B8 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK OUDDORP 9 TE BEESEL GEMEENTE BEESEL
archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Ouddorp 9 te Beesel Opdrachtgever
Kwekerij Bouten Ouddorp 9 5954 BD Beesel
Rapportnummer 1
Versienummer
Datum
9988.002 1.1 6 november 2019
Vestiging
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 0475 - 504961 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
drs. M. Stiekema
Paraaf
Kwaliteitscontrole
drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
9988.002
Toponiem
Ouddorp 9
Opdrachtgever
Kwekerij Bouten
Gemeente
Beesel
Plaats
Beesel
Provincie
Limburg
Kadastrale gegevens
gemeente Beesel, sectie N, nummers 318, 57, 42 en 332
Omvang plangebied
circa 2,2 hectare
Kaartblad
58 B
Coördinaten centrum plangebied
X: 199.770 Y: 364.250
Bevoegde overheid
Gemeente Beesel Raadhuisplein 1 5953AL Reuver
Tel.: 077-4749292 Email: info@beesel.nl Contactpersoon : dhr. F. Tegels
ARCHIS3
Bureauonderzoek 4730816100
Booronderzoek 4730824100
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Archeoregio NOaA
Limburgs zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Limburg
Uitvoerder(s)
Econsultancy, drs. M. Stiekema
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Kwekerij Bouten een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Ouddorp 9 te Beesel in de gemeente Beesel. De initiatiefnemer is voornemens de huidige bestemming landbouwgrond naar glastuinbouw te wijzigen en hierop de uitbreiding van kassen en loodsen te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen.
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting hebben de zones langs de restgeul in het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Laat Paleolithicum, een middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit de Bronstijd en Nieuwe tijd en een hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Mesolithicum, Neolithicum en IJzertijd - Late Middeleeuwen. Voor de restgeul geldt een lage archeologische verwachtingswaarde voor resten uit alle perioden. Wel kunnen hier puntvondsten in de vorm van rituele deposities worden verwacht. Resultaten inventariserend veldonderzoek In het plangebied is een Jonge Dryas Maasterras aangetroffen, doorsneden door een restgeul met plaatselijk een bovenliggend laat holoceen oeverdek. In het overgrote deel van het plangebied is dit oeverdek echter opgenomen in de bouwvoor en de verstoorde bovengrond.
Op basis van de aangetroffen bodemprofielen kan de gespecificeerde verwachtingswaarde zoals opgesteld in het bureauonderzoek blijven gehandhaafd. Voor het noordelijke deelgebied worden vanwege de aanwezigheid van e een verstoorde bovenlaag en plaatselijk een laat holoceen (vanaf de 17 eeuw) oeverdek geen archeologische resten verwacht in de bovenste 50 cm tot plaatselijk 135 cm –mv. In het zuidelijk deelgebied worden archeologische resten onder de bouwvoor verwacht vanaf 40 cm –mv. Advies Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt waarbij er, afgezien van de funderingen, niet dieper ontgraven wordt dan 50 cm onder het huidige maaiveld in het noordelijk deelgebied en 40 cm onder het huidige maaiveld in het zuidelijk deelgebied. Het verstoringsoppervlak ten behoeve van de funderingen mag hierbij niet meer bedragen dan circa 1% van de oppervlakte van het plangebied. Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk.
Rapport 9988.002 versie 1.1
Mocht het niet mogelijk zijn om de archeologische waarden in situ te behouden, dan adviseert Econsultancy om een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Beesel). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Rapport 9988.002 versie 1.1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 7 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 11 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 14
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 14 Methoden ........................................................................................................................ 14 Resultaten ....................................................................................................................... 15 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 16
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 16
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 18 BRONNEN .......................................................................................................................................... 20
Rapport 9988.002 versie 1.1
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel VI.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de Maasterrassenkaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart Resultaten van het booronderzoek
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorprofielen
Rapport 9988.002 versie 1.1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Kwekerij Bouten een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Ouddorp 9 te Beesel in de gemeente Beesel (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens de huidige bestemming landbouwgrond naar glastuinbouw te wijzigen en hierop de uitbreiding van kassen en loodsen te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in september 2019 door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog).
2 2.1
BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 2 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
2
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04);
Beschikbaar via www.sikb.nl.
