CConstaterende datBeemster
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota omgevingskwaliteit Purmerend juli 2021.pdf

Gemeenteraad 22 september 2021, gemeente BeemsterBij agendapunt: 4b: Voorstel tot het vaststellen van de Nota omgevingskwaliteit (harmonisatie).26.208 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

1 alinea's met “gecombineerde”: 372

het bouwwerk voldoet aan de richtlijnen voor kleine bouwwerken zoals opgenomen in deze nota. Als er voor een bepaald type bouwplan geen richtlijnen zijn opgenomen zal het bouwplan door de gemeentelijke previsor en/of adviescommissie worden beoordeeld op basis van de algemene richtlijnen in combinatie met de gebiedsgerichte uitwerkingen.

66 

A. BIJBEHORENDE ERFBEBOUWING Met ‘bijbehorend erfbebouwing’ wordt bedoeld een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Bijvoorbeeld aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken met een dak. Zonder hoofdgebouw kan er op het perceel geen sprake zijn van bijbehorende erfbebouwing. Er is onderscheid gemaakt in: Aangebouwd bouwwerk: Een toevoeging aan de begane grondgevel van een gebouw, zoals een aan- of uitbouw, erker, garage e.d. Losstaand bouwwerk: Een bouwwerk met (af)dak dat los van het hoofdgebouw op het erf staat zoals een schuur, tuinhuis, carport, dierenverblijf, planten- of groentenkas, e.d. Richtlijnen Deze richtlijnen komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen • Het bouwwerk is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. • Bij een aangebouwd bouwwerk is geen andere aan- of uitbouw in hetzelfde gevelvlak aanwezig. vormgeving • Hoofdvorm bestaat uit één bouwlaag. • Plat afgedekt, tenzij er sprake is van een serre die voorzien is van een licht hellende glaskap. Losse bijgebouwen kunnen voorzien zijn van kap in gelijke vorm en verhouding als de kap van het hoofdgebouw.

• Het bouwwerk sluit aan op de architectuur van het hoofdgebouw en de directe omgeving. • Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden boeiboord, overstek en ornamenten e.d. • Hoogte boeiboord afgestemd op maat en detaillering van het hoofdgebouw en maximaal 0.30 m. • Bij een aangebouwd bouwwerk zijn profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van het hoofdgebouw. materiaal en kleur • Materiaal en kleurgebruik bij een aangebouwd bouwwerk gevels gelijk aan of passend bij het hoofdgebouw of in hout c.q. hout gelijkend in een ondergeschikte gedekte kleur. • Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren. • Geen betonplaten, vlakke kunststofplaten of (geprofileerd) plaatmateriaal zoals damwandprofielen en golfplaat.

 67

B. DAKKAPELLEN Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap van een gebouw, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar oppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn in het algemeen een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak. Desondanks zijn dakkapellen, als ze zichtbaar zijn, voor het straatbeeld zeer bepalend. Richtlijnen Deze richtlijnen komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen • De dakkapel is in hoofdzaak gelijkvormig aan eerder met vergunning geplaatste dakkapel(len) op het betreffende dakvlak (trendsetter). • Dakkapel is ondergeschikt aan het hoofdgebouw en gaat niet ten koste van de karakteristiek van de kapvorm. • Geen dakkapel op dak met hellingshoek < 25°. • Geen dakkapel op dakvlakken van bijbehorende bouwwerken (aan- of bijgebouw) die gericht zijn naar de openbare ruimte. plaatsing • Bij meerdere dakkapellen op één doorgaand dakvlak is de hoofdvorm en maatvoering op elkaar afgestemd en zijn ze regelmatig gerangschikt op één horizontale lijn. • In gebieden met een optimaal of gebalanceerd regie-niveau geen dakkapellen boven elkaar op hetzelfde dakvlak. • Minimaal 0.50 m. dakvlak of twee dakpannen onder de dakkapel.

• Tenzij er sprake is van twee aaneengesloten dakkapellen is de afstand vanaf het hart van de gemeenschappelijke bouwmuur minimaal 0.50 m., gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel. • Afstand vanaf de buitenkant van de kopgevel of de hoek- of kilkeper is minimaal 0.75 m., gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel. • Op een mansardedak is de dakkapel geplaatst in het onderste deel van het dakvlak, met de bovenkant gelijnd aan de knik in het dakvlak.

68 

maatvoering • Hoogte van dakkapel op het voordakvlak maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.75 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boei-boord of daktrim. • Breedte van dakkapel op het voordakvlak in totaal maximaal 50% van de breedte van het dakvlak, gemeten tussen het midden van de woningscheidende bouwmuren of eindgevels en aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel). • Dakkapellen aan de voorzijde in het historische binnenstad beslaan maximaal 25% van het dakvlak en zijn ondergeschikt toegevoegd aan de hoofdmassa. • Hoogte boeiboord afgestemd op maat en detaillering van het hoofdgebouw en; o bij een dakkapel met een hoogte tot 1.20 m. maximaal 0.20 m. of; o bij een dakkapel met een hoogte tussen 1.20 m. tot 1.75 m. maximaal 0.30 m. vormgeving • Bij voorkeur plat afgedekt. • Profielen van kozijnen zijn gelijk aan die van de ge-velramen en kozijnen van hoofdgebouw (bij toepassing van kunststof een zogenaamd verdiept profiel toepassen met rechte lassen). • Geen overmaat aan detailleringen, dus max. 0.15 m. overstek en bescheiden ornamenten. materiaal en kleur • Materiaal en kleurgebruik is afgestemd op het hoofdgebouw.

• Beperkte toepassing van dichte panelen in het voorvlak van de dakkapel, eventueel alleen in ondergeschikte mate tussen de glasvlakken. • Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.

 69

C. DAKOPBOUWEN Onder een dakopbouw wordt verstaan het plaatsen van een verdieping op een pand, waarbij een niet eerder bestaande ruimte wordt gecreëerd of een bestaande ruimte wordt vergroot. Het gaat dus om een nieuwe verdieping (optoppen) of om een uitbreiding van een kap door een doorgetrokken gevel of een nokverhoging. Een dakopbouw kan grote gevolgen hebben voor de hoofdvorm en het profiel van het gebouw en kunnen leiden tot een onevