Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
RAPPORT Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen Sint Antoniusstraat (ong.) te Beesel (Gemeente Beesel)
AM24594
RAPPORT Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase door middel van boringen Sint Antoniusstraat (ong.) te Beesel (Gemeente Beesel) Aeres Milieu Projectnummer Status rapport ISSN Nummer Datum
: AM24594 : Concept (versie 2) : 2214-5656 : 26 mei 2025
Opdrachtgever
: Reland Monseigneur Bekkersstraat 56 5846 AJ Ledeacker
Opsteller rapport Actorregistratienrs.
: drs. D. Hagens : 26962666
Paraaf
:
Redactie Actorregistratienrs. Paraaf
: drs. M.A.K. Vroomans : 46061268 :
Vrijgave Actorregistratienr. Paraaf
: drs. M.A.K. Vroomans : 46061268 :
| L. Kruithof MSc. | 68991569
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
4002 + 4003
Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform de geldende richtlijnen en protocollen). Aeres Milieu accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het bureau onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie. Pagina | 2
AM24594
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ......................................................................................................................................................... 4 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ............................................................................................................................. 6 1. INLEIDING ......................................................................................................................................................... 7 2. WERKWIJZE ................................................................................................................................................... 10 2.1 2.2
3.
Inleiding ............................................................................................................................................................................................................. 10 Verkennend veldonderzoek door middel van boringen ................................................................................................................... 10
BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................ 11 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
4. 5.
Landschappelijke situatie - geomorfologie .......................................................................................................................................... 11 Landschappelijke situatie - bodem.......................................................................................................................................................... 13 Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht .................................................................................................................................. 14 Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden ........................................................................................................................ 15 Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal ....................................................................................................................... 19
VERWACHTINGSMODEL ........................................................................................................................... 23 VELDWERKZAAMHEDEN .......................................................................................................................... 25 5.1 5.2 5.3 5.4
6.
Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 25 Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw .............................................................................................................. 26 Interpretatie ..................................................................................................................................................................................................... 26 Archeologische indicatoren ........................................................................................................................................................................ 27
CONCLUSIE.................................................................................................................................................... 28 6.1 6.2
Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 28 Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................................................................... 28
7. AANBEVELINGEN ........................................................................................................................................ 29 LITERATUURLIJST................................................................................................................................................... 30
Bijlagen: 1 2 3 4 5 5b 6 7 8
Topografische ligging onderzoeksgebied Boorpuntenkaart Archeologische gegevens cf. Archis 3 Archeologische Beleidskaart gemeente Beesel Overzicht geomorfologische kaart Geomorfogenetische kaart van het Maasdal Overzicht bodemkaart Reliëfkaart Boorkernbeschrijvingen
Pagina | 3
AM24594
SAMENVATTING In maart 2025 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Sint Antoniusstraat (ong.) te Beesel, in de gelijknamige gemeente. De aanleiding hiertoe betreft de realisatie van een integraal kindcentrum met speelgebied, groenzones en aanleg van wadi’s. De diepte van de toekomstige bodemverstoring bij de nieuwbouw is onbekend. Er wordt vooralsnog uitgegaan van een standaard funderingsdiepte met een bodemverstoring van ten minste 0,8 - 1,0 meter beneden maaiveld. De wadi’s worden aangelegd op een diepte van 0,3 meter beneden maaiveld. Het plangebied is onderdeel van een Allerød terrasvlakte dat in het Laat-Glaciaal (circa 11.800 – 10.800 jaar geleden) is gevormd. Het plangebied maakte in het midden- en laat-paleolithicum onderdeel uit van de actieve riviervlakte van de Maas en was dus geen geschikte vestigingsplaats. Er geldt een lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het midden- en laatpaleolithicum. Ten tijde van het mesolithicum vormde het plangebied niet meer de actieve riviervlakte en ligt het op een hoger gelegen Maasterras. De ligging van het plangebied op een hoger Maasterras zal vanaf het mesolithicum een aantrekkelijke vestigingsplaats zijn geweest. Dit is ook te zien aan de aanwezigheid van meerdere vindplaatsen uit voornamelijk het neolithicum en de ijzertijd tot de Romeinse tijd.
Direct ten zuiden van het plangebied, binnen hetzelfde hooggelegen Maasterras (‘Solberg’), bevindt zich een terrein met sporen van bewoning uit de Romeinse tijd (AMK-terrein 227, rijksmonumentnummer 45086). Er geldt daarom een hoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de ijzertijd als voor nederzettings- en begravingsresten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Het plangebied ligt aan de Sint Antoniusstraat op circa 290 meter ten zuidwesten van de historische kern van Beesel. Aan het begin van de 19e eeuw is het plangebied in gebruik als bouwland. Er geldt een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Er worden binnen het plangebied radebrikgronden met een lage grondwaterstand verwacht. Bij radebrikgronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de lage grondwaterstand (GWT VII) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Op basis van het aangetroffen bodemprofiel zijn kunnen er archeologische sporen in de top van de rivierduinafzettingen aangetroffen worden. Dit niveau wordt direct onder de A-horizont (Aap- en/of Aa-horizont) verwacht. Recente diepere bodemverstoringen zijn niet aangetroffen.
Op basis van de aangetroffen bodemopbouw kan de lage archeologische verwachting voor de periode midden-paleolithicum – laat-paleolithicum en de hoge archeologische verwachting vanaf het mesolithicum vroege middeleeuwen gehandhaafd blijven. Voor de periode late middeleeuwen - nieuwe tijd blijft de middelhoge archeologische verwachting gehandhaafd. In het bijzonder dient ter plaatse rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van Romeinse nederzettingsresten, al dan niet gerelateerd aan de ligging van een Romeins villacomplex (AMKterrein 227, rijksmonumentnummer 45086). De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen vanaf circa 30 centimeter beneden maaiveld archeologische resten aanwezig zijn. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd indien ingrepen dieper dan dit niveau gaan plaatsvinden. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Beesel).
Pagina | 4
AM24594
Selectiebesluit gemeente Beesel De gemeente neemt de aanbeveling om vervolgonderzoek te doen door middel van proefsleuven over als selectiebesluit. Aanvullend hierbij wordt opgemerkt dat het proefsleuvenonderzoek het gehele plangebied dient te bestrijken. De noodzaak daartoe is des te groter gezien de aanwezigheid van een van een wettelijk beschermd archeologisch rijksmonument direct grenzend aan (de zuidzijde van) het plangebied. Op basis van de resultaten van dit tweede (karterende en waarderende) deel van het vooronderzoek kan worden bepaald of er een behoudenswaardige archeologische vindplaats aanwezig is en zo ja of de planrealisatie vooraf moet worden gegaan door een gehele of gedeeltelijke opgraving. Hiertoe neemt de gemeente opnieuw een selectiebesluit aan de hand van het rapport over het proefsleuvenonderzoek. De resultaten van dit onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Beesel), die op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende of voorbereidende activiteiten ondernomen kunnen worden.
Pagina | 5
AM24594
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Administratieve gegevens onderzoekgebied Projectnaam
AM24594
OM-nummer
5703950100
Soort onderzoek
Bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen
Provincie
Limburg
Gemeente
Beesel
Plaats
Beesel
Adres
Sint Antoniusstraat (ong.) te Beesel
Toponiem
Sint Antoniusstraat (ong.)
