Bijlage 1, Begroting 2023 BsGW + ter info jaarrekening 2021.pdf
Tekst van het document
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 72 van 78
Omgevingswet Met de Omgevingswet wil de overheid de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigen en samenvoegen. De vereenvoudiging heeft ook tot gevolg dat er meer vergunningsvrij gebouwd of verbouwd kan worden. BsGW zal hierdoor minder informatie over wijzigingen in de leefomgeving kunnen halen uit vergunningen en meldingen. Teneinde deze veranderingen te kunnen faciliteren, wordt het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) opgezet en stapsgewijs ontwikkeld. Het DSO dient per 2024 volledig operationeel te zijn. BsGW raadpleegt momenteel andere bronnen zoals bijvoorbeeld luchtfotovergelijking. BsGW voorziet dan ook dat de verwerking van de vergunningsvrije bouwmutaties arbeidsintensiever is dan de huidige werkwijze, zeker in de overgangsperiode. In het kader van het project waarderen op gebruiksoppervlakte heeft er een nulmeting/mutatiedetectie plaatsgevonden waardoor deze mutaties in beeld worden gebracht. Voor de toekomst zullen hierover afspraken gemaakt dienen te worden. Een en ander ligt in lijn met de beheerfase van het project waarderen op gebruiksoppervlakte én in het verlengde van de Samenhangende Objecten Registratie (zie hieronder). Samenwerking / nieuwe deelnemers in BsGW Schaalvergroting op het gebied van belastingheffing en invordering heeft zowel financieel als qua kwaliteit van de dienstverlening een heel direct effect.
Waterschap Limburg en 29 Limburgse gemeenten zijn onderdeel van de samenwerking. Slechts twee gemeenten in het werkgebied van BsGW zijn geen deelnemer. Eventuele groei heeft dan ook geen groot toekomstig (financieel) effect voor de zittende deelnemers. Samenhangende Objecten Registratie (SOR) Een samenhangende objectenregistratie (SOR) is een uniforme registratie met daarin basisgegevens over objecten in de fysieke werkelijkheid die zich voor gebruikers als één registratie gedraagt. Daaronder verstaan we objecten die in het terrein zichtbaar zijn, zoals gebouwen, wegen, water, spoorlijnen en bomen, terreindelen, aangevuld met enkele (administratieve) objecten als woonplaatsen, gemeentegrenzen en openbare ruimten. In de objectenregistratie gaan in ieder geval de objecten van de basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) en de basisregistratie grootschalige topografie (BGT) op. Daarnaast is het de bedoeling dat ook het gedeelte van de WOZ-administratie waarin objectgegevens zijn opgenomen en een aantal basisgegevens uit aanpalende registraties in de objectenregistratie worden opgenomen. Ook het project waarderen op gebruiksoppervlakte toont aan dat de WOZ-data alleen in samenhang met de BGT en de BAG kan plaatsvinden.
Naast de ketenprocessen met betrekking tot bouwen sloopvergunningen, is jaarlijkse mutatiedetectie op basis van luchtfoto’s en puntenwolken noodzakelijk om de administratieve en geometrische data actueel en in lijn te houden. Kortom, de trigger van de beheerprocessen van WOZ, BAG en BGT zijn vaak hetzelfde. Het is dan ook het onderzoeken waard of dit niet centraal belegd zou moeten worden. De ontwikkeling naar een SOR heeft gevolgen voor zowel BsGW als voor haar deelnemers en aan de deelnemers gelieerde partijen, zoals gegevenshuizen. Het is inefficiënt en onwenselijk om op meerdere plaatsen dezelfde of nagenoeg dezelfde gegevens te verzamelen en te verwerken. Dit staat immers haaks op de doelstelling van juist één unieke registratie. In juni 2020 heeft het Dagelijks Bestuur aangegeven een businesscase op te laten stellen door een onafhankelijk adviesbureau met betrekking tot de vraag waar en hoe de samenhangende objectenregistratie voor de deelnemers het beste belegd kan worden.
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 73 van 78
De kosten voor het uitvoeren van de businesscase zullen binnen de begroting van BsGW opgevangen worden dan wel (afhankelijk van de vervolgstappen voortvloeiend uit deze businesscase) worden opgenomen in een projectbegroting. Het is evenwel de vraag of de beoogde ingangsdatum van 1 januari 2025 van de SOR realistisch is. Op nationaal niveau is in grote mate overeenstemming over de inhoud en architectuur van de SOR. Dat geldt evenwel niet voor de governance en financiering van de implementatie en het beheer van de SOR. Uit oogpunt van zekerheid en continuïteit wordt het regieportaal begrotingstechnisch ook voor de jaren 2025 tot en met 2027 gecontinueerd. Alle projectmatige activiteiten met betrekking tot de SOR zijn in dit kader tot nader order door het bestuur opgeschort. Dit ook om onnodige projectkosten (o.a. de inzet van Berenschot) te voorkomen. Het is afwachten welke keuzes het nieuwe kabinet hierin gaat maken. Unie van Waterschappen: onderzoek houdbaarheid belastingstelsel De Commissie Aanpassing Belastingstelsel (CAB) van de Unie van Waterschappen onderzoekt of het huidige belastingstelsel van de waterschappen op de middellange termijn houdbaar is. In mei 2018 is het definitieve rapport van de commissie opgeleverd, met voorstellen tot wijziging van de waterschapsbelastingen.
Een nieuw belastingstelsel voor de waterschappen gebaseerd op het principe ‘de vervuiler betaalt en de gebruiker betaalt’. Op basis van de bevindingen van de commissie heeft het Uniebestuur in juni 2018 een voorstel voor een nieuw belastingstelsel voorgelegd aan de waterschappen. In de ledenvergadering van de Unie van Waterschappen van 13 december 2019 is besloten dat het traject om tot een aanpassing van het belastingstelsel van de waterschappen te komen een vervolg krijgt. Er zijn enkele voorstellen tot aanpassing van de watersysteemheffing opgesteld en naar het ministerie gestuurd, hetgeen uiteindelijk zal moeten leiden tot een wetswijziging. Daarna moet e.e.a. in de verordeningen worden verwerkt. Schatting is dat voornoemde pas voor het eerst in werking treedt voor de feitelijke heffing belastingjaar 2025. Waardering zonnepanelen voor de WOZ-waarde Bij de behandeling van het Belastingplan 2019 is de regering bij motie (kamerleden Lodders/Van Weyenberg) verzocht een voorstel te ontwikkelen waarmee zonnepanelen standaard buiten de OZB gehouden worden (vrijstelling). Daarbij werd gevraagd te onderzoeken hoe vormen van verduurzaming in de toekomst niet ontmoedigd worden door hogere lokale lasten. Minister Ollongren geeft in een brief van 14 januari 2021 aan de Tweede Kamer aan, dat een wettelijke belastingvrijstelling via de OZB of de WOZ de nodige uitvoeringsproblemen kent.
Een subsidie of ‘groene’ heffingskorting is volgens haar een betere oplossing. Op 22 juli 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het ministerie van BZK, een aantal gemeenten en de VNG. Daaruit blijkt dat gemeenten hier het subsidie-instrument desgewenst al langer en naar tevredenheid gebruiken. Er is bij gemeenten geen behoefte aan aanvullende maatregelen. Momenteel is de minister met gemeenten in gesprek over het eventueel invoeren van een groene heffingskorting voor het gebruik van zonnepanelen. Vergroening belastingen Er is momenteel veel aandacht voor het vergroenen van belastingen. Te denken valt hierbij aan begunstigend beleid voor het vaststellen van belastingtarieven indien belanghebbenden maatregelen treffen om bij te dragen aan een beter milieu.
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 74 van 78
Concrete ideeën hierin zijn minder rioolbelasting indien tuinen worden vergroend door bestrating achter wege te laten en het afkoppelen van regenwaterafvoer op het riool. Indien deelnemers verordeningen hierop willen aanpassen, is het raadzaam om al in een vroeg stadium aandacht te hebben voor het – in samenwerking met BsGW - in kaart brengen van de (financiële) haalbaarheid en uitvoerbaarheid van deze maatregelen. Het hiervoor genoemde standaardisatietraject mag hierbij niet uit het oog worden verloren. Voor dit moment is het aan te bevelen om in de betreffende verordeningen nog niets vast te leggen met betrekking tot maatregelen die de duurzaamheid bevorderen. Er heerst nog te veel onduidelijkheid. BsGW adviseert gemeenten om burgers en bedrijven op een andere manier tegemoet te komen indien deze energiebesparende maatregelen nemen. Wanneer nu nog niets in de verordeningen opgenomen wordt kunnen extra bezwaren/beroepen en de mogelijk daarmee samenhangende proceskosten voorkomen worden. Wordt er wel iets vastgelegd in de verordeningen, dan kan er voor beroepsmatig gemachtigden, die zich gespecialiseerd hebben in het voeren van procedures tegen WOZ-waarden, een vruchtbaar klimaat ontstaan.
Amendement Omtzigt: verruimde tariefdifferentiatie OZB Door een aangenomen amendement (14-11-2018) van kamerlid Omtzigt op het Belastingplan 2019 hebben gemeenten de vrijheid gekregen om voor sportaccommodaties, dorpshuizen en andere 'instellingen van sociaal belang' het woningtarief voor de OZB te rekenen in plaats van het vaak hogere tarief voor niet-woningen. Deze voorgestelde wetswijzing roept veel vragen op die niet eenvoudig te beantwoorden zijn. Het is namelijk de vraag of de toepassing van het lagere OZB-tarief wel het juiste middel is ter ondersteuning, gelet op de uitvoerbaarheid en mogelijke rechtsongelijkheid die door de maatregel ontstaat. Te meer er ook andere mogelijkheden beschikbaar zijn zoals het verstrekken van een subsidie. Naar aanleiding van de vragen die hierover zijn gesteld en de reactie van de Minister geeft de VNG aan dat de mogelijkheid bestaat dat er een wetswijziging nodig is om een einde te maken aan de onduidelijkheid. Dit traject heeft een doorlooptijd van ongeveer 2 jaar. Het toepassen van tariefdifferentiatie brengt namelijk financiële risico’s met zich mee en kan leiden tot juridische procedures. Omdat de risico’s thans niet goed te overzien zijn, adviseert de VNG te wachten met het toepassen van tariefdifferentiatie tot de gewenste duidelijkheid er is.
De Minister van BZK heeft de vragen beantwoord en gaat met de VNG op zoek naar mogelijke en wenselijke oplossingen. Dit gebeurt op basis van een inventarisatie van de VNG van de door gemeenten ervaren knelpunten. Feit blijft dat zolang de betreffende wetgeving aan de voorzijde niet wordt afgedicht het risico op een substantieel aantal gerechtelijke procedures en proceskostenvergoedingen hoog is. Op 22 juli 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het ministerie van BZK, de VNG en een aantal gemeenten. Daaruit blijkt dat gemeenten hier het subsidie-instrument desgewenst al langer en naar tevredenheid gebruiken. Er is bij gemeenten geen behoefte aan aanvullende maatregelen.
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 75 van 78
Wet modernisering elektronisch berichtenverkeer Op 1-1-2023 zal de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer in werking treden. Het wetsvoorstel geeft de burger recht om elektronisch berichten aan een bestuursorgaan te zenden op een door het bestuursorgaan bepaalde wijze. Voor BsGW betekent dit dat BsGW haar klanten meer opties moet bieden in de keuze van welk klantkanaal men gebruik wenst te maken. Daartoe dient een verdere digitalisering van in– en uitgaande documentstromen mogelijk te worden gemaakt. Bij het schrijven van deze ontwerpbegroting is BsGW bezig met nadere verkenningen. In dit kader krijgen marktpartijen de gelegenheid om hun meerwaarde te presenteren. Hierbij wordt ook gebruik van ervaringen van collega-samenwerkingsverbanden. Het is in dit stadium nog niet mogelijk om een kostenvergelijking (meerkosten digitalisering vs. minderkosten formatie-inzet) op te stellen. Koepelvrijstelling van de BTW Op dit moment loopt, naar aanleiding van enkele uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie, nog steeds een discussie of de koepelvrijstelling in de btw beperkter moet worden toegepast dan tot nu toe gebruikelijk was. Het gaat om de uitleg of de koepelvrijstelling in de btw alleen geldt voor de in de Btw-richtlijn met name genoemde activiteiten.
Door deze uitspraken zou de koepelvrijstelling alleen nog maar voor specifiek benoemde prestaties van algemeen belang gelden, zoals medische zorg, ziekenhuisverpleging, maatschappelijk werk en sociale zekerheid, prestaties door bejaardentehuizen en het geven van onderwijs. Daardoor zou deze vrijstelling, zoals die in Nederland wordt toegepast, sterk worden ingeperkt. De zorg voor een goede en veilige waterhuishouding zou bijvoorbeeld niet meer als prestatie van algemeen belang gelden. Als gevolg daarvan zouden typische waterschapstaken en belastingheffing en -inning, die niet zelfstandig door het waterschap maar bijvoorbeeld met andere overheden in de vorm van een gemeenschappelijke regeling (GR) worden uitgevoerd, niet meer onder de koepelvrijstelling vallen, met als gevolg dat de bijdrage van het waterschap in de uitvoeringskosten van de GR met 21% wordt verhoogd. Vanuit de Unie van Waterschappen is aangegeven dat deze nadelige financiële consequenties ongewenste gevolgen hebben voor de samenwerking tussen overheden. De Staatssecretaris heeft op 7 juni 2018 aangegeven dat het Kabinet, samen met andere Europese lidstaten, zich hard gaat maken voor reparatie via Europese regelgeving.
In dat verband is namens het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Ministerie van Financiën (in overleg met de Unie van Waterschappen, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten) in het najaar van 2018 een onderzoek uitgevoerd naar de impact van de mogelijke inperking van de koepelvrijstelling. In afwachting van reparatie via Europese regelgeving is de eerder aangekondigde inperking van de koepelvrijstelling per 1 januari 2019 opgeschort. Wel blijkt dat de Belastinginspecteurs hier verschillend mee omgaan. Specifiek voor het Waterschapshuis is deze koepelvrijstelling met ingang van 2019 komen te vervallen. Het Waterschapshuis heeft in dat verband beroep ingesteld. Het toepassen van de koepelvrijstelling is door een uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2019, zaaknummer 17/03824 verder onder druk komen te staan. Eind 2020 heeft het Europese Hof van Justitie bevestigd dat uit vaste jurisprudentie blijkt dat btwvrijstellingen in beginsel strikt moeten worden uitgelegd, maar dat de toepassing van een vrijstelling te allen tijde sterk afhankelijk blijft van de feitelijke omstandigheden van het geval. Vooralsnog is er momenteel geen zicht op een datum waarop de koepelvrijstelling wordt ingeperkt, noch een datum waarop Europese regelgeving ten aanzien van deze vrijstelling is te verwachten.
