CConstaterende datBeemster
Koppel je AI →
Document · PDF

Omgevingsnota Beemster 2012 (welstandsnota).pdf

Gemeenteraad 22 september 2021, gemeente BeemsterBij agendapunt: 4b: Voorstel tot het vaststellen van de Nota omgevingskwaliteit (harmonisatie).21.765 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aan de oostkant is wel elk perceel bereikbaar via een bruggetje, zoals dat ook karakteristiek is voor De Beemster als geheel. Als de bebouwing is teruggelegen van de weg en een sloot ontbreekt, zetten erfafscheidingen de rooilijn door. Vaak gaat het om een laag hekje of een haag. Een uitzondering binnen dit strakke patroon in de kern is het ‘landje’ in het zuidwestkwadrant. Hier staat aan twee kanten eenvoudige lage aaneengesloten bebouwing rond een plantsoen met hoge bomen. Bebouwing Binnen de strakke, planmatige stedenbouwkundige structuur bestaat de invulling uit individuele bebouwing, soms solitair op de kavel geplaatst, soms opgenomen in een aaneengesloten gevelwand. De individuele opbouw van de gebouwen is daarbij een gemeenschappelijk kenmerk. Deze diversiteit beïnvloedt het ruimtelijk beeld in hoge mate. Vrijwel alle bebouwing met zadeldak heeft de nok haaks op de weg, met als opvallende uitzondering het deel van de Middenweg langs het marktplein. Daar is de bebouwing teruggelegd om ruimte voor de markt te creëren. Deze panden hebben de nok parallel aan de straat. Dit kwadrant is het vroegst gebouwde deel van Middenbeemster. De woningen zijn van verschillende types: vrijstaande woningen, kleine arbeiderswoningen, boerderijen en geschakelde woningbouw. Wel zijn eigenlijk alle gebouwen georiënteerd op de straat.

Bebouwing bestaat grotendeels uit één bouwlaag met kap, grotere en voornamere woonhuizen hebben twee lagen met kap. 37

Enkele gebouwen hebben, te midden van de agrarische bebouwing, zelfs een vrij ‘stadse’ uitstraling. Door hun maat en verbijzonderde detaillering accentueren ze hun (voormalige) publieke functie. Op enkele plaatsen staan stolpboerderijen. De kapvorm en kaprichting variëren. Zowel zadeldaken, mansardekappen als schilddaken komen voor. De hoofdgebouwen staan aan de straatzijde, bijgebouwen bevinden zich achter het hoofdgebouw.

Detaillering, materiaal en kleur Bebouwing uit de 17de, 18de- en vroeg 19de eeuw is vrij sober uitgevoerd in baksteen, hout en gebakken pannen. Wel zijn hier en daar bijzondere decoraties als gevelstenen toegepast. Bij de rijker gedetailleerde 19de-eeuwse rentenierswoningen, herenhuizen en voormalige openbare gebouwen zijn de kozijnen van ramen omlijst door een rijke detaillering met pilasters, decoraties rond gevelopeningen en een verbijzondering van de kroonlijst. Hier is ook wel pleisterwerk toegepast. Vooral de sober(der) uitgevoerde (arbeiders)woningen zijn opgetrokken in hout of voorzien van een houten topgevel. Inmiddels is ook historiserende nieuwbouw verschenen, waarbij het bovengenoemde materiaal- en kleurgebruik is toegepast. Stolpen komen zowel in een rijk gedetailleerde vorm als in een soberder uitvoering voor, waarbij de materialisering niet veel verschilt van de overheersende gebiedskarakteristieken: bruine of rode baksteen, rode of grijze gebakken pannen en wit of groen geschilderd hout voor kozijnen en ramen.

ESSENTIES • de structuur van Middenbeemster wordt bepaald door de kruisende Middenweg en Rijperweg, versterkt door bermsloten en laanbomen. • ter hoogte van het Marktplein zijn de sloten teruggelegd of overkluisd. Hier staan westelijk dubbele en oostelijk driedubbele bomenrijen. • aan de uiteinden van het dorp heeft het profiel wegsloten en individuele, vrijstaande bebouwing met voortuin en een individuele kavelbrug naar het lange smalle perceel. • De historische inrichting prevaleert boven de historische functie (bv: wegprofiel is belangrijker dan functie als verkeersweg) • bij vrijstaande bebouwing staan bijgebouwen achter het hoofdgebouw • ter hoogte van de kruising is het Marktplein ingericht, met aaneengesloten bebouwing evenwijdig aan de straat aan de westkant en een meer open karakter aan de oostkant. 38

• het Marktplein heeft de historische indeling en inrichting die de functie als veemarkt afleesbaar houdt: bomenrijen met veemarkthekken ertussen, plaveisel van gele klinkers voor mestafvoer, travalje (bouwwerk voor het beslaan van paarden) • bijzondere, afwijkende openbare ruimte: het landje, een hofje met bebouwing aan twee zijden • bebouwing bestaat altijd uit individuele panden, ook de aaneengesloten gevelwanden. • nok van de bebouwing staat haaks op de weg, alleen ter hoogte van het Marktplein parallel. • de bebouwing heeft een individueel karakter • woonhuizen hebben een steile kap, een ingangspartij naar de weg toe, bestaan uit een of twee bouwlagen en sober materiaal- en kleurgebruik. Vooral aan de uiteinden van het dorp staan laat-19de-eeuwse grotere en rijker gedetailleerde herenhuizen en stolpboerderijen.

CRITERIA VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT Bouwwerken Relatie met de omgeving • • • • •

rooilijnen aanhouden/herstellen bij samenvoeging van panden wordt ritmiek van de gevelwand gehandhaafd/aangebracht bij ingrepen de bestaande nokrichting handhaven: haaks op de weg of parallel daaraan aan het Marktplein (Middenbeemster) ligt de nok alleen parallel aan het plein de voorgevel is het meest uitgesproken vormgegeven en op de (historische) weg gericht

Massa en opbouw van het gebouw • • • •

aanpassingen en ondergeschikte toevoegingen moeten worden uitgevoerd in de stijl van het (hoofd)gebouw, maar zijn niet per se historiserend de elementen in de gevel (deuren, ramen etc.) dienen in een consistente verhouding te staan tot elkaar en de gevel als geheel nieuwe bebouwing heeft een individuele hoofdvorm die past binnen de historische dorpskern de bebouwing heeft een eenvoudige, heldere massa en een herkenbare kapvorm die kan afwijken van belendende panden 39

• • • • • • •

de elementen in de gevel (deuren, ramen etc.) staan in een consistente verhouding tot elkaar en tot de gevel als geheel bij verbouw aansluiting zoeken op gevelopbouw, geleding en ritmiek van het pand dakopbouwen zijn niet toegestaan er is een duidelijke overgang tussen gevel en dak (schaduwwerking) een plat dak en een kap met wolfseind zijn voor een hoofdgebouw niet toegestaan geen gesloten gevels aan de openbare ruimte wanneer wordt gerefereerd aan de stolpboerderij, dient te worden voldaan aan de specifieke criteria die voor de stolpboerderij gelden

Detaillering, materiaal en kleur •

• •

metselwerk in aardtinten, wit of groen geschilderd hout voor wanden, kozijnen, deuren en ramen, en rode of grijze keramische pannen. Witte steen als hoofddrager is niet toegestaan. bij verbouw en renovatie van een bestaand pand het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik als uitgangspunt nemen (wit) stucwerk en geglazuurde pannen zijn alleen toegestaan als er sprake is van vervanging

Overige ingrepen

Openbare ruimte • het continue karakter van het profiel van Middenweg en Rijperweg handhaven en/of terugbrengen: iets verhoogd liggende wegen met daarnaast laanbomen en bermsloten • het Marktplein is en blijft het kernpunt binnen deze hoofdstructuur • bestrating en inrichting van de openbare ruimte passen bij het historische karakter van Middenbeemster: duurzaam en rustig • Marktplein: ijsselsteentjes, goten en koeienhekken handhaven • bij herprofilering zijn de historische inrichtingsprincipes leidend

40

6. Dorpslinten Regieniveau: bijzonder

Gebieden Het gebiedstype dorpslint bestaat uit enkele van oorsprong geheel agrarische linten die door verdichting met burgerwoningen en instellingsgebouwen geleidelijk van karakter veranderd zijn. Het gaat om: -

in Zuidoostbeemster het bebouwingslint langs de Zuiderweg en het bebouwingslint langs de Purmerenderweg, met de aftakkingen langs de Volgerweg, het Noorderpad, het Zuiderpad en het Kolkpad;

-

het dorpslint van Westbeemster even ten noorden van de kruising van de Jisperweg met de Hobrederwerg. Aan de zuidkant ligt een dorpsuitbreiding uit de periode na 1945 (hst. 11);

-

het lint van Noordbeemster, bestaand uit het agrarisch lint langs de Middenweg en de verdichte bebouwing aan de Oosthuizerweg, ten oosten van de kruising met de Middenweg. Vanaf de 19de eeuw zijn hier (arbeiders)woningen gebouwd.

Kenmerken Structuur Zuidoostbeemster De ruimtelijke structuur van beide linten bestaat uit de lijn van de weg, met het loodrecht daarop staand verkavelingspatroon. Beide linten hebben een kleinschalig karakter met compacte bebouwing aan weerszijden van de weg. De meeste bebouwing staat op enige afstand van de weg, in strakke, doorlopende of nu en dan iets verspringende rooilijnen. Tussen de weg en de gebouwen liggen voortuinen. De meeste panden zijn overeenkomstig op de kavel gesitueerd: vrijstaand, voorgevel met entree gericht op de weg, met de zijgevels evenwijdig aan de lengterichting van de kavel. De kavels hebben een overeenkomstige breedte. Op grond hiervan en vanwege de doorlopende rooilijn ontstaat een zeer regelmatige ritmiek in het lint. Tussen de bebouwing zit weinig transparantie; bebouwing is zelfs zo dicht op de belendende panden geplaatst dat bijna sprake is van aaneengesloten gevelwanden. In beide linten overheerst de woonfunctie. Westbeemster Westbeemster vormt een verdichting in de lintbebouwing aan de Jisperweg, gecombineerd 41

met de uitbreiding aan de westkant van de weg van enkele rooms-katholieke instellingen. De situering van dit complex is binnen de lijnen van de oorspronkelijke verkaveling gebleven. Ook is de oriëntatie op de weg in overeenstemming met die van de lintbebouwing. Het complex onderscheidt zich wel door de wat grotere maat en schaal van de bebouwing in de omgeving Tussen de bebouwing en de weg liggen voortuinen en voorerven. Noordbeemster Noordbeemster wordt gevormd door het nog grotendeels agrarische lint langs de Middenweg en haaks daarop de verdichte lintbebouwing, bestaand uit woonhuizen, aan de Oosthuizerweg. De bebouwing voegt zich geheel in het patroon van De Beemster. De boerderijen staan op lange kavels die loodrecht op de Middenweg liggen; de woningen staan naast elkaar op een oorspronkelijk eveneens op de Middenweg gerichte kavel. Door opdeling van deze kavel zijn huiskavels aan de Oosthuizerweg ontstaan. Op deze kavels staat de bebouwing, met de voorgevel op de weg gericht. Tussen de bebouwing en de weg liggen voortuinen en voorerven.

Openbare ruimte Zuidoostbeemster Karakteristiek is het dwarsprofiel. Aan de Purmerenderweg liggen tussen het bebouwingslint en de doorgaande weg aan beide zijden sloten. Aan de oostzijde ligt een ventweg met parkeerplaatsen. Aan de westzijde loopt geen ventweg, maar worden de kavels direct vanaf de doorgaande weg ontsloten met bruggetjes en dammen met duikers. Het Noorderpad en de Volgerweg hebben een symmetrisch profiel met een centrale weg, geflankeerd door bermen met laanbomen (Noorderpad knotbomen) en aan weerzijden een sloot met kavelbruggen. Aan de Zuiderweg ligt aan de zuidkanten van de weg een sloot; de erven daar worden ontsloten via bruggetjes. Aan de noordkant is een sloot gedempt. De weg is voorzien van een middenberm, met een niet doorlopende rij bomen. Westbeemster De Jisperweg ter hoogte van Westbeemster verandert niet van karakter: de weg behoudt het profiel met centrale rijweg (asfalt) geflankeerd door bermen met laanbomen. Beeldbepalend voor het profiel zijn de sloten aan weerszijden van de weg met kavelbruggen naar de huizen en boerderijen. De openbare ruimte bij de kerk en de school is voorzien van een simpele bestrating met gebakken klinkers en betontegels. Noordbeemster In de openbare ruimte van Noordbeemster is een tweedeling te onderscheiden.

Het oostelijk deel van de Oosthuizerweg en het noordelijk deel van de Middenweg hebben als deel van de N509, geen volledig traditioneel ‘polderprofiel’ meer. Toch hebben de wegen ook geen geheel op het autoverkeer gericht N-weg profiel. 42

Aan de oostelijke Oosthuizerweg ligt een sloot aan de noordkant van de weg, met bruggen naar de huiserven. Het relatief brede centrale deel voor autoverkeer wordt geflankeerd door tegelstroken voor het langzaam verkeer. Ook de Middenweg ten noorden van de Oosthuizerweg heeft een centraal deel voor het autoverkeer, daarnaast ligt een vrijliggend fietspad. Er staan in het profiel minder bomen dan langs de smallere wegen in de polder. De Middenweg ten zuiden van de kruising met de Oosthuizerweg verandert ter hoogte van Noordbeemster niet van karakter. Beelbepalend voor het profiel zijn de sloten aan weerszijden van de weg met bruggen naar de aanliggende bebouwing en de bomenrijen in de berm tussen weg en sloot. De weg is voorzien van een vrijliggend fietspad, met nog een rij bomen in de berm tussen het fietspad en het weggedeelte voor gemotoriseerd verkeer. Bebouwing Zuidoostbeemster Kenmerkend voor het gebied is het individuele karakter van de bebouwing. Er staan arbeiderswoningen, vrijstaande woningen en enkele twee-onder één-kapwoningen. In de verschijningsvorm zit veel variatie. De bebouwing is individueel vormgegeven en dateert uit verschillende periodes, maar is in maat, schaal, kleur- en materiaalgebruik onderling sterk verwant. Panden bestaan uit één laag met een kap, met daarin vaak wel een tweede verdieping. Alle gebouwen hebben een kap.

De kapvorm en kaprichting van de bebouwing variëren. Veel bebouwing heeft architectonisch een verticale opbouw. Westbeemster/Noordbeemster De bebouwing in beide kernen, gericht op de weg, voegt zich in de vorm van (stolp)boerderijen in het agrarisch lint langs de lengtewegen (Jisperweg, Middenweg). Daarnaast staan er kleinschaliger woonhuizen en een enkel (voormalig) woon-winkelpand. In Westbeemster hebben het voormalige klooster en de school, als relatief grootschalige instellingsgebouwen, een voor De Beemster bijzonder karakter. Detaillering, materiaal en kleur Zuidoostbeemster De bebouwing is sober gedetailleerd. Oudere bebouwing is rijk(er) gedetailleerd, met veel aandacht voor de kroonlijsten, raampartijen en de entree. Vooral de symmetrie en de detaillering en centrale plaatsing van de entree zijn kenmerkend voor de oudere bebouwing. Het materiaal bestaat uit steen, hout en gebakken pannen. De meest gebruikte kleuren zijn zwart, grijs en oranje voor de pannen en aardetinten (rood en bruin) voor het metselwerk. Voor de kozijnen, deuren en andere detaillering worden vaak de kleuren wit en groen toegepast, en in beperkte mate donkerrood.

43

Westbeemster/Noordbeemster De stolpboerderijen en woonhuizen in Westbeemster en Noordbeemster laten een detaillering en materiaalgebruik zien die overeenkomen met het buitengebied (stolpen) en Zuidoostbeemster (woonhuizen). De bijzondere bebouwing in Westbeemster onderscheidt zich door het wat grootschaliger karakter van de overige dorpsbebouwing.