Kadastrale registratie
Beesel, sectie G, nummers 2762, 3566 en 3567
x, y-coördinaten
Centrum:
200.090; 364.073
NW:
199.978; 364.126
NO:
200.063; 364.183
ZW:
200.108; 363.973
ZO:
200.178; 364.025
Aanleiding onderzoek
(Tijdelijke) omgevingsplanactiviteit (OPA)
Oppervlakte plangebied
Circa 1,9 ha
Huidig grondgebruik
Voetbalveld met parkeerplaatsen (klinkers)
Opdrachtgever
Reland
Bevoegde overheid
Gemeente Beesel
Opslag documentatie en materiaal Datum uitvoering veldwerk
N.v.t./Noordhoven 4 te Roermond tot deponering bij provinciaal depot bodemvondsten Limburg te Heerlen/E-depot 5 maart 2025
Pagina | 6
AM24594
1. INLEIDING In opdracht van Reland heeft Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie
: Sint Antoniusstraat (ong.) te Beesel
Gemeente
: Beesel
Oppervlakte
: Circa 1,9 ha
Huidig gebruik van de locatie
: Voetbalveld
Toekomstig gebruik
: Kindcentrum
Dit archeologische onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de BRL SIKB 4000 (protocol 4002 en 4003), KNA 4.1. Het archeologische onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie. Aanvullend hierop is een verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen op het perceel uitgevoerd. De werkzaamheden in het veld zijn uitgevoerd onder leiding van een senior KNA-prospector.
Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek betreft een tijdelijk omgevingsplanactiviteit (OPA) ten behoeve van de (her)ontwikkeling van de locatie. Op het sportcomplex wordt een integraal kindcentrum gerealiseerd. Op basis van het voorlopig ontwerp wordt het hoofdgebouw in het noordwestelijk deel van het plangebied gerealiseerd met daarbij een speelgebied met meerdere groenzones. Ook zullen twee wadi’s worden aangelegd. Om een duurzame en speelse inrichting van het terrein te realiseren, wordt gebruik gemaakt van reliëfverschillen. Deze aanpak combineert functionele waterberging met een variërende terreininrichting. Direct aan de Sint Antoniusstraat komt een parkeerplaats met 39 parkeervakken (Figuur 1). De diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend, maar uitgaande van de aanleg van bouwputten voor de voorgenomen nieuwbouw en de aanleg van wadi’s zal de bodem waarschijnlijk tot in het archeologische niveau worden verstoord. Er wordt bij de nieuwbouw vooralsnog uitgegaan van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering en met een bodemverstoring van ten minste 0,8 - 1,0 meter beneden maaiveld. De wadi’s worden aangelegd op een diepte van 0,3 meter beneden maaiveld.
De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidsadvieskaart van de gemeente Beesel (2009) deels in een zone met hoge archeologisch verwachting en deels in een zone met een middelhoge verwachting (Bijlage 4). 1 Binnen het bestemmingsplan Bebouwde gebieden Beesel (vastgesteld 2019) geldt deels de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 1 en deels de Waarde – Archeologie 2. Voor de leidende zone (hoge verwachting) geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 40 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt.2
1 ADC Heritage 2010: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Beesel, kaartbijlage 4: Gemeente Beesel, beleidsadvieskaart (ADC Heritage H186). 2 www.omgevingswet.overheid.nl Pagina | 7
AM24594
Figuur 1. Inrichtingsplan kindcentrum. Voorlopig ontwerp d.d. 6 december 2024 (Bron: Aangeleverd door de opdrachtgever).
Doel Het doel van het archeologische bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor de locatie. Dit verwachtingsmodel wordt op basis van historische kaarten en bekende landschappelijke en archeologische gegevens gevormd. Dit verwachtingsmodel zal vervolgens leiden tot een aanbeveling over het behoud in-situ of eventueel vervolgonderzoek. Het doel van het aansluitende verkennend booronderzoek is het toetsen van het in het bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel. Specifiek voor de onderzoekslocatie Sint Antoniusstraat (ong.) te Beesel zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: •
Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten?
•
In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten?
•
Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen?
Plangebied Het plangebied ligt aan de Sint Antoniusstraat, direct ten zuidwesten van de bebouwde kom. De ligging van het plangebied is weergegeven in Figuur 2. Momenteel is het plangebied in gebruik als sportveld en bijbehorende verharde parkeerplaats. In het noorden wordt het plangebied begrensd door de Sint Antoniusstraat, in het oosten door een wandelpad, in het zuiden door bosschage en in het westen door weiland.
Pagina | 8
AM24594
Figuur 2. Topografische ligging van het plangebied. Het plangebied is aangegeven met het rode kader (Bron: OpenTopo(Map5)).
Pagina | 9
AM24594
2. WERKWIJZE 2.1
Inleiding
Bij het uitvoeren van het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Deze bronnen geven inzicht in bekende, of te verwachten, archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn deze bronnen van belang voor het opstellen van de landschapsgenese.
Archeologische bronnen •
Archeologische Monumentenkaart (AMK)
•
Archeologisch Informatiesysteem (Archis3)
•
Archeologische Beleidskaart van de gemeente Beesel
•
Specifieke lokale informatie (heemkundekring, amateurarcheologen)
Bodem- en geomorfologische kaarten •
Bodemkaart (Alterra)
•
Geomorfologische kaart (Alterra, uit Archis3)
•
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN5)
Historische kaarten •
Historisch kadastraal minuutplan (1800-1832)
•
Historische topografische en militaire kaarten (1830 tot 1978)
•
Moderne topografische kaart (tot 2024)
De Heemkundevereniging Maas- en Swalmdal, is op 19 maart 2025 per e-mail gecontacteerd met de vraag om aanvullende informatie betreffende het plangebied. Dhr. W. Luys, voorzitter werkgroep archeologie van de Heemkundevereniging Maas- en Swalmdal, heeft hierop gereageerd.3 De aanvullende gegevens van hem zijn verwerkt in onderhavig rapport.
2.2
Verkennend veldonderzoek door middel van boringen
Aan de hand van het Plan van Aanpak (PvA) en de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek 4 wordt een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is verkennend voor alle perioden. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1,9 ha. Bij het verkennend veldonderzoek zal daarom uitgegaan worden van 12 boringen welke gelijkmatig over het plangebied worden verdeeld, zie Bijlage 2. De boorlocaties worden uitgezet ten opzichte van de hoekpunten van de perceelsgrenzen, straten, en aanwezige bebouwing. Vervolgens wordt de hoogte van deze punten bepaald met het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Alle boringen worden gezet met een Edelmanboor met een boorkop van 7 centimeter en de boorkernen worden beschreven conform de ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2), zie Bijlage 8. Hoewel niet het doel van een verkennend onderzoek, zal worden gelet op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals fragmenten keramiek, fosfaatvlekken, houtskoolresten, en verbrande leem. Om deze reden worden de opgeboorde monsters, waar nodig, verbrokkeld.