Ondertussen blijft er jurisprudentie ontstaan met betrekking tot de koepelvrijstelling. Van recente datum is
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 76 van 78
de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 12 augustus 2021 en de toelichting van de Staatssecretaris van Financiën van 23 september 2021 op het niet instellen van beroep in cassatie tegen deze uitspraak. Het blijft vooralsnog wachten op (Europese) regelgeving.
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 77 van 78
Bijlage 14. Harmonisatie: tijdslijn Fase 1: Inventarisatie diensten per gemeente -
Start op: 01-10-2021
-
Eindigt op: 31-12-2021
Fase 2: Interactief Harmonisatieproces -
Start op: 01-04-2022
-
Eindigt op: 31-12-2022
Keuzemoment -
Start op: 01-01-2023
-
Eindigt op: 30-06-2023
Fase 3: De nieuwe kostenverdeelmethode -
Start op: 01-01-2023
-
Eindigt op: 31-12-2023
Keuzemoment -
Start op: 01-10-2023
-
Eindigt op: 31-03-2024
Fase 4: Implementatie en uitvoering Implementatie: -
Start op: 01-04-2024
-
Eindigt op: 30-09-2024
Uitvoering: -
Start op: 01-01-2025
Fase 5: Monitoring -
Start op: 01-01-2025
-
Eindigt op: 31-12-2027
Fase 6: Evaluatie -
Start op: 01-01-2028
-
Eindigt op: 31-03-2028
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 78 van 78
BsGW
Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen
Kerkeveldlaan 2 6042 JX Roermond Postbus 1275 6040 KG Roermond T: 088 8420 444 W: www.bsgw.nl KvK-nr.: 52426297
Aan het algemeen bestuur van het Waterschap Limburg en de raden van de in de GR BsGW deelnemende gemeenten
BS22.0209 1
Telefoonnummer:
Bijlage(n):
E-mail:
Bedrijfsvoering/P&C V. Heijmans-van Birgelen 06-22993395 v.heijmans@bsgw.nl
Onderwerp:
Kadernota 2023
Datum:
24-02-2022
Uw kenmerk:
Afdeling:
Uw brief van:
Behandeld door:
Ons kenmerk:
Geachte Raad, geacht bestuur, Hierbij bieden wij u de kadernota 2023 van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW) aan. Overeenkomstig artikel 67a van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen ontvangen de raden van de deelnemende gemeenten en de algemeen bestuur van het deelnemend waterschap vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders. In haar besluit d.d. 24-09-2015 heeft het bestuur van BsGW besloten de vastgestelde kadernota 2023 gelijktijdig met de ontwerpbegroting 2023 en ontwerp-meerjarenraming 2023-2027 te verzenden aan de deelnemers. Het Dagelijks Bestuur BsGW
Roermond, 24-02-2022
N.M.J.G. Lebens, directeur
M.H.E. Pelzer, voorzitter
BsGW Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen is een zelfstandig samenwerkingsverband van 29 Limburgse gemeenten en het Waterschap Limburg. BsGW voert namens deze deelnemers de heffing en inning van lokale belastingen uit. Ook stelt BsGW in de deelnemende gemeenten de WOZ-waarden vast.
Kadernota Begroting BsGW 2023 Meerjarenraming 2023-2027
Versie 1.3 november 2021
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave .........................................................................................................................3 1. Inleiding ...............................................................................................................................5 2. Samenvatting .......................................................................................................................7 3.
Uitgangspunten ............................................................................................................... 11 3.1 Uitgangspunten .......................................................................................................... 11 3.2 Rekenuitgangspunten ................................................................................................. 13 3.3 Definities: reserves, voorzieningen, weerstandscapaciteit/-vermogen, post onvoorzien ....... 15
4. Kostenverdeelmethode ......................................................................................................... 16 5. Weerstandsvermogen en risico-analyse .................................................................................. 18 6. Ontwikkelingen ................................................................................................................... 19 6.1 Zekere ontwikkelingen ................................................................................................ 19 6.2 Mogelijke ontwikkelingen............................................................................................. 22 7.
Investeringen .................................................................................................................. 23
8.
Financieel meerjarenperspectief ......................................................................................... 24 8.1 Ontwikkeling netto kosten BsGW en bijdragen deelnemers .............................................. 24 8.2 (Financiële) effecten Kadernota 2023 ............................................................................ 25
Bijlage 1: producten-aantallen kostenverdeelmethode ................................................................. 27 Bijlage 2. Ondernemings- en Ontwikkelplan 2018-2020 ............................................................... 28 Bijlage 3: Zekere en mogelijke ontwikkelingen: toelichting ........................................................... 29 Zekere ontwikkelingen...................................................................................................... 29 Loonontwikkeling ............................................................................................................. 29 Indexering goederen en diensten ....................................................................................... 29 Afschrijvingen ................................................................................................................. 29 Proceskosten ................................................................................................................... 29 Stimuleringsregeling ........................................................................................................ 30 Waarderen op gebruiksoppervlakte: beheerfase ................................................................... 31 Visie op dienstverlening ....................................................................................................
32 Informatievoorziening en ICT ............................................................................................ 32 Harmonisatie ................................................................................................................... 33 Verbetering archiefbeheer ................................................................................................. 34 Mogelijke ontwikkelingen .................................................................................................. 34 Sociaal invorderen ........................................................................................................... 34 Wijziging beroepsprocedure kwijtschelding (artikel 25 Invorderingswet) ................................. 35 Kwijtschelding 3.0............................................................................................................ 35 Fiscale Vereenvoudigingswet 2017 ..................................................................................... 36 Voortgang implementatie Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en Verbreding beslagregister ... 37 Lagere opbrengst vervolgingskosten en invorderingsrente..................................................... 39 Verruiming gemeentelijk belastinggebied ............................................................................ 39
3
Omgevingswet................................................................................................................. 39 Samenwerking / nieuwe deelnemers in BsGW...................................................................... 40 Samenhangende Objecten Registratie (SOR) ....................................................................... 40 Unie van Waterschappen: onderzoek houdbaarheid belastingstelsel ....................................... 41 Waardering zonnepanelen voor de WOZ-waarde .................................................................. 41 Vergroening belastingen ................................................................................................... 41 Amendement Omtzigt: verruimde tariefdifferentiatie OZB ..................................................... 42 Wet modernisering elektronisch berichtenverkeer ................................................................ 43
4
1. Inleiding Deze Kadernota is opgesteld ter voorbereiding op de begroting 2023 en de meerjarenbegroting 20232027 van BsGW. Hierin worden uitgangspunten, standpunten van het bestuur, financiële en nietfinanciële ontwikkelingen geschetst, welke mogelijk van invloed zijn op de bedrijfsvoering van BsGW voor de jaren 2023 en verder. Op basis van deze nota stelt het bestuur de kaders vast voor de bedrijfsvoering en daarmee voor de begrote netto kosten. Leeswijzer: Hoofdstuk 2 bevat de samenvatting van deze Kadernota. Hoofdstuk 3 bevat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de begroting 2023 en de meerjarenraming 2023–2027, inclusief de standpunten die zijn ingenomen door het bestuur dan wel waar het bestuur zich nog over dient uit te spreken. In hoofdstuk 4 wordt de vigerende kostenverdeelmethode toegelicht. Hoofdstuk 5 gaat nader in op het proces om te komen tot een afdoende weerstandsvermogen. In hoofdstuk 6 wordt vervolgens ingegaan op de zekere en mogelijke ontwikkelingen, die effect kunnen hebben op de begroting. Meer details zijn terug te vinden in bijlage 3. Hoofdstuk 7 bevat het meerjaren investeringsprogramma. In hoofdstuk 8 worden de (voorlopige) financiële effecten voor het jaar 2023 inzichtelijk gemaakt. Tot slot.
