monster-
omschrijving laag
code
traject (m-mv)
toetsing aanvulling of
draineerzand
ophoging
zand in zandbed
MMSCG01
matig fijn, zwak siltig, zwak humeus zand
0,50 - 1,00
voldoet
voldoet niet
voldoet niet
MMSCG02
matig fijn, zwak siltig zand
1,00 - 2,00
voldoet
voldoet niet
voldoet niet
MMSCG03
matig fijn, zwak siltig zand
2,00 - 2,80
voldoet
voldoet niet
voldoet
6.4 Bespreking resultaten Uit de interpretatie van de analyseresultaten blijkt het vrijkomende zanderige materiaal uit de humeuze bovengrond en de ondergrond tussen 1,00 en 2,00 m-mv indicatief herbruikbaar te zijn als ‘zand in aanvulling of ophoging’. Deze bodemlagen komen niet in aanmerking voor ‘zand in zandbed’ of als ‘draineerzand’. De niet-humeuze zandlaag tussen 2,00 en 2,80 m-mv blijkt indicatief herbruikbaar te zijn als ‘zand in aanvulling of ophoging’ en voor ‘zand in zandbed’, maar niet als ‘draineerzand’.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
7. Doorlatendheidsonderzoek 7.1 Onderzoeksstrategie Het doorlatendheidsonderzoek is gebaseerd op module C2510 ‘Doorlatendheidsonderzoek voor infiltratie en drainage’ van de Leidraad Riolering (maart 2015). Voor de onderzoeksstrategie is uitgegaan van een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) dieper dan 1,5 m-mv. De werkzaamheden zijn weergegeven in de volgende tabel. Tabel 7.1: strategie doorlatendheidsonderzoek deellocatie
oppervlakte
boorwerk 2)
gehele locatie
Ca. 7.740 m2
6 x (4 m-mv)
analyses 1, 2)
veldproeven onverzadigde zone
verzadigde zone
6 x constant head
-
3 x SCG
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: SCG
:
SCG-zeefkromme bestaande uit gehalte organische stof en fractiebepaling (<2 µm, <16 µm, <20 µm, <32 µm, <50 µm, <63 µm, <125 µm, <250 µm, <500 µm, <1 mm, <2 mm en >2 mm).
2)
wordt gecombineerd met het verkennend bodemonderzoek.
Boringen Bij het uitvoeren van de veldwerkzaamheden wordt aandacht besteed aan de volgende bodemkundige hydrologische aspecten: •
de samenstelling, structuur, textuur en kleur van het bodemmateriaal;
•
de historische GHG en de GLG op basis van gleyverschijnselen (roest en reductie);
•
de diepte en dikte van eventueel aanwezige leemlagen;
•
de actuele grondwaterstand.
onverzadigde zone Voor het bepalen van de doorlatendheid in de onverzadigde zone worden in representatieve zandlagen ‘constant head proeven’ uitgevoerd. Afhankelijk van de omstandigheden wordt hierbij gebruik gemaakt van de ringmeting, Aardvark of omgekeerde boorgat-methode. Voor het bepalen van de doorlatendheid worden van drie representatieve zandlagen de korrelgrootteverdeling bepaald (SCG zeefkromme). Op basis hiervan kan een (theoretische) benadering van de doorlatendheid van de bodem worden afgeleid (k-waarde).