Rapport 9988.002 versie 1.1
Pagina 1 van 21
opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 2.3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Beesel; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter 3 rondom het plangebied. De onderzoekslocatie (oppervlakte circa 2,2 hectare) bestaat uit twee deelgebieden direct ten noorden en zuiden van Ouddorp 9, ongeveer 0,3 kilometer ten zuidwesten van Beesel in de gemeente Beesel (zie figuur 1 en figuur 2). Beide deelgebieden hebben een oppervlakte van circa 1,1 hectare. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 19 meter +NAP. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als grasland (zie figuur 3). Vigerend beleid Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Beesel.
Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – archeologie. Beide bevinden zich volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Beesel binnen een gebied met een lage en hoge archeologische verwachting. Bij gebieden met meerdere archeologische verwachtingen, geldt de hoogste waarde voor het gehele onderzoeksgebied. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch 2 4 onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 500 m en dieper dan 40 cm –mv.
3
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 4 www.ruimtelijkeplannen.nl
Rapport 9988.002 versie 1.1
Pagina 2 van 21
Huidig milieuonderzoek Voortijdig aan het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch historisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 9988.001). Op basis van het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat de gehele onderzoekslocatie kan worden beschouwd als grootschalig onverdacht. Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De voorgenomen bestemmingsplanwijziging betreft een wijziging naar een minder gevoelig gebruik, van agrarisch naar (agrarische) bedrijfslocatie. Een onderzoek van een onverdachte locatie is in dat kader niet noodzakelijk. Echter is op basis van het vooronderzoek geconcludeerd dat de bovenste 0,3 m -mv van het noordelijk deel van de onderzoekslocatie kan worden beschouwd als een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een homogene verontreiniging op schaal van monsterneming" (VED-HO). De bovenste 0,3 m -mv is verdacht voor organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). In het kader van de bestemmingsplanwijziging adviseert Econsultancy deze ‘’verdachte’’ locatie te onderzoeken. Het doel van het bodemonderzoek in deze situatie is vast te stellen of de vermoede verontreinigende stof de achtergrondwaarde overschrijdt en of dit een belem5 mering vormt voor het voorgenomen gebruik. 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De initiatiefnemer is voornemens de bestemming landbouwgrond naar glastuinbouw te wijzigen en hierop de uitbreiding van kassen en loodsen te realiseren. De oppervlakte en diepte van verstoring ten behoeve van de geplande nieuwbouw zijn nog niet bekend. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie6
Formatie van Beegden; rivierzand en –grind (Be3): Laaggelegen Jonge Dryas Terrasvlakte doorsneden door Terrasgeul, beiden afgedekt met Holoceen oeverdek
Geomorfologie7
Dalvlakteterras en laaggelegen reliëf (4E9) en Dalvlakteterras (5E9)
Bodemkunde8
Radebrikgronden; fijnzandige lichte zavel (BKd25) en Holtpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Zb21)
Grondwatertrap
VII
5
Hutjens, 2019 Mulder et al., 2003. 7 Wageningen Environmental Research, 2017. 8 Stichting voor Bodemkartering, 1968. 6
Rapport 9988.002 versie 1.1
Pagina 3 van 21
9,10,11,12,13
Landschappelijke ontwikkeling Het terrassenlandschap langs de Maas is ontstaan gedurende de verschillende koude en warme perioden van het Kwartair. Tijdens koude perioden heeft de Maas een vlechtend karakter gehad met een brede riviervlakte en een opeenhoping van sedimenten. Gedurende de overgang van een koude naar een warme periode sneed de rivier zich in het rivierterras in. Daarna begon de Maas te meanderen in de lager gelegen nieuwe geul en werden er verschillende sedimenten in de bedding, op de oever en in de naastgelegen komgronden afgezet. De oudste terrassen liggen hoog, de jongere terrassen liggen door de verschillende insnijdingsfasen telkens een trede lager. Gedurende de Jonge Dryas, aan het einde van het Laat-Weichselien (12.745 - 11.755 BP) stond de droogvallende verwilderde terrasvlakte van de Maas bloot aan winderosie. Hierdoor zijn er plaatselijk rivierduinen of een dekzanddek afgezet op de oudere, hoger gelegen terrassen ten oosten van de Maas. Het plangebied ligt op een terras dat is gevormd gedurende de Jonge Dryas. Centraal door het plangebied loopt een restgeul van de Maas uit de Jonge Dryas. Ongeveer 100 meter ten westen van het plangebied ligt de huidige (Holocene) rivierbedding van de Maas. Gedurende het Holoceen zijn bij hoog water delen van het Jonge Dryas overstroomd, waarbij Holocene rivierafzettingen over het Jonge Dryas terras zijn afgezet.
Ook het plangebied bevindt zich in een dergelijk gebied. Direct ten oosten van het plangebied bevindt zich het hoger gelegen Maasterras uit het Allerød (13.675 – 12.745 BP) (zie figuur 4). 14
DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd 15 door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. Hieruit blijkt dat de ondergrond voornamelijk bestaat uit zand, met plaatselijk leemlagen. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een Dalvlakteterras en laaggelegen reliëf (4E9) en een Dalvlakteterras (5E9) (zie figuur 5). 16
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op een relatief laag gelegen Maasterras (zie figuur 6). Het Holocene Maasterras ten westen van het plangebied ligt op circa 16,5 meter +NAP, het plangebied zelf (en daarmee dus het Jonge Dryas Maasterras) op 19-20 meter +NAP en het Allerødterras direct ten oosten van het plangebied op circa 22 meter +NAP. Binnen het zuidelijke deelgebied ligt het westelijke deel ruim een meter lager als het oostelijke deel. In het noordelijke deelgebied is hetzelfde hoogteverschil circa 0,5 meter. Dit hoogteverschil lijkt er op te duiden dat de eerder genoemde restgeul zich in het westen van beide deelge-
9
Berendsen, 2008 Van den Berg, 1996 11 De Mulder et al. 2003 12 De Boer et al., 2010 13 Isarin e.a., 2016 14 Dinoloket.nl 15 DINO boornummers B58B0045 en B58B0442 16 AHN. 10
Rapport 9988.002 versie 1.1
Pagina 4 van 21
bieden bevindt. Verder is zowel op het AHN als in het veld in het zuidelijke gedeelte een lange uitgegraven strook van 100 bij 8 meter waarneembaar. De bodem is hier circa 0,5 meter afgegraven. 17
Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied grotendeels gekarteerd als Radebrikgronden; fijnzandige lichte zavel (BKd25). De oostelijke rand van het zuidelijke deelgebied valt in een gebied dat is gekarteerd als Holtpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Zb21) (zie figuur 7). Radebrikgronden zijn gronden met een duidelijk ontwikkelde klei-inspoelingshorizont. Daarnaast onderscheiden Radebrikgronden zich door de aanwezigheid van roestvlekken onder de bruine inspoelings- of briklaag (Bt-horizont). Radebrikgronden worden op de laatglaciale riviergronden van de Maas aangetroffen. Ze zijn ontstaan uit een combinatie van eolisch materiaal en overstromingsklei uit het Bølling-interstadiaal. De laatglaciale sedimentatie van de Maas is hier afgesloten met de afzetting van een oude ‘klei’-laag, die oude rivierklei wordt genoemd. Het dek is veelal niet dikker dan 0,5 - 1,5 meter en rust op Pleistoceen rivierzand. Holtpodzolgronden behoren tot de moderpodzolgronden en kenmerken zich door een zeer dunne Ahorizont met daaronder een duidelijk ontwikkelde, humushoudende moderpodzol B-horizont. Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek.
Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. 18
Tabel II.
Grondwatertrappenindeling
Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter 17 18
Stichting voor Bodemkartering, 1968. Locher & De Bakker, 1990.
Rapport 9988.002 versie 1.1
Pagina 5 van 21
de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII. Vanwege deze diepe grondwaterstand is niet te verwachten dat de toekomstige bebouwing het grondwaterpeil sterk zal beïnvloeden. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf19 goed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 9. Tevens zijn in de figuur de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 meter weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden.
De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van te voren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Ar20 cheologisch Aandachtsgebied. 21
Archeologische beleidskaart Gemeente Beesel Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Beesel ligt het plangebied binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting en een AMK-terrein (zie figuur 8). Binnen deze gebieden dient, bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij bodemingrepen dieper dan 40 cm -mv en een onderzoekslocatie groter dan 500 m², vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het noordelijk deelgebied bevindt zich volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Beesel grotendeels binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting. Uitsluitend de zuidoostelijke hoek valt binnen een gebied met een lage archeologische verwachting. Het zuidelijke deelgebied valt grotendeels binnen een gebied met een lage archeologische verwachting. Uitsluitend de westelijke en oostelijke randen vallen binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting. Bij gebieden met meerdere archeologische verwachtingen, geldt de hoogste waarde voor het gehele plangebied, in dit geval een hoge archeologische verwachting.
19
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Provinciaal Omgevingsplan Limburg. 21 De Boer et al., 2010 20
Rapport 9988.002 versie 1.1
Pagina 6 van 21
22
AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied liggen drie AMKterreinen (zie bijlage 2 en figuur 9). De AMK-terreinen rondom het plangebied geven aan dat er in de omgeving van het plangebied resten van bewoning uit de Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd bekend zijn. 23
In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 12 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken proefsleufonderzoeken, archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden en (begeleiding van) baggerwerkzaamheden (zie bijlage 3 en figuur 9). De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat bij de meeste onderzoeken geen archeologische vondsten zijn gedaan of dat het bodemprofiel ter plaatse zwaar verstoord is. 24
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan 27 vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 9). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in alle perioden van het Laat Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Op basis van de aangetroffen archeologische vondsten lijkt het onderzoeksgebied met name bewoond te zijn geweest in de Romeinse tijd – Middeleeuwen en in iets mindere mate in het Mesolithicum – Neolithicum. Ook uit de overige perioden zijn echter archeologische vondsten bekend. Wetenschappelijke publicaties In het kader van dit bureauonderzoek zijn buiten de reeds besproken literatuur en archeologische rapporten geen wetenschappelijke publicaties geraadpleegd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd.
22
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 24 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 23
Rapport 9988.002 versie 1.1
Pagina 7 van 21
25
Korte bewoningsgeschiedenis van Beesel In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. De oudste resten van menselijke activiteit in de gemeente Beesel bestaan uit (vuur)stenen werktuigen uit het Midden-Paleolithicum. De makers en gebruikers van deze werktuigen waren de Neanderthalers die hier tijdens de voorlaatste ijstijd rondtrokken in navolging van de dieren waar zij jacht op maakten. Een concentratie van waarnemingen van Paleolithische vondsten bevindt zich op het terras langs de Maas aan de oostzijde tussen Asselt en Reuver. Rond 8.800 v. Chr. (Mesolithicum) warmde het klimaat verder op en de hoeveelheid neerslag nam toe. Men vestigde zich ook nu op de hogere gelegen terreinen om zich te beschermen tegen overstromingen. Op het Maasveld, in het noordwesten van de gemeente, heeft een nederzettingsterrein gelegen dat vanaf de Midden-Steentijd tot mogelijk in de Bronstijd in fases in gebruik is geweest; een groot aantal vondsten van prehistorisch aardewerk en bewerkte vuursteen wijst in deze richting. Het terrein ligt aan de rand van een rivierterras vlak langs de Maas. In de Bronstijd zijn landbouw en veeteelt de voornaamste vormen van bestaan.
Dit uit zich in de bouw van boerderijen met een stalgedeelte, die ook nu op de hoger gelegen zones zijn gebouwd. De waterafvoer van de Maas nam toe en er traden regelmatig overstromingen op. De hogere landschapsgedeelten werden gekozen omdat ze minder getroffen werden door overstromingen. Op alle hogere landschapsdelen langs de Maas zijn daarom nederzettingen te verwachten. In de Late IJzertijd ontstaan kleine dorpjes. Mogelijk werden nederzettingsterreinen in deze periode in enkele gevallen kunstmatig opgehoogd met nederzettingsafval om zo veiliger voor overstromingen te zijn, een soort terp. De Bronstijd kenmerkt zich door de vele (rituele) deposities in natte gebieden, zoals het moerassige Meerlebroek. Van de Romeinse vindplaatsen in Limburg zijn de villae het bekendst, met name op de vruchtbare lössgronden in Zuid-Limburg en op andere vruchtbare bodems, zoals de rivierkleigronden van Beesel. Een dergelijk villacomplex ligt op de Donderberg; een stuifduin. Op een andere stuifduin, de Solberg, ontwikkelt zich ook een Romeinse nederzetting. Het is gebleken dat het niet om een Romeinse villa e e gaat, maar om een inheems-Romeinse nederzettingssite uit de 2 en 3 eeuw. Hoewel er veel vondstmateriaal uit de Romeinse tijd gevonden is, ontbreekt het aan restanten van steenbouw, die typerend zijn voor een villa-gebouw. Op de locatie waar de St.