Daar waar in het kader van de P&C-cyclus bij de deelnemers de Kadernota in juni/juli wordt behandeld, is dat bij een Gemeenschappelijke Regeling zoals BsGW een half jaar eerder. Hetzelfde geldt voor het samenstellen van de betreffende nota. Dit maakt de voorspelbaarheid nog complexer en draagt in voorkomende gevallen niet bij aan de actualiteit in relatie tot de cyclus van de deelnemers. De Kadernota van BsGW dient immers mede als input voor de Kadernota van de deelnemers.
5
Lijst met gebruikte afkortingen incl. korte toelichting OOP:
Ondernemings- en Ontwikkelplan. Plan voor de doorontwikkeling van BsGW (looptijd 2018-2020).
BAG:
Basisregistratie Adressen en Gebouwen. In de BAG zijn gemeentelijke basisgegevens over alle gebouwen en adressen in Nederland verzameld.
BGT:
Basisregistratie Grootschalige Topografie. De BGT is een grootschalige digitale kaart, op 20 cm nauwkeurig, van heel Nederland.
SOR:
Samenhangende objectenregistratie. Een samenhangende objectenregistratie is een uniforme registratie met daarin basisgegevens over objecten in de fysieke werkelijkheid die zich voor gebruikers als één registratie gedraagt.
OZB:
Onroerendezaakbelasting. Om de hoogte van de OZB te kunnen berekenen, is de WOZ-waarde nodig.
WOZ-waarde:
Waardering Onroerende Zaken. De WOZ-waarde bepaalt de hoogte van de belastingen en gemeentelijke heffingen.
PBB:
Persoonsgebonden Basisbudget. Dit budget kunnen medewerkers besteden aan opleidingen of andere activiteiten die
bijdragen aan hun ontwikkeling, loopbaan en vitaliteit. NCNP:
No Cure No Pay. Bij een bezwaar tegen de WOZ-waarde kan de belanghebbende zich laten bijstaan door externe deskundigen. Wanneer het bezwaar gegrond wordt verklaard en leidt tot een aanpassing van de beschikking, dan kunnen zij een vergoeding ontvangen voor de gemaakte kosten. De vergoeding is gebaseerd op landelijk vastgestelde tarieven voor de verschillende deelactiviteiten in het bezwaarproces. De vergoeding staat dus los van de kosten die het deskundigenbureau daadwerkelijk maakt.
6
2. Samenvatting Dit hoofdstuk bevat de samenvatting van de belangrijkste ontwikkelingen waarmee BsGW zich geconfronteerd ziet voor de komende jaren. -ProceskostenDoor wijzigingen in de wetgeving, meer in het bijzonder als gevolg van het afschaffen van de Fierensdrempel, is het voor de zogenaamde ncnp-bedrijven rendabel geworden om namens de burger bezwaar te maken tegen de WOZ-waarde, waarbij deze bedrijven de tegemoetkoming van de proceskosten krijgen. De ontwikkelingen met betrekking tot de hausse aan proceskosten, waarmee BsGW met name de laatste jaren wordt geconfronteerd, is en blijft nog steeds een belangrijk aandachtspunt. Het aantal ingediende bezwaren neemt nog steeds toe. Deze ontwikkeling is ook landelijk zichtbaar, zowel qua toename van het totaal aantal ingediende bezwaren als ook het feit dat steeds meer burgers en ondernemers gebruik maken van een ncnp-bedrijf of een andere gemachtigde. Het behoeft dan ook geen nader betoog dat ook het aantal ncnp-bedrijven toeneemt. Gezien deze ontwikkelingen en het feit dat de tarieven voor de proceskostenvergoeding op gezette tijden worden aangepast, is deze post ook voor 2023 (en verdere jaren) opgehoogd naar € 3 miljoen. Een stijging van het aantal bezwaarschriften vertaalt zich niet alleen door in een stijging van de proceskosten.
Ook de uitvoeringskosten (extra inzet personele ondersteuning in de vorm van taxateurs, juristen en KCC-medewerkers) stijgen, waardoor de begroting verder onder druk komt te staan. -Covid-19Ten tijde van het schrijven van deze Kadernota hebben we nog steeds te maken met COVID-19. Het is zeer ongewis wat de financiële effecten van de corona-crisis zijn op de begroting 2023 en de meerjarenraming 2023-2027. Ook is nog onduidelijk in welke mate het kabinet bereid is om bestaande (financiële) maatregelen te continueren en/of nieuwe compensatiemaatregelen te treffen. Een en ander heeft direct (bijv. het verleggen van Coronakosten naar het Rijk) of indirect (bijv. kwijtscheldingen) financiële gevolgen voor de (gemeentelijke) deelnemers in BsGW en daarmee ook voor de BsGW-(meerjaren)begroting. Eventuele werkelijke financiële gevolgen worden verwerkt in de tussentijdse rapportages en in de jaarrekening. In de paragraaf Weerstandsvermogen en risico-analyse van de begroting wordt een inschatting gemaakt welke financiële risico’s BsGW loopt. -ICTIn de begroting 2021 is melding gemaakt van de aankomende aanbesteding van het huidige belastingpakket en de hosting onder de paragraaf ‘zekere ontwikkelingen’. Hierbij is aangegeven dat de financiële effecten nog niet voldoende bekend waren om hiervoor reeds een bedrag op te nemen in de begroting van BsGW.
In de begroting is hiermee derhalve geen rekening gehouden. Op basis van de eind 2020 gestarte voorbereidingen op de Europese aanbesteding van het huidige belastingpakket en de hosting in het algemeen en de ervaring van de ingehuurde externe kennis in het bijzonder, had hier in de begroting 2022 concreter op ingegaan moeten zijn geworden en een eerste financiële indicatie gegeven dienen te worden. Dit is, zoals reeds eerder gemeld, helaas niet gebeurd.
7
Ten
tijde
van
het
schrijven
van
deze
Kadernota
heeft
de
zogenoemde
marktconsultatie
plaatsgevonden. Hieruit moet blijken of er geïnteresseerde partijen zijn, welke vernieuwende ideeën worden ingebracht, voorbehouden worden gemaakt, welke condities worden gesteld etc. Op verzoek van een aantal potentiële inschrijvers is deze marktconsultatie overigens verlengd geweest om zo tot een meer gedegen presentatie aan BsGW te komen. Op basis van de marktconsultatie kan nagenoeg een eerste prognose worden gegeven van de incidentele kosten van de aanbestedings- en implementatiefase. Het betreft een eerste prognose aangezien het een marktconsultatie betreft, waarbij door de potentiele inschrijvers slechts schattingen en (ruime) ranges zijn gepresenteerd. Pas bij de daadwerkelijke inschrijving op de nog te publiceren formele
aanbestedingsdocumenten
inschrijvers.
