Archeologisch onderzoek (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Beesel.
Ku 10
250m
201000
Bron:
(geanonimiseerd) |
et al.
2010.
200000
201000
|
Gemeentelijke beleidskaart Middeleeuwen Nieuwe tijd -
Plangebied
200500
Afbeelding 13: Verwachtingskaart Middeleeuwen
AA260013.R01v0.1.ARG765
—
Nieuwe tijd gemeente Beesel. Bron:
30
van
44
(geanonimiseerd) et al. 2010. |
GEONIUS
4
2. 7. 5
Resumé
Het plangebied maakt deel uit van het AMK terrein van de historische kern van Beesel (Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd). Uit het plangebied zijn geen archeologische vondstlocaties bekend en het plangebied is in het verleden niet eerder onderzocht. Volgens de gemeentelijke beleidskaart heeft het plangebied een hoge verwachting. Uit de omgeving van het plangebied zijn vondstlocaties bekend uit diverse perioden van het Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Met name zijn aan de randen van de dalen veel vondsten aangetroffen uit de steentijden. ,
2. 8 Gespecificeerde verwachting Bij het opstellen van een archeologische verwachting wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de relatie die bestaat tussen de situering van de archeologische vindplaatsen en het landschap of zelfs specifieke landschapselementen. Deze relatie (locatiekeuzefactoren) verschilt per archeologische periode en per complextype. ,
Op basis van de in de vorige stappen verworven informatie over de huidige situatie de aardwetenschappelijke en historische situatie en de bekende archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden vindt een proces plaats van analyse en interpretatie t. b. v. het opstellen van een gespecificeerde verwachting. Hiertoe is achtergrondkennis vereist van de landschapsontwikkeling en de geschiedenis van de archeoregio. Om tot een juiste keuze van de onderzoeksmethode van het inventariserend veldonderzoek te komen zijn voor zover mogelijk de volgende eigenschappen aangegeven: datering ; minimaal in hoofdperioden (zoals Paleolithicum Mesolithicum etc.) ; complextype (zoals nederzetting grafveld akkerlaag etc.) ; ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
omvang ;
diepteligging (ook zichtbaar/niet-zichtbaar) ; locatie (met eventueel aanduiding in welk deelgebied) ; uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) ; mogelijke verstoringen. 32 Op basis van de hiervoor beschreven landschappelijk archeologische en historische informatie is het mogelijk een archeologische verwachting op te stellen. Op grond van het gebruik van het landschap door de mens kan er een tweedeling worden gemaakt in jager-verzamelaars (Paleolithicum Mesolithicum en deels Neolithicum) enerzijds en landbouwers (Neolithicum Bronstijd IJzertijd Romeinse tijd Middeleeuwen en Nieuwe tijd) anderzijds. De gespecificeerde verwachting is hierop afgestemd. ,
,
,
,
,
,
Jager-verzamelaars De algemeen gehanteerde theorie die ook voor onderhavig verwachtingsmodel wordt gebruikt is dat jagerverzamelaars door het landschap trokken en tijdelijk op een locatie verbleven. Vanuit grotere basiskampen werden jacht expedities opgezet waarbij de jagers langere tijd onderweg waren en tijdelijke kleine kampen inrichten waar ze een beperkt aantal dagen verbleven zogenaamde extractiekampen. De grootste kans voor het aantreffen van jachtbuit was in de buurt van water. Tevens konden hier veel vruchten worden aangetroffen. Zowel basiskampen als extractiekampen waren dan ook geconcentreerd in de buurt van water. De oudste bewoningsresten zijn dan ook te verwachten in de buurt van water op de overgang van laag en nat naar hoog en droog de zogenaamde gradiëntzone. In het plangebied is geen sprake van een dergelijke zone. Het ligt namelijk ,
32 KNA
versie 4.2 , Protocol 4002.
AA260013. R01v0. 1. ARG765
31 van 44
120 m van het westelijke dal af en 180 m van het dal in het noordoosten. De rand van het plateau ten noordoosten van het plangebied zou bijvoorbeeld een ideale locatie vormen voor bewoning. Datering: Laat Paleolithicum Mesolithicum en Vroeg Neolithicum. Complextype: Nederzettingsresten worden niet verwacht omdat de locatie niet geschikt wordt bevonden voor bewoning. Desondanks kan niet uitgesloten worden dat in het plangebied activiteiten hebben plaatsgevonden. Omvang: De omvang van locaties waar deze kortstondige activiteiten zullen hebben plaatsgevonden zullen beperkt zijn. Hierbij dient eerder worden gedacht aan een omvang van minder dan 10 m.2 Diepteligging: Op grond van de bodemkaart (bodemtype) kunnen archeologische waarden vanaf het maaiveld worden aangetroffen. Locatie: Onbekend. Vuursteenvindplaatsen worden niet verwacht. Aannemelijk is dat bewoning dichter bij de rand van de dalen heeft plaatsgevonden. Uiterlijke kenmerken: Vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich voornamelijk door een strooiing van vuursteen. Het is echter niet uitgesloten dat ook grondsporen kunnen worden aangetroffen. Mogelijke verstoringen: Om zoveel mogelijk informatie uit de vuursteenvindplaats te krijgen is het van belang dat de interne structuur van de vindplaats (de verticale en horizontale spreiding) zo min mogelijk is verstoord.