3 Reactie per email op 21 en 24 maart 2025. 4 Tol et al. 2012. Pagina | 10
AM24594
3. BUREAUONDERZOEK 3.1
Landschappelijke situatie - geomorfologie
De onderzoekslocatie ligt in het Midden-Limburgse Maasgebied. Het maakt onderdeel uit van een terrassenlandschap langs de Maas. In het Kwartair (vanaf circa 1,81 miljoen jaar geleden) zijn de rivierterrassen van de Maas ontstaan. Tijdens koude perioden verplaatste het water van de Maas en Rijn zich vlechtend door de riviervlakte. In deze systemen vond er sedimentatie plaats op de riviervlakte. Met het toenemen van de temperatuur nam ook de watertoevoer toe, waardoor de rivier zich insneed in het afgezette sediment en uiteindelijk één meanderende hoofdloop kreeg. Door de afwisselingen van warme en koude perioden en tektonische bewegingen van de bodem, ontstond een steeds dieper gelegen riviervlakte en ontstonden de rivierterrassen in het Maasdal (Figuur 2). Er waren periodes van insnijding in het landschap, voornamelijk tijdens interglacialen, en periodes van accumulatie, met name tijdens glacialen. De oudere afzettingen kwamen steeds hoger te liggen (indien ze niet waren opgeruimd).5 De oudste terrassen liggen het hoogst, de jongste terrassen het dichtst bij het huidige niveau van de rivier. Deze maasafzettingen bestaan uit pakketten grof zand en grind met een dikte tot een tiental meters. Deze Maasafzettingen zijn onderdeel van de Formatie van Beegden.6
Figuur 3. Schematische voorstelling van rivierterrassen in een opheffingsgebied (Bron: Stouthamer 2015, 161).
5 Berendsen 2011. 6 De Mulder 2003, 323; Berendsen 2010. Pagina | 11
AM24594
In de omgeving van Beesel is sprake van vier terrasniveaus. Het oudste terras ligt aan de oostzijde van Beesel en dateert uit het Saalien/midden-Pleistoceen (circa 130.000 jaar oud). Dit is het hoogste terras, bijna uitsluitend gelegen op Duits grondgebied, met grove zanden en grinden afgezet door de Maas en Rijn. Het tweede terras betreft het Pleniglaciale terras en beslaat het grootste deel van de gemeente. Deze werden gevormd in het Pleniglaciaal (73.000 – 14.700 jaar geleden). Deze afzettingen bestaan voornamelijk uit grove zanden afgedekt met een laag dekzand. Binnen dit terras zijn een aantal restgeulen van een vlechtend riviersysteem aanwezig. Ter plaatse stroomt de Schelkensbeek. Ze worden ook gekenmerkt door het voorkomen van duincomplexen in de westelijke delen, opgewaaid vanuit de voormalige Jonge Dryas overstromingsvlakte. Op dit terrasniveau bevindt zich ook een lagergelegen, relatief natte zone. Hier bevindt zich het laagpakket van Wijchen bestaande uit een sterk lemig/kleiig pakket dat is afgezet tijdens de overgang van het Holoceen. Het derde terras betreft het Maasterras dat zich tijdens het Jonge Dryas (circa 12.900 – 11.700 jaar geleden) heeft gevormd, de laatste koude fase voordat het Holoceen aanving.
Tijdens de Jonge Dryas daalt de temperatuur weer waardoor de begroeiing afsterft en de aanvoer van sediment weer toenam.7 In deze periode nam de rivier weer een vlechtend patroon aan. De tweede helft van de Jonge Dryas was aanzienlijk droger. Verstuivingen vanuit de rivierbedding zorgden voor afzettingen op het Allerød- en Pleniglaciaal terras. De verstuivingen vormden in de omgeving een dekzandpakket. Het meest westelijk gelegen terras is het huidige holocene stroomgebied van de Maas. Hier vindt actief insnijding en sedimentatie plaats.8 Met de intrede van het Holoceen (vanaf 11.700 jaar geleden) veranderde het klimaat sterk waardoor de aanvoer van sediment en water constanter werd. De Maas trok zich als meanderende rivier terug in het huidige holocene dal. 9 Het plangebied ligt volgens de Geomorfogenetische kaart van het Maasdal (Bijlage 5b) en de stroomgordelkaart van Limburg10 op een Allerød terras (circa 13.900 – 12.900 jaar geleden). Direct ten noordwesten ligt een terras uit het Jonge Dryas (circa 12.900 tot 11.700 jaar geleden), aangegeven als een terrasvlakte met terrasgeul. 11 Volgens de geomorfologische kaart (Bijlage 5) ligt het plangebied binnen een relatief hooggelegen dalvlakteterras (code H5E44). Op circa 50 meter ten zuidoosten van het plangebied ligt een lagergelegen restgeul (code 22R43).
Op circa 370 meter ten noordwesten van het plangebied bevindt zich de Maas. Op circa 290 meter ten zuidwesten van het plangebied liggen landduinen met bijbehorende vlakten en laagten (code 11L54). Op het kaartbeeld van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN5; Bijlage 7) is het hoogteverschil tussen het Allerød-terras waar het plangebied onderdeel van uit maakt (gelegen op circa 21,5 meter +NAP), het lagere terras (terrasvlakte met geul) ten noordwesten (gelegen op circa 19,3 meter +NAP) en het hoger gelegen terras ten oosten (gelegen op circa 24,7 meter +NAP) duidelijk te zien. Het plangebied ligt relatief hoog. Ten zuiden van het plangebied is de lagergelegen restgeul duidelijk zichtbaar (circa 19,5 meter +NAP). Ook het lagergelegen terras ten westen is duidelijk te zien. De maaiveldhoogte van het plangebied varieert van circa 22,00 tot 22,30 meter +NAP.
7 Berendsen 2011; Stouthamer 2020, 200. 8 Ellenkamp, Tichelman & De Baere 2008, 20 (RAAP rapport 1741). 9 ADC Heritage 2010: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Beesel, 21-25 (ADC Heritage H186). 10 Woolderink 2018. 11 Stouthamer, Cohen & Hoek 2020, 210. Pagina | 12
AM24594
3.2
Landschappelijke situatie - bodem
Op de bodemkaart (Bijlage 6) wordt in het grootste deel van het plangebied radebrikgronden in fijnzandige lichte zavel (code BKd25) verwacht. In het zuidelijk deel van het plangebied worden holtpodzolgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand (code Y21/Zb21) verwacht. Radebrikgronden (code BKd25) Radebrikgronden komen zowel in löss als in oude rivierklei voor. Brik verwijst naar baksteen (in het Frans Brique).12 De B-horizont van deze gronden werd vroeger namelijk gebruikt om baksteen te bakken. Rade verwijst naar een Zuid-Limburgs toponiem (rade of rath), dat in wordt gebracht met het rooien van de akkers en de oorspronkelijke bosbegroeiing van deze gronden. De brikgronden vormen de meest voorkomende van de bodems op het laat glaciale Maasterras. Kenmerkend voor brikgronden is de aanwezigheid van een klei-inspoelingshorizont ('textuur-B' of briklaag). Ze ontstaan wanneer door bodemvorming ontkalking plaatsvindt. Vervolgens vindt er uitspoeling van klei plaats. De horizont waar klei-uitspoeling heeft plaatsgevonden, wordt de uitspoelings- of E-horizont genoemd. In een dieper gelegen laag accumuleert de klei en ontstaat een zogenaamde inspoelingsof Bt-horizont. De Bt-horizont (briklaag) is vaak bruinrood en tamelijk stug. Onder de Bt-horizont bevindt zich het onaangetaste, oorspronkelijke materiaal (C-horizont).