Vooralsnog
worden
worden de
deze
kosten
aanbestedingskosten
gespecificeerd op
€
420
onderbouwd duizend
door
(2021)
en
de de
implementatiekosten op € 2,775 miljoen (2022-2023) ingeschat. Dit laatste is een bovenwaartse bijstelling van € 800 duizend op basis van een reeds afgerond aanbestedingstraject van een collegasamenwerkingsverband. Zodra de verwachte kosten meer bekend zijn worden de financiële effecten hiervan verwerkt in de begroting 2023 en de meerjarenbegroting (2023 en verder). -Aanbevelingen Rekenkamer(commissie)sIn de zomer van 2021 is het rapport van de rekenkamer(commissie)s van elf van de negenentwintig deelnemende gemeenten opgeleverd. Het onderzoek dat hieraan ten grondslag ligt, heeft geresulteerd in zes aanbevelingen, die rechtstreeks op (de relatie tussen de deelnemers en) BsGW betrekking hebben. Bij de totstandkoming van deze Kadernota was het rapport nog niet door alle betrokken gemeenteraden besproken en is het vervolgtraject derhalve nog niet helder. Het Dagelijks Bestuur en de BsGW-organisatie hebben evenwel een routeschema opgesteld, waarlangs desgewenst invulling aan de aanbevelingen kan worden gegeven. De aanbevelingen hebben betrekking op: -
het gefaseerd ontwikkelen van een volledige en samenhangende set kwaliteitsindicatoren;
-
het op interactieve wijze ontwikkelen van een overzichtelijk dashboard met relevante financiële informatie;
-
het actiever en gerichter communiceren met gemeenteraden;
-
het opstellen en vaststellen van een strategische aanpak ten einde de proceskosten terug te dringen;
-
het organiseren van het harmonisatietraject inclusief het kostenaspect;
-
het maken van afspraken ter verbetering van het samenspel tussen Dagelijks Bestuur en Algemeen Bestuur.
-Regieportaal/SORVanaf 1 januari 2022 bestaat de verplichting om woningen te waarderen op basis van de gebruiksoppervlakte. Daarvoor gebruikte BsGW de bruto inhoud om woningen te waarderen. Namens en op verzoek van de deelnemers heeft BsGW de regie van dit transitieproject (2019-2021) op zich genomen, in nauwe samenwerking met de gemeenten en Het Gegevenshuis. In 2021 is met tien gemeentelijke deelnemers een start gemaakt met deze nieuwe waarderingssystematiek. Zoals gezegd worden met ingang van 2022 alle woningen op basis van de gebruiksoppervlakte gewaardeerd, waarmee tevens de beheerfase start: het bij- en actueel houden van de gegevens. Hiervoor zullen de deelnemers jaarlijks een WOZ-mutatiedetectie (laten) uitvoeren. In dit kader werken deelnemers, gegevenshuizen en BsGW samen met een zogenaamd regieportaal. Dit is een applicatie, die in staat is
8
om relevante gegevens voor zowel de BAG (gemeenten), de BGT als de WOZ (BsGW) op een efficiënte manier uit te wisselen en te tonen, zowel administratief als geografisch. Namens de keten heeft BsGW de regie op zich genomen voor het aanschaffen van dit portaal. Voor de jaren 2022 tot en met 2024 is voor het regieportaal € 333 duizend per jaar opgenomen. Een samenhangende objectenregistratie (SOR) is een uniforme registratie met daarin basisgegevens over objecten in de fysieke werkelijkheid, die zich voor gebruikers als één registratie gedraagt. Daaronder verstaan we objecten die in het terrein zichtbaar zijn, zoals gebouwen, wegen, water, spoorlijnen
en
bomen,
terreindelen,
aangevuld
met
enkele
(administratieve)
objecten
als
woonplaatsen, gemeentegrenzen en openbare ruimten. In de objectenregistratie gaan in ieder geval de objecten van de basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) en de basisregistratie grootschalige topografie (BGT) op. Daarnaast is het de bedoeling dat ook het gedeelte van de WOZ-administratie waarin objectgegevens zijn opgenomen en een aantal basisgegevens uit aanpalende registraties in de objectenregistratie worden opgenomen. De ontwikkeling naar een SOR heeft gevolgen voor zowel BsGW als voor haar deelnemers en aan de deelnemers gelieerde partijen, zoals gegevenshuizen. Het is inefficiënt en onwenselijk om op meerdere plaatsen dezelfde of nagenoeg dezelfde gegevens te verzamelen en te verwerken. Dit staat immers haaks op de doelstelling van juist één unieke registratie. In juni 2020 heeft het dagelijks bestuur aangegeven een businesscase op te laten stellen door een onafhankelijk adviesbureau (Berenschot) met betrekking tot de vraag waar en hoe de samenhangende objectenregistratie voor de deelnemers het beste belegd kan worden. Het is evenwel de vraag of de beoogde ingangsdatum van 1 januari 2025 van de SOR realistisch is. Op nationaal niveau is in grote mate overeenstemming over de inhoud en architectuur van de SOR. Dat geldt evenwel niet voor de governance en financiering van de implementatie en het beheer van de SOR.
Ook hier spelen de demissionaire status van het kabinet, de uitloop van de vorming van een nieuw kabinet én de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen het proces parten. Uit oogpunt van zekerheid en continuïteit wordt het regieportaal begrotingstechnisch ook voor de jaren 2025 tot en met 2027 voortgezet en wel met een bedrag à € 250 duizend per jaar. Alle projectmatige activiteiten met betrekking tot de SOR zijn in dit kader tot nader order opgeschort. Dit ook om onnodige projectkosten (o.a. de inzet van Berenschot) te voorkomen. Financieel effect Kadernota 2023 Eén van de doelstellingen, die voortvloeien uit de missie van BsGW, is kostenreductie. Uitgangspunt voor de begroting van BsGW is dan ook altijd geweest: sober en doelmatig. BsGW heeft zich gecommitteerd aan een taakstellende kostenreductie van afgerond 13% in de eerste 6 jaar na de oprichting en heeft in de jaren 2012-2017 daarom de kostenindexering van gemiddeld 2% per jaar niet doorberekend aan de deelnemers. De totale gerealiseerde, structurele kostenreductie voor de deelnemers loopt hiermee op tot € 1,565 miljoen per jaar. Daarnaast draagt de BsGW-organisatie de financiële lasten van de Stimuleringsregeling (incidenteel € 672 duizend), de projectkosten van het OOP (incidenteel € 4 miljoen) alsook de daaruit voortvloeiende bezuiniging (structureel € 1,3 miljoen).
9
BsGW is hard op weg om in zowel de incidentele als structurele bezuinigingen te voorzien. De structurele bezuinigingen komen vanaf 2028 tot uiting in lagere bijdragen voor de deelnemers. Om een verantwoorde bedrijfsvoering te kunnen borgen, zijn =zoals al eerder gesteld= de grenzen van bezuinigingen (vooralsnog) bereikt. Een en ander neemt niet weg dat BsGW evenals voorgaande jaren een sobere en doelmatige begroting en meerjarenraming opstelt met als aanvullend uitgangspunt dat tussentijdse begrotingswijzigingen zoveel als mogelijk worden voorkomen. De basis voor de begroting 2023 is de jaarschijf 2023 uit de vastgestelde meerjarenbegroting 20222026, rekening houdend met de nieuwe wijze van kostenverdeling (AB 25 juni 2020). Per saldo stijgen de netto-kosten 2023, en daarmee ook de bijdragen van de deelnemers, met minimaal € 623 duizend ten opzichte van de begroting 2022 als gevolg van de volgende posten: •
Loonindexering € 344 duizend;
•
Indexering goederen en diensten € 182 duizend;
•
Afschrijvingen € 97 duizend.