Volgens de verzamelde gegevens is het plangebied voor zover bekend in meerdere fases bewoond en is in gebruik geweest als bouwland. De bodem kan door deze laatste geroerd zijn tot circa 30 cm -mv of dieper ter plekke van de bebouwing. ,
,
,
Op grond van de verzamelde gegevens geldt voor het plangebied een lage verwachting op het voorkomen van jager verzamelaars vindplaatsen uit het Laat Paleolithicum het Mesolithicum en het Neolithicum. ,
Landbouwers De algemeen gehanteerde opvatting die ook voor onderhavig verwachtingsmodel wordt gebruikt is dat de eerste landbouwactiviteiten in Nederland plaatsvonden in Zuid-Limburg (Neolithicum) en dat dit zich in het Midden Neolithicum verspreidde door de rest van het land. De bewoning bleef geconcentreerd in de dalen waardoor veel Neolithische sporen zullen zijn afgedekt door colluvium. Dit beeld blijft hetzelfde voor Bronstijd nederzettingen. Uit pollenanalytisch onderzoek is gebleken dat vanaf het begin van de Bronstijd een sterke ontbossing en daarmee gepaard gaande erosie heeft plaatsgevonden wat wijst op een toename van het cultuurland. Deze ontwikkeling heeft zich voortgezet in de IJzertijd en Romeinse tijd waarbij ook de hoge delen van het landschap worden ontgonnen. Vanaf het laatste kwart van de derde eeuw neemt de bevolkingsomvang af en daarmee ook de erosie. Het landschap raakte weer bebost. In de dalen echter overleefden de nederzettingen. De meeste vroeg middeleeuwse nederzettingen liggen op de randen van de beekdalen op de grens van bouw- en grasland juist hoog genoeg om geen schade te lijden door de frequente overstromingen in het dal. In de 14 e eeuw was het overgrote deel van de bruikbare grond alweer in cultuur gebracht. Hierbij nam de erosie van het landschap toe.
Tussen 1300 en 1800 werd de bevolkingsgroei voornamelijk opgevangen door uitbreiding van de bestaande kernen. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ook buiten de gekende Middeleeuwse kernen solitaire bewoning kan worden aangetroffen. Dit betekent dus dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat buiten de gekende Middeleeuwse kernen geen bewoning zal hebben plaatsgevonden. Na 1800 nam de omvang van de steden toe. Mede als gevolg van herverkavelingen en schaalvergrotingen in de landbouw nam de erosie nog ,
,
,
,
meer toe.
Datering: Midden Nieuwe tijd.
en
Laat Neolithicum Bronstijd IJzertijd Romeinse tijd Vroege
AA260013. R01v0. 1. ARG765
,
,
,
32 van 44
,
en
Late Middeleeuwen
en
Complextype: Nederzettingsresten worden verwacht. Het is ook niet uitgesloten dat resten van off-site activiteiten kunnen worden aangetroffen. Tevens kunnen dumplocaties worden aangetroffen of resten van verkaveling. Omvang: De omvang van mogelijke off-site sporen kan sterk variëren. Diepteligging: Op grond van de bodemkaart (bodemtype) kunnen archeologische waarden uit alle perioden in de top van de intacte bodem voor kunnen komen. Locatie: Onbekend. Archeologische resten uit deze perioden kunnen in het hele plangebied voorkomen. Uiterlijke kenmerken: Vindplaatsen (huisplaatsen) uit deze perioden kenmerken zich door een spreiding van aardewerkresten en het voorkomen van grondsporen (paalsporen afvalkuilen greppels). Mogelijke verstoringen: Volgens de verzamelde gegevens is het plangebied voor zover bekend in meerdere fases bewoond en is in gebruik geweest als bouwland. De bodem kan door deze laatste geroerd zijn tot 30 cm -mv of dieper ter plekke van de bebouwing. ,
,
,
Op grond van de verzamelde gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit het Midden en Laat Neolithicum de Bronstijd de IJzertijd de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen. Voor de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd geldt een hoge verwachting. ,
,
,
Tabel 5: Verwachtingstabel periode Paleolithicum -
verwachting
complex
kenmerken
omvang
diepte
gaafheid
laag
onbekend
onbekend
Vuursteen
Top intacte bodem
onbekend
Middelhoog
Nederzetting ,
500 -2000 m2
Keramiek ,
Top intacte bodem ,
onbekend
onder ophoging
Vroeg Neolithicum Midden Neolithicum –
akker/tuin ,
vuursteen ,
Vroege
begraving e. d.
metaal ,
Middeleeuwen Late
grondsporen hoog
Nederzetting ,
Middeleeuwen –
akker/tuin ,
Nieuwe tijd
begraving e. d.
AA260013. R01v0. 1. ARG765
500 -2000 m2
33 van 44
Keramiek , metaal ,
Top intacte bodem ,
glas , grondsporen
onder ophoging ,
onbekend
3 Veldonderzoek 3. 1 Algemeen In het plangebied is een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) verkennende fase door middel van boringen (verkennend booronderzoek) uitgevoerd. Het betreft een landschapsgenetisch onderzoek uitgevoerd om het archeologische verwachtingsmodel te verfijnen. De specificatie VS03 zoals opgenomen in protocol 4003 van de SIKB BRL 4000 is derhalve niet van toepassing op dit type onderzoek. 33 ,
Het doel van het IVO verkennende fase door middel van boringen is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Middels het uitvoeren van het geo-archeologisch booronderzoek wordt (extra) informatie verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied. Middels het verkennend booronderzoek wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en kunnen kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor de volgende vormen van onderzoek. Het verkennend booronderzoek is niet geschikt voor het opsporen van archeologische vindplaatsen. ,
,
Het verkennend booronderzoek is uitgevoerd op 14 januari 2026. Conform het PvA zijn vier boringen uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm waarbij de boringen zijn doorgezet tot in de C-horizont tot een diepte van elk 200 cm -mv. De boringen zijn verspreid over het plangebied uitgevoerd waar zich geen verharding bevond (Afbeelding 14). Op deze plekken is nieuwbouw gepland buiten het te slopen pand. Het boorresidu is geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De boorpunten zijn middels GPS ingemeten. ,
,
,
33 De
kwaliteitseisen zoals opgenomen in protocol 4003: VS03 uitvoeren booronderzoek zijn niet van toepassing op dit type onderzoek. https://www. sikb. nl/doc/BRL4000/Protocol%204003%20Inventariserend%20VeldOnderzoek-lb%204_2. pdf
AA260013. R01v0. 1. ARG765
34 van 44
Afbeelding 14: Boorpuntenkaart van het plangebied. Het rode kader geeft het plangebied Topografische kaart van Nederland.
weer en
de punten de boringen. Bron:
3. 2 Resultaten 3. 2. 1
Bodem
In het plangebied werd in alle boringen een vrijwel identieke bodemopbouw waargenomen. Binnen de bodemopbouw konden vijf lagen worden onderscheiden. De bodem bleek niet te zijn verstoord. De bodemopbouw kwam overeen met het verwachte bodemtype namelijk een radebrikgrond. De boorstaten zijn opgenomen in Bijlage 2.
Bodemopbouw en interpretatie Laag 1 (0-40 cm -mv) bestaat uit humeus zwak siltig zand dat donkerbruin van kleur is. Deze laag is geïnterpreteerd als een Ap-horizont de bouwvoor. Laag 2 (40-80 cm -mv) bestaat uit zwak tot matig siltig zand dat bruin van kleur is en plaatselijk humeus is. Laag 2 is geïnterpreteerd als een E-horizont ofwel een uitspoelingshorizont. Laag 3 (50-150 cm -mv) bestaat uit bruin matig tot sterk siltig zand dat lokaal zwak humeus is. Deze laag is herkend als de B-horizont een inspoelingslaag. Laag 4 (140-190 cm -mv) is alleen aanwezig ter plekke van boringen 2-4. De laag varieert in textuur van zwak zandig leem in boring 2 tot sterk siltig zand in boring 3 en zwak siltig zand in boring 4. De laag is overal lichtbruin en is geïnterpreteerd als een BC-horizont een overgangslaag tussen de inspoelingslaag en het moedermateriaal. Laag 5 (150-200 cm -mv) is waargenomen als matig siltig zand dat lichtbruin van kleur is. Dit is de C-horizont. ,
,
,
,
,
,
,
,
Uit de boringen blijkt dat de bodem ter plekke van het plangebied waar de nieuwbouw plaats zal vinden buiten het te slopen pand intact is. ,
,
AA260013. R01v0. 1. ARG765
35 van 44
3. 2. 2
Archeologie
Het boorresidu is geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Deze zijn niet aangetroffen echter op basis hiervan kunnen geen conclusies worden getroffen inzake de aan- of afwezigheid van een archeologische vindplaats.
,
3. 2. 3
Resumé
In het plangebied is een intacte bodemopbouw vastgesteld die overeenkomt met het verwachte bodemtype namelijk een radebrikgrond. Middels het booronderzoek zijn geen indicatoren aangetroffen welke wijzen op een archeologische vindplaats. Archeologische resten kunnen worden aangetroffen vanaf het maaiveld. Deze bestaan uit losse vondsten welke ook van elders kunnen zijn aangevoerd en derhalve niet hoeven te duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Archeologische waarden in situ kunnen worden aangetroffen vanaf 40 cm -mv vanaf de E-horizont(m 19. 99 m +NAP) Deze resten kunnen bestaan uit losse artefacten en grondsporen. Vanwege de uitspoeling is de verwachting dat sporen mogelijk pas vanaf de B (50 cm -mv 19. 89 m +NAP) maar waarschijnlijker vanaf de BChorizont (150 cm 18. 89 m +NAP) zichtbaar zullen zijn. ,,
,
,
AA260013. R01v0. 1. ARG765
36 van 44
4 Conclusies
en
aanbevelingen 4. 1 Conclusies De conclusies worden gegeven in de vorm van de antwoorden op de onderzoeksvragen. 1. Wat is bekend over de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Het plangebied ligt op een Maasterrasvlakte welk is ontstaan in het Allerød (tussen 12. 850 en 13. 900 jaar geleden). Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied hoogstwaarschijnlijk op een dalvlakteterras. Op circa 120 en 180 m afstand liggen ten westen en noordoosten van het plangebied dalen waarvan het noordoostelijke nog watervoerend is. Op de bodemkaart is het plangebied ongekarteerd. Vermoedelijk komen hier radebrikgronden voor. De hoogte van het maaiveld ligt tussen 2073 en 2021 m +NAP. ,
,
,
Wat was het historisch landgebruik van het plangebied wat is het huidig landgebruik en wat is de verwachte invloed daarvan op de (bodem)gaafheid en mogelijk aanwezige archeologische waarden? Het plangebied is voor zover kon worden achterhaald in historische tijden in gebruik geweest als bouwland en in de 19 de eeuw bebouwd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben direct om het plangebied gevechtshandelingen plaatsgevonden en heeft in het plangebied een tankgracht en een loopgraaf gelegen. Als gevolg van het gebruik als bouwland zal de bodem naar verwachting tot maximaal 40 cm (bouwvoor) zijn geroerd. De verstoring als gevolg van de bebouwing zal naar verwachting groter zijn mede als gevolg van het uitgraven van de fundamenten kelders en kabels en leidingen. Onder de vloeren kan echter nog een intacte bodem worden aangetroffen. Ook de aanleg van de tankgracht en loopgracht zal tot de nodige verstoring hebben geleid. Het is echter zeer twijfelachtig of beiden in het plangebied hebben gelegen aangezien de huidige bebouwing uit 1910 dateert en de tankgracht ter plaatse van de huidige bebouwing ligt. De verwachte gevolgen voor mogelijke aanwezige archeologische waarden kunnen groot zijn. 2.
,
,
3. Welke gegevens met betrekking tot archeologische waarden zijn over het plangebied bekend? Het plangebied maakt deel uit van het AMK terrein van de historische kern van Beesel (Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd). Uit het plangebied zijn geen archeologische vondstlocaties bekend en het plangebied is in het verleden niet eerder onderzocht. Volgens de gemeentelijke beleidskaart heeft het plangebied een hoge verwachting. Uit de omgeving van het plangebied zijn vondstlocaties bekend uit diverse perioden van het Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Met name zijn veel vondsten aangetroffen uit de steentijden. ,
4. Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? Op basis van de in het bureauonderzoek verzamelde gegevens geldt een lage verwachting op het voorkomen van jager verzamelaars vindplaatsen uit het Laat Paleolithicum het Mesolithicum en het Neolithicum een middelhoge op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan landbouwsamenlevingen uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen en een hoge op het voorkomen van archeologische vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. ,
5.
Komt het middels het IVO-O vastgestelde bodemtype bureauonderzoek werd verwacht?
AA260013. R01v0. 1. ARG765
37 van 44
,
overeen
met
hetgeen
op
basis
van
het
In het plangebied is een intacte bodemopbouw vastgesteld die overeenkomt met het in het bureauonderzoek verwachte bodemtype namelijk een radebrikgrond. Indien er in (delen van) het plangebied sprake is van een intacte bodemopbouw vanaf welke diepte t. o. v. het maaiveld kunnen archeologische waarden dan worden verwacht? Is er sprake van meerdere archeologische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Zo ja op welke diepte t. o. v. maaiveld bevinden deze zich? Door middel van het booronderzoek is vastgesteld dat de bodem in het plangebied intact is. Archeologische waarden in situ kunnen worden aangetroffen vanaf 40 cm -mv vanaf de E-horizont(m 19. 99 m +NAP) Deze resten kunnen bestaan uit losse artefacten en grondsporen. Vanwege de uitspoeling is de verwachting dat sporen mogelijk pas vanaf de B (50 cm -mv 19. 89 m +NAP) maar waarschijnlijker vanaf de BC-horizont (150 cm 18. 89 m +NAP) zichtbaar zullen zijn. 6.
