CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Bussereindseweg 67 en 67a - Toelichting

Raadscommissievergadering 29 november 2021, gemeente BeeselBij agendapunt: Bestemmingsplan Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel9.316 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Arvalis Advies B.V. Steegstraat 5 6041 EA Roermond Telefoon Fax E-mail Internet

(0475) 355700 (0475) 355777 Info@arvalis.nl www.arvalis.nl

IBAN NL28 RABO00174117752 KvK. Roermond nr. 13043513

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

IDN Nummer Opdrachtgever Correspondentieadres

NL.IMRO.BPBussereind67a-ON01 : : : :

Opgesteld door : Datum;

Arvalis Advies B.V. Pieter Stox en Thijs Bergsma 13 december 2021

Toelichting 1

2

3

4

INLEIDING

1

1.1 1.2 1.3 1.4

1 1 2 2

Aanleiding en doel bestemmingsplan Vigerend bestemmingsplan. Bij het plan behorende stukken Leeswijzer

PLANBESCHRIJVING

3

2.1 2.2

3 3

Ontstaansgeschiedenis en ruimtelijke structuur Locatiebeschrijving

RUIMTELIJK BELEID

4

3.1

Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie infrastructuur en ruimte 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.1 Ladder van duurzame verstedelijking

4 4 4 4

3.2

Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal omgevingsplan Limburg 3.2.2 Provinciale omgevingsverordening 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie (POVI)

5 5 6 7

3.3

Gemeentelijk beleid 3.3.1 Toekomstvisie Beesel 2030 3.3.2 Structuurvisie Beesel 3.3.3 Nota archeologiebeleid

7 7 7 10

Randvoorwaarden / Onderzoeken

11

4.1

11 11 11 12

Milieu 4.1.1 4.1.2 4.1.3

Bodem en grondwater Luchtkwaliteit Geluid

4.2

Externe veiligheid 4.2.1 Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI). 4.2.2 Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT)

13 13 14

4.3

Waterparagraaf 4.3.1 Provinciaal Waterplan Limburg 4.3.2 Watertoets

14 14 15

4.4

Cultuurhistorie en Archeologie 4.4.1 Cultuur Historische Waarden 4.4.2 Archeologische waarden

16 16 17

4.5

Natuurwaarden en landschapswaarden 4.5.1 Gebiedsbescherming 4.5.2 Soortenbescherming

19 19 20

4.6 4.7 4.8

Landschapsplan Kabels en leidingen Verkeer en infrastructuur

22 22 23

5

JURIDISCHE PLANOPZET

25

6

UITVOERBAARHEID

27

6.1

27

Grondexploitatie en financiële uitvoerbaarheid

7

HANDHAVINGSPARAGRAAF

29

8

Procedure

31

8.1

31

Procedure

Bijlagen: 1. Archeologisch onderzoek 2. Landschappelijk inpassingsplan 3. Bodemonderzoek 4. Akoestisch onderzoek 5. Flora- en fauna-inspectie 6. Situatieschets

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding en doel bestemmingsplan

Initiatiefnemer Reinders-van Rijswick VOF is een loonwerk- en grondverzetbedrijf op het adres Bussereindseweg 67a te (5954 CG) Beesel. Op de locatie zijn voorzieningen aanwezig voor inzameling van grof tuinafval en opslag van zand, grond en tuinafval en de woning op locatie wordt bewoond door één van de vennoten. Een vergroting van het bouwvlak is noodzakelijk voor de toekomst van het bedrijf. Het bedrijf heeft behoefte aan een nieuwe opslag/stallingsloods, extra erfverharding (om beter te kunnen manoeuvreren) en een extra inrit om de veiligheid op de locatie te waarborgen en efficiënter te kunnen werken. Het voorliggende plan maakt dit mogelijk.

afbeelding 1, Uitsnede situatieschets

Bovenstaande is de situatieschets opgenomen. Deze is tevens als bijlage 6 bij dit bestemmingsplan gevoegd.

1.2

Vigerend bestemmingsplan.

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.3. De locatie is gelegen in het bestemmingsplan “Buitengebied Beesel (geconsolideerd), vastgesteld op 26 september 2017. Het plangebied omvat de percelen 310, 311, 384, 385 en 386 gelegen in de sectie O van de kadastrale gemeente Beesel. De locatie waarop de uitbreiding zal plaatsvinden heeft het vigerend bestemmingsplan de enkelbestemming “Agrarisch’. Op basis van deze bestemming is het niet toegestaan de locatie te gebruiken voor het beoogde gebruik. Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

1

Het bestemmingsplan bevat geen wijzigingsbevoegdheid om dit mogelijk te maken. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging (postzegelplan) noodzakelijk. Dit plan ligt nu voor. Samenvatting Het planvoornemen voldoet niet aan de vrijstelling en/of afwijkingsvoorwaarden zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Een wijziging van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning met toestemming voor de planologische afwijking is noodzakelijk. In de onderhavige situatie is gekozen voor de wijzing van het bestemmingsplan.

1.3

Bij het plan behorende stukken

Samen met de bijbehorende regels, bijlagen en verbeelding vormt deze toelichting het bestemmingsplan. In artikel 3.1.6 van het Bro is vastgelegd aan welke eisen een goede toelichting dient te voldoen. 1. Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: a. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; c. de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg; d. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek; e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van de planologische afwijking zijn betrokken; f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. 2. Voor zover bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt opgesteld, waarin de hierna volgende onderdelen zijn beschreven, worden in de toelichting ten minste neergelegd: a. een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden; b.

voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied; c. een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken.

1.4

Leeswijzer

Het onderhavige wijzigingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • project- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; • het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; • toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, waterparagraaf, aanwezige leidingen, archeologische waarden en natuurlijke en landschappelijke aspecten) en conclusie, hoofdstuk 4; • juridische planopzet, hoofdstuk 5; • uitvoerbaarheid, hoofdstuk 6; • handhavingsparagraaf, hoofdstuk 7; • Een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken (voor zover relevant), hoofdstuk 8.

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

2

2 PLANBESCHRIJVING 2.1

Ontstaansgeschiedenis en ruimtelijke structuur

Het landschap in de gemeente wordt tot het Maasterrassenlandschap gerekend, een subtype van het rivierenlandschap. De Maas heeft zich ingesneden in een plateau waardoor er terrassen zijn ontstaan. Belangrijke factor in de landschapsopbouw is de Maas. In het verleden heeft deze gezorgd voor afzettingen van klei en grind, in de laatste ijstijd is teven een gedeelte van het landschap in de gemeente bedolven onder een laag dekzand.

2.2

Locatiebeschrijving

Het plangebied is gelegen in de gemeente Beesel, Ten oosten van de gelijknamige kern aan de lintbebouwing aan de Bussereindseweg. Deze weg is één van de hoofontsluitingen van het dorp richting de A73. Rondom de locatie liggen enkele woningen en (agrarische) bedrijven en bosgebieden.

Locatie

afbeelding 2, Topografische kaart

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

3

3 RUIMTELIJK BELEID 3.1

Rijksbeleid 3.1.1

Structuurvisie infrastructuur en ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie staan de (rijks)plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De nieuwe Structuurvisie vervangt verschillende bestaande nota’s, zoals de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de agenda Landschap en de agenda Vitaal platteland. Het rijksbeleid, zoals verwoord in structuurvisie infrastructuur en ruimte, is door provincie en gemeente verder uitgewerkt in provinciaal en lokaal beleid, zoals het POL en de handreiking ruimtelijke ontwikkeling. In deze onderbouwing wordt daarom niet verder ingegaan op de structuurvisie infrastructuur en ruimte. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het rijk legt met het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), of AMvB Ruimte, de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds wordt het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu (SVIR). In het Barro zijn onder meer rijksvaarwegen, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, buisleidingen, primaire waterkeringen, erfgoederen, kustfundamenten en diverse concrete nationale ruimtelijke projecten zoals het Project Mainportontwikkeling Rotterdam aangewezen als nationaal belang. Ter bescherming van deze belangen zijn reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones opgenomen. In het besluit is aangegeven op welke wijze bestemmingsplannen voor deze gebieden moeten zijn ingericht. Indien vigerende bestemmingsplannen niet voldoen aan het Barro dan moeten deze binnen drie jaar na inwerkintreding van het besluit zijn aangepast. Onderhavige locatie op de locatie Bussereindseweg 67A te Beesel is niet gelegen in één van de gebieden waar het Barro betrekking op heeft. Het Barro vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 3.1.1

Ladder van duurzame verstedelijking

Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

4

ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. De onderhavige locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Beesel. Er vindt een vergroting plaats van een bestaand loonwerk- en grondverzetbedrijf. De functiewijziging is zo beperkt van aard en omvang dat ook om die reden er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Geconcludeerd kan dan ook worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor er geen laddertoets hoeft te worden uitgevoerd.

3.2

Provinciaal beleid 3.2.1

Provinciaal omgevingsplan Limburg

Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (het POL) is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Limburg en is een plan op hoofdlijnen. Het biedt een samenhangend overzicht van de provinciale visie op de ontwikkeling van de kwaliteitsregio Limburg, en de ambities, rol en werkwijze op een groot aantal beleidsterreinen. Het is zowel Structuurvisie, Streekplan, Waterhuishoudingplan, Milieubeleidsplan, als Verkeer en vervoerplan, en bevat de hoofdlijnen van de fysieke onderdelen van het economische, en sociaal-culturele beleid. Binnen Limburg maakt de provincie allereerst onderscheid tussen bebouwd gebied en landelijk gebied. Dit onderscheid hangt samen met de ambities gericht op enerzijds vitale en sterke steden, leefbaarheid van kernen en bereikbaarheid van voorzieningen in zijn algemeenheid, en anderzijds het behoud van een goede landbouwstructuur, veerkrachtige watersystemen en robuuste natuurnetwerken. Locatie

afbeelding 3, POL kaart1, zonering Limburg

Het plangebied is niet gelegen binnen de ‘Goudgroene natuurzone’. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk, waaronder ook de Natura 2000-gebieden vallen. Binnen de goudgroene zone streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur, en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Het projectgebied is op grond van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg aangeduid als Landelijk gebied en Buitengebied. Landelijk gebied Dit is het gebied buiten de steden, plattelandskernen en bedrijventerreinen. De contramal dus van het bestaand bebouwd gebied. Een rijk geschakeerd gebied bestaande uit rivier- en beekdalen, hellingen, landbouwgronden, glastuinbouw, bos- en natuurgebieden, delfstofwinningen, solitaire woningen en bedrijfsgebouwen, linten en clusters van bebouwing, verblijfsrecreatieve terreinen e.d. en doorsneden met allerlei vormen van infrastructuur. Het landelijk gebied wordt op hoofdlijnen en indicatief

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

5

onderverdeeld in 4 zones: goudgroene natuurzones, zilvergroene natuurzones, bronsgroene landschapszone en buitengebied. Buitengebied Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing. De betekenis en begrenzing van het (bestaand) bebouwd gebied De grens tussen het bestaand bebouwd gebied en het landelijk gebied is een belangrijke grens, onlosmakelijk onderdeel van de ladder van duurzame verstedelijking, één van de Limburgse principes. Vanwege het belang dat de provincie hecht aan een optimaal gebruik van het (bestaand) bebouwd gebied, nemen de provincie in het POL een (indicatief) kaartbeeld daarvan op, onderverdeeld in stedelijk centrum, bedrijventerrein en overig bebouwt gebied. Het gaat om de weergave van de feitelijke situatie: geplande en beoogde uitbreidingen in uitleglocaties maken er geen deel van uit, meestal vallen die onder het buitengebied. Het is zeker geen visiekaart, die wordt door en met de drie regio’s gemaakt in de trajecten van regionale visievorming, resulterend in bestuursovereenkomsten De precieze begrenzing van het (bestaand) bebouwd gebied gebeurt op gemeentelijk niveau.

De regionale visies en afspraken bieden daarbij een belangrijk kader om uitspraken te doen over de zonering en daaraan gekoppelde principes. Die regionale visies krijgen vertaling in gemeentelijke structuurvisies en bestemmingsplannen. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om gebruik te maken van in het verleden gehanteerde begrenzingen zoals rode contouren. Toetsing In de onderhavige situatie is sprake van het vergroten van een bestaand loonwerk- en grondverzetbedrijf. Een dergelijke ontwikkeling is niet in strijd met het POL. Gezien het gebied, de aanduiding en de gevraagde ontwikkeling past het initiatief binnen de provinciale beleidsdoelen en binnen de beleidsdoelen van de provincie. 3.2.2

Provinciale omgevingsverordening

In de omgevingsverordening zijn de beleidslijnen uit het POL door vertaald in specifieke regels. Deze regels zijn bindend voor lagere overheden en dienen ook door vertaald te worden in ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen. Zoals uit onderstaande uitsnede van een van de kaarten van de omgevingsverordening blijkt, is de locatie niet gelegen in een gebied met een specifieke aanduiding welke zich tegen de gewenste ontwikkeling verzet.

Locatie

afbeelding 4, uitsnede provinciale omgevingsverordening met aandachtsgebieden.

Derhalve vormt de omgevingsverordening geen belemmering voor het onderhavige initiatief en bestemmingsplan.

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

6

3.2.3

Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie (POVI)

Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het eerste kwartaal van 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht.

In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: ▪ Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk als in het bebouwde gebied; ▪ Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); ▪ Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Deze ontwikkeling voorziet in een bijdrage aan een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie.

3.3

Gemeentelijk beleid 3.3.1

Toekomstvisie Beesel 2030

In 2009 is de Toekomstvisie Beesel 2030 vastgesteld. In de toekomstvisie komen vijf strategische gebieden voor, centraal vormgegeven in het centrale thema: Beesel pakt de toekomst. De vijf beschreven strategische gebieden zijn: 1. levende gemeenschap; 2. ideale en onderscheidende woongemeente; 3. duurzame woon- en werkgemeente; 4. gemeente samen met de inwoners; 5. samenwerkende gemeente. Het initiatief heeft invloed op het aspect duurzame woon- en werkgemeente. Het betreft een vergroting van het bouwvlak, waardoor het bedrijf toekomstgericht kan ondernemen. De gevraagde ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid zoals omschreven in de Toekomstvisie Beesel 2030. 3.3.2

Structuurvisie Beesel

In 2011 is de Structuurvisie Beesel vastgesteld. De structuurvisie geeft een strategische en duurzame ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het hele grondgebied van de gemeente Beesel voor de komende 20 jaar. De gemeente geeft hierin niet alleen aan wat ontwikkeld gaat worden, maar ook hoe dit ontwikkeld gaat worden. De structuurvisie vormt het toetsingskader voor de beoordeling van nieuwe plannen en initiatieven.

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

7

Op de structuurvisiekaart heeft de locatie de aanduiding agrarisch gebied / openheid behouden. Het beleid van de gemeente Beesel is terughoudend met betrekking tot initiatieven welke vrije doorzichten op ’t Hasselt wegnemen. De kernkwaliteiten van het buitengebied, waar deze libatie binnen valt zijn beschreven als: ▪ De Maas als de as van rivier gebonden natuur in een rivierdal met karakteristieke landschappelijke waarden en als belangrijke route voor goederentransport en toeristische toervaart. ▪ Landbouw en natuur als dragers van een vitaal landelijk gebied. ▪ Een aantrekkelijk landschap voor recreatie en toerisme (rust, ruimte, natuur en cultuurhistorie). ▪ Cultuurhistorische elementen, zoals de Beltmolen, Nieuwenbroeck, historisch waardevolle boerderijen, de historische bebouwingsstructuur van Rijkel en Ronckenstein. ▪ Archeologische vindplaatsen en monumenten. In het streefbeeld vormt het buitengebied een groene buffer tussen de stedelijke gebieden van Roermond en Venlo. De locatie valt verder binnen de aanduiding kernrandzone op de kaart zonering ruimtelijke ontwikkelingen in buitengebied. Bebouwingsclusters, bebouwingslinten en enkele gebieden die tegen de kern liggen en een overgangsgebied vormen naar het buitengebied zijn aangeduid met kernrandzone.

In het algemeen zijn bebouwde ontwikkelingen niet per definitie uitgesloten in kernrandzones, maar daar wordt zeer terughoudend mee omgegaan. In feite zal voor iedere aanvraag een afweging worden gemaakt of inpassing van een nieuwe functie mogelijk en wenselijk is.

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

8

Locatie

afbeelding 5, uitsnede structuurvisiekaart Beesel

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

9

Locatie

afbeelding 6, uitsnede zonering ruimtelijke ontwikkelingen in buitengebied

Zoals gesteld in de beantwoording van het principeverzoek tast de realisatie van het voorliggende verzoek het karakter van het gebied niet onevenredig aan. Aan de kwaliteitsbijdrage wordt voor een gedeelte voldaan door middel van het landschapsplan. De overige kwaliteitsbijdrage wordt middels een financiële afdracht voldaan. Over het landschapsplan meer in paragraaf 4.6. 3.3.3

Nota archeologiebeleid

De gemeente Beesel heeft een indicatieve kaart archeologische waarden vastgesteld welke vertaald is in het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente. Toetsing hieraan heeft plaatsgevonden in paragraaf 4.4.

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

10

4 Randvoorwaarden / Onderzoeken 4.1

Milieu 4.1.1

Bodem en grondwater

De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. Volgens de modelverordening van de VNG is er een bodemonderzoek noodzakelijk indien er op de locatie mensen langer dan 2 uur in de gebouwen verblijven. In onderhavige situatie is dit niet het geval. Daarbij is de locatie waar het bouwvak vergroot wordt reeds verhard. Interactie met de bodem heeft hierdoor niet plaatsgevonden. Door HMB BV is een historisch (bodem)onderzoek uitgevoerd. Zie ook bijlage 3. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de onderzoekslocatie als onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging te beschouwen is. Ter plaatse wordt, met uitzondering van de bekende verhoogde achtergrondgehalten, geen bodemverontreiniging verwacht.

Binnen het vooronderzoeksgebied is verder geen sprake van deellocaties welke verdacht zijn ten aanzien van bodemverontreiniging. Ter plaatse wordt dan ook geen bodemverontreiniging verwacht welke zich uitstrekt tot binnen de onderzoekslocatie. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd worden dat het aspect bodem en grondwater geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. 4.1.2

Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden.

3 % is gedefinieerd als 3 % van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is per 1 augustus 2009 in werking getreden. De voorlopig looptijd is in 2014 verlengd tot en met 31 december 2016. De reikwijdte en werking van het NSL verandert daardoor niet. Sinds 1 januari 2015 is het verplicht plannen en projecten ook te toetsen aan de normen voor fijn stof PM2,5. Bij de beoordeling van de invloed van een initiatief op de luchtkwaliteit dient de gevraagde ontwikkeling getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit staat in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Een vergunning kan in principe verleend worden indien er geen Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

11

overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt. Is er toch sprake van een overschrijding, dan kan de vergunning alleen verleend worden indien de luchtkwaliteit door het project niet of niet in betekenende mate verslechterd. Wanneer een uitbreiding 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie fijn stof kan een vergunning verleend worden. Voor fijn stof houdt dit in een toename van 1,2 microgram (3% van de grenswaarde) op het beoordelingspunt. Met behulp van ISL3a kan berekend worden of de bijdrage NIBM is. In de Handreiking fijn stof en veehouderijen zijn daarnaast vuistregels te vinden. Als uit de vuistregels blijkt dat een bijdrage NIBM is, hoeft niet meer gerekend te worden met ISL3a. De luchtkwaliteit wordt alleen beoordeeld op plaatsen waar significante blootstelling aan mensen plaatsvindt. Een plaats met significante blootstelling kan bijvoorbeeld een woning, school of sportterrein zijn.

afbeelding 7, uitsnede NIBM tool

In de NIBM tool is het verwachte verkeer ingevoerd zoals opgenomen in het akoestisch rapport. Dit verkeer is geen toename, maar kan als een worstcase scenario worden gezien. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. 4.1.3

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect 'geluid'. In de wet geluidhinder (Wgh) is een zonering van een industrieterrein, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden opgesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan de milieugevoelige functies. Met voorliggend plan worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies (zoals woningen) mogelijk gemaakt in het kader van de Wet geluidhinder. Daarmee is er geen sprake van belemmeringen door weg- en/of spoorweglawaai. Uit de toets aan het aspect 'bedrijven en milieuzonering' blijkt dat er qua industrielawaai voor soortgelijke bedrijvigheid een richtafstand geldt van 50 meter ten opzichte van geluidsgevoelige functies. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan, het woon- en leefklimaat van de omliggende bedrijfswoningen wordt niet verslechterd. Door HMB BV is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de ingebruikneming van een nieuwe inrit en de toekomstige oprichting van een stallingsruimte. Dit onderzoek is als bijlage 4 aan deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek volgt dat de inrichting vanuit akoestisch oogpunt alleszins

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

12

inpasbaar is in de lokale omgeving. Aanvullende geluid reducerende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Voor het aspect 'geluid' is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.2

Externe veiligheid 4.2.1

Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is in 2004 in werking getreden. Hiermee zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. In 2004 is ook de Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (REVI) in werking getreden. Deze regeling strekt tot uitvoering van het BEVI. Het BEVI heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het Bevi is van toepassing op Wm-vergunningplichtige risicovolle inrichtingen en/of nabijgelegen beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. Het bedrijf van de initiatiefnemer is een inrichting die niet onder de definitie van risicovolle inrichting (ex artikel 2 Bevi) valt.

Locatie

afbeelding 8, Bron; Risicokaart.nl

Volgens de Risicokaart van Nederland liggen er in de directe omgeving geen inrichtingen die onder het Bevi vallen. Inrichtingen die niet vallen onder artikel 4 vijfde lid sub b van het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI), moeten een kwantitatieve risicoanalyse uitvoeren. Gevaarlijke stoffen: Binnen de inrichting worden geen gevaarlijke stoffen opgeslagen. De gevraagde ontwikkeling heeft geen invloed op de externe veiligheid. 4.2.1.1

Plaatsgebonden risico

Men kan de kans berekenen, dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeluk voordoet, als direct gevolg van een incident op een bedrijf indien zich op die plaats iemand bevindt. Hierbij is het niet van belang of op die plaats daadwerkelijk een persoon aanwezig is. Concreet: de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een bedrijfs- of transportongeval. Dit risico, wordt het plaatsgebonden risico genoemd. Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

13

De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. 4.2.1.2

Groepsrisico:

Bij het berekenen van het risico is het – in plaats van uit te gaan van een denkbeeldig persoon – ook mogelijk om te kijken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van die bevolking rondom een bedrijf. Bepaald wordt dan hoe groot de kans is op één, tien of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Deze kans op een ramp van een bepaalde omvang heet het groepsrisico. Welke kans acceptabel geacht wordt, is onder andere afhankelijk van de omvang van de ramp en de mate waarin hulpverleners op de bestrijding ervan zijn voorbereid. Op de locatie worden geen activiteiten verricht die een toename van groepsrisico met zich meebrengen. 4.2.2

Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT)

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, heeft op 19 maart 2014, de regeling gepubliceerd over de vaststelling van de ligging van de risicoplafonds langs transportroutes en regels voor ruimtelijke ontwikkelingen langs transportroutes in verband met externe veiligheid (Regeling basisnet) Om duidelijkheid te verschaffen in de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen is het Basisnet ontwikkeld. Het Basisnet geeft de verhouding aan tussen ruimtelijke ordening en de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, vaarwegen en spoorwegen. Zo wordt beschreven welke ruimtelijke ontwikkelingen al dan niet zijn toegestaan in het gebied tot 200 meter vanaf de infrastructuur. Het Basisnet beperkt zich tot de rijksinfrastructuur. Binnen het Btev krijgen provincies de mogelijkheid om voor provinciale wegen een provinciaal Basisnet vast te stellen. Voor Limburg zijn in 2009 en 20100 tellingen verricht en berekeningen uitgevoerd om inzicht te krijgen op de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen via de provinciale wegen. Hieruit blijkt dat in Limburg, nu en in de toekomst (tot 2020) geen knelpunten te verwachten zijn. Slechts op één locatie was sprake van een plaatsgebonden risicocontour die buiten de weg valt (N280 bij Roermond). Daarbinnen mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden ontwikkeld.

Doordat zich geen knelpunten voordoen wordt momenteel bezien of het vaststellen van een provinciaal Basisnet voor Limburg meerwaarde heeft. Het plangebied ligt in de nabijheid van een transportroute die is opgenomen in het basisnet. Het betreft een buisleiding en de snelweg A73. Echter op een afstand van circa 350 meter. Eventuele vluchtroutes richting het westen via de Bussereindseweg zijn uitstekend. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het voorliggende initiatief de situatie betreffende BEVT niet verslechterd ten opzichte van de vigerende situatie.

4.3

Waterparagraaf

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft die beleid vertaalt in het provinciaal waterplan. 4.3.1

Provinciaal Waterplan Limburg

Op 20 november 2009 heeft provinciale staten het Provinciaal Waterplan Limburg vastgesteld. Dit plan is een actualisatie van het waterbeleid uit het POL2006. Het Provinciaal Waterplan 2010-2015 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid.

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

14

Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2010-2015 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. De operationele uitwerking vindt plaats via POL-aanvullingen en beleidsregels, die bij de verschillende hoofdstukken genoemd zijn. Samen met deze uitwerkingen vormt het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2010-2015 het nieuwe provinciale waterhuishoudingsplan. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de ecologische en mensgerichte functies: de specifiek en algemeen ecologische functie (SEF resp. AEF) en de functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid.

Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen. Conform het stroomschema van het waterschap is voor de beoogde planwijziging een “Watertoets” uitgevoerd. 4.3.2

Watertoets

Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1).

Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een vergroting van een bouwvlak. Er vindt een toename plaats van het verhard oppervlak. In onderstaande berekening is uitgegaan van een toevoeging van het verhard oppervlak van 2500m2. Dit is een geschatte hoeveelheid bebouwd/verhard oppervlak. De rekensystematiek wijzigt niet bij een (in de toekomst) gewijzigd inzicht qua verhard oppervlak. Mocht de oppervlakte bebouwing/verharding toenemen zorgt de initiatiefnemer voor een evenredige vergroting van de infiltratiecapaciteit Bij een maatgevende bui van T = 100 (100 mm) bedraagt de te infiltreren hoeveelheid water 250 m³ (2500m² x 100 mm). Er zal een infiltratiegreppel/sloot worden gerealiseerd met voldoende capaciteit aan de zuidoostkant. Hier komt conform het landschapsplan een groenstrook met een 'natuurlijk' Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

15

karakter. De strook bestaat uit een infiltratiesloot en een struweelhaag met daarin opgenomen bomen. De strook is inclusief de infiltratiesloot minstens 5 meter breed; zie de doorsnede hieronder.

afbeelding 9, doorsnede groenstrook.

De toevoeging van 2500 m² verharding is zo klein dat geen overlast voorzien wordt. De initiatiefnemer zal, ter voorkoming van enige hinder, op eigen perceel zoals gesteld een infiltratievoorziening realiseren met voldoende inhoud. Met een dergelijke voorziening zijn geen problemen op het gebied van hemelwateroverlast te verwachten. Conclusie Er zijn geen negatieve gevolgen te verwachten met betrekking tot het aspect water in relatie tot het voorliggende initiatief. Het aspect water is voldoende gewaarborgd en vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling en voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan.

4.4

Cultuurhistorie en Archeologie 4.4.1

Cultuur Historische Waarden

De inventarisatie gegevens van de Cultuur Historische Waardenkaart hebben een informatieve en signaleringsfunctie, en maken de informatie zichtbaar die momenteel voorhanden is over de Limburgse cultuurhistorie. Ze vormen zo de startdocumenten om te komen tot een integrale cultuurhistorische waardenkaart voor de provincie Limburg. Zij kunnen er toe bijdragen om de cultuurhistorische dimensie te betrekken bij ruimtelijke, toeristische en culturele ontwikkelingen en voornemens. De Cultuur Historische Waardenkaart bestaat uit de volgende onderwerpen: • Archeologie • Bouwkunde • Historische geografie

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

16

afbeelding 10, Cultuurhistorische waarde kaart provincie Limburg, aandachtspunt Bouwkunde

Zoals uit de voorgaande kaart blijkt, zijn er in of nabij het plangebied geen bouwkundige waarden die mogelijk negatief beïnvloed kunnen worden door de ontwikkelingen in het plangebied. De gronden van het plangebied zijn bekend als bouwland. 4.4.2

Archeologische waarden

Uitgangspunt is het archeologisch erfgoed in situ (op de oorspronkelijke vindplaats) te beschermen. Op Europees niveau is daarvoor door het Rijk het Verdrag van Malta ondertekend en zijn verplichtingen aangegaan. Voor archeologisch waardevolle terreinen, zoals aangegeven op de Archeologische monumentenkaart Limburg en voor gebieden met een (middel)hoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, moeten bij voorgenomen ruimtelijke activiteiten de archeologische waarden door middel van vooronderzoek in kaart worden gebracht. De gegevens over de archeologie zijn onderverdeeld in: • Archeologische monumenten Deze bevatten de rijksmonumenten en de te beschermen archeologische monumenten en terreinen, die van hoge archeologische waarde of betekenis zijn. • Grens Via Belgica Deze grens geeft globaal de breedte aan waar het tracé van deze Romeinse weg is aangelegd. • Historische dorpskernen Dit bevat de beschermende dorpsgezichten en historische buitenplaatsen. • IKAW (indicatieve archeologische waarden). Deze zogenaamde archeologische verwachtingskaart geeft een gebiedsindeling in drie categorieën, op basis van de verwachting van archeologische vondsten (gebieden met een lage, midden, danwel een hoge archeologische verwachting).

Relevant toetsingskader De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de verstoorder betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

17

belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe 'de verstoorder betaalt' voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Archeologie beleid gemeente Beesel De gemeente Beesel heeft een eigen archeologische advieskaart:

Locatie

afbeelding 11, Bron; indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) gemeente Beesel

Volgens de indicatieve kaart archeologische waarden van de gemeente Beesel valt het plangebied binnen het gebied “hoge indicatieve archeologische waarde”. Deze waarde is opgenomen in het vigerend bestemmingsplan. Ter plaatse van de aanduiding 'hoge archeologische verwachtingswaarde' zijn bodemingrepen dieper dan 0,40 meter beneden maaiveld uitsluitend toegestaan: 1. indien het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m² en 2. niet ligt binnen een straal van 50 meter van AMK-terreinen of een terrein met hoge of zeer hoge archeologische waarden en/of van vindplaatsen zoals aangegeven in Archis; 3. het bevoegd gezag de gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek; Het te verstoren gebied is kleiner dan 500 m² en ligt niet binnen 50 meter van AMK-terreinen en/of van vindplaatsen zoals aangegeven in Archis. Door Econsultancy is een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd, zie ook bijlage 1. In het onderzoek is geconcludeerd dat aangezien de ondernemer is voornemens het plangebied in Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

18

eerste instantie enkel te verharden, geen belemmeringen gezien worden voor deze plannen. Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt en er, afgezien van de funderingen, niet dieper ontgraven wordt dan 30 cm onder het huidige maaiveld. Het verstoringsoppervlak ten behoeve van de funderingen (breedte 50 cm en diepte 80 cm) bedraagt ongeveer 1% van het plangebied. In het plangebied, waar nog archeologische waarden worden verwacht, wordt een dubbelbestemming archeologie geadviseerd. Deze is in dit planvoornemen meegenomen. Mocht het in de toekomst niet mogelijk zijn om de archeologische waarden in situ te behouden, dan adviseert Econsultancy om een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Conclusie Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de cultuurhistorische- en archeologische waarden van het gebied niet zal worden aangetast. Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan.

4.5

Natuurwaarden en landschapswaarden 4.5.1

Gebiedsbescherming

Wet natuurbescherming (Wnb) Door uitvoering van de voorgenomen maatregelen gaat geen oppervlakte aan Natura 2000-gebied of Beschermd Natuurmonument verloren. Gelet op de ruime afstand (meer dan 4 kilometer) van het plangebied tot de Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten (meer dan 12 kilometer) zijn effecten in het kader van de externe werking door verstoring (maximaal enkele honderden meters) en stikstof vanuit het plangebied uit te sluiten. Beoordeeld moet worden of de uitbreiding en/of wijziging van de inrichting significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbeschermingswet beschermd moeten worden. Binnen een straal van 10 kilometer bevinden zich enkele Natura 2000-gebieden, waarvan het Duitse Grenspark Maas-Swalm-Nette zich het dichtst bij de locatie bevindt (op circa 2,5 kilometer). Op 20 januari 2021 deed de Raad van State uitspraak in de zaak Logtsebaan. Daardoor is voor intern salderen geen natuurvergunning meer nodig. Dit geeft meer handelingsvrijheid aan ondernemers, maar ook meer verantwoordelijkheid. De stikstofdepositie mag in totaal namelijk niet stijgen. Op 1 januari 2020 is de Spoedwet Aanpak Stikstof (hierna: ‘de SAS’) in werking getreden. Die wet voorzag – onder andere – in een wijziging van artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2020.

Als gevolg van die wetswijziging is er (pas) een natuurvergunning nodig als een project significant (negatieve) effecten kan hebben op een Natura 2000-gebied. De vergunningplicht (de zogenaamde verslechteringsvergunning) voor projecten die enige maar géén significante gevolgen kunnen hebben is – als gevolg van de SAS – per 1 januari 2020 vervallen. Bij intern salderen gaat het erom of de aangevraagde activiteit zelf niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de eerder vergunde situatie ten tijde van de referentiesituatie. Als de wijziging of uitbreiding van een project niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie (= intern salderen), dan is volgens de rechtspraak van de Afdeling op grond van objectieve gegevens uitgesloten dat die wijziging significante gevolgen heeft. De provincie Limburg heeft haar beleidsregels op 1 maart 2021 aangepast. Overwegende dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 20 januari 2021 heeft uitgesproken dat ‘intern salderen’ sinds 1 januari 2020 niet langer vergunningplichtig is op basis van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (uitspraak ‘Logtsebaan’, zie Uitspraak 201907146/1/R2 Raad van State); Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

19

Overwegende dat Gedeputeerde Staten invulling geven aan deze uitspraak en daarom kennis geven van het volgende genomen besluit: - bij de afhandeling van aanvragen die zijn en worden ingediend op basis van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming, worden de bepalingen uit de Beleidsregel ‘intern en extern salderen in Limburg december 2019’ over intern salderen buiten toepassing gelaten. Bussereindseweg 67A 5964 CG Beesel Voor de locatie Bussereindseweg 67A 5964 CG Beesel vormen de verleende vergunning (thans omgevingsvergunning) van 16 mei 1983 en 17 februari 2003 en de meldingen van 11 augustus 2009 en 14 februari 2012 de referentiesituatie voor de Wet natuurbescherming. Het betreft een initiatief die niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie (= intern salderen). De aangevraagde activiteit zelf leidt niet tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de eerder vergunde situatie ten tijde van de referentiesituatie. Als gevolg van de wijziging van artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming geldt sinds 1 januari 2020 op grond van de referentiesituatie in deze situatie geen natuurvergunningplicht.