ESSENTIES

Zuidoostbeemster • • • • • • • • •

verdichting binnen structuur oorspronkelijk agrarisch lint, afwijkende maatvoering binnen het geometrisch stelsel door opdeling oorspronkelijke percelen oriëntatie van de percelen, haaks op de straat; occupatiepatroon op de koppen van de percelen, strakke of iets verspringende rooilijnen woongevel naar weg voortuin, begroeid ontsluiting erf via kavelbrug en erfpad de kleinste en bepalende eenheid van het gebied is één enkel vrijstaand pand met een individueel karakter wegprofiel met sloten en bruggetjes

Westbeemster • verdichting binnen het van oorsprong geheel agrarische lint aan de Jisperweg in combinatie met enkele in maat en schaal grotere rooms-katholieke instellingsgebouwen • bebouwing als geheel voegt zich in historisch verkavelingspatroon • openbare ruimte aan de Jisperweg niet verbijzonderd ter hoogte van de dorpskom • dwarsprofiel met aan weerszijden bermen met laanbomen, sloten en kavelbruggen

Noordbeemster • verdichting grotendeels buiten het van oorsprong geheel agrarische lint (aan de Middenweg) aan dwarsweg, de Oosthuizerweg • bebouwing als geheel voegt zich in historisch verkavelingspatroon • openbare ruimte aan zuidelijk deel Middenweg niet verbijzonderd ter hoogte van het dorp • dwarsprofiel zuidelijke Middenweg met aan weerszijden bermen met laanbomen, sloten en kavelbruggen; vrijliggend fietspad • profiel N509 (Oosthuizerweg – Middenweg noordelijk deel) met gedeeltelijk traditionele elementen: bermsloot, laanbeplanting, bruggen naar erven.

44

CRITERIA VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT Bouwwerken Relatie met de omgeving • • • •

rooilijnen aanhouden/herstellen bij samenvoeging van panden wordt ritmiek van de gevelwand gehandhaafd/aangebracht de nokrichting dient óf haaks op, óf parallel aan de straat te zijn, conform de historisch gegroeide situatie de voorgevel van het pand moet naar de straat gekeerd zijn en daaraan evenwijdig te liggen

Massa en opbouw van het gebouw •

• • • • • • • • • • •

aanpassingen en ondergeschikte toevoegingen moeten worden uitgevoerd conform de architectonische vormtaal van het hoofdgebouw, maar zijn niet per se historiserend, de elementen in de gevel (deuren, ramen etc.) dienen in een consistente verhouding te staan tot elkaar en de gevel als geheel nieuwe bebouwing heeft een individuele hoofdvorm die past binnen het historisch dorpslint de bebouwing heeft een eenvoudige, heldere massa en een herkenbare kapvorm die kan afwijken van belendende panden dakopbouwen zijn niet toegestaan, balkons dienen klein en ‘luchtig’ te zijn, met een houten, stalen of smeedijzeren detaillering er is een duidelijke overgang tussen gevel en dak (schaduwwerking) geen gesloten gevels aan de openbare ruimte platte daken zijn voor hoofdgebouwen niet toegestaan een wolfseind is niet toegestaan bij het hoofdgebouw gevels dienen verticaal geleed te zijn wanneer wordt gerefereerd aan de stolpboerderij, dient te worden voldaan aan de specifieke criteria die voor de stolpboerderij gelden

Detaillering, materiaal en kleur •

•

kozijnen, dorpels, lateien, vensterbanken, goten, gootklossen, windveren en dergelijke dienen zorgvuldig gedetailleerd te worden, eventuele karakteristieke details moeten behouden blijven er dienen traditionele kleuren te worden gebruikt, voornamelijk aardetinten, donkergroen en crèmewit 45

•

• • • • •

er dient gebruik te worden gemaakt van materiaal dat voor het gebied kenmerkend is, namelijk hout (voor kozijnen, ramen en deuren), metselwerk (voor gevel) en keramische dakpannen, witte steen als hoofddrager is niet toegestaan bij verbouw en renovatie van een bestaand pand het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik als uitgangspunt nemen kunststof kozijnen, deuren, etc. zijn toegestaan mits deze qua detaillering, kleur en structuur het oorspronkelijk materiaal visueel zo dicht mogelijk benaderen dakgoten en boeiboorden zichtbaar vanuit de openbare ruimte mogen niet te zwaar zijn (niet meer dan 15 cm hoog) hoogglans geglazuurde dakpannen zijn niet toegestaan het gebruik van plaatmateriaal alleen toegestaan voor wanden van bijgebouwen

Overige ingrepen Zuidoostbeemster • handhaven lineair karakter wegen met rechte tracés en kruisingen onder een rechte hoek • handhaven dwarsprofiel Purmerenderweg met doorgaande weg met aan beide zijden sloten en ventweg aan de oostkant • handhaven ontsluiting aan de oostkant van de Purmerenderweg met bruggen en dammen met duikers • centrale rijweg, geflankeerd door bermen met regelmatige laanbeplanting en aan weerszijden van de weg een sloot • handhaven symmetrisch dwarsprofiel Noorderpad en Volgerweg met centrale weg, geflankeerd door bermen met laanbomen en aan weerzijden een sloot met kavelbruggen • in het dwarsprofiel van de Zuiderweg handhaven weg met aan de zuidkant de sloot met kavelbruggen

Westbeemster/Noordbeemster • handhaven dwarsprofiel lengtewegen (Jisperweg, zuidelijke Middenweg) met aan weerszijden bermen met laanbomen, sloten en kavelbruggen • Noordbeemster: handhaven traditionele elementen in profiel N509 (Oosthuizerweg, noordelijke Middenweg): bermsloten, laanbeplanting, bruggen naar erven.

46

7.

Randen

Regieniveau: bijzonder

Gebied De randen van de bebouwde gebieden (hst. 7, 8, 11 en 12) grenzend aan het buitengebied (hst. 6)

Kenmerken

Structuur Het buitengebied van de gemeente Beemster bestaat uit een aantal landschappelijke ‘kamers’, open ruimtes die worden begrensd door de historische boerderijlinten en de wegen met hun opgaande beplanting. De boerderijen begrenzen niet alleen de open ruimte, maar zijn er ook functioneel en ruimtelijk direct aan gerelateerd. In een aantal gevallen, vooral waar in de 20ste eeuw uitbreiding van de dorpen heeft plaatsgevonden, wordt zo’n open ruimte begrensd door bebouwing die een dergelijke relatie niet heeft. Deze bebouwing is de buitenste rand van de binnengebieden, stedenbouwkundig en architectonisch daarvan onderdeel. De randen voegen zich merendeels door hun rechte beloop in het lineaire karakter van De Beemster. Daardoor en door het opgaand groen (straatbomen, bomen in tuinen) hebben de randen een ruimtebegrenzende werking die min of meer overeenkomstig is aan die van de boerderijen in het raster en de beplante wegen. Hierin ligt ook hun belang voor de ruimtelijke kwaliteit van De Beemster: de kwaliteit van de randen is van invloed op de kwaliteit van de open ruimte. Een rand die qua maat en schaal of qua bebouwing niet ‘des Beemsters’ is, heeft een negatieve impact op de aangrenzende open ruimte Soms is de bebouwing in de randen met de achterkant naar het buitengebied gekeerd, in andere gevallen met de voorkant.

In beide gevallen onderscheidt de randbebouwing zich in maat, schaal en materialisering niet of nauwelijks van de overige bebouwing in het binnengebied. De volgende varianten zijn te onderscheiden in de wijze waarop de rand vorm heeft gekregen: -

achterkanten (schuurtjes andere bijgebouwen op een erf/tuin) grenzend aan het buitengebied, of garages met toegangsweg. Scheiding van erven en buitengebied door een sloot;

47

-

een straat met bomen aan weerszijden en huizen met voorgevels op het buitengebied gericht vormt de buitenrand (Middenbeemster Oost). Scheiding straat buitengebied door een sloot;

-

de rand bestaat vooral uit straten en waterlopen die er haaks op uitkomen: vanuit het binnengebied is er uitzicht op buiten;

-

bedrijfsgebouwen (bedrijventerrein) met meer of minder afschermende beplanting. Scheiding bedrijfsterrein – buitengebied door een sloot.