,
,,
,
,
Indien er in (delen van) het plangebied sprake is van een verstoorde bodemopbouw tot welke diepte t. o. v. maaiveld is deze verstoord en wat zegt dit over de gaafheid van eventueel aanwezige archeologische waarden? Op basis van het booronderzoek blijkt dat de bodem in het onbebouwde deel van het plangebied onverstoord is. Eventueel aanwezige archeologische waarden zullen hierdoor intact zijn gebleven. Over de bodemopbouw ter plaatse van de bestaande bebouwing kunnen geen uitspraken worden gedaan. 7.
8.
Kan de gespecificeerde verwachting zoals geformuleerd in het archeologisch bureauonderzoek aan de hand van de resultaten van het IVO-O verkennende fase door middel van boringen worden gehandhaafd of dient deze (in delen van het plangebied) worden bijgesteld? Zo ja waaruit bestaat de bijstelling en
waarom? De gespecificeerde verwachting uit het bureauonderzoek kan op basis van de resultaten van het veldonderzoek gehandhaafd worden. 9. Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventueel aanwezige archeologische waarden? De toekomstige geplande inrichting kan in elk geval in het oosten van het plangebied eventueel aanwezige archeologische waarden vernietigen. ,
,
10. Is in het plangebied archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk en zo ja welke onderzoeksmethode wordt aanbevolen? Deze vraag wordt in de volgende paragraaf beantwoord.
4. 2 Aanbevelingen Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het plangebied een lage verwachting op het voorkomen van jager verzamelaars vindplaatsen uit het Laat Paleolithicum het Mesolithicum en het Neolithicum een middelhoge op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan landbouwsamenlevingen uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen en een hoge op het voorkomen van archeologische vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Archeologische waarden in situ kunnen worden aangetroffen vanaf 40 cm -mv vanaf de E-horizont(m 19. 99 m +NAP). Deze resten kunnen bestaan uit losse artefacten en grondsporen. Vanwege de uitspoeling is de verwachting dat sporen mogelijk pas vanaf de B-horizont (50 cm -mv 19. 89 m +NAP) maar waarschijnlijker vanaf de BC-horizont (150 cm 18. 89 m +NAP) zichtbaar zullen zijn. ,
,
,
,
AA260013. R01v0. 1. ARG765
38 van 44
Indien de graafwerkzaamheden zullen reiken tot het archeologisch niveau (40 cm -mv) en het is niet mogelijk de plannen aan te passen wordt een archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van een Inventariserend Veld Onderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P) na de sloop van de huidige bebouwing. Het doel van het IVO-P is gelijk aan het IVO-O namelijk het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Ten behoeve van het uitvoeren van een IVO-P dient eerst een Programma van Eisen worden opgesteld. Het PvE dient ter beoordeling worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het doel van een PvE is het borgen van de inhoudelijke kwaliteit van archeologisch onderzoek en het kan beschouwd worden als basisdocument voor archeologisch onderzoek. Zonder een door het bevoegd gezag goedgekeurd PvE kan het IVO-P niet worden uitgevoerd. Tevens wordt op basis van het PvE de prijs bepaald voor het uitvoeren van het vervolgonderzoek. ,
,
Deze aanbevelingen vormen een advies dat getoetst dient te worden door de bevoegde overheid (gemeente Beesel). Deze zal een besluit nemen over wat de eventuele vervolgstappen dienen te zijn ten aanzien van eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Te alle tijden geldt dat mochten tijdens de voorgenomen graafwerkzaamheden alsnog archeologische waarden worden aangetroffen hiervan een melding dient te worden gemaakt conform artikel 5. 10 van de erfgoedwet. 34 ,
,
34 Degene
die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft , meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. 2. De gerechtigde tot een archeologische vondst als bedoeld in het eerste lid , is gehouden de vondst gedurende zes maanden , te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding , ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek. Opmerking auteur: met monument wordt bedoeld: 1. vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid , hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde ; 2. Terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar aanwezige zaken als bedoeld onder 1. Melding kan plaats vinden bij de gemeente (niet bij de minister).
AA260013. R01v0. 1. ARG765
39 van 44
Literatuurlijst en gebruikte bronnen Literatuurlijst
(geanonimiseerd)/ , (geanonimiseerd) 2008: verliesregister 1939-1945, Alle militaire vliegtuigverliezen in Nederland tijdens de TN Wereldoorlog,
Tweede
Den
Haag.
(geanonimiseerd) 2006: Defensie|
oorlogsschade in kaart gebracht (1939
en
—
1945),
Zeist.
(geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) & | (geanonimiseerd) 2010. De archeologische verwachtings- en | beleidsadvieskaart
CCvD,
2022.
Centraal
voor
de gemeente Beesel. ADC
Kwaliteitsnorm
College
van
(geanonimiseerd) NO
Nederlandse
Heritage.
Archeologie
Landbodems
versie
4.2,
2022.
Vastgesteld
door
het
Deskundigen (CCvD) Archeologie, ondergebracht bij de SIKB te Gouda.
(geanonimiseerd) 2018. ,
Archeologisch
onderzoek
Kerkstraat
16a
te
Beesel.
Archeologische
Rapporten Geonius 91.
(geanonimiseerd) & | (geanonimiseerd) | booronderzoek
Kerkstraat
16
(perceel
links
2024.
archeologisch
Rapport
ernaast)
bureauonderzoek
Beesel,
in de
gemeente
onderzoek
IVO-P
plangebied
te
Beesel.
en
verkennend
Econsultancy rapport
24254.001.
« (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) nn ,
Archeologische Rapporten
2025.
Geonius
Archeologisch
Kerkstraat
ong.
te
Beesel.
756.
Gebruikte bronnen http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl http://www.pdok.nl http://www
.sikb.nl
http://zoekencultureelerfgoed.nl https://bagviewer.kadaster.nl https://easy.dans.knaw.nl https://portal.prvlimburg.nl https://www.arcgis.com
AA260013.R01v0.1.ARG765
40
van
44
GEONIUS
4
https://zoeken. cultureelerfgoed. nl www. arcgis. com www. atlasleefomgeving. nl www. erfgoedatlas. nl www. ikme. nl www. topotijdreis. nl
https://vici. org/
AA260013. R01v0. 1. ARG765
41 van 44
Verklarende woordenlijst en gebruikte afkortingen Verklarende woordenlijst ARCHIS
geautomatiseerd Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Dit bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen daterend van de prehistorie tot de Nieuwe tijd. digitaal bestand van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland dat door de RCE in samenwerking met de desbetreffende provincie is opgesteld. Op de kaart staan terreinen met archeologische status aangegeven. De kaart baseert zich op gegevens uit ARCHIS. Statustoekenning vindt plaats nadat het terrein is getoetst aan een aantal door de RCE gehanteerde criteria (kwaliteit zeldzaamheid en contextwaarde). Sinds 2014 is dit een statische kaart die niet meer wordt bijgewerkt. ,
AMK
,
Archeologische Indicator
Indicatief archeologisch materiaal dat bij (boor)onderzoek een aanwijzing kan zijn voor de aanwezigheid ter plaatse of in de nabijheid van een archeologische vindplaats. ,
,
Bodemhorizonten: Aa-horizont horizont met door de mens opgebracht materiaal zoals het plaggendek van enkeerdgronden. AC-horizont geleidelijke overgang van een A- naar een C-horizont. AB-horizont geleidelijke overgang van een A- naar een B-horizont. Ab-horizont begraven A-horizont. Ah-horizont minerale of moerige donker gekleurde horizont ontstaan aan of nabij het oppervlak waarin de organische stof geheel of gedeeltelijk is omgezet (humushoudende bovengrond). Ap-horizont bouwvoor de A-horizont die door de mens is bewerkt (geploegd). B-horizont laag waar door inspoeling bestanddelen zijn terechtgekomen zoals humus ijzer of lutum (inspoelingshorizont) of die biologisch is omgewerkt (gehomogeniseerd). C-horizont minerale of moerige horizont die niet tot weinig door bodemvorming is veranderd (uitgangsof moedermateriaal). E-horizont minerale licht gekleurde horizont die door uitspoeling verarmd is aan kleimineralen humus of ijzer- en aluminiumverbindingen of aan alle vier (uitspoelingshorizont). *g-horizont horizont met gleyverschijnselen: roestvlekken of -concreties eventueel met mangaanconcreties en grijze gereduceerde vlekken. O-horizont laag met onverteerbare en weinig verteerde plantenresten opgehoopt in een aeroob milieu op het minerale deel van de bodem (strooisellaag).
*r-horizont een minerale of moerige niet-geaëreerde horizont bij mineraal materiaal meestal donkergrijs of donker blauwgrijs van kleur (‘gereduceerde’ ondergrond) ; bij moerig materiaal meestal donkerbruin. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
AA260013. R01v0. 1. ARG765
,
42 van 44
Colluvium Dekzand
Eemien
Tijdens het Holoceen van hellingen geërodeerde en in de dalen afgezette löss (secundaire löss). sediment dat onder koude periglaciale omstandigheden door de wind is afgezet. Het bestaat vooral uit korrels met een grootte van circa 105 tot 210 μm. Een pakket dekzand kan ook lagen fijner zand en zandige leem bestaan. geologische periode warme periode tussen het overwegend koude Saalien en het koude Weichselien van circa 126 tot 116 duizend jaar geleden. dik pakket met donkere min of meer rulle grond met organische en anorganische bestanddelen ontwikkeld op een zandgrond door de mens. oud opgehoogd pakket op bouwland ontstaan door bemesting met plaggen of met zand vermengde potstalmest. In geval van een es is de opgebrachte laag ten minste 50 cm dik. De term ‘es’ is een gangbare aanduiding voor op deze wijze bemeste akkers in Noord- en OostNederland. In Midden-Nederland wordt gesproken van ‘enk’ of ‘eng’. korrels met een grootte van 2 tot 63 mm. geologisch tijdvak binnen het Kwartair van ongeveer 11. 700 jaar geleden tot nu met daarin onder andere het Mesolithicum het Neolithicum de Bronstijd de IJzertijd de Romeinse tijd en de Nieuwe tijd sediment dat rijk is aan lutum onderscheiden worden siltige klei en zandige klei geologische periode van 26 miljoen jaar geleden tot nu de tijd van het menselijk leven op aarde omvattend het Pleistoceen en het Holoceen.