De gevraagde ontwikkeling heeft geen significante negatieve invloed op de beschermde natuurwaarden van de gebieden. De Wnb is hiermee geen belemmering voor het initiatief. Op basis van bovenstaande gegevens is te concluderen dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve bijdrage heeft op de te beschermen gebieden. De voorgenomen ontwikkeling is vergunbaar.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het planvoornemen leidt niet tot ruimtebeslag in de Zilvergroene en de Bronsgroene landschapszone. De Bronsgroene landschapszone bestaat uit landschappelijk aantrekkelijke gebieden met een veelheid aan functies. In deze gebieden is de inzet landschappelijke kernkwaliteiten en monumentaal erfgoed te koesteren en optimaal te gebruiken. Voor deze categorie geldt alleen een compensatieplicht als de kernkwaliteiten worden aangetast en of elementen met natuurwaarden. Wat betreft planologische bescherming, geldt dat de voorgenomen ontwikkelingen plaatsvinden buiten de begrenzing van Natuurnetwerk Nederland. Er gaan geen ecologisch waardevolle kleine landschapselementen verloren, er is dan ook geen compensatie nodig. De voorgenomen ontwikkelingen vinden tevens plaats buiten de begrenzing van weidevogelleefgebied. Het planvoornemen leidt niet tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden en leidt niet tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland. Volledigheidshalve is echter een toets uitgevoerd naar de gevolgen van het plan op te beschermen soorten (flora en fauna). In de volgende paragraaf (4.5.2) is dit beschreven. 4.5.2

Soortenbescherming

De natuurwaarde zijn beoordeeld op basis van de provinciale uitgangspunten.

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

20

afbeelding 12, Beschermde broedvogels.

afbeelding 13, Beschermde soorten en planten.

Er zijn geen rode lijst waarnemingen in of direct nabij de locatie. Voor de locatie geldt dat deze reeds sinds jaren in gebruik voor agrarische doeleinden. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de genoemde rodel lijstsoorten zich ophouden tussen de bestaande locaties aan de doorgaande Bussereindseweg. De functiewijziging is niet nadelig voor de genoemde soorten. In het plangebied waar de vergroting van het bouwvlak zal worden gerealiseerd zijn geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten en planten. Door Faunaconsult is een Flora- en fauna-inspectie uitgevoerd, zie bijlage 5. In dit onderzoek is het volgende geconcludeerd: Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde Asoorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.

Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemene vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de opgaande vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Met inachtneming van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat geen sprake is van significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

21

Gezien de aard van de ontwikkelingen zal de externe invloed op de omliggende natuur niet significant zijn. Wel zal de zorgplicht in acht genomen worden.

4.6

Landschapsplan

Als voorwaarde en kwaliteitsbijdrage is met de initiatiefnemers besproken dat de locatie op een goede wijze landschappelijk dient te worden ingepast. Gelet op het verbeteren van de omgevingskwaliteit ter plaatse, is door de tuin- en landschapsarchitect ir. Guido Paumen een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Dit plan is on zijn volledigheid als bijlage 2 aan deze toelichting gevoegd.

afbeelding 14, uitsnede uit landschappelijk inpassingsplan

De landschappelijke inpassing is, inclusief onderbouwing van de plannen, als bijlage aan deze toelichting gevoegd

4.7

Kabels en leidingen

De Regeling externe veiligheid buisleidingen strekt ertoe om buisleidingen voor het transport van aardgas en aardolieproducten onder de werking te brengen van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb). De gevolgen van het onder de werking brengen van het Bevb zijn voor buisleidingen voor aardgas en aardolieproducten voldoende onderzocht. De noodzakelijke uitzonderingen voor deze buisleidingen

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

22

op de algemene regels van het Bevb worden ook in deze regeling vastgelegd. Een uniforme rekenmethodiek wordt voorgeschreven voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De buisleidingen met overige chemische stoffen (zoals etheen, propeen, koolstofdioxide) zullen later worden aangewezen nadat de rekenmethodiek voor die stoffen is vastgesteld, de consequenties van aanwijzing voldoende zijn onderzocht en tevens duidelijk is welke eventuele uitzonderingen op het Bevb nodig zijn. De verplichting tot het verantwoorden van het groepsrisico bij het vaststellen van bestemmingsplannen is vereenvoudigd voor situaties waarbij sprake is van een zeer beperkt groepsrisico of een zeer beperkte toename van het groepsrisico. In het plangebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven. Hieruit kan geconcludeerd worden dat kabels en leidingen geen belemmering voor het planvoornemen vormen.

4.8

Verkeer en infrastructuur

Het voorliggende plan zorgt niet voor een toename van het verkeer, maar voor een efficiëntere vervoersstroom op het eigen erf. Hiervoor is de tweede inrit van groot belang. Zoals in de huidige situatie kan op eigen erf voldoende geparkeerd worden. Dit heeft in net verleden nooit tot problemen geleidt. De meeste voertuigen parkeren na de eerste inrit, zodra de verharding breder wordt.

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

23

5 JURIDISCHE PLANOPZET Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000 waarop de specifieke bestemmingen zijn weergegeven. Toelichting op de regels: Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan buitengebied 2010. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4:

Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen

Verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000.

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

25

6 UITVOERBAARHEID 6.1

Grondexploitatie en financiële uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De uitvoering van het plan is in particuliere handen. Het project heeft dan ook geen gevolgen voor de gemeentelijke financiën. Er behoeft geen anterieure overeenkomst op basis van de Wro te worden afgesloten en geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

Bestemmingsplan “Bussereindseweg 67 en 67a, Beesel” Gemeente Beesel

27

7 HANDHAVINGSPARAGRAAF Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op eenzelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de regels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Hoe minder knellend de regels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op de lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=462621f4-43c7-4689-929c-14d14cbccafe