Openbare ruimte De openbare ruimte van de randen wordt in een aantal gevallen gevormd door een straat met aan een zijde bebouwing en een trottoir en aan de overzijde een groene berm. Zowel in de berm als in het trottoir staan bomen. Ook een profiel met aan de buitenkant bomen en aan de binnenkant garages komt voor. Op een aantal punten kruisen waterlopen die zowel in het binnengebied als het buitengebied liggen, de rand. Bebouwing De bebouwing in de randen maakt onderdeel uit van de verschillende binnengebieden. Detaillering, materiaal en kleur Idem.

ESSENTIES • • •

• •

lineair karakter, in lijn met de historische verkaveling van De Beemster bebouwing is architectonisch onderdeel van het achterliggende binnengebied randen stedenbouwkundig/architectonisch niet verbijzonderd naar het buitengebied: bebouwing onderscheidt zich niet of weinig van de overige bebouwing in het binnengebied ruimtebegrenzing door overeenkomst in maat en schaal en beplanting en beplante wegen in het buitengebied bebouwing niet direct aan buitengebied: sloot vormt altijd de scheiding

CRITERIA VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT

NB Criteria gelden ook voor nieuwe randen die in de toekomst ontstaan door uitbreiding van de dorpen.

48

Relatie met de omgeving Criteria binnengebied, plus: • randen hebben een lineair karakter met bebouwing evenwijdig daaraan gesitueerd of haaks erop • de bebouwing van de rand vormt vanuit het buitengebied een duidelijke wand (coulisse-werking) • geen dode gevels in de randen, gevels hebben gevelopeningen • bomen spelen een belangrijke rol in de wand: vanuit het buitengebied voor of achter de bebouwing • bebouwing blijft onder de hoogte van de boomkruinen Massa en opbouw van het gebouw Criteria binnengebied plus: •

wanneer wordt gerefereerd aan de stolpboerderij, wordt voldaan aan de specifieke criteria die voor de stolpboerderij gelden

Detaillering, materiaal en kleur Criteria binnengebied.

Overige criteria

NB Criteria gelden ook voor nieuwe randen die in de toekomst ontstaan door uitbreiding van de dorpen. • •

een straat met woonhuizen (voorgevel op buitengebied) is voorzien van laanbomen aan weerszijden van de straat een achterpad is voorzien van laanbomen aan de kant van het landelijk gebied

49

10 Objecten

Een aantal objecten is door hun ontstaan, aard en ligging van grote betekenis voor de uitzonderlijke kwaliteit van De Beemster. Deze categorie ‘Des Beemsters objecten’ bestaat uit stolpboerderijen, landbouwschuren en andere agrarische bedrijfsgebouwen, bruggen en dammen, en de forten van de Stelling van Amsterdam. Deze objecten vallen onder het beschermende (indien aangewezen als monument (bv. stolpboerderijen, de forten) of liggend in het beschermd dorpsgezicht) of het bijzondere regieniveau.

50

a.

Stolpen

Regieniveau: beschermend of bijzonder

Kenmerken In de gemeente Beemster staan ruim 350 stolpboerderijen, waarvan er ongeveer 100 zijn aangewezen als rijksmonument. Stolpboerderijen zijn typisch voor Noord-Holland. De pyramidevormige boerderijen werden vanaf de 16e eeuw tot in de 20e eeuw gebouwd. De stolp dankt zijn kenmerkende vorm aan het vierkant (het hooihuis of de ‘tas’) in het midden, met vier stijlen op de hoeken die het pyramidevormige dak dragen. Om de tas heen liggen de stallen en de dors (de ruimte waar de wagens ingereden konden worden en het vee werd binnengevoerd). Het woonhuis is soms als een apart volume tegen de stolp aangeschoven. In bepaalde gevallen is de dorsdeur (grote schuurdeur) aangebracht binnen het volume, waardoor een verhoging in het schuine dak ontstaat. In de gemetselde of houten buitenwanden van de stolp zitten ter plaatse van de dors en de stallen kleine(re) vensters. Het woonhuis heeft soms een topgevel van baksteen, al dan niet in combinatie met hout, die representatief en rijk bewerkt is. Ook is de voorgevel vaak verhoogd en zijn de ingangspartij en de vensters van het woonhuis vaak fraai bewerkt. Het dak is bedekt met dakpannen, al dan niet in combinatie met, niet overhangend, riet. Soms heeft het dak een ‘spiegel’, als ter plaatse van het naar de weg gekeerde dakvlak het riet als decoratieve uitsparing is weggelaten, en is ingevuld met dakpannen.

Ontwikkelingen Indien de stolpboerderij nog een agrarische functie heeft, vinden er veel veranderingen plaats in en om het erf, als gevolg van uitbreiding en schaalvergroting of functieverbreding. Als stolpen hun oorspronkelijke functie verliezen, komen bouwaanvragen voor aanpassing veel voor. Omvorming tot woonhuis is gebruikelijk. Hierbij gaan vaak waardevolle elementen van de boerderij verloren of wordt zelfs het karakter sterk aangetast. Inzet van het beleid is het behoud van de structuur en de hoofdkarakteristieken van het gebouw. Onder de hoofdkarakteristieken wordt in ieder geval verstaan de hoofdvorm, het representatieve verschil tussen het woonhuisgedeelte en de stallen/tas en die elementen die verwijzen naar de agrarische geschiedenis van het bouwwerk, zoals de dorsdeur en stal/deelvensters.

51

CRITERIA VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT Relatie met de omgeving •

•

stolpen zijn door hun kapvorm bepalende elementen in het landschap, behoud of – als sloop onvermijdelijk is - herbouw van de stolp is daarom altijd het uitgangspunt bij ingrepen zie beoordelingskader voor Beemster erf in hst. 6.

Massa en opbouw • • • • • • •

• • • • • • •

de hoofdvorm, één lage begane-grondlaag plus pyramidevormig dak, blijft gehandhaafd bij uitbreiding uitgaan van de maat van de plattegrond van de stolp; deze is karakteristiek en varieert van middelgroot (15 bij 15 meter) tot groot (20 bij 20 meter) behoud van de tegenstelling tussen het open muurwerk en het gesloten massieve dak een ‘pronkgevel’ met verhoogd middendeel alleen op de voorgevel een dakkapel alleen op de achtergevel, deze dient ondergeschikt te zijn opgenomen in het dakvlak en gecentreerd geplaatst te worden op het dak een loggia is alleen op de achtergevel toegestaan dakvensters en zonnecollectoren zijn toegestaan, mits verzonken in het dakvlak en mits de maat in verhouding staat tot het oppervlak van de kap en overige reeds aanwezige elementen daarin geen zonnecollectoren aan voorkant, als een te grote inbreuk op de karakteristiek van het dak zonnecollectoren in het zij- en achterdak verzonken in het dakvlak vlakke dakramen hebben een staande diagonaal en dienen op een rij te worden geplaatst (geen strookramen) kleine raampjes mogen verspreid in de kap liggen de dakhelling is minimaal 45 graden. grote ingrepen zoveel mogelijk concentreren op één punt bijgebouwen in de overgangszone zijn in maatvoering ondergeschikt aan het hoofdvolume

Detaillering, materiaal en kleurgebruik •

bij restauratie/verbouwing dienen materialen zoveel mogelijk aan te sluiten bij de oorspronkelijke materialen (hout, betimmeringen, deuren, ramen, kozijnen, baksteen, voegspecie)