Op enige diepte zullen deze overgaan in meer grofzandige terrasafzettingen. Holtpodzolgronden (code Y21/Zb21) Holtpodzolgronden zijn gronden die behoren tot de moderpodzolgronden. Moderpodzolgronden bevatten een humusrijke Bhorizont die sterk is gehomogeniseerd door biologische activiteit. Wanneer er in dergelijke gronden geen sprake is van een mestdek, briklaag of banden-B wordt de bodem een holtpodzol genoemd. De term ‘holt’ is een oude naam voor bos waar deze bodem veelal voorkomt. Holtpodzolbodems worden gezien als ‘betere’ gronden met een hogere herstelcapaciteit in tegenstelling tot de haarpodzolgronden. Deze gronden worden gekenmerkt door een 20 – 25 centimeter dikke Aap-horizont van humusarm, zwak tot sterk lemig, matig fijn zand. Onder de Aap-horizont bevindt zich een 10 – 15 centimeter dikke bruine laag met ongeveer dezelfde textuur maar met een lager humusgehalte. Hieronder bevindt zich een dikke roodbruine tot donker roodbruine moderpodzol-B. Na een geleidelijke overgang begint op 60 – 90 centimeter diepte de matig fijn tot matig grof zand (natuurlijke ondergrond, C-horizont). Grondwatertrap De mogelijk aanwezige gronden worden gekenmerkt door een gemiddeld lage grondwaterstand, te weten grondwatertrap VII. Dit zijn de gemiddelde grondwaterstanden die op de bodemkaart staan aangegeven.
Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 80 en 140 centimeter beneden maaiveld ligt. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 160 centimeter beneden maaiveld. Deze lage grondwaterstand zorgt voor slechte bewaringsomstandigheden voor eventuele organische resten.
12 De Bakker & Edelman-Vlam, 1976, 63. Pagina | 13
AM24594
3.3
Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht
De bestudeerde en beschikbare bronnen hebben het volgende beeld kunnen schetsen over de geschiedenis van Beesel. De oude kernen op deze oostelijke Maasoever zoals Beesel, Reuver, Belfeld, Steyl en Tegelen bevonden zich als een gordel van cultuurland direct langs de Maas. Ten oosten van de kernen lagen heidegronden, moerassen en bossen. Het toponiem Beesel komt voor het eerst voor in historische bronnen in 1173 (Heinricus de Bisela). 13 Ouddorp betreft het noordelijke en oudste deel van Beesel, gelegen bij de Maas, dit zoals de naam al aangeeft. Hier bevinden zich de oudste huizen van het dorp alsook het oude kerkhof, dat tevens het hoogste punt vormt. De benaming Ouddorp ontstond pas in de tweede helft van de 19e eeuw, nadat de kerk richting het zuiden was verplaatst, naar de latere kom bij het Kerkplein en de Markt. 14 Bestuurlijk maakt Beesel vanaf circa 1340 onderdeel uit van het ambt Montfort. Dit ambt maakte op haar beurt weer deel uit van het Gelders Overkwartier. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog had het hele Ambt Montfort te maken met zowel binnenvallende Hollandse als Spaanse legers. In deze periode werden in het gebied schansen aangelegd, zoals de Bentheimer Schans ten noordoosten van Reuver. Vanaf 1714 wordt het Gelders Overkwartier verdeeld in verschillende delen en gingen Reuver en Beesel deel uitmaken van de Republiek.
Dit bleef zo tot in de Franse Tijd.15 Circa één kilometer ten noordoosten van het plangebied ligt het stuifzandcomplex van de Lommerbergen en de Walsberg. In de loop van de 18e eeuw werden deze voormalige heidegronden beplant met naaldbomen. In 1486 wordt de Walberg genoemd in de schriftelijke bronnen als Johan van den Walssberch. De landmeter Smabers noemde het zuidelijk gedeelte van de Walsberg eind 18e eeuw ‘vliegende santberghen of drijvende santberghen mit den wint’. Volgens berichten uit 1790 weidden de inwoners van Beesel hun schapen onder meer in de Waelsbergen.16 Het plangebied ligt aan de Sint Antoniusstraat. Deze straat loopt als secundaire weg van uit de kern van Beesel richting het verder westelijk gelegen buurtschap Rijkel. De naam van de straat verwijst naar de St.-Antoniuskapel die hier aanwezig is. Deze kapel heeft een gevelsteen met het jaartal 1824, maar volgens de gegevens zou er een ankerjaartal uit 1811 zijn geweest. 17 Direct ten noordwesten van het plangebied ligt de Zandkuilenweg. De naam verwijst naar de winning van zand, waarschijnlijk voor de bouw van huizen. Oude vermeldingen zijn de Haver Santzkuell nabij de Sollbergh (1642), land op de Santcuyl nabij Ouddorp (1708) en Sandt Cuyll (1756). Op basis van de gegevens zijn er geen zandkuilen aanwezig binnen het plangebied.18 Over het tracé van deze weg liep ook het huurvaarderspad.
Dit huyrvaerderspat vorrmde een zo kort mogelijke verbinding tussen Beesel en Roermond die vanaf de 16e eeuw door de Roermondse huurvaarders werden gebruikt om vanuit Beesel terug naar huis te lopen. De huurvaarders verkochten hun diensten en producten aan schippers die op de Maas voeren. 19 Het toponiem Solberg verwijst naar de hoge ligging op het Allerød terras. De vroegste betrouwbare vermelding van de Solberg dateert uit 1607. Latere vermeldingen zijn Solbergh (1630-1758), Soelsbergh (1641) en Saelbergh (1654). Het betreft het gebied begrensd door Ouddorp, Kerkstraat, Sint Antoniusstraat en de Zandkuilenweg. Op de Solberg werden in het verleden resten van Romeinse bewoning aangetroffen (zie ook paragraaf 3.4).20
13 Van Berkel en Samplonius 2006, 375. 14 www.loegiesen.nl 15 Renes 1999. 16 www.loegiesen.nl 17 www.loegiesen.nl 18 www.loegiesen.nl 19 www.loegiesen.nl 20 www.loegiesen.nl Pagina | 14
AM24594
Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was Beesel onderdeel van de Maas-stelling. Er zijn binnen het werk van Van Blankenstein enige gegevens bekend over enige oorlogsvernielingen in de Tweede Wereldoorlog. Er werden enkele tientallen woningen beschadigd of vernield. Op basis van het verliesregister lijken er binnen Beesel geen vliegtuigcrashes te hebben plaatsgevonden gedurende de Tweede Wereldoorlog.21
3.4
Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden
Het noordelijk deel van het plangebied ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Beesel (2010) in een zone met een hoge archeologische verwachting. Het grootste deel van het plangebied ligt in een zone met een middelhoge verwachting (Bijlage 4).22 In de omgeving van het plangebied (binnen een straal van één kilometer) zijn volgens de gegevens uit Archis3 zijn vier archeologische monumenten en meerdere archeologische waarnemingen en onderzoeksmeldingen bekend (Bijlage 3 en Tabel 1). AMK monumentnummer 227, rijksmonumentnummer 45086 In het zuiden grenzend aan het plangebied ligt een monument van zeer hoge archeologische waarde. Het betreft een terrein met sporen van bewoning uit de Romeinse tijd. De aard en het karakter van de vondsten leidden in het verleden tot de veronderstelling dat op de Solberg mogelijk een Romeinse villa heeft gestaan. De Romeinse bewoning strekt zich uit op een langgerekte zandrug evenwijdig aan en in nabijheid van de Maas. Van het terrein zijn veel vondsten bekend die in onder meer 1976 werden gedaan (zaakidentificatienummer 3067610100) en tijdens een opgraving van ADC ArcheoProjecten in 2001 (zaakidentificatienummer 3043715100). Bij de uitbreidingen van de sportvelden in 1977 werd een klein deel van de aangrenzende percelen geëgaliseerd (flank van de Solberg). Het betreft hier de zuidelijke rand van het huidige plangebied.