Eolische (wind) afzetting van zeer fijnkorrelig materiaal waarvan het overgrote deel van de korrels (60-85%) kleiner is dan 63 μm. korrels met een grootte van minder dan 2 μm. koude omstandigheden in de zone buiten gletsjers of vergletsjerde gebieden. Periglaciale verschijnselen zijn vervormingen van grondlagen door die koude omstandigheden. geologisch tijdvak binnen het Kwartair van ongeveer 26 miljoen jaar geleden tot 11. 700 jaar geleden met daarin onder andere de eerste mensensoorten en het Paleolithicum (oude steentijd). uitgediepte veestal. potstalmest of aardmest werd bereid in een zogenaamde potstal en bestond uit stalmest huisafval bos- en heidestrooisel en meestal zand uit sloten of uit humusarme ondergrond van het bouwland zelf en ook werden in plaats van zand heideplaggen gebruikt. dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven. geologische perioden namelijk die van de op een na laatste ijstijd van circa 238 tot 126 duizend jaar geleden korrels met een grootte tussen die van zand en lutum namelijk met een grootte van 2 tot 63 ,
,
,
,
Enkeerdgrond Esdek
Grind Holoceen
,
,
,
,
,
,
klei Kwartair
,
,
,
,
,
,
,
Löss Lutum Periglaciaal Pleistoceen
,
,
,
Potstal Potstalmest
,
,
Prehistorie Saalien Silt
,
,
,
μm.
Site situ (in situ) Tertiair Veen Vindplaats
plaats waar in het verleden menselijke activiteiten hebben plaatsgevonden. nog in de oorspronkelijk positie op de oorspronkelijke plaats. geologische periode van 65-2 miljoen jaar geleden waarin zich de belangrijkste ontwikkelingen van de zoogdieren voordeden. pakket met niet vergane plantenresten ontstaan door zuurstofloze omstandigheden onder natte omstandigheden. ruimtelijk begrensd gebied waarbinnen zich archeologische informatie bevindt (monument type monument aard archeologische waarde archeologische indicatie). een
,
,
,
AA260013. R01v0. 1. ARG765
,
43 van 44
,
Vondst Weichselien Zand Zandlöss Zaakidentificatienummer
Alle soorten mobilia: roerende of roerend geraakte onderdelen van onroerende goederen afkomstig van archeologisch veldwerk of uit bestaande collecties. geologische periode namelijk van de laatste ijstijd waarin het landijs Nederland niet bereikte van circa 115. 000 en 11. 700 jaar geleden. korrels met een grootte van 63 μm tot 2 mm zand als sediment bezien bestaat vooral uit korrels met die grootte. afzetting door de wind waarvan de korrelgrootte ligt tussen die van löss en dekzand. ,
,
,
,
,
(=ARCHIS-nummer). Het landelijk registratienummer ten behoeve van onderzoek uitgegeven door het Centraal Informatiesysteem. Dit nummer vondsten en documentatiemateriaal vermeld te worden. ,
archeologisch dient op alle
Gebruikte afkortingen
RCE RGD StiBoKa
Archeologische Monumentenkaart ARCHeologisch Informatie Systeem Archis 3 before present (voor heden) ; 14 C-jaren ; het nulpunt ‘heden’ is hierbij volgens internationale afspraak gesteld op 1950 (na Chr.) ; de werkelijke kalender- of zonnejaren (gekalibreerde 14 Cjaren) zijn weergeven in jaren voor en na Chr. koolstof-14-isotoop van het normale koolstof-12 ; radioactief element dat voor dateringsmethoden gebruikt wordt. (jaren) voor Christus (jaren) na Christus gemiddelde hoogste grondwaterstand gemiddelde laagste grondwaterstand grondwatertrap Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie maaiveld onder maaiveld Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Rijks Geologische Dienst (tegenwoordig onderdeel van TNO-NITG Bodem) Stichting voor Bodemkartering
μm
micrometer
AMK ARCHIS BP
14
C
Chr. na Chr. voor
GHG GLG Gwt KNA mv -mv
AA260013. R01v0. 1. ARG765
44 van 44
Bijlagen
AA260013. R01v0. 1. ARG
Bijlage 1 Bouwtekening
AA260013. R01v0. 1. ARG765
3360
Situatie
:
Gemeente
Sektie
:
A
Nummer
7
3447
Beesel
gedeeltelijk
3280
Ruys
Projects B.V. v.Splintersingel
5854
BM
Hermans
Tel:
12a
te
+31
de
12a zascuatie
2-12b
3431
3430
3387
(geanonimiseerd)
medisch
Kerkstraat
Beesel
gemeente
2343
Beesel
Nieuwbouw aan
26/
Beesel
centru
ma RECHTERGEVEL
LINKERGEVEL
7
ACHTERGEVEL
VOORGEVEL
Projects Hermans gessansplinterstngel
DOORSNEDE
B.V.