Lambertuskapel staat, zijn tijdens graafwerkzaamheden funderingen van een Romeins gebouw aangetroffen, mogelijk een villa. Aan de rand van een rivierduincomplex, vlakbij de plek waar de Schelkensbeek in het Maasdal uitmondt, ligt onder een esdek een nederzetting uit de Romeinse tijd. De Romeinse sporen verspreiden zich tot vlak langs de beek waar meer resten van een Romeinse villa zijn aangetroffen. De Vroege Middeleeuwen zijn slecht vertegenwoordigd in het vondstmateriaal. De enige vroegmiddeleeuwse resten die in de gemeente bekend zijn, zijn ongeveer 250 meter ten zuidwesten van de St. Lambertuskapel gevonden aan de Sangersweg. Het gaat om een afvalkuil, houtskool en aardewerk, e e onder andere een pot van Badorf-aardewerk, uit de 8 of 9 eeuw. De oudste vondst van deze locatie e e is een aardewerkscherf uit de 5 of 6 eeuw. Mogelijk wijzen deze vondsten op de locatie van een Merovingische nederzetting. Tussen Rijkel en Aoleberg werd, evenals ten noorden van Schelkensbeek, Frankisch aardewerk gevonden. Vrijwel alle bewoning bleef in de Merovingische periode geconcentreerd in de strook tussen Maas en Meerlebroek. In de Volle Middeleeuwen, meer dan in de Vroege Middeleeuwen, was het landschap dynamischer. De Maas verplaatste haar bedding regelma25
De Boer et al., 2010
Rapport 9988.002 versie 1.1
Pagina 8 van 21
tig en de overstromingen die het Maasdal teisterden waren van grote invloed op de mogelijkheden van de mens om het Maasdal te bewonen en gebruiken. De bewoning concentreerde zich op de hoger gelegen delen in, nu nog bestaande, dorpen. Na 1000 komt er meer ontbossing als gevolg van de toenemende houtbehoefte. Deze behoefte hing samen met de periode van economische bloei van de e e 11 tot in de 14 eeuw. De bevolking groeide, grote gebieden werden ontgonnen, steden werden gesticht. Het laaggelegen gebied was destijds minder geschikt voor bewoning maar was wel goed bruikbaar voor de bouw van watermolens en baksteenovens. De huidige woonkernen in de gemeente Beesel zijn alle in de Middeleeuwen of daarna ontstaan. De oude dorpskern van Beesel ligt in het gedeelte dat nu Ouddorp wordt genoemd, op 250 meter ten noorden van het plangebied. Hier liggen de oudste huizen en de oude kerk die op het hoogste punt e van het dorp is gelegen. De nederzetting ontstond in de 12 eeuw op een langgerekte noord-zuid lopende rug aan de Maas. De kerk lag aan een driehoekig plein, de Markt. Hier zijn de fundamenten e en een deel van de vloeren van deze laatmiddeleeuwse kerk opgegraven. Tot en met de 16 eeuw e kon men in Beesel droog wonen. Vanaf de 17 eeuw werd het gevaar voor overstromingen door een veranderend klimaat groter. In 1643 stortte de kerk tijdens een overstroming in.
De dreiging van nieuwe overstromingen werd groter en de oever van de Maas kwam dichterbij. Sindsdien is het plangebied en de directe omgeving nog achtmaal overstroomt, voor het laatst in 1995. Een nieuwe kerk en dorpskern werden gebouwd op een hoger gelegen terrein. De huidige dorpskern van Beesel is daar rond 1750 ontstaan. De bewoningskern Beesel kan in haar oorspronkelijke vorm gekarakteriseerd worden als een kransakkerdorp: een dorp bestaande uit een krans van langs een centrale akker gelegen buurtschappen met een centraal daartussen gelegen kerk- of marktdorp. De uitbreiding e van de bebouwing in de 19 eeuw vond plaats langs oude wegen, de weg die Rijkel, Beesel en Reu26 ver verbindt en langs de weg die vanuit de kern van Beesel naar het westen richting Maas loopt. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Tranchot und v. Müffling kaart27
1802-1820
39 Swalmen
1:20.000
Akkerland
Wegen Ouddorp en Zandkuilweg ten westen en oosten van het plangebied al aanwezig (onverhard)
Kadastrale minuut28
1811-1832
Gemeente Beesel, sectie G, blad 01
1:2.500
Bouwland
-
Militaire topografische kaart29 (nettekening)
1850-1864
58
1:50.000
Akkerland
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1894
739/740
1:50.000
Akkerland
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1921
739/740
1:50.000
Akkerland
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1927
739/740
1:50.000
Akkerland
-
26
www.loegiesen.nl. Beeldbank Vrije Universiteit 28 Beeldbank Cultureelerfgoed 29 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 27
Rapport 9988.002 versie 1.1
Pagina 9 van 21
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1938
739/740
1:50.000
Akkerland
-
Topografische kaart
1945
58 B
1:25.000
Akkerland
-
Topografische kaart
1955
58 B
1:25.000
Akkerland
-
Topografische kaart
1958
58 B
1:25.000
Noordelijk deelgebied boomgaard, zuidelijk deelgebied akkerland
Topografische kaart
1967
58 B
1:25.000
Noordelijk deelgebied boomgaard, zuidelijk deelgebied akkerland
Topografische kaart
1979
58 B
1:25.000
Akkerland
Ouddorp half verhard. Eerste kas en bebouwing (woning?) tussen deelgebieden gerealiseerd.