Hierbij werden in maart 1977 meerdere Romeinse aardewerkscherven gevonden door dhr. Peeters uit Beesel (zaakidentificatienummer 3067610100). In de zomer van 1977 werd daarom ten oosten daarvan (perceel 2111) enkele proefputjes gegraven waarbij naast aardewerk ook maaskeien werden aangetroffen. Door enkele leden van de dan net opgerichte Archeologische Werkgroep Beesel werd daarom een proefsleuf aangelegd in de zomer van 1977. In de proefsleuf werden onder de circa 20 centimeter dikke humuslaag circa 40 centimeter brede fundamenten in situ aangetroffen, bestaande uit los op elkaar gestapelde Maaskeien en stukken zandsteen evenals een uit Maaskeien opgebouwd vloertje. Ook werden motelresten aangetroffen. Deze zette zich tot 40-50 centimeter beneden maaiveld door, zodat het geheel als een fundering kon worden geïnterpreteerd. Ook vond men een groot aantal Romeinse dakpanfragmenten, terra sigillata, terra nigra, gevernist aardewerk (waaronder de zogenaamde "Qualitätsware") en ruwwandige kookpotten. Verder werd een blauwe kraal gevonden, leerbeslag en een stuk brons (voorwerp) (zaakidentificatienummer 2777826100). Dwars op de zuidoosthoek liep de fundering tot 15 meter verder in noordoostelijke richting (Figuur 4, A). De laatste 5 meter bestonden uit vooral losse keien. De proefsleuf werd aangelegd in NO-ZW richting en dwars op de Bovenste Solbergweg.
Aan het einde hiervan werd dwars op de fundering, een 5 meter lange en 0,5 meter brede proefsleuf gegraven (Figuur 4, B). Hier werd een 10-15 centimeter dikke donkerbruine laag aangetroffen met resten houtskool en ijzeren spijkers. Op het diepste niveau lag deze op 1,5 meter -mv (Figuur 4, C).
21 Auwerda en Grimm 2008. 22 ADC Heritage 2010: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Beesel, kaartbijlage 4: Gemeente Beesel, beleidsadvieskaart (ADC Heritage H186). Pagina | 15
AM24594
Hier werd veel terra sigillata en terra nigra aangetroffen en veel vaatwerk, kruiken, bekers en honderden scherven van ruwwandige kookpotten en kommen. Op circa 50 meter richting het dorp werd enkele weken later op 40 centimeter beneden maaiveld een keien vloertje aangetroffen van 1 x 1,5 meter met veel dakpanfragmenten.
Op basis van de situering in Archis3 bevinden de bovengenoemde locaties zich binnen of langs een bosstrook, aan de zuidelijke rand van het huidige plangebied. In 1978 werd door dhr. Willems (ROB, huidige RCE) enkele boringen gezet waarbij eveneens aardewerk werd gevonden. Er werd geconcludeerd dat sprake is van een nederzetting uit de 2e of 3e eeuw waarvan de kern op de heuvel lag. Op basis hiervan werden de begrenzingen van het archeologisch monument vastgesteld.23
Figuur 4. Weergave resultaten proefsleuvenonderzoek 1977 van de Archeologische Werkgroep Beesel (Bron: Luys en Van den Berg 2022, 83).
In het kader van het AMR (Actualisatie Monumentenregister) werd in februari en mei 2001 booronderzoek uitgevoerd en zijn twee proefsleuven gegraven binnen het monument. Hoewel er zeker sprake blijkt te zijn van bewoningsresten, is de veronderstelling van een villa niet houdbaar gebleken. Op het terrein zijn nergens sporen van fundamenten of enig ander bouwmateriaal gevonden, behoudens dakpanfragmenten. Zeker is dat zich hier in de Romeinse tijd wel een nederzetting heeft bevonden. Onder een in proefputjes en boringen vastgesteld Romeins niveau werd tot tweemaal toe een grondspoor gevonden. Het zwaartepunt van de Romeinse bewoning valt in de 2e een 3e eeuw. Concluderend werd in een recent verschenen artikel gesteld dat het bij de opgraving en het later uitgevoerde verkennend booronderzoek niet om een grote of landelijke nederzetting betreft, maar om een gebouwstructuur waarvan de grootte en de mogelijke aanwezigheid van bijgebouwen vooralsnog niet duidelijk is. Er zal bij het gebouw wel sprake zijn van een landelijke villa, een villa rustica met een zwaartepunt in de 2e – 3e eeuw.24
23 Luys en Van den Berg 2022, 83-84. 24 Luys en Van den Berg 2022, 110-111. Helaas zijn de rapporten van ADC en RAAP online onvindbaar. Pagina | 16
AM24594
AMK monumentnummer 8.692 Op circa 560 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een monument van archeologische waarde. Het betreft een terrein waarin sporen van bewoning uit het mesolithicum-neolithicum zijn gevonden. Ook is vondstmateriaal uit het paleolithicum, de Romeinse tijd en de middeleeuwen aangetroffen. Bij veldkarteringen rond 1980 en 1985 zijn fragmenten bewerkt vuursteen aangetroffen die mogelijk wijzen op één of meerdere nederzettingen uit het mesolithicum in en rondom het terrein. Mogelijk zijn er sporen uit andere perioden aanwezig. Op 500 meter ten noordwesten van het terrein bevindt zich een urnenveld. Op het terrein zijn enkele losse vondsten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen gedaan. Het gebied ligt op een rivierterras van de Maas. De hogere ligging en de nabijheid van een (nu nog) water dragende restgeul binnen het dal van de Maas vormde met name een geschikte vestigingslocatie voor kampementen uit het laat-paleolithicum en het mesolithicum. Het terrein ligt binnen een relatief smalle zone langs de Maas waarbinnen opvallend veel met name mesolithische vindsplaatsen aanwezig zijn. De exacte omvang en ligging van de nederzettingen is onbekend aangezien er geen nader archeologische onderzoek heeft plaatsgevonden. Het landschap waaraan de vindsplaatsen sterk gerelateerd zijn strekt zich uit tot buiten het terrein.
Het terrein lijkt plaatselijk ontgrond te zijn. Het centrale deel is verstoord, de overige delen lijken nog een intact bodemprofiel te bezitten. Op basis van de beschikbare gegevens werd de status van het onderhavige monument in 2006 verhoogd tot Archeologische Waarde (AW). Veldwerk vond niet plaats, wel heeft een verkennend veldonderzoek plaatsgevonden. AMK monumentnummer 15.592 Op circa 400 meter ten noorden van het plangebied ligt een terrein met resten van een kerk uit de late middeleeuwen. Op het Oude Kerkhof liggen de resten van de voormalige parochiekerk van Beesel die mogelijk in de 12e eeuw is gebouwd en in 1840 is gesloopt. De kerk is in 1829 nog ingemeten. Het oude kerkhof, nog vol met graven, ligt op een heuvel omgeven door een muur. Het vermoeden bestond dat de oude kerk tot de Middeleeuwse kern van Beesel behoorde en dat in de omgeving ervan nog resten van (vroeg-)Middeleeuwse bewoning te vinden zijn. In 1997 vond een proefonderzoek plaats (Waarneming 33808). Aangetroffen werden muurresten van een kerk (koor op het NO gericht) die teruggaat tot de 12de eeuw (Romaans zaalkerkje). Bij de aanleg van graven op het aangrenzende Nieuwe Kerkhof zijn nooit archeologische resten gevonden. Ze zijn er ook niet te verwachten, afgaande op oude kaarten en de overstromingsgevoelige locatie.