7.2 Uitvoering De boringen zijn tegelijkertijd uitgevoerd met het verkennend bodemonderzoek (zie hoofdstuk 4). Voor de bodemopbouw wordt verwezen naar de profielbeschrijvingen in bijlage 3. Globale bodemopbouw De plaats van de boringen en uitgevoerde metingen is weergegeven in bijlage 2. De boorprofielen zijn weergegeven in bijlage 3. Uit de boorprofielen blijkt dat de vaste bodem op de locatie globaal tot 1,0 m-mv bestaat uit matig fijn en zwak siltig humeus zand. Vanaf 1,0 tot 6,0 m-mv (maximaal
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
verkende diepte) bestaat de bodem voornamelijk uit matig fijn, zwak ziltig, niet humeus zand met plaatselijke klei(houdende) lagen. Gleyverschijnselen Uit de profielbeschrijvingen in bijlage 3 blijkt dat op de locatie roestverschijnselen zijn aangetroffen vanaf gemiddeld 2,70 m-mv. Grondwaterstand Een overzicht van de op de locatie gemeten grondwaterstanden is weergegeven in de volgende tabel. Opgemerkt wordt dat deze metingen een momentopname betreft. Tabel 7.2: overzicht grondwaterstanden datum
grondwaterstand
peiling
A18
B13
(5,00 – 6,00 m-mv)
(4,50 – 5,50 m-mv)
24-10-2024
4,50 m-mv
4,00 m-mv
01-11-2024
4,50 m-mv
4,06 m-mv
7.3 Analyses De analysestrategie is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 7.3: geanalyseerde monsters monster-
traject
deelmonsters
analyses 2)
motivatie
1)
code
(m-mv)
MMSCG01
0,50 - 1,00
Infil01 (0,50 - 0,80), Infil02 (0,50 - 1,00)
SCG
MMSCG02
1,00 - 2,00
Infil01 (1,50 - 2,00), Infil03 (1,00 - 1,50),
SCG
zintuiglijk schone humeuze bovengrond
Infil05 (1,30 - 1,80) MMSCG03
2,00 - 2,80
Infil01 (2,00 - 2,50), Infil02 (2,20 - 2,70), Infil03 (2,00 - 2,50), Infil04 (2,20 - 2,50),
zintuiglijk schoon zand ondergrond
SCG
zintuiglijk schoon zand diepere ondergrond
Infil05 (2,30 - 2,80), Infil06 (2,00 - 2,50) Opmerkingen bij de tabel: 1)
het aangegeven traject betreft de minimale en maximale diepte van de deelmonsters in het betreffende mengmonster.
2)
verklaring analyses: SCG
:
fractiebepaling volgens SCG (fracties 2 µm, <16 µm, <20 µm, <32 µm, <50 µm, <63 µm, <125 µm, <250 µm, <500 µm, <1 mm, <2 mm en >2 mm) en gehalte organisch stof.
7.4 Resultaten 7.4.1 Toetsingskader Om te beoordelen of infiltratie van hemelwater mogelijk is, zijn de gemeten k-waarden vergeleken met figuur 16 in publicatie 70.1 “Omgaan met hemelwater binnen de perceelgrens” van het Kennisinstituut Bouw- en Installatietechniek (ISSO). Volgens deze figuur is infiltratie mogelijk bij een Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) vanaf 0,7 m-mv en een k-waarde groter dan 2 meter per dag. Wadi’s zijn hiervan uitgezonderd. Bij een k-waarde kleiner dan 2 meter per dag kunnen aanvullende maatregelen (zoals grondverbetering) noodzakelijk zijn. Uit de module C2510
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
‘Doorlatendheidsonderzoek voor infiltratie en drainage’ van de Leidraad Riolering (maart 2015) blijkt het volgende. •
Goed doorlatend: matig grof zand tot grind (indicatief > 5 m/d);
•
Matig doorlatend: zandige leem en matig fijn zand (indicatief 1-5 m/d);
•
Slecht doorlatend: klei, zandige klei en leem zonder bijmenging (indicatief < 1 m/d).
7.4.2 Resultaten Grondwaterstand (GHG & GLG) Tijdens het uitvoeren van de infiltratiemetingen op 1 november 2024 is de grondwaterstand op een diepte van minimaal 4,00 m-mv waargenomen. Op basis van de gemeten grondwaterstand, de gegevens van Dinoloket en de waargenomen gleyverschijnselen in de bodemopbouw wordt de GHG op de locatie tussen de 3,0 en 4,0 m-mv geschat. De GLG op de locatie wordt geschat op dieper dan 4,00 m-mv. Doorlatendheidsproeven en analyses Op basis van de meetgegevens van de veldproeven en de analyseresultaten, is de doorlaatfactor (k-waarde) van de bodem bepaald. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 14 (zeefkrommen en velproeven). De doorlatendheden (k-waarden) gemeten door de aardvark zijn bepaald op basis van drie opeenvolgende metingen binnen een bepaalde range van wateropname (voor details zie bijlage 14). Een samenvatting van de gemeten doorlatendheden is weergegeven in de volgende tabellen. Tabel 7.4: overzicht gemeten doorlatendheden veldproeven (k-waarden) meting
boring
omschrijving bodemlaag
diepte meting
doorlaatfactor (k-waarde)
(m-mv) onverzadigde zone (constant head - aardvark) Inf01a
Infil01
matig fijn, zwak siltig, zwak humeus,
0,40
0,03
1,10
0,06
zwak grindhoudend zand Inf01b
Infil01
matig fijn, zwak siltig, brokken klei, zwak grindhoudend zand
Inf02
Infil02
matig fijn, kleiig zand
1,30
0,24
Inf03
Infil03
matig fijn, zwak siltig zand
0,90
4,33
Inf05
Infil05
matig fijn, zwak siltig zand
2,20
20,05
Inf06
Infil06
matig fijn, zwak siltig zand
3,25
44,53
Tabel 7.5: overzicht theoretische doorlatendheden zeefkrommen (k-waarden) meting
omschrijving bodemlaag
traject (m-mv)
doorlaatfactor, (k-waarde) gemiddeld (m/dag) 1)
spreiding minimum
maximum
(m/dag)
(m/dag)
-
0,0
3,2
analyseresultaten SCG-zeefkrommen MMSCG01
zintuiglijk schone humeuze bovengrond
0,50 - 1,00
MMSCG02
zintuiglijk schoon zand ondergrond
1,00 - 2,00
-
0,0
6,1
MMSCG03
zintuiglijk schoon zand diepere ondergrond
2,00 - 2,80
8,9
7,7
11,5
Opmerkingen bij de tabel: 1)
de doorlaatfactor is berekend door middel van de formules Ernst, Hazen en Beyer.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
7.5 Bespreking resultaten De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit matig fijn, zwak siltig zand (in de bovengrond humeus, en plaatselijk klei houdend). Op basis van de tijdens het veldwerk waargenomen gleykenmerken (roest) en grondwaterstand, wordt op de locatie een GHG verwacht tussen 3,0 en 4,0 m-mv. Deklaag Uit de meetresultaten blijkt dat de doorlatendheid van de deklaag (humeuze, kleiige grond met mogelijke bijmengingen) tot gemiddeld 1,50 m-mv slecht doorlatend is te noemen (k-waarde 0,03 tot 0,24 m/dag). De theoretische doorlatendheid op basis van de SCG-zeefkromme van deklaag (ca. 0,00 - 1,50 mmv) bedraagt maximaal 3,2 m/d en is matig te noemen. De k-waarde van de zeefkromme SCG01 valt (veel) hoger uit dan de gemeten k-waarden van de veldproeven. Een reden hiervoor is dat bij k-waarde bepaling aan de hand van een korrelverdelingsanalyse er ondermeer geen rekening wordt gehouden met de gelaagdheid van de bodem en de pakking van de bodem. De k-waarde bepaling aan de hand van een korrelverdelingsanalyse is vaak een overschatting en dient te worden beschouwd als een indicatie. De gemeten k-waarden van de veldproeven worden derhalve als representatiever beschouwd. Diepere zandlagen De doorlatendheid van het zintuiglijk schone zand in de ondergrond (vanaf gemiddeld 1,5 m-mv) is matig tot (zeer) goed te noemen (k-waarde 4 tot 45 m/dag).
De theoretische doorlatendheid op basis van de SCG-zeefkromme van ondergrond (vanaf ca. 1,5 m-mv) bedraagt gemiddeld 8,9 m/d en is eveneens goed te noemen.
documentkenmerk: 2400632DR-01, versie 0
8. Voorlopige veiligheidsklasse bepaling 8.1 Toetsingskader Om te bepalen of bij toekomstige werkzaamheden werknemers worden blootgesteld aan een bodemverontreiniging, wordt aan de hand van de analyseresultaten de voorlopige veiligheidsklasse bepaald volgens de CROW 400. Voor een nadere toelichting op het gehanteerde toetsingskader wordt verwezen naar bijlage 9. De (voorlopige) bepaling van deze veiligheidsklassen is weergegeven in bijlage 15.
8.2 Bespreking resultaten Uit de toetsing blijkt dat voor werkzaamheden in de grond geen veiligheidsklasse van toepassing is (basishygiëne). De aangetoonde gehaltes asbest, in zowel de grond als het fundering materiaal bedragen gehalten beneden de helft van de hergebruikswaarde. Derhalve zijn geen aanvullende maatregelen ten aanzien van asbest vereist. Opgemerkt wordt dat de veiligheidsklasse niet automatisch bepaalt welke maatregelen getroffen dienen te worden, maar een indicatie vormt voor de veiligheidskundige om te bepalen welke maatregelen passend zijn tijdens de uitvoering van de (civieltechnische) werkzaamheden. De definitieve veiligheidsklasse dient te worden bepaald door een veiligheidskundige.