CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

Archeologisch bureauonderzoek

Besluitvormende raadsvergadering 6 juli 2026, gemeente BeeselBij agendapunt: Aanvraag omgevingsvergunning bouwplan 10 woningen Julianastraat 4a te Reuver19.317 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Vinder: particulier

Gevonden tijdens: Zaaknummer: niet-archeologisch: graafwerk 2857351100 470 meter ten noordwesten van het plangebied De Bercken te Beesel , gemeente Beesel

Vinder: particulier

Sweco | Bureauonderzoek Projectnummer 51034276 Datum 13-02-2026 Versie C Documentreferentie NL25-648800269-156830

Begin datering Romeinse tijd Begin datering Romeinse tijd

Vondst datum: Onbekend

Eind datering Romeinse tijd Eind datering Romeinse tijd Vondst datum: 01-01-1972

60

X:203. 160 / Y:367. 080 geen toelichting

bekend binnen ARCHIS Vondsten 1 fragment keramisch aardewerk , handgevormd:3-ledig lage vorm Vele fragmenten menselijk crematieresten Complexen 2 begravingen , onbepaald Gevonden tijdens: Zaaknummer: 3112516100 verwervingswijze niet te bepalen 500 meter ten noordwesten van het plangebied De Weerd ; Bentheimer Schans te Reuver , gemeente Beesel X:203. 100 / Y:367. 070 geen toelichting bekend binnen ARCHIS Sporen 1 wal/omwalling Complexen 1 schans

Sweco | Bureauonderzoek Projectnummer 51034276 Datum 13-02-2026 Versie C Documentreferentie NL25-648800269-156830

Begin datering Late Bronstijd

Eind datering Vroege IJzertijd

Late Bronstijd

Vroege IJzertijd

Begin datering Late Bronstijd

Eind datering Vroege IJzertijd

Vinder: particulier

Begin datering Nieuwe tijd Vroeg Begin datering Nieuwe tijd Vroeg

Vondst datum: 04-11-1969

Eind datering Nieuwe tijd Midden Eind datering Nieuwe tijd Midden

61

Bijlage 5. Bewoningsgeschiedenis van Nederland Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr. ) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd circa 300. 000-130. 000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren mammoeten paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten wilde zwijnen en oerossen gejaagd. ,

,

,

,

Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr. ) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr. ) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg waardoor de variatie in flora en fauna (o. a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu. Doordat de temperatuur steeg trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden en maakte plaats voor meer territorium gebonden klein wild vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. ,

,

,

,

,

,

,

Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr. ) Aan het begin van deze periode gingen het jagen vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp. Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze anderzijds om de autochtone mesolithische bevolking die een half agrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend te weten grafkelders hunebedden en grafheuvels. ,

,

,

,

,

,

Sweco | Bureauonderzoek Projectnummer 51034276 Datum 13-02-2026 Versie C Documentreferentie NL25-648800269-156830

,

62

Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr. ) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven zij het minder in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie die tijdens het Neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat Neolithicum koperen voorwerpen bekend. ,

,

,

,

,

,

,

IJzertijd (circa 800-12 v. Chr. ) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen ; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (raatakkers). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen) die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland met daarin luxe geïmporteerde bijgaven zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. ,

,

,

,

Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr. ) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn tot diep in Duitsland 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr. de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld naast het eigen handgevormde aardewerk Romeins importaardewerk in gebruik dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden vooral in Limburg grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd hetzij nieuw gesticht hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten.

Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking ten noorden van de Limes werd niet zo sterk beïnvloed door de ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Sweco | Bureauonderzoek Projectnummer 51034276 Datum 13-02-2026 Versie C Documentreferentie NL25-648800269-156830

,

63

Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond onder meer door invallen van Germaanse stammen een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. ,

,

Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr. ) Over de Vroege Middeleeuwen vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr. is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10 e – 11 e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde in combinatie met een zwak centraal gezag veelvuldig tot lokaal geweld waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd.

Door het aanleggen van burgen schansen landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20 e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats wat zich tot in het begin van de 20 e eeuw uit in de kunsten. ,

,

Sweco | Bureauonderzoek Projectnummer 51034276 Datum 13-02-2026 Versie C Documentreferentie NL25-648800269-156830

64

Bijlage 6. AMZ-cyclus Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan indien reeds voldoende gegevens bekend zijn een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid gemeente provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting. Indien dit het geval is dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus ,

,

(zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie aan de hand van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. ,

,

,

,

De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid de aard het karakter de omvang de datering de gaafheid de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. ,

,

,

,

,

,

Inventariserend Veldonderzoek ; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende karterende en waarderende fase. De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. ,

,

,

Sweco | Bureauonderzoek Projectnummer 51034276 Datum 13-02-2026 Versie C Documentreferentie NL25-648800269-156830

65

Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied. Inventariserend Veldonderzoek ; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren.

Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen die aanleiding geven tot nader onderzoek kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. ,

,

,

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven maar wel van belang zijn voor de wetenschap kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. ,

,

,

Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen die aanleiding geven tot nader onderzoek kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. ,

,

Sweco | Bureauonderzoek Projectnummer 51034276 Datum 13-02-2026 Versie C Documentreferentie NL25-648800269-156830

,

66

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente , Provincie , Rijk)

►

Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

►

Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek , vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen. ***

►

Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek , vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen. ***

►

Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie , wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek , vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ► **** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering - booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische resten archeologie door door archeologen planaanpassing (variant begeleiding)

* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk , indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld , toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld , toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk , indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk , indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Sweco | Bureauonderzoek Projectnummer 51034276 Datum 13-02-2026 Versie C Documentreferentie NL25-648800269-156830

67

Bijlage 7. Planontwerp

Sweco | Bureauonderzoek Projectnummer 51034276 Datum 13-02-2026 Versie C Documentreferentie NL25-648800269-156830

68

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=8b0e8974-044a-4795-befd-60a00302b6b3