52

•

• •

• •

•

• • • •

het ouder maken van de stolp door het toevoegen van elementen of details die horen bij een voorbije stijlperiode en nooit onderdeel van het gebouw geweest zijn, is ongewenst de vorm van de ramen is bij voorkeur een diepliggend smal vlak met donkergetint glas het toepassen van riet op een dak dat voor de restauratie met pannen was gedekt, is alleen toegestaan als bijvoorbeeld uit foto’s blijkt dat oorspronkelijk ook riet was toegepast (een dakspiegel is gewenst) de voorgevel heeft een rijker karakter dan zij- en achtergevel het hoofdmateriaal van de voorgevel is rode baksteen, met oranje of gele bakstenen voor de details, al dan niet in combinatie met houten delen; andere materialen zijn hieraan ondergeschikt en de dakbedekking bestaat uit dakpannen niet toegestaan zijn: wit/grijze betonsteen/kalkzandsteen, beton, kunststof of aluminium beplating, kunststof kozijnen en deuren, rolluiken, spiegelend glas en vlakke plaatdeuren signaalkleuren zijn niet toegestaan extra aandacht is vereist voor: voordeuren, garagedeuren, tuindeuren, gootbakken, boeiboorden, windveren, dakkapellen, kozijnen, hekwerk een subtiel, maar waarneembaar reliëf in de gevel door middel van neggen, kozijnhout, onderdorpels, gootlijst et cetera, is gewenst raamkozijnen dienen van raamhout te zijn voorzien

53

b. Landbouwschuren/grote agrarische bedrijfsgebouwen op het bedrijfserf Regieniveau: bijzonder

Kenmerken/ontwikkelingen In verband met de schaalvergroting in de agrarische sector zijn de bijgebouwen (stallen/schuren) de afgelopen decennia steeds groter geworden. De uitvoering is over het algemeen simpel en puur functioneel. De grote, veelal gesloten volumes kunnen van grote invloed op het ruimtelijk beeld van de erven zijn. Het hoofdgebouw is niet langer het grootste volume, zichtlijnen over het erf naar het buitengebied kunnen worden dichtgezet en als afschermende beplanting ontbreekt, zijn de stallen/schuren van grote afstand zichtbaar. Het eind van de schaalvergroting is nog niet in zicht.

Criteria voor ruimtelijke kwaliteit Deze criteria gelden ter aanvulling op het beoordelingskader voor het buitengebied (hst. 6) • • • • • •

• • •

plaatsing in zone 3/op het bedrijfserf lengterichting van landbouwschuren/agrarische bedrijfsgebouwen staat haaks op de richting van de weg de terreininrichting maakt onderdeel uit van het architectonische ontwerp samenhang en verwantschap tussen gebouwen zorgen voor een evenwichtige compositie landbouwschuren/agrarische bedrijfsgebouwen hebben een horizontale geleding als gevolg van de lengte-breedte verhouding materiaal en kleur zijn ondergeschikt en hebben een natuurlijke uitstraling: hout, baksteen in aardtinten of donkerkleurig (zwart of donkergroen) golfplaat. Voor het dak golfplaten antraciet of zinkplaten hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan witte en contrasterende en felle kleuren zijn niet toegestaan eventuele zonnepanelen etc. integreren in het ontwerp en in gedekte kleurstelling

54

c. Bruggen en dammen Regieniveau: bijzonder

Kenmerken/ontwikkeling Voor de ontsluiting van de erven zijn van oudsher bruggen en dammen nodig. Voorheen werden veel erven ontsloten door bruggen, de laatste jaren worden steeds meer dammen aangelegd omdat het landbouwmaterieel steeds groter en zwaarder wordt. Bruggen zijn dan ontoereikend. Bruggen hebben een verfijnde uitstraling met een hoge mate van transparantie. Als materialen worden hout en staal toegepast. Dammen bestaan voor het merendeel uit een massief grondlichaam met aan de zijkanten een (eenvoudige) grondkeringsconstructie in de vorm van een damwand. In de dam ligt een duiker voor de doorlaat van het water. Er bestaat een minder grote transparantie tussen het water en de constructie dan bij bruggen. De breedte van bruggen is over het algemeen zo’n 3 meter, terwijl dammen wel 6 meter of breder kunnen zijn. De toename van dammen heeft gevolgen voor de uitstraling van de landelijkheid van de polder. Op zich benadrukt de aanwezigheid van de vele bruggen en dammen op de koppen van de kavels de opzet van de rechthoekige parcellering. Samen met de kaarsrechte (weg)sloten versterken de bruggen en dammen de eigenheid van De Beemster. In het landschap van De Beemster passen echter geen grote massieve damwanden, vaak biedt een combinatie met een aflopend talud een betere oplossing.

Waar brede dammen het beeld gaan overheersen dreigt het patroon van wegen, bermsloten en daar overheen bruggen, te worden aangetast; de sloot lijkt dan over een aantal meters op te houden.

CRITERIA VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT Relatie met de omgeving • bruggen en dammen dienen haaks op de straat te worden geplaatst

Massa en opbouw • • • •

bij restauratie, verbouwing of nieuwbouw dienen het volume en de transparantie zoveel mogelijk aan te sluiten bij de oorspronkelijke situatie de transparantie tussen talud, bovenkant water en onderkant brug dient zo groot mogelijk te zijn bruggen zijn aan beide zijden voorzien van een leuning het totale vlak van de leuning op een brug dient voor 70% transparant te zijn 55

• •

•

gesloten zijwanden aan de zijkant van de brug zijn toegestaan, mits de wanden zijn uitgevoerd in metselwerk het talud naast de sloot dient (onder dezelfde hoek) doorgetrokken te worden tot aan de zijkant van de dam; de zijkant van een dam dient haaks te staan op het grondlichaam naast de sloot de doorstroomopening van een dam heeft een inwendige diameter van tenminste 1.0 m en ligt tenminste voor de helft boven de waterspiegel

Detaillering, materiaal en kleurgebruik • •

•

• • • •

bij restauratie, verbouwing of nieuwbouw dienen materialen zoveel mogelijk aan te sluiten bij de oorspronkelijke materialen alle materialen mogen worden gebruikt, in geval van een brug met uitzondering van onbehandeld beton; de brug mag niet het karakter hebben van een dam met ongedetailleerde standaard betonplaten (over een sloot) het materiaal voor de brug bestaat uit staal of hout voor de leuningen en/of metselwerk, staal voor (eventuele) hekwerken en hout voor de plankdelen van de brug het materiaal voor de dam bestaat uit een metselwerk of een houten damwand of beschoeiing voor de zijkanten de bovenzijde van een dam mag bestaan uit een talud er dienen donkere kleuren te worden toegepast de toepassing van betonnen rioolbuizen is toegestaan, mits de buis aan beide uiteinden niet uitsteekt

56

d. Forten Regieniveau: beschermd

Kenmerken De Stelling van Amsterdam is een militair verdedigingswerk dat tussen 1870 en 1935 is aangelegd ter bescherming van Amsterdam. De verdedigingsring is 135 km lang en bestaat uit een samenhangend systeem van 42 forten, dijken, inundatievelden, schootsvelden en waterwerken. In De Beemster liggen vijf forten van de Stelling; Fort Spijkerboor, Fort Jisperweg, Fort Middenweg, Fort Nekkerweg en Fort Benoorden Purmerend. De forten zijn aangewezen als provinciaal monument en als Unesco werelderfgoed. De hoofdverdedigingslijn wordt gevormd door de boezemkade langs de ringvaart en door de onderdelen van het wegenpatroon van De Beemster. De forten zijn markante elementen in het open landschap. De samenhang tussen fort en landschap, evenals de cultuurhistorisch waardevolle opbouw van gracht, omwalling en gebouw zijn waardevol. Vier forten liggen aan de voet van de ringdijk, in een oksel van wegen en zijn vanaf deze uitkijktribune langs het Noord-Hollands kanaal goed zichtbaar. Het fort aan de Nekkerweg kent een afwijkende ligging in de kruising van twee polderwegen (in verband met het doel voor voedselproductie het tuinbouwgebied in Zuidoost Beemster niet te inunderen). De forten zien uit op de hooggelegen ringdijk en het open agrarische landschap. Vanuit het open land werden de forten zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken.

De oriëntatie is gericht op de te verdedigen accessen en op het open landschap voor het fort. Aan de zijde van de ringdijk staat opgaand groen. De forten worden omringd door een gracht en hebben aarden wallen waar het hoofdgebouw gedeeltelijk in ligt. Het fort bestaat in de regel uit een uit grindbeton opgetrokken bomvrij hoofdgebouw dat gedeeltelijk in de aarden wallen is verzonken. De gebouwen zijn opgebouwd uit natuursteen, baksteen of beton en hebben meestal houten luiken.