AMK monumentnummer 16.698 Op circa 430 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een monument van hoge archeologische waarde. Het betreft een terrein met bewoningssporen uit de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Het gaat om de oude dorpskern van Beesel.
Onderzoeks- en vondstmeldingen in de omgeving van het plangebied Zaakidentificatie 2144437100/
Afstand Direct ten Z van
Soort onderzoek APP door ADC
Omschrijving Proefsleuvenonderzoek, waarin de vlakken net onder de bouwvoor
3043715100
het plangebied
ArcheoProjecten in 2001
zijn aangelegd, heeft uitgewezen dat de laagte aan de voet van de Solberg is afgedekt met een dikke vuile laag. Willems heeft deze vuile laag vermoedelijk reeds aangeboord tijdens zijn onderzoek van 1979 dat als basis heeft gediend voor de uitbreiding van het monument op de Solberg. De vuile grond met daarin vondsten uit de Romeinse en de nieuwe tijd is afkomstig van de bewoonde top van de Solberg. In het verleden hebben amateurs hier op de muurresten van een Romeins villagebouw gevonden.
Pagina | 17
AM24594
Zaakidentificatie
Afstand
Soort onderzoek
Omschrijving Het is onbekend of er zich onder de dikke vuile laag in de laagte nog sporen uit de Romeinse tijd bevinden. In het kader van dit onderzoek was het niet mogelijk om de vuile laag af te graven.
5440205100
Direct ten N van
IVO-o door Aeres Milieu
Op basis van het aangetroffen bodemprofiel zijn er twee potentiële
het plangebied
in 2023
archeologische niveaus aangetroffen. Het eerste niveau is op circa 30 tot 45 centimeter onder maaiveld aangetroffen in de top van de rivierduinafzettingen. Dit niveau wordt direct onder de A-horizont (Ap-
en/of
Aa-horizont)
verwacht.
Recente
diepere
bodemverstoringen zijn niet aangetroffen. Het tweede niveau komt voor vanaf 130 centimeter onder maaiveld, in de top van de oever- of beddingafzettingen. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw kan de hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten vanaf het laat-paleolithicum - vroege middeleeuwen gehandhaafd blijven en de lage verwachting voor de
periode
midden-paleolithicum
worden
bijgesteld
naar
middelhoog. Voor de periode late middeleeuwen - nieuwe tijd blijft de middelhoge verwachting gehandhaafd. Om deze reden is een vervolgonderzoek
geadviseerd.
Echter,
het
gemeentelijk
selectiebesluit betreft vrijgave van het plangebied op basis van de ongunstige landschappelijke ligging. 2086693100
Circa 100 m ten NO
IVO-o door BILAN in
Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis3 en Dans Data
van het plangebied
2004
Station Archaeology.
4730816100
Circa 130 m ten W
IVO-o door Econsultancy
In het plangebied is een Jonge Dryas Maasterras aangetroffen. Voor
4730824100
van het plangebied
BV in 2019.
het noordelijk deelgebied worden vanwege de aanwezigheid van een verstoorde bovenlaag en plaatselijk een laat-Holoceen (vanaf de 17e eeuw) oeverdek geen archeologische resten verwacht in de bovenste 50 cm tot plaatselijk 135 cm -mv. in het zuidelijk deelgebied worden archeologische resten onder de bouwvoor verwacht vanaf 40 cm -mv. Vervolgonderzoek is geadviseerd als de ondergrond dieper wordt verstoord.
4652798100
Circa 250 meter
Booronderzoek door
Deelgebieden Ouddorp (280 W), Ervenweg (460m N), Beekstraat
ten W (Ouddorp),
RAAP in 2018.
(900m NO) en Het Spick (600m N) liggen op een Jonge Dryas terras.
circa 470 meter ten
Deelgebied Ouddorp: een stukje handgevormd aardewerk is
N (Ervenweg),
gevonden in de vroeg-holocene oeverafzettingen. Deelgebied
circa 900 meter ten
Beekstraat: op 80 cm -mv is een stuk laatmiddeleeuws aardewerk
NO (Beekstraat),
aangetroffen. Deelgebied Het Spick: in de vroeg-holocene
circa 600 meter ten
oeverafzettingen is een verbrande vuurstenen afslag aangetroffen
N (Het Spick) van
die niet nader te dateren is dan steentijd. Binnen deelgebieden
het plangebied
Beekstraat en Het Spick worden archeologische resten gerelateerd aan natte landschappen verwacht. Er is daarom een opgraving – variant begeleiding geadviseerd. Binnen deelgebieden Ouddorp en Ervenweg wordt een proefsleuvenonderzoek geadviseerd.
5096053100
Circa 200 meter
Proefputten/proefsleuven
Aan de hand van een voorgaand booronderzoek door RAAP zijn op
ten W van het
door ADC
verschillende locaties proefsleuven gegraven.
plangebied
ArcheoProjecten in 2021. Pagina | 18
AM24594
Zaakidentificatie
Afstand
Soort onderzoek
Omschrijving Het onderzoeksgebied is gelegen op de maasterrassen uit het Jonge Dryas en het oudere Allerød. Binnen de Formatie van Beegden is binnen het plangebied een Bw-horizont ontstaan. Deze is echter zeer slecht herkenbaar. Verbruining is aangetroffen in alle dijkvakken. Er zijn geen behoudenswaardige vindplaatsen aangetroffen binnen het plangebied. De aangetroffen vuurstenen objecten kunnen gedateerd worden in het mesolithicum en neolithicum. Uit deze laatste periode is ook aardewerk aangetroffen. Verder is er materiaal aangetroffen uit de latere prehistorie, Romeinse periode, middeleeuwen en nieuwe tijd. De aangetroffen sporen zijn te dateren in de nieuwe tijd.
2890578100
Circa 400 meter
Archeologisch
Door de werkgroep Archeologie van de Heemkundevereniging
3177828100
ten N van het
proefsleuvenonderzoek
Maas- en Swalmdal een proefsleuvenonderzoek en opgraving
3006017100
plangebied
en opgraving in 1997.
uitgevoerd bij het oude kerkhof aan het Kerkpad (zaakidentificatie 2890578100 en 3177828100). Het oude kerkhof is de plaats van de voormalige parochiekerk van Beesel die mogelijk in de 12e eeuw is gebouwd en in 1840 is gesloopt. Het betreft Ouddorp, de oude kern van Beesel. De kerk is in 1829 nog ingemeten. Het oude kerkhof, nog vol met graven, ligt op een heuvel omgeven door een muur. Het vermoeden bestaat dat de oude kerk tot de middeleeuwse kern van Beesel behoorde en dat in de omgeving ervan nog resten van (vroeg-)middeleeuwse bewoning te vinden zijn. In eerste instantie werd onderzoek verricht met sondeerijzers en d.m.v. boringen en aansluitend d.m.v. proefputten. Er werden muurresten van een kerk aangetroffen (koor op het NO gericht) die teruggaat
tot
de
12e
eeuw
(Romaans
zaalkerkje).