Afhankelijk van de bestuurlijk vast te stellen kaders voor bedrijfsvoering, kunnen de netto kosten voor de begroting 2023 wijzigen. De implementatiekosten voor het nieuw belastingpakket worden vooralsnog geschat op € 2,775 miljoen voor 2022 en 2023. Dit is een bovenwaartse bijstelling van € 800 duizend op basis van een reeds afgerond aanbestedingstraject van een collega-samenwerkingsverband. Zodra de verwachte kosten meer bekend zijn worden de financiële effecten hiervan verwerkt in de begroting 2023 en de meerjarenbegroting (2023 en verder). Het benodigde weerstandsvermogen is conform besluitvorming gebaseerd op een jaarlijks bij het opstellen van de begroting uitgevoerde risicoanalyse. Zo kan bepaald worden of het berekende weerstandsvermogen toereikend is. Voor de begroting 2023 zal BsGW begin 2022 opnieuw een risicoanalyse uitvoeren. De uitkomst hiervan is onderdeel van de begroting 2023.
10
3. Uitgangspunten 3.1 Uitgangspunten 1. Een minimale, maar wel realistisch onderbouwde begroting waarmee BsGW invulling geeft aan de doelstelling om de bijdragen van de deelnemers zo laag mogelijk te houden. 2. Financiële consequenties van zekere ontwikkelingen en bestuursbesluiten worden in de begroting meegenomen. Zekere ontwikkelingen, waarvan de (financiële) effecten nog een mate van onzekerheid hebben, worden eveneens zo veel mogelijk gekwantificeerd. Mogelijke ontwikkelingen worden alleen voor zover deze zijn in te schatten in de begroting meegenomen. Voor zover deze mogelijke ontwikkelingen niet zijn in te schatten, worden deze pas in de (gewijzigde) begroting opgenomen, zodra de desbetreffende ontwikkeling is geformaliseerd en de financiële consequenties kunnen worden vastgesteld. 3. De kaders voor de begroting van BsGW worden meer dan een jaar voor het eigenlijke begrotingsjaar opgesteld en aangeboden aan het bestuur. In deze periode kunnen zich afwijkingen voordoen van de in de Kadernota en begroting opgenomen rekenuitgangspunten, dan wel onvoorziene ontwikkelingen die onafwendbaar dan wel onuitstelbaar zijn. Om eventuele, niet voorziene ontwikkelingen op te kunnen vangen, en zo tussentijdse begrotingswijzigingen zoveel als mogelijk te voorkomen, is de post onvoorzien opgevoerd in de begroting van BsGW. 4.
Als basis voor de begroting 2023 en meerjarenraming 2023-2027 van BsGW dient de jaarschijf 2023 uit de vastgestelde begroting 2022 en meerjarenbegroting 2022-2026. 5. Financiering Alleen voor investeringen kan BsGW eventueel een langlopende lening aantrekken. Hiervoor is een bestuursbesluit nodig. Concreet speelt dit bij uitwerking van het investeringsvoorstel voor de nieuwe belastingapplicatie. Dat investeringsvoorstel bevat ook de manier waarop BsGW de investering gaat financieren. De deelnemersbijdrage wijzigt zeker bij het opstellen van de begroting 2023 en het meerjarenperspectief 2023-2025, door de grote invloed van het investeringsvoorstel voor de nieuwe belastingapplicaties. 6. De indexering voor loonontwikkeling en de indexering goederen en diensten is gebaseerd op de meest actuele, (meerjaren)gegevens van het Centraal Plan Bureau (CPB), respectievelijk de loonvoet sector overheid en de Consumenten Prijsindex (CPI). De in de Kadernota opgenomen indexering benadert daarmee zo veel als mogelijk de realiteit. De index voor wat betreft ICT-leveranciers wordt hierbij separaat berekend op basis van de index over de afgelopen 3 jaar, aangezien deze gemiddeld genomen hoger ligt dan de CPI. 7. Een jaarlijkse risicoanalyse maakt onderdeel uit van de begroting, waarbij wordt getoetst of het weerstandsvermogen toereikend is om de geïdentificeerde risico’s te kunnen afdekken. 8.
Het Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP) BsGW 2018-2020 en de wijze van financiering hiervan, is vastgesteld door het Algemeen Bestuur van BsGW in de AB-vergadering van 14-12-
11
2017. De uitvoering van het OOP is een separaat traject en behoort niet tot de reguliere bedrijfsvoering van BsGW. Het OOP raakt de begroting 2022 en meerjarenraming 2022-2026 van BsGW daarom niet en vormt daarmee geen onderdeel van deze Kadernota. De taakstellende kostenreductie die BsGW zich heeft gesteld in het OOP zal vanaf 2028 tot uiting komen in lagere bijdragen voor de deelnemers. 9. BsGW is namens de gemeenten gevraagd om de regie van de beheerfase waarderen op gebruiksoppervlakte te voeren. De kosten voor de aanschaf van het regieportaal zijn in de begroting
opgenomen
en
zullen
conform
afspraak
op
de
gebruikelijke
wijze
via
de
kostenverdeelmethode worden doorbelast aan de deelnemers op basis van het aandeel in het totale aantal WOZ-objecten. Het regieportaal vormt mede de voorloper van de SOR. Het is evenwel de vraag of de beoogde ingangsdatum van 1 januari 2025 van de SOR realistisch is. Op nationaal niveau is in grote mate overeenstemming over de inhoud en architectuur van de SOR. Dat geldt evenwel niet voor de governance en financiering van de implementatie en het beheer van de SOR. Uit oogpunt van zekerheid en continuïteit wordt het regieportaal begrotingstechnisch ook voor de jaren 2025 tot en met 2027 gecontinueerd. hiertoe wordt een post à € 250 duizend per jaar opgenomen. 10. De gewijzigde kostenverdeelmethode wordt gehanteerd, zoals die is vastgesteld in de ABvergadering van 25 juni 2020, waarbij de WOZ-proceskosten voor 100% aan het product Waarderen worden toebedeeld en de beheerkosten GDI worden verdeeld conform de verdeelsleutel 40% gemeenten en 60% Waterschap. In dezelfde AB-vergadering is tevens afgesproken dat er een nieuwe kostenverdeelmethode aan de orde zal komen. Recent is gestart om te bezien welke mogelijkheden er zijn om tot harmonisatie van de beleids- en uitvoeringsregels te komen. Herijking van de kostenverdeelmethode volgt nadat harmonisatie zijn beslag heeft gekregen en het basispakket een feit is.
Logischerwijs kan derhalve nog niet op de uitkomsten en de doorwerking hiervan in een nieuwe kostenverdeelmethode worden vooruitgelopen (zie hoofdstuk 4).
12
3.2 Rekenuitgangspunten In de begroting 2023 en de meerjarenraming 2023-2027 wordt gerekend met de volgende rekenuitgangspunten: Rekenuitgangspunten
2022
2023
2024
2025
2026
2027
A
indexering salariskosten
2,2%
2,5%
2,5%
2,5%
2,5%
2,5%
B
indexering goederen en diensten
2,0%
1,9%
1,9%
1,9%
1,9%
1,9%
indexering ICT
n.v.t.