Ontwikkelingen en beleid Volgens het Beeldkwaliteitplan voor de Stelling van de Provincie Noord-Holland moet bij nieuwe ontwikkelingen het cultuurlandschap van De Beemster het belangrijkste aanknopingspunt vormen; het patroon van de Stelling is daaraan onderschikt. Als kans wordt aangegeven de verdedigingslinie beter herkenbaar te maken.

57

Cruciaal volgens het Beeldkwaliteitplan: • •

open ruimte van de schootsvelden maximaal herkenbaar maken door handhaven agrarisch gebruik in de hele stellingzone contrast binnen-buiten

CRITERIA VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT Relatie met omgeving • • • • • • • •

verschil voor – en achterkant van het fort benadrukken, bij nieuwe ingrepen ontsluiting aan de achterzijde van het fort handhaven oriëntatie op en ligging in het landschap handhaven en waar mogelijk versterken zicht vanuit het fort op de te verdedigen weg en de droogmakerij behouden. aarden wallen niet doorbreken, geen bebouwing voor plaatsen gracht handhaven met een enkele toegangsbrug, geen bebouwing onmiddellijk buiten de gracht schootsveld waar aanwezig open houden bij toevoegen van gebouwen ordening van hoofdgebouw met een of enkele bijgebouwen respecteren

Massa en opbouw • • •

handhaven verzonken ligging van de gebouwen achter of in de aarden wallen contrast tussen open en gesloten zijde van de gebouwen handhaven handhaven symmetrie in gevelindeling en repetitie van luiken met ramen en deuren moet gewaarborgd blijven.

Detaillering, materiaal en kleurgebruik • • • • • •

wijzigingen en toevoegingen in stijl, maat en schaal zorgvuldig afstemmen op het hoofdvolume bij wijzigingen karakteristieke detaillering behouden zowel van hoofd- als bijgebouwen gevels van het hoofdgebouw zijn van grindbeton of van baksteen in een donkere kleur handhaven luiken, deuren en kozijnen in hout of staal, geschilderd in donkere kleuren nieuwbouw uitvoeren in robuuste, stoere materialen, maar afwijkend van de historische gebouwen kleur zichtbaar vanuit het landschap, daarbij aansluitend (fort plus beplanting onopvallend in het landschap)

58

e. Bouwwerken bij paardenhouderijen regieniveau: bijzonder

Kenmerken en ontwikkelingen Een van de kenmerkende ontwikkelingen in De Beemster is de toename aan recreatie met paarden en de daarmee gepaard gaande functieverandering van agrarische erven naar paardenhouderij. De ‘Ontwikkelingsvisie Des Beemsters’ adviseert aandacht te schenken aan het inpassen van de paardenhouderijen in het Beemster landschap. Paardenhouderijen kennen een grote diversiteit in verschijningsvormen, variërend van commerciële paardenhouderijen (zoals fokkerijen, commerciële maneges) tot gebruiksgerichte (hobby)paardenhouders. Voor het houden van paarden zijn behalve stallen en rijhallen vaak vele andere bouwwerken (geen gebouw zijnde) nodig als paddocks, rij- of paardenbakken, stapmolens en schuilstallen. In de ‘Beleidsaanbevelingen ten aanzien van kernwaarden erven en landschappelijke inpassing paardenhouderij’, opgesteld door Landschap Noord-Holland, wordt een aantal aanbevelingen gedaan voor de inpassing van paardenhouderijen in het landschap. De aanbevelingen zijn uitgewerkt in het gemeentelijke handboek voor inrichting van een erf bij paardenhouderijen en bijbehorende bebouwing etc. Dit heeft inmiddels zijn vertaling gekregen in het Bestemmingsplan Buitengebied. Het gemeentelijke handboek voor inrichting van een erf bij paardenhouderijen en bijbehorende bebouwing etc. is leidend bij het ontwerpen en beoordelen van plannen.

Criteria voor ruimtelijke kwaliteit Relatie met omgeving •

Zie beoordelingskader voor Beemster erf in hst. 6.

Massa en opbouw • •

Plaatsing paardenbakken in de lengterichting van het kavel Ophogingen ten behoeve van paardenbakken voorzien van een geleidelijk talud

Detaillering, materiaal en kleurgebruik •

Omheining, hekwerken en afrasteringen paardenbakken maximaal 1,5 meter hoog en landschappelijk ingepast; dat wil zeggen opengewerkt, van hout en in een donkere, gedekte kleurstelling en bij voorkeur omgeven door streekeigen beplanting

59

•

Beperkte plaatsing van lichtmasten is mogelijk, bij voorkeur meerdere zwakke lichtbronnen direct geplaatst rond de te verlichten locatie, maximaal 5 meter hoog en in een donkere gedekte kleurstelling

60

Deel 3 BEOORDELINGSKADERS LICHTE REGIE (NB dit deel wordt nog voorzien van foto’s)

61

Toelichting bij Deel 3 Dit deel van de Omgevingsnota bevat de beoordelingskaders voor de binnengebieden, het weefsel van de woon- en werkgebieden achter de randen op de grens van bebouwde kom en buitengebied. Deze binnengebieden zijn van secundair belang zijn voor de uitzonderlijke kwaliteiten van De Beemster. De gemeente zal zich hier terughoudend opstellen. Ruimtelijke kwaliteit heeft in deze gebieden veel minder ‘collectieve’ betekenis, het is hier vooral aan de bewoners en ondernemers om hun leefomgeving vorm te geven zoals zij dat willen. In dit deel zijn ook beoordelingskaders voor een aantal veel voorkomende kleine bouwwerken opgenomen. Deze vallen in principe ook onder lichte regie (voor zover er überhaupt nog sprake van regie kan zijn, want in veel gevallen zal er vergunningvrij kunnen worden gebouwd). In gebieden met bijzondere of beschermende regie kan het betreffende regieniveau uiteraard ook op de veel voorkomende bouwwerken van toepassing zijn, namelijk in gevallen waar dit van grote betekenis is voor de ruimtelijke kwaliteit.

62

11. Binnengebied - Dorpsuitbreidingen Regieniveau: licht

Gebieden Het gebiedstype Binnengebied - dorpsuitbreidingen bestaat uit de woonwijken die grotendeels in de periode na 1945 zijn gebouwd, enkele zijn eerder tot stand gekomen. De meeste liggen in Middenbeemster. In totaal gaat het om de volgende gebieden: Leeghwaterstraat e.o., Middenbeemster Oost, Middenbeemster West, Middenbeemster Westerhem, Woon-werkgebouwen Breidablick, Wouter Sluislaan/Jacobus Boumanlaan, dorpsuitbreiding Zuidoostbeemster, dorpsuitbreiding Westbeemster.

Kenmerken Structuur De dorpsuitbreidingen voegen zich op hoofdlijnen in de historische verkavelings- en waterstructuur van De Beemster als geheel; bestaande waterlopen zijn als grens genomen of binnen het plan gebruikt. De buurten zijn globaal gerealiseerd tussen 1900 en heden. Vroege uitbreidingen volgen het principe van lintbebouwing, latere zijn opgedeeld in rechthoekige clusters. Binnen elk cluster ligt een aantal woonstraten, hier en daar aangevuld met een plein. Er is bijna altijd sprake van strakke, doorlopende rooilijnen. Rond voortuinen staan vaak lage haagjes of hekken. Het gebied Leeghwaterstraat e.o. bestaat uit series geschakelde woningen in een strakke rooilijn. Qua maat en schaal sluit het gebied aan op de dorpskern, waar het ook aan grenst. De ruimtelijke structuur van het gebied Wouter Sluislaan e.o bestaat uit de parallelle korte, lijnen van de Wouter Sluislaan en de Jacobus Boumanlaan, met een loodrecht daarop staand verkavelings patroon. De bebouwing bestaat uit vrijstaande woonhuizen op enige afstand van de weg, in een nauwelijks verspringende rooilijnen. Uitzondering op de strakke, geometrische structuur is de dorpsuitbreiding Breidablick met zijn antroposofische stedenbouw en architectuur. Het gebied heeft een parkachtig karakter door de slingerende paden en groene ruimtes tussen de bebouwing en de tuinen en grasvelden aan de zuidzijde.