De
bewoningssporen op het aansluitende nieuwe kerkhof zijn nooit aangetroffen en ook niet te verwachten, afgaande op oude kaarten en de overstromingsgevoelige locatie. Ook werden enkele aardewerk scherven uit de Romeinse periode aangetroffen. Een kopie van het opgravingsrapport bevindt zich in het archief van de ROB. In het verleden werden hier ook enkele losse middeleeuwse vondsten aangetroffen (zaakid. 3006017100) Tabel 1. Overzicht van Archismeldingen binnen een straal van circa 500 meter rond het plangebied.
3.5
Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal
In het kader van het bureauonderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. De Tranchotkaart (1803 – 1820) laat zien dat de Sint Antoniusstraat staat aangegeven als de Schooldelleweg (Figuur 5). De weg gaat na de kruising met ten westen van het plangebied over in de weg ‘van Swalmen a Beesel’. In het zuidelijk deel van het plangebied loopt de Bovenste Solbergweg. Deze weg staat ook op de Tranchotkaart.25 Het plangebied en directe omgeving is onbebouwd en als bouwland in gebruik. Ook op de Smaberskaart uit 1774-1781 is eenzelfde situatie aanwezig als op de Tranchotkaart en is het plangebied onbebouwd.
25 www.loegiesen.nl Pagina | 19
AM24594
Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 6)26 is de situatie op kadastraal niveau te zien. Het plangebied en directe omgeving is onbebouwd en omvat meerdere, soms (smalle) langgerekte percelen. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT)27 behorende bij het minuutplan, zijn alle percelen in gebruik als bouwland. Het plangebied is onderdeel van de ‘Den Solberg’. Op de kaarten uit 1901 en 1931 (Figuur 7) is eveneens geen bebouwing aanwezig. Direct ten noordwesten van het plangebied staat de huidige St. Antoniuskapel ingetekend. Vanaf de jaren veertig van de 20e eeuw worden er geleidelijk aan huizen gebouwd aan de Sint Antoniusstraat, zoals ook te zien op de kaarten van 1950 en 1975. Het plangebied is op deze kaarten nog steeds onbebouwd. Vanaf de jaren tachtig is het huidige sportveld binnen het plangebied te zien, die in de tweede helft van de jaren zeventig werden aangelegd en aanleiding waren voor het archeologisch onderzoek in de jaren 1977 en 1978 door de heemkundekring (zie paragraaf 3.4). Op de kaarten van 1901 en 1931 zijn meerdere korte lijntjes te zien die de verhoging van de kleine Solberg (Allerød Maasterras) inclusief het plangebied weergeven. Op jongere kaarten staat die verhoging niet ingetekend, maar in het huidige landschap is deze nog steeds aanwezig.
Figuur 5. Uitsnede van de Tranchotkaart (1803 - 1820). De ligging van het plangebied is rood omlijnd (Bron: Landesvermessungsamt 1969). 26 www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Gemeente Beesel, sectie G, blad 1. Minuutplans zijn de oorspronkelijke kadastrale kaarten die zijn vervaardigd vanaf 1811 en 1812 in navolging van de Fransen o.l.v. Napoleon Bonaparte. Het zijn grondbeschrijvingen (kadasters) van de gemeenten met hierop aangegeven de percelen, perceelnummers en gebouwen. 27 OAT = Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel. Dit is een register uit 1832 waarin diverse gegevens in vermeld staan die betrekking hebben op de betreffende percelen, zoals de eigenaar, beroep en woonplaats, alsmede het grondgebruik en de oppervlakte. Pagina | 20
AM24594
Figuur 6. Uitsnede van het kadastraal minuutplan uit 1811-1832, met in het rood bij benadering het plangebied aangegeven (Bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Pagina | 21
AM24594
Figuur 7. Uitsneden van historische kaarten uit de perioden 1901, 1930, 1950 en 1970. Het plangebied is aangegeven met het rode kader (Bron: www.topotijdreis.nl).
Pagina | 22
AM24594
4. VERWACHTINGSMODEL Jager-verzamelaars uit het paleolithicum en mesolithicum hebben als woon- en verblijfplaats vaak voor de flanken van hoger liggende terreingedeelten in het landschap gekozen. Bij voorkeur in de buurt van (open) water. Nabijgelegen watervoorzieningen waren belangrijk voor drinkwater en de aanwezige biodiversiteit. Dit vergemakkelijkt de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel. Door meerdere verleggingen van de Maas ontstond er een geaccidenteerd landschap waarbij hoge oeverwallen en laaggelegen restgeulen (verlaten meanders van de Maas) zich op korte afstand afwisselden. Het plangebied is onderdeel van een Maasterras dat tijdens het Allerød interstadiaal (circa 13.500 - 12.750 jaar geleden) is gevormd. Direct ten noordwesten ligt het lager gelegen Maasterras uit het Jonge Dryas. Het plangebied maakte in het laat-paleolithicum onderdeel uit van de actieve riviervlakte van de Maas en was dus geen geschikte vestigingsplaats. De kans is groot dat sporen uit deze periode, indien toch aanwezig in het plangebied zijn geërodeerd door latere rivieractiviteiten. Op basis van deze gegevens geldt er een lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het midden- en laat-paleolithicum. Ten tijde van het mesolithicum vormde het plangebied niet meer de actieve riviervlakte en ligt het op een hoger gelegen Maasterras.
De hoger gelegen Maasterrassen zijn ideale bewoningslocaties voor jager-verzamelaars geweest. In de wijde omgeving zijn meerdere vuursteenvondsten bekend. Op deze redenen wordt een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het mesolithicum. Resten uit de periode mesolithicum worden in de oorspronkelijke bodem (in de top van de Maasafzettingen) verwacht en kunnen onder andere bestaan uit tijdelijke bewoningssperen, haardkuilen, vuursteenstrooiingen. Vanaf het (laat-)neolithicum ontstaan de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door meer sedentaire nederzettingen. Deze nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren, waarbij men een voorkeur had voor hoger en droger gelegen gebieden. De ligging van het plangebied op een hoger Maasterras zal voor latere landbouwende samenlevingen ook een aantrekkelijke vestigingsplaats zijn geweest. Dit is ook te zien aan de aanwezigheid van meerdere vindplaatsen uit voornamelijk het neolithicum en de ijzertijd tot de Romeinse tijd. Direct ten zuiden van het plangebied, binnen hetzelfde hooggelegen Maasterras (‘Solberg’), bevindt zich een terrein met sporen van bewoning uit de Romeinse tijd (AMK-terrein 227, rijksmonumentnummer 45086).
Voor het plangebied geldt daarom een hoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de ijzertijd als voor nederzettings- en begravingsresten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Resten worden in de top van de terrasafzettingen verwacht en kunnen onder andere bestaan het cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, fragmenten aardewerk, natuursteen, of gebruiksvoorwerpen. Het plangebied ligt aan de Sint Antoniusstraat, op circa 290 meter ten zuidwesten van de historische kern van Beesel. Aan het begin van de 19e eeuw is het plangebied in gebruik als bouwland. De Sint Antoniusstraat (toen Schooldelleweg) was een van de uitvalswegen vanuit de historische kern van Beesel via Rijkel naar Swalmen. De weg liep door het dal dat de Kleine Solberg van de Solberg scheidde. Op latere kaarten is geen bebouwing aanwezig binnen het plangebied. Pas vanaf 1937 komen er gebouwen aan de rand van het plangebied te staan. Het plangebied blijft onbebouwd en is als bouwland of mogelijk als boomgaard in gebruik. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd.