2,7%
2,7%
2,7%
2,7%
2,7%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0,5%
0,5%
0,5%
0,5%
0,5%
0,5%
C
indexering opbrengsten
D
rente kredieten / leningen lang
E
reserves en voorzieningen
F
afschrijvingstermijn
G
jaarlijkse actualisering
automatisering
5 jaar
5 jaar
5 jaar
5 jaar
5 jaar
5 jaar
inventaris
10 jaar
10 jaar
10 jaar
10 jaar
10 jaar
10 jaar
immateriele activa
< 5 jaar
< 5 jaar
< 5 jaar
< 5 jaar
< 5 jaar
< 5 jaar
1,4%
1,4%
1,4%
1,4%
1,4%
1,4%
onvoorzien
a) Indexering salariskosten Het gemiddelde percentage van de loonvoet overheidssector over de jaren 2020-2022 en 20182022 bedraagt 2,5% (bron: Centraal Plan Bureau, Macro Economische Verkenning 2021 september 2021). Vanaf 2023 voorspelt het CPB zelfs een gemiddelde van 2,7%. Desondanks wordt er vooralsnog voor gekozen om de index aan te houden van 2,5%. b) Indexering goederen en diensten In de begroting 2023-2027 wordt gerekend met een indexering van 1,9%, gebaseerd op de ontwikkeling van de Consumenten Prijsindex van het CPB van de afgelopen jaren (bron: Centraal Plan Bureau, Macro Economische Verkenning 2021 september 2021). Vanaf 2023 voorspelt het CPB eveneens een gemiddelde van 1,9%. Derhalve is gekozen om de index aan te houden van 1,9%. De ICT-index is berekend op basis van de gemiddeld in rekening gebrachte index van de leveranciers van de afgelopen 3 jaar en komt daarmee uit op 2,7%. Momenteel zijn er signalen dat de gasprijzen fors omhoog gaan. In de begroting 2023 is hiermee geen rekening gehouden vanwege de te grote onzekerheid over de ontwikkeling hierin. c)
Indexering opbrengsten De opbrengsten van BsGW worden niet geïndexeerd. De bankrente, opbrengst vervolgingskosten en invorderingsrente worden realistisch geraamd.
13
Gedurende de periode maart 2020 tot en met 31 december 2021 is de invorderingsrente verlaagd van 4% naar 0,01%. De invorderingsrente gaat met ingang van 31 december 2021 stapsgewijs terug naar het oude niveau. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wordt het percentage invorderingsrente per 1 januari 2022 op 1% vastgesteld, per 1 juli 2022 op 2%, per 1 januari 2023 op 3% en per 1 januari 2024 op 4%. d) Rentekredieten/leningen lang Investeringen worden, indien nodig, afgedekt via financiering gelijk aan de afschrijvingstermijn, meestal 5 jaar. Voor de jaren 2023-2027 wordt een interne rekenrente van 0,5% gehanteerd. e) Reserves en voorzieningen Jaarlijks wordt op basis van de risicoanalyse het benodigde weerstandsvermogen berekend. Op basis hiervan wordt het al gevormde vermogen aangevuld of afgeroomd. Voor voorzieningen geldt een jaarlijkse actualisering van doel en benodigde omvang, waarbij vanaf 2023 een voorziening wordt opgenomen voor het persoonsgebonden basisbudget (PBB). f)
Afschrijvingstermijn Voor
activa
die
gedurende
het
lopende
jaar
in
gebruik
worden
genomen,
start
de
afschrijvingsperiode 1 januari van het daaropvolgende jaar. g) Onvoorzien Het budget onvoorzien wordt gesteld op 1,4% van het bruto-begrotingstotaal. De post onvoorzien mag worden opgevat als een buffer voor onvoorziene externe tegenvallers: onvoorzien, onvermijdelijk en onuitstelbaar. De post onvoorzien moet een soepele uitvoering van de begroting vergemakkelijken en zorgt zodoende voor de noodzakelijke flexibiliteit. BsGW heeft bovendien te maken met een lage frequentie van AB-vergaderingen, waarmee onvoorziene gebeurtenissen pas aanzienlijk later bestuurlijke beslissingen kunnen vragen. Tot slot is deze post ingegeven door het feit dat de kadernota/begroting van BsGW een jaar tot anderhalf jaar wordt opgesteld vóór het betreffende begrotingsjaar.
14
3.3 Definities: reserves, voorzieningen, weerstandscapaciteit/-vermogen, post onvoorzien Reserves kunnen worden omschreven als vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken en die vrij zijn te besteden. Reserveren betekent geld opzij leggen: -
om later een (grote) investering te doen;
-
voor moeilijke tijden (weerstandsvermogen. Dit is het weerstandsvermogen en dit betreft alleen de algemene reserve);
-
om risico’s op te vangen;
-
voor onverwachte zaken.
Voorzieningen zijn passiefposten in de balans (vreemd vermogen), die een inschatting geven van voorzienbare lasten in verband met risico’s en verplichtingen waarvan de omvang en/of het tijdstip van optreden min of meer onzeker zijn. Bij voorzieningen is er sprake van een oorzaak uit het verleden: er is iets gebeurd wat niet terug te draaien is en wat waarschijnlijk leidt tot lasten in de toekomst die niet waren voorzien (begroot). Ook kan een voorziening ingesteld worden ter egalisatie van pieken in de kosten in de begroting. Deze kosten dienen zeker plaats te vinden. Van een vrije keuze bij het instellen van een voorziening is derhalve geen sprake. Wel kunnen soms de gevolgen nog beïnvloed worden. Bij het bepalen van de noodzakelijke omvang van de voorziening wordt hiermee ook rekening gehouden. Weerstandscapaciteit is de mate waarin BsGW over middelen beschikt of kan beschikken om niet voorziene tegenvallers op te vangen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen de post onvoorzien en het weerstandsvermogen. De post onvoorzien mag worden opgevat als een buffer voor onvoorziene externe tegenvallers: onvoorzien, onvermijdelijk en onuitstelbaar. De post onvoorzien moet een soepele uitvoering van de begroting vergemakkelijken en zorgt zodoende voor de noodzakelijke flexibiliteit.
Het weerstandsvermogen is in principe bedoeld als buffer voor het opvangen van risico's, waarvan de financiële gevolgen vooraf niet redelijkerwijs zijn in te schatten. Jaarlijks wordt deze post berekend aan de hand van de door het bestuur vastgestelde risico-analyse. Hierbij worden de risico’s (kwalitatief) en de bedragen plus de inschatting van de kans dat een risico zich daadwerkelijk voordoet (kwantitatief) in kaart gebracht. Zie ook paragraaf 5.
15
4. Kostenverdeelmethode De processen voor waterschappen en gemeenten overlappen elkaar in grote mate en de benodigde basisgegevens worden gelijktijdig voor alle deelnemers opgebouwd. Omdat BsGW de processen voor alle belastingsoorten integraal uitvoert, zijn de daarmee samenhangende kosten zodanig met elkaar verweven dat kosten niet per belastingsoort gedifferentieerd kunnen worden. De uitvoeringskosten van de productieprocessen worden om die reden toegerekend aan eenduidige, herkenbare hoofdprocessen, in overeenstemming met de organisatieopzet van BsGW. BsGW heeft haar processen uitgedrukt in vier primaire producten van dienstverlening: Heffen, Waarderen, Innen, Klantzaken. De verdeling van deze kosten over de deelnemers gebeurt hierna met behulp van eenheidstarieven per product van dienstverlening. De kosten van de activiteiten en processen op BsGW-niveau die dienen ter ondersteuning van de organisatie als geheel (zoals ICT, de ondersteuning van het personeel en de ontwikkeling van BsGW) worden eveneens als apart product inzichtelijk gemaakt. Deze kosten zijn, zonder arbitraire verdeelsleutels, niet te splitsen naar de primaire processen en worden daarom verdeeld naar rato van het aandeel dat de deelnemers hebben in de kosten van de (sub)producten.