Topografische kaart
1988
58 B
1:25.000
Akkerland
Ouddorp en Zandkuilweg half verhard.
Topografische kaart
1999
58 B
1:25.000
Noordelijk deelgebied grasland, zuidelijk deelgebied grasland en akkerland
Ouddorp en Zandkuilweg geheel verhard. Kas tussen deelgebieden uitgebreid
Topografische kaart
2006
58 B
1:25.000
Noordelijk deelgebied grasland, zuidelijk deelgebied grasland en akkerland en (uitgegraven) bassin.
-
Topografische kaart
2014
58 B
1:25.000
Grasland, bassin is weer verdwenen.
Kas tussen deelgebieden verder uitgebreid
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied begin e 19 eeuw onderdeel uitmaakte van een uitgestrekt akkergebied ten zuiden van het dorp Beesel. De wegen Ouddorp en Zandkuilweg ten westen en oosten van het plangebied waren destijds al aanwee zig als onverharde wegen. Tot ver in de 20 eeuw veranderde er weinig aan dit beeld. Het noordelijke e deelgebied is in de jaren ’50 en ’60 van de 20 eeuw kort als boomgaard in gebruik geweest. In de e jaren ’70 van de 20 eeuw is tussen beide deelgebieden de huidige woning met schuur en een kleine kas gebouwd. In de afgelopen 40 jaar zijn deze kassen meermaals uitgebreid. De deelgebieden zelf 2 zijn als grasland in gebruik genomen en in het zuiden voor een klein deel (circa 500 m ) als (inmiddels weer gedempt) bassin (zie figuur 10). Op 75 meter ten westen van het zuidelijke deelgebied bevindt zich de korenmolen De Grauwe Beer. Hoewel deze Zaanse molen stamt uit 1614, staat deze pas 30 sinds 1983 op de huidige locatie. Voor die tijd heeft zich hier geen molen bevonden. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde.
Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is. De gemeente legt haar monumentenbeleid vast in de gemeentelijke monumentenverordening. Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). De MIP Gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de historischgeografische, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van gemeenten in de periode 1850-1940. Het plangebied ligt niet binnen een 50 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als MIP monumenten. De hier-
30
www.grauwebeer.nl
Rapport 9988.002 versie 1.1
Pagina 10 van 21
boven genoemde molen De Grauwe Beer betreft wel een Rijksmonument, alleen bevindt deze zich pas sinds 1983 op de huidige locatie. Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Beesel is niet geraadpleegd omdat het plangebied volgens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar onbebouwd is geweest. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange31 bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. Uit deze bronnen blijkt dat in het plangebied archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog te verwachten zijn. Tijdens de oorlog hebben rondom het plangebied gevechtshandelingen plaatsgevonden. De oostoever van de Maas was een lange periode de Duitse verdedigingslinie (de Maasstellung). Deze linie was aangelegd om de geallieerde invasiemacht uit het westen en zuiden te vertragen/stoppen. Hiervan kunnen binnen het plangebied nog resten worden verwacht. Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging Maas- en Swalmdal (contactpersoon dhr. W. Luys). Dit heeft geen aanvullende informatie opgeleverd. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten Complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Laag
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het Holocene oeverdek in de Jonge Dryas terrasafzettingen
Mesolithicum
Hoog
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het Holocene oeverdek in de top van de Jonge Dryas terrasafzettingen
Neolithicum
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder het Holocene oeverdek in de top van de Jonge Dryas terrasafzettingen
Bronstijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het Holocene oeverdek in de top van de Jonge Dryas terrasafzettingen
IJzertijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het Holocene oeverdek in de top van de Jonge Dryas terrasafzettingen
31
Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ kaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990.
Rapport 9988.002 versie 1.1
Indicatieve
kaart
Militair
Erfgoed/VEO
Bommen-
Pagina 11 van 21
Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het Holocene oeverdek in de top van de Jonge Dryas terrasafzettingen
Vroege-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaal¬resten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwer¬pen
Onder het Holocene oeverdek in de top van de Jonge Dryas terrasafzettingen
Late-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het Holocene oeverdek in de top van de Jonge Dryas terrasafzettingen
Nieuwe tijd
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld op en in het Holocene oeverdek en in de top van de Jonge Dryas terrasafzettingen
Uit de landschappelijke ligging op een Maasterras uit de Jonge Dryas blijkt dat het plangebied tot de allerlaatste fase van het Paleolithicum nog niet gevormd was. Vanaf het Mesolithicum is het plangebied bewoonbaar geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit alle perioden van het Laat Paleolithicum (op de oudere Maasterrassen) tot en met de Nieuwe tijd. Op basis van de aangetroffen archeologische vondsten lijkt het onderzoeksgebied met name bewoond te zijn geweest in de Romeinse tijd – Middeleeuwen en in iets mindere mate in het Mesolithicum – Neolithicum. Ook uit de overige perioden zijn echter archeologische vondsten bekend. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jager-verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jager-verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels.
Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties 32 was ook drinkwater bereikbaar. Het plangebied ligt op een Maasterras uit de Jonge Dryas, doorsneden door een oude terrasgeul. Beide zijden langs de geul waren daarom in het bijzonder geschikt tijdens het Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en 33 een goede afwatering van belang. Ook voor landbouwers geldt dat beide zijden langs de geul in het bijzonder geschikt waren voor bewoning: de geul centraal door het plangebied zorgde vermoedelijk voor een goede afwatering.
Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeoloe gische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsin32 33
Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005.
Rapport 9988.002 versie 1.1
Pagina 12 van 21
gen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. 34 Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. De oude dorpskern van Beesel ligt in het gedeelte dat nu Ouddorp wordt genoemd, op 250 meter ten noorden van het plangebied. Hier liggen de oudste huizen en de oude kerk die op het hoogste punt van het e dorp is gelegen. De nederzetting ontstond in de 12 eeuw op een langgerekte noord-zuid lopende rug e e aan de Maas. Tot en met de 16 eeuw kon men in Beesel droog wonen. Vanaf de 17 eeuw werd het gevaar voor overstromingen door een veranderend klimaat groter. Sindsdien is het plangebied en de directe omgeving nog achtmaal overstroomt, voor het laatst in 1995. Tijdens deze overstromingen is het Jonge Dryas terras vermoedelijk afgedekt met een (Holoceen) oeverdek. Het plangebied zal daarom in de Nieuwe tijd een iets minder geschikte vestigingslocatie zijn geweest Het plangebied werd zoals eerder gemeld sinds de Jonge Dryas doorsneden door een restgeul. In restgeulen werden, net als beekdalen, in het Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd en Romeinse tijd gebruikt voor rituele doeleinden, zoals deposities. Rituele deposities betreffen ‘losse’ vondsten die een sociale of rituele betekenis hebben gehad.
Dit soort deposities werden op een specifieke locatie in het landschap gedeponeerd, zoals bijvoorbeeld het samenvloeien van twee beeklopen, beekovergangen 35 en vennen/moerassen. Dit soort vondsten zijn puntlocaties. Op basis van het archeologisch bureauonderzoek hebben de zones langs de restgeul in het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Laat Paleolithicum, een middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit de Bronstijd en Nieuwe tijd en een hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Mesolithicum, Neolithicum en IJzertijd - Late Middeleeuwen. Voor de restgeul geldt een lage archeologische verwachtingswaarde voor resten uit alle perioden. Wel kunnen hier puntvondsten in de vorm van rituele deposities worden verwacht. De archeologische laag bestaat uit een vermenging van onder meer kleine fragmenten aardewerk, houtskool en bot met het oorspronkelijke substraat. Organische resten en metaal zullen slecht zijn 36 geconserveerd door de relatief droge en bodemomstandigheden boven het hoogste grondwaterpeil. Ze zijn mogelijk wel afgedekt door recentere kleiafzettingen en daardoor buiten het bereik van moderne landbouwactiviteiten gebleven. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn.
De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden voornamelijk als akkerland gebruikt en deels in gebruik geweest als boomgaard (het noordelijke deelgebied) en uitgegraven voor een waterbassin en de nog aanwezige 2 uitgegraven strook (het zuidelijke deelgebied). In het zuidelijke deelgebied is circa 1.300 m van de totale 1 hectare uitgegraven. Door ploegen en graaf- en rooiwerkzaamheden kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.