De rooilijnen hebben hier een niet-continu verloop. Het zorgcentrum Middelwijck aan het Prinses Beatrixpark, ten zuiden van de Rijperweg, voegt zich wat betreft situering grotendeels in de kavelstructuur van De Beemster. Qua schaal passen de forse bouwmassa’s echter niet in het geheel van de polderbebouwing. 63

Bebouwing De bebouwing in de dorpsuitbreidingen varieert; er staan rijwoningen, twee-onder- éénkapwoningen, galerijwoningen, seniorenwoningen, series woonhuizen en vrijstaande woningen. Panden in series overheersen; er zijn series van 2, 4 of meer panden die samen een rijtje vormen. Rijtjes hebben de nok evenwijdig aan de straat. De woningen hebben hun ingang aan de straatkant. Individuele woonhuizen staan meestal vrij in een tuin met de nok haaks op de weg. De kapvorm kan variëren. Soms liggen blinde kopgevels in verlengde van een straat. De architectuur is sober van karakter. Uitzondering is Breidablick. Hier hangen de ruimtelijke structuur en de sobere, maar consistente architectuur zeer nauw met elkaar samen. Door de sculpturale vorm van de vrij grote gebouwen en de plaatsing dicht op elkaar ontstaat in de binnentuin een besloten karakter. In het gebied Wouter Sluislaan bestaat de bebouwing, voornamelijk uit de jaren ’60 van de vorige eeuw, uit vrijstaande woningen en (enkele) geschakelde huizen. Platte daken komen niet voor en de overheersende kapvorm is het zadeldak. In het gebied staat één grootschaliger gebouw, een basisschool. Detaillering, materiaal en kleur De bebouwing is sober van karakter, zowel in vorm, kleur als materiaalgebruik. Vaak is een eenvoudige standaarddetaillering toegepast. Het materiaal bestaat hoofdzakelijk uit baksteen, hout, en gebakken pannen.

Meer recentelijk zijn ook materialen als kunststof en trespa gebruikt. Sommige rijwoningen en twee-onder-één-kapwoningen zijn (voor een deel) voorzien van houten gevelbekleding. In Breidablick zijn vooral natuurlijke materialen gebruikt. Bij de seriematige bebouwing rond de Leeghwaterstraat zijn baksteen en hout toegepast, met details in contrasterend metselwerk.

CRITERIA VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT Relatie met de omgeving • •

strakke rooilijnen worden gehandhaafd rijwoningen zijn met de entreezijde op de straat gericht, vrijstaande woningen naar de straat of het erf 64

• • •

Leeghwaterstraat: een gebouw dat deel uitmaakt van een serie voegt zich naar de structuur als geheel. Wouter Sluislaan: de hoofdrichting van de bebouwing loopt evenwijdig aan de perceelsrichting Wouter Sluislaan: de voorgevel van het pand is georiënteerd op de straat en ligt daaraan evenwijdig.

Massa en opbouw van het gebouw • • • •

geen gesloten gevels /kopgevels aan de openbare ruimte dakopbouwen volgen een trendsetter Wouter Sluislaan: platte daken zijn voor het hoofdgebouw niet toegestaan Wouter Sluislaan: een wolfseind is niet toegestaan bij het hoofdgebouw

Detaillering, materiaal en kleur • •

bij verbouw worden de voor de wijk kenmerkende materialen toegepast (meestal metselwerk, hout en gebakken pannen) bij bouwinitiatieven in de Leeghwaterstraat e.o. detaillering, materiaal en kleur aanpassen aan de serie als geheel.

65

12. Binnengebieden – bedrijventerrein Regieniveau: licht

Gebied Het bedrijventerrein ligt aan de uiterste westzijde van Middenbeemster.

Kenmerken Structuur De structuur van het bedrijventerrein wordt bepaald door een centrale ontsluitingsweg: de Insulindeweg/Bamestraweg, met daaraan drie carrévormige lussen gekoppeld. Aan de wegen staan bedrijfshallen van verschillende grootte, in enigszins verspringende rooilijnen. Het gebied heeft harde overgangen in maat, schaal, materiaal en kleur naar de omringende gebieden, zoals Breidablick en het landelijke gebied. Bebouwing Zoals gebruikelijk bij bedrijventerreinen bestaat de bebouwing merendeels uit losstaande grootschalige gebouwen die vrij op een kavel staan. De entreezijde van het gebouw is op de weg gericht. De gebouwen hebben een eenvoudig karakter. Het betreft voornamelijk hallen die zowel op zichzelf staan als in een geschakelde vorm met andere hallen voorkomen. Onderling bestaan grote verschillen tussen de gebouwen in omvang, hoogte en gebruikt materiaal. In het zuidelijke deel is de verbijzonderde positie van kantoren en ontvangstruimten bij de hallen opvallend. Detaillering, materiaal en kleur Het materiaalgebruik is overwegend eenvoudig: plaatmateriaal, golfplaat en metselwerk. Er is een breed palet aan kleuren toegepast, onder andere geel, rood, blauw, maar ook wit en groen.

CRITERIA RUIMTELIJKE KWALITEIT Relatie met de omgeving • •

de publieke of representatieve functies zijn gericht op de openbare ruimte. de vormgeving van de voorgevel moet bijdragen aan de kwaliteit van het gebied tussen gebouw en straat: “de voortuin “ 66

Massa en opbouw van het gebouw • •

de representatieve ruimten dienen een verzelfstandigde positie te hebben de gevelwanden grenzend aan de openbare ruimte dienen voor ten minste 10 % transparant te zijn

Detaillering, materiaal en kleur • •

reclame is ondergeschikt aan de hoofdvorm en is bevestigd tegen de gevel dan wel vrijstaand nabij de hoofdentree voor grote gevelvlakken dienen gedekte kleuren gebruikt te worden

67

13 Objecten In deze paragraaf zijn de beoordelingskaders opgenomen voor een aantal veel voorkomende kleine objecten. Deze kaders gelden ter aanvulling op de alle gebiedsgerichte beoordelingskaders. Het regieniveau is bij deze kleine ingrepen afhankelijk van het gebied waar het plaatsvindt. De kleine bouwwerken zijn vaak vergunningvrij en worden in dat geval niet preventief beoordeeld. Wel kan de gemeente achteraf ingrijpen als er sprake is van ernstige strijd met redelijk eisen van welstand. Daarom wordt aanbevolen ook bij deze bouwwerken kennis te nemen van de kleine plannen criteria. Vergunningvrije bouwwerken die voldoen aan de kleine plannen criteria zijn uiteraard nooit excessief. In het verlengde van de systematiek van het ‘Besluit omgevingsrecht’ wordt bij de criteria voor kleine plannen onderscheid gemaakt in voor- en achterkanten van een bouwwerk. Voorkant Onder voorkant wordt ten eerste verstaan het voorerf, de voorgevel en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw en ten tweede het zijerf, een zijgevel en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw op minder dan 1 m afstand van de voorgevel of voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied.

Achterkant Onder achterkant wordt ten eerste verstaan het achtererf, de achtergevel en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw en ten tweede het zijerf, een zijgevel en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw op meer dan 1 m van de voorgevel van het hoofdgebouw en voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied. Het begrip 'weg' wordt nader verklaard in de Wegenverkeerswet. Bij het begrip ‘openbaar toegankelijk gebied’ moet worden uitgegaan van wat daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. Uitzondering zijn achterpaden. (Afbeelding toevoegen)

68

a. Aanbouwen Regieniveau: afhankelijk van het gebied

Beschrijving en uitgangspunten Een aanbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een bestaande woning of een bestaand woongebouw die strekt tot het vergroten van het woongenot. Een aanbouw voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande criteria voor ruimtelijke kwaliteit wordt voldaan, waarbij kleine afwijkingen denkbaar zijn om herhalingsplannen mogelijk te maken. Aanbouwen die gelijk zijn aan een gemeentelijk standaardplan voldoen in ieder geval aan redelijk eisen van welstand. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan, dan wordt ook gebruik gemaakt van gebieds-, object- en eventuele andere criteria.