Wanneer belastingsoorten die afwijken van de standaardbelastingsoorten van BsGW (de zogenaamde exoten) worden ingebracht in de samenwerking, wordt via een (financiële) analyse bepaald of de gangbare methode van kostenverdeling van toepassing kan zijn, of dat de kosten apart doorberekend kunnen worden. Sinds 2014 kent BsGW 1 sub-product (exoot): Parkeerbelasting. Daarnaast kent BsGW vanaf 2020 het sub-product GDI. Deze kosten worden op basis van het aandeel in de kosten Ondersteuning & Ontwikkeling verdeeld, waarbij de totale verdeling zich verhoudt tot 40% gemeenten en 60% Waterschap Limburg (AB 25 juni 2020). Fixeren productieaantallen ten behoeve van vaststellen verdeelsleutels De verdeelsleutels voor de kosten van de primaire processen zijn gebaseerd op de productieomvang van de deelnemers: aanslagbiljetten, aanslagregels, gemeentelijke WOZ-objecten en klantcontacten. De niet-reguliere belastingsoort Parkeerheffing wordt apart met de deelnemers afgerekend. Als verdeelsleutel geldt hierbij het aantal aanslagregels. De bijdrage per deelnemer dient een bestendige lijn te laten zien. Een jaarlijks schommelende bijdrage is voor de deelnemers niet gewenst en zou ook een verkeerde verwachting scheppen bij de toetredingsvoorstellen over de te betalen bijdrage en per saldo te behalen voordeel in de toekomst.
Afgesproken is de aantallen die als verdeelsleutels gehanteerd worden bij de bijdragebepaling, als ook de opzet van de kostenverdeelmethode te fixeren. Alleen een wezenlijke, substantiële wijziging van belastingsoorten, kan invloed hebben op de opzet van de kostenverdeelmethode. In de tabel in de bijlage 1 worden de productenaantallen per deelnemer weergegeven, zoals deze als verdeelsleutel zijn opgenomen in de kostenverdeelmethode, conform de onafhankelijk uitgevoerde nulmeting voorafgaand aan de toetreding. In de AB-vergadering van 25 juni 2020 is afgesproken dat er een nieuwe kostenverdeelmethode aan de orde zal komen. Recent is gestart om te bezien welke mogelijkheden er zijn om tot harmonisatie
16
van de beleids- en uitvoeringsregels te komen. Herijking van de kostenverdeelmethode volgt nadat harmonisatie zijn beslag heeft gekregen en het basispakket een feit is. Logischerwijs kan derhalve nog niet op de uitkomsten en de doorwerking hiervan in een nieuwe kostenverdeelmethode worden vooruitgelopen. Op 30 september 2021 heeft het Algemeen Bestuur besloten getemporiseerd en gefaseerd getrapt in te stemmen met het procesvoorstel met betrekking tot harmonisatie en herziening van de kostenverdeelmethode.
17
5. Weerstandsvermogen en risico-analyse Bestuurlijk is de voorkeur uitgesproken het weerstandsvermogen van BsGW zo bescheiden mogelijk, doch wel realistisch, te laten zijn. Operationele risico’s moeten door BsGW zelf kunnen worden opgevangen, zonder terug te hoeven vallen op de deelnemers. Het benodigde weerstandsvermogen is gebaseerd op de risico-analyse. Deze risico-analyse wordt jaarlijks uitgevoerd, zodat bepaald kan worden of het berekende weerstandsvermogen toereikend is. Voor de begroting 2023 heeft BsGW eind 2021 voor het eerst tezamen met afgevaardigden van een aantal deelnemers opnieuw de methodiek en de inhoudelijkheid van de risico-analyse beoordeeld, waarbij verbeterpunten zijn aangebracht in met name de systematiek en borging in de P&C-cyclus. De uitkomst hiervan wordt verwerkt in de begroting 2023. De ratio weerstandsvermogen is de verhouding tussen de niet afgedekte risico’s en het aanwezige weerstandsvermogen en wordt berekend door het beschikbare weerstandsvermogen te delen door het benodigde weerstandsvermogen op basis van het risicoprofiel. Deze ratio is een stuurmiddel. Een ratio lager dan 1,0 duidt op een kwetsbare financiële positie, omdat de capaciteit niet voldoende is om de geïdentificeerde risico’s af te dekken. Een hoge ratio is niet wenselijk, omdat onnodig beslag gelegd wordt op financiële ruimte.
Ratio weerstandsvermogen = Beschikbare weerstandscapaciteit Benodigde weerstandscapaciteit
18
6. Ontwikkelingen Er doen zich de komende jaren ontwikkelingen voor die invloed hebben op de bedrijfsvoering van BsGW. Voor het opstellen van de begroting is het van belang om onderscheid te maken in de volgende twee categorieën toekomstige ontwikkelingen: o
Zekere ontwikkelingen Deze ontwikkelingen zijn zeker en/of geformaliseerd via een bestuursbesluit. De financiële consequenties worden verwerkt in de begroting 2023 en de meerjarenraming 20232027. De financiële effecten die nog een mate van onzekerheid hebben, worden zoveel mogelijk gekwantificeerd
en
opgenomen
in
de
(meerjaren)begroting.
Dit
om
tussentijdse
begrotingswijzigingen te voorkomen (Proces tussentijdse begrotingswijzigingen; DB BsGW 28-022019, agendapunt 5b). o
Mogelijke ontwikkelingen Op het moment van opstellen van deze
Kadernota zijn deze ontwikkelingen nog niet
geformaliseerd door een bestuursbesluit of zijn de uitkomsten nog onzeker. Deze ontwikkelingen zullen alleen daar waar dit op redelijkheid kan worden ingeschat, worden meegenomen in de begroting 2023 en de meerjarenraming 2023-2027. Daar waar deze niet op redelijkheid zijn in te schatten zullen deze pas, wanneer deze zijn geformaliseerd en de (financiële) consequenties zijn vastgesteld, worden opgenomen in de begroting (middels een begrotingswijziging). Onderstaand worden deze ontwikkelingen kort beschreven. Voor meer details over de meeste onderwerpen zie bijlage 3.
6.1 Zekere ontwikkelingen Loonontwikkeling In
de
begroting
wordt
gerekend
met
het
5-jaars-gemiddelde
percentage
van
de
loonvoet
overheidssector (CPB, MEV september 2021) en bedraagt 2,5%. Indexering goederen en diensten In de begroting wordt gerekend met twee indexen: één voor ICT-kosten en één voor de overige goederen. Voor ICT wordt vanaf 2023 met een hogere index gerekend aangezien deze bovengemiddeld ligt ten opzichte van de overige leveranciers van BsGW. De index van de overige leveranciers is gebaseerd op de 5-jaarsgemiddelde CPI van het CPB. Afschrijvingen De afschrijvingen zijn opgehoogd, omdat deze post vanaf 2018 structureel te laag was begroot. Er heeft desondanks nooit een aanpassing (lees: ophoging) in de daarop volgende begrotingen plaatsgevonden.
19