34
Renes, 1999. Fontijn, 2002. 36 Kars & Smit, 2003. 35
Rapport 9988.002 versie 1.1
Pagina 13 van 21
2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het archeologisch bureauonderzoek hebben de zones langs de restgeul in het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Laat Paleolithicum, een middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit de Bronstijd en Nieuwe tijd en een hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Mesolithicum, Neolithicum en IJzertijd - Late Middeleeuwen. Voor de restgeul geldt een lage archeologische verwachtingswaarde voor resten uit alle perioden. Wel kunnen hier puntvondsten in de vorm van rituele deposities worden verwacht. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de omvang van het plangebied is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 4 september 2019 door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Er is in vier raaien geboord met een afstand van 40 meter tussen de raaien en een afstand van 50 meter tussen de boringen. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) twaalf boringen tot maximaal 2,0 meter -mv gezet (Figuur 11). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische 37 Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. De boringen zijn met meetlinten ingemeten (xen y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).
37
Bosch, 2005.
Rapport 9988.002 versie 1.1
Pagina 14 van 21
Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. Vanwege het gebruik van het plangebied (grasland) was het niet mogelijk een oppervlaktekartering uit te voeren. 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: In het plangebied is matig fijn tot matig grof, zwak tot sterk siltig zand en bij de boringen 5 en 12 ook sterk zandig leem aangetroffen. In het noordelijk deelgebied is de top van het bodemprofiel bij de boringen 1, 2, 4 en 5 verstoord. De verstoringen kenmerken zich door de aangetroffen gevlektheid van het sediment en de aanwezigheid van fragmenten baksteen. De verstoringsdiepte varieert van 60 cm bij boring 2 tot maximaal 135 cm bij boring 4. Onder de verstoorde bovenlaag, en bij boring 3 en 6 onder een onverstoorde bouwvoor, zijn bij alle zes de boringen onverstoorde zandafzettingen en bij boring 5 ook leemafzettingen aangetroffen. Bij boring 6 is het zandpakket zwak grindig. Bij de boringen 1, 2 en 3 is in de bovenste 20-60 cm van de onverstoord zandafzettingen verbruining (Bt-horizont) aangetroffen. Bij boring 4 en boring 5 ontbreekt de verbruiningslaag: bij boring 4 is de bodem op deze diepte verstoord, bij boring 5 bevindt zich een sterk zandige leemlaag. Bij boring 6 is onder de bouwvoor een 35 cm dikke laag geelbruin zand boven de verbruiningslaag aangetroffen. De in het noordelijke deelgebied aangetroffen verbruiningslaag bevindt zich in de top van de terrasafzettingen uit de Jonge Dryas.
Uitsluitend in boring 6 is er een pakket laat holocene oeverafzettingen boven het Jonge Dryas terras aangetroffen. Bij de overige boringen zullen deze afzettingen vermoedelijk in de bouwvoor en het (plaatselijk dikke) verstoorde pakket zijn opgenomen. De leemafzettingen in Boring 5 hangen samen met de daar verwachte restgeul. In het zuidelijke deelgebied is boring 7 op 50 cm –mv gestuit op een puinlaag. Vermoedelijk zijn het resten van het voormalige waterbassin (zie figuur 12). Bij de boringen 8-12 is onder een 40-50 cm dikke bouwvoor een onverstoord (plaatselijk zwak grindig) zandpakket aangetroffen, met bij boring 12 vanaf 130 cm –mv een 50 cm dikke laag sterk zandige leem. Alleen bij boring 9 is in de top van deze afzettingen een Bt-horizont herkend. Bij de boring 8 en 10 lijkt er sprake te zijn van lichte verbruining, maar is dit minder uitgesproken. Bij boring 12 is onder de bouwvoor en boven de onderliggende leemlaag een 90 cm dik licht bruin zandpakket aangetroffen. Hoewel deze dit zandpakket qua kleurstelling aan een verbruiningslaag doet denken betreft het vermoedelijk een laat holocene opvulling van de eerder genoemde restgeul. In de overige boringen in het zuidelijke deelgebied zijn geen Holocene oeverafzettingen herkend. Mogelijk zijn deze geheel opgenomen in de (relatief dikke) bouwvoor.
Uit de resultaten van het booronderzoek komt naar voren dat de restgeul in het noordelijke deelgebied inderdaad op de verwachte locatie volgens de Maasterrassen ligt. In het zuidelijke deelgebied lijkt hij conform het AHN iets ten westen hiervan te liggen. De exacte ligging van de restgeul is op basis van enkele verkennende boringen echter lastig vast te leggen (zie figuur 12). Verder valt op dat de bodemprofielen in het noordelijke deelgebied duidelijk dieper verstoord zijn dan in het zuidelijke deelgebied. Dit hangt vermoedelijk samen met de voormalige boomgaard in het noorden. De bodem-