CRITERIA VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT • aan een voorkant gelijk uitvoeren aan een eventueel standaardplan voor een gelijke woning in het betreffende bouwblok of de betreffende straat • de aanbouw voldoet aan de eventuele aanvullende criteria voor aanbouwen in het gebiedsgerichte beoordelingskader • gebouwd aan de oorspronkelijke gevel (dus geen aanbouw aan een bijgebouw) • aanbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume • breedte aan een zij- en achtergevel hoogstens de breedte van de oorspronkelijke gevel met uitzondering van hoekaanbouwen en aan een voorgevel hoogstens 75% van de breedte van de oorspronkelijke gevel • diepte aan een voorgevel hoogstens 1,50 m diep • plaatsing minstens 1,00 m van het openbaar toegankelijk gebied of een ander erf of rand (eventueel op de grens met een achterpad) • rechthoekige of eenvoudige hoofdvorm • aan een voorgevel vormgeven als een erker met open karakter door een lage gemetselde opbouw met kozijnen • gevelgeleding en kapvorm afstemmen op het hoofdgebouw • materialen- en kleuren aan een voorkant afstemmen op het hoofdgebouw

69

b. Bijgebouwen Regieniveau: afhankelijk van het gebied

Beschrijving en uitgangspunten Een bijgebouw is een grondgebonden gebouw van één bouwlaag. Het bijgebouw staat los op het erf van het hoofdgebouw en is meestal bedoeld als schuur, tuinhuis of garage. Een bijgebouw voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als aan onderstaande criteria wordt voldaan, waarbij kleine afwijkingen denkbaar zijn om herhalingsplannen mogelijk te maken. Bijgebouwen die gelijk zijn aan een gemeentelijk standaardplan voldoen in ieder geval aan redelijk eisen van welstand. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan, dan wordt ook gebruik gemaakt van gebiedsgerichte criteria.

CRITERIA VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT • • • • • • •

aan een voorkant gelijk uitvoeren aan het standaardplan voor een gelijke woning in het betreffende bouwblok of de betreffende straat het bijgebouw voldoet aan de eventuele aanvullende criteria voor bijgebouwen in het gebiedsgerichte beoordelingskader aan een voorkant duidelijk rechthoekig en geen opvallende details vorm en richting dak afstemmen op hoofdgebouw of anders plat afdekken materiaal gevels in beginsel afstemmen op het hoofdgebouw of uitvoeren in metselwerk of hout kleur afstemmen op het hoofdgebouw of uitvoeren in donkere kleurtinten materiaal en kleur kap afstemmen op het hoofdgebouw, of uitvoeren in betonnen dakpannen, keramische pannen, hout of riet

70

c. Dakkapellen Regieniveau: afhankelijk van het gebied

Beschrijving en uitgangspunten Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Een dakkapel voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als aan onderstaande criteria wordt voldaan, waarbij kleine afwijkingen denkbaar zijn om herhalingsplannen mogelijk te maken. Dakkapellen die gelijk zijn aan een gemeentelijk standaardplan voldoen in ieder geval aan redelijk eisen van welstand. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan, dan wordt ook gebruik gemaakt van gebieds-, object- en eventuele andere criteria.

CRITERIA VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT • • • • • • • • • • •

aan een voorkant gelijk uitvoeren aan een eventueel standaardplan voor een gelijke woning in het betreffende bouwblok of de betreffende straat de dakkapel voldoet aan de eventuele aanvullende criteria voor dakkapellen in het gebieds- of objectgerichte beoordelingskader op een woning op minstens 1,00 m achter de voorgevellijn meerdere dakkapellen regelmatig rangschikken op een horizontale lijn (niet boven elkaar) met een minimale tussenruimte van 0,50 m minstens 0,50 m en hoogstens 1,00 m boven de dakvoet minstens 0,50 m onder de daknok minstens 0,50 m van de zijkanten van het dakvlak, of van de hoekkepers (in geval van piramide- of schilddak) hoogte op het voordakvlak maximaal 1,50 m breedte aan een voorkant hoogstens 50% van de breedte van het betreffende dakvlak boeiboord aan de voorzijde hoogstens 0,30 m materiaal, kleur en detaillering afstemmen op het hoofdgebouw

71

d. Dakramen, panelen en collectoren Regieniveau: afhankelijk van het gebied

Beschrijving en uitgangspunten Dakramen, zonnepanelen en zonnecollectoren zijn toevoegingen aan een dakvlak, die in het straatbeeld niet snel zullen storen en die mede daarom in veel gevallen vergunningvrij zijn. De kleine plannen criteria voor dakramen, panelen en collectoren gelden met name bij beschermde monumenten. In de overige gevallen zijn de kleine plannen criteria vooral richtinggevend, omdat de mogelijkheden om dakramen vergunningvrij aan te brengen zeer ruim zijn. Een dakraam, paneel of collector voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande criteria wordt voldaan, waarbij kleine afwijkingen denkbaar zijn om herhalingsplannen mogelijk te maken. Dakramen, panelen en collectoren die gelijk zijn aan een gemeentelijk standaardplan voldoen in ieder geval aan redelijk eisen van welstand. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan, dan wordt ook gebruik gemaakt van gebieds- object- en eventuele andere criteria

CRITERIA VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT •

• • • • • • • •

het dakraam, paneel of de collector voldoet aan de eventuele aanvullende criteria voor dakramen, panelen en collectoren in het gebieds- of objectgerichte beoordelingskader breedte aan een voorkant: niet meer dan 50% van de breedte van het betreffende dakvlak (midden bouwmuur tot midden bouwmuur) aan een voorkant hoogstens 50% van het dakoppervlak gebruiken voor dakkapellen, dakramen en dergelijke meerdere dakramen, panelen of collectoren regelmatig rangschikken op een horizontale lijn panelen en collectoren aan de voorzijde op minstens 0,5 m vanaf dakvoet, daknok en zijkanten van het dakvlak plaatsen dakramen in hellende daken vlak aanbrengen (zelfde hoek als dakvlak) rechthoekig van vorm verzonken in het dakvlak materiaal, kleur en detaillering afstemmen op het hoofdgebouw

72

e. Erfafscheidingen Regieniveau: afhankelijk van het gebied

Beschrijving en uitgangspunten Een erfafscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Erfafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen. Een erfafscheiding voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande criteria wordt voldaan, waarbij kleine afwijkingen denkbaar zijn om herhalingsplannen mogelijk te maken. Erfafscheidingen die gelijk zijn aan een gemeentelijk standaardplan voldoen in ieder geval aan redelijk eisen van welstand. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan, dan wordt ook gebruik gemaakt van gebieds- object- en eventuele andere criteria.

CRITERIA VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT • • • •

• •

aan een voorkant gelijk uitvoeren aan een eventueel standaardplan voor een gelijke woning in het betreffende bouwblok of de betreffende straat de erfafscheiding voldoet aan de eventuele aanvullende criteria voor erfafscheidingen in het gebieds- of objectgerichte beoordelingskader aan een voorkant maximaal 1,00 m en aan een achterkant maximaal 2,00 m hoogte materiaal overeenkomstig een eventuele aangrenzende erfafscheiding, overeenkomstig het hoofdgebouw of uitvoeren in metselwerk, hout of ander natuurlijk en niet snel verwerend materiaal geen toepassing van beton, kunststof, staalplaten geen opvallend kleurgebruik

73

f. Reclame-uitingen Regieniveau: afhankelijk van het gebied

Kenmerken Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclames op borden, lichtreclames en spandoeken of vlaggen vormen een belangrijk en beeldbepalend element van de openbare ruimte. In gebieden met commerciële functies zijn reclames op zijn plaats en verhogen ze de visuele aantrekkingskracht van de omgeving, hoewel daar een kritische grens aan verbonden is. In andere gebieden is (bepaalde) reclame ongewenst. In het buitengebied bij de agrarische bedrijven ontstaan steeds meer commerciële nevenfuncties en is het aanbrengen van reclame-uitingen op het erf steeds gebruikelijker. In het hoofdstuk buitengebied zijn daarom specifieke criteria voor reclame-uitingen opgenomen. Onderstaande criteria gelden voor alle overige gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://beemsterraadsinformatie.purmerend.nl/api/v1/meetings/1272/documents/18726