Sosa
wen
|
mm
mn |
Hi
TE
DD B
zl
ze
=
a
aase034 ï
eed
al
il
el
7E
6
dl
ned
En
SE
El
IE
on
E
| BEGANE
GROND
8 8
RE ze
8 VeRDrePinG
8
(geanonimiseerd)
Beesel
hd
>
Beesel
«31
baant
Á
Keen
5
|
te
’
4
n
ODD Ë
A
hen
VLOEROPPERVLAKTE
De
omm
fem)
en
BRUTO
OIO
Tel:
an
Haen
ze
Bijlage 2 Boorprofielen
AA260013. R01v0. 1. ARG765
opdrachtnummer :AA260013 projectomschrijving:Kerkstraat14Beesel
Boring:
B1
Boring:
B2
Maaiveldhoogte: Datum: CoördinatenX-Y:
20. 622 m+NAP 14-1-2026 20031700-36455900 , ,
Maaiveldhoogte: Datum: CoördinatenX-Y:
20. 393 m+NAP 14-1-2026 20030600-36455000 , ,
0. 00
20. 62
braak A-HORIZONT Zand uiterst fijn , zwak siltig , matig humeus , donkerbruin , Edelmanboor , Geen Ap-horizont te onderscheiden
0. 00
20. 39
braak A-HORIZONT Zand uiterst fijn , zwak siltig , matig humeus , donkerbruin , Edelmanboor , Ap-horizont
19. 99
0. 50
0. 50
19. 89
E-HORIZONT Zand uiterst fijn , matig siltig , zwak humeus , bruin , Edelmanboor B-HORIZONT Zand uiterst fijn , matig siltig , bruin , Edelmanboor
19. 82
B-HORIZONT Zand uiterst fijn , sterk siltig , zwak humeus , bruin , Edelmanboor 1. 00
1. 50
1. 00
19. 12
C-HORIZONT Zand uiterst fijn , matig siltig , lichtbruin , Edelmanboor
1. 50
18. 89
BC-HORIZONT Leem , zwak zandig , lichtbruin , Edelmanboor 18. 59
C-HORIZONT Zand uiterst fijn , matig siltig , lichtbruin 2. 00
18. 62
2. 00
18. 39
pagina 1 / 2 verticale schaal1: 20
opdrachtnummer :AA260013 projectomschrijving:Kerkstraat14Beesel
Boring:
B3
Boring:
B4
Maaiveldhoogte: Datum: CoördinatenX-Y:
20. 342 m+NAP 14-1-2026 20030100-36455101 , ,
Maaiveldhoogte: Datum: CoördinatenX-Y:
20. 378 m+NAP 14-1-2026 20031200-36456100 , ,
0. 00
20. 34
braak A-HORIZONT Zand uiterst fijn , zwak siltig , matig humeus , donkerbruin , Edelmanboor , Ap-horizont
0. 00
20. 38
0. 50
19. 88
braak A-HORIZONT Zand uiterst fijn , zwak siltig , matig humeus , donkerbruin , Edelmanboor , Ap-horizont
19. 89
E-HORIZONT Zand uiterst fijn , zwak siltig , bruin , Edelmanboor
0. 50
E-HORIZONT Zand uiterst fijn , zwak siltig , bruin , Edelmanboor
19. 64
B-HORIZONT Zand uiterst fijn , sterk siltig , bruin , Edelmanboor 1. 00
19. 58
B-HORIZONT Zand uiterst fijn , sterk siltig , bruin , Edelmanboor 1. 00
18. 98
1. 50
18. 84
BC-HORIZONT Zand uiterst fijn , sterk siltig , lichtbruin , Edelmanboor
BC-HORIZONT Zand uiterst fijn , zwak siltig , lichtbruin , Edelmanboor
1. 50
18. 68
C-HORIZONT Zand uiterst fijn , matig siltig , lichtbruin 18. 44
2. 00
18. 34
C-HORIZONT Zand uiterst fijn , matig siltig , lichtbruin
2. 00
18. 38
pagina 2 / 2 verticale schaal1: 20
Bijlage 2 Foto’s boringen
AA260013. R01v0. 1. ARG765
AA260013. R01v0. 1. ARG765
AA260013. R01v0. 1. ARG765
AA260013. R01v0. 1. ARG765
Bijlage 4 Tijdtabel
AA260013. R01v0. 1. ARG765
AA260013. R01v0. 1. ARG765
54