Archeologische resten worden vanaf het maaiveld verwacht en kunnen onder andere bestaan uit onder andere cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, gebruiksvoorwerpen van bijvoorbeeld natuursteen, fragmenten aardewerk en sporen van agrarische activiteiten.
Pagina | 23
AM24594
Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Binnen het plangebied worden radebrik- en holtpodzolgronden verwacht. Bij dergelijke gronden is geen sprake van een plaggendek dat eventuele archeologische resten beschermd tegen latere invloeden. Het archeologische niveau kan daarom vlak onder het maaiveld worden aangetroffen. Mogelijke vuursteenvindplaatsen kunnen verstoord zijn geraakt bij bewerkingen van het maaiveld. Wat betreft eventuele aanwezige organische resten is het afhankelijk hoe diep het grondwater zit. Bij radebrik- en holtpodzolgronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de lage grondwaterstand (GWT VII) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Periode Midden-
Verwachte kenmerken vindplaats Resten van kampementen, fragmenten
Diepteligging sporen Geërodeerd door latere rivieractiviteiten van de
paleolithicum – laat-
vuursteen, natuursteen,
Maas.
paleolithicum
gebruiksvoorwerpen
Mesolithicum
Verwachting Laag
Hoog
Resten van kampementen, fragmenten
Onder de bouwvoor tot in de top van de
vuursteen, natuursteen,
terrasafzettingen.
gebruiksvoorwerpen (laat)-neolithicum –
Hoog
vroege
Nederzettingsresten, fragmenten aardewerk,
Onder de bouwvoor tot in de top van de
natuursteen, gebruiksvoorwerpen
terrasafzettingen.
Cultuurlaag, funderingsresten, natuursteen,
Vanaf het maaiveld.
middeleeuwen Late middeleeuwen – nieuwe tijd
Middelhoog
fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen, sporen van agrarische activiteiten, restanten wegen/paden
Tabel 2. Archeologische verwachting per periode.
Bodemverstoring Er zijn geen gegevens van bodemverstoringen binnen het grootste deel van het plangebied bekend. Mogelijk is verstoring opgetreden als gevolg van het gebruik als akkerland. Ook ten behoeve van de aanleg van de sportvelden, de voorafgaande egalisatiewerkzaamheden en de vermoedelijke aanleg van drainage zal tot zekere diepte verstoringen hebben plaatsgevonden. Ter hoogte van het gebouwtje in het zuidwestelijk deel van het plangebied zal de bodem tot zekere diepte zijn verstoord Op basis van de KLIC-melding (uitgevoerd op 25 februari 2025) zijn binnen het noordelijk deel van plangebied een kabels/leidingen gegraven die voor een verstoring van de bodem kunnen hebben gezorgd.
Pagina | 24
AM24594
5. VELDWERKZAAMHEDEN 5.1
Algemeen
Het doel van het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is het toetsen van de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied (Hoofdstuk 4). Hiertoe zijn op 5 maart 2025 in totaal 12 boringen gezet (zie Bijlage 2 en 8). De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 centimeter. De boordiepte varieerde van 200 tot 220 centimeter onder maaiveld. De boorkernen zijn conform ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8. De hoogteligging van de boorpunten ten opzichte van NAP is afgeleid van het AHN5. 28 De maaiveldhoogte van het plangebied varieert van circa 22,00 tot 22,30 meter +NAP. Er is geen oppervlakte kartering uitgevoerd in verband met de aanwezige begroeiing en verharding.
Figuur 8. Foto plangebied, kijkende in noordelijk richting (Foto: 5 maart 2025).
28 www.ahn.nl. Pagina | 25
AM24594
5.2
Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw
De top van de bodem wordt, met uitzondering van boringen 1 en 5, gevormd door een zwak tot matig humeus, matig siltig, matig fijn zandpakket. De dikte van dit pakket varieert sterk, van circa 30 tot 120 centimeter. De kleur van dit pakket is (donker) bruingrijs. In boringen 8 en 12 bevat dit pakket sporen baksteen en in boringen 1, 8 en 11 bevat het sporen grind. Hieronder volgt, met uitzondering van boring 6, een neutraal bruin tot donkerbruin matig siltig, matig fijn zandpakket. De dikte van dit pakket varieert van circa 30 tot 95 centimeter. In boringen 5 wordt dit pakket gekenmerkt door sporen houtskool. Hieronder volgt een pakket dat veelal bestaat uit (verschillende tinten) bruin(oranje), zwak tot matig siltig, matig fijn zand. Het dieper gelegen zand heeft in de meeste gevallen een lichtere kleur (licht beige tot licht beigebruin). Het zwak siltige zand is goed gesorteerd. De top van dit pakket is aangetroffen op een diepte variërend van circa 45 tot 130 centimeter onder maaiveld. Dit komt overeen met circa 20,70 tot 22,00 meter +NAP. Vanaf circa 110 tot 135 centimeter onder maaiveld is, met uitzondering van boringen 3, 4, 8, 10 en 12, een sterk siltige zandlaag en/of zwak tot sterk zandige leemlaag waargenomen. In boring 1 bevat dit leempakket sporen grind.
De top van dit pakket is aangetroffen op circa 110 tot 135 centimeter onder maaiveld (circa 20,57 tot 21,10 meter +NAP).
5.3
Interpretatie
Het diepgelegen licht (grijs)beige matig fijne tot grove zandpakket hangt samen met de oudste afzettingen in het gebied. Dit pakket is geïnterpreteerd als oever- en beddingafzettingen. De datering van de oever- en beddingafzettingen zijn op basis van dit onderzoek niet eenduidig toe te kennen. Volgens Woolderink (2018) ligt het plangebied op het Allerød Maasterras. Dit terras is ontstaan in het Allerød-interstadiaal (circa 13.900-12.900 jaar geleden).29 Geologisch (en lithostratigrafisch) gezien behoren de aangetroffen (diepe) natuurlijke afzettingen tot de Formatie van Beegden. 30 Op basis van de boorprofielen kan evenmin een duidelijke uitspraak worden gedaan wat betreft de verwachte bodemtypen. Er is geen sprake van een briklaag (Bt-horizont) (briklaag). In meerdere boringen in met name het zuidelijke deel is sprake van een relatief dikke A(a)(p)-horizont, hetgeen doorgaans kenmerkend is voor de aanwezigheid van holtpodzolgronden. De terrasafzettingen zijn vervolgens afgedekt door rivierduinafzettingen van de Maas. De rivierduinafzettingen zijn afgezet gedurende het Jonge Dryas (circa 12.900 tot 11.700 jaar geleden). Deze afzettingen zijn onderdeel van het Laagpakket van Delwijnen (Formatie van Boxtel).
Het Maasterras waarop het plangebied ligt bevindt zich op een hoogte van circa 22 meter +NAP en ligt (relatief ver) buiten het bereik van de huidige Maasloop, zelfs bij extreem hoge waterstanden. Er is dus geen sprake van een afdekkend Holoceen pakket. De rivierduinafzettingen bevonden zich mogelijk al sinds de afzettingsfase aan het oppervlak. Het is lastig een verklaring te geven voor de gevarieerde diepteligging van het derde pakket. Deze ligt op een diepte van 45 tot 130 centimeter onder maaiveld (circa 20,70 tot 22,00 meter +NAP). Deze variatie in diepteligging bevindt zich verspreid binnen het plangebied en is niet toe te wijzen aan specifieke delen binnen het plangebied.
29 Woolderink et al., 2018, stroomgordel 847. 30 De Mulder et al., 2003. Pagina | 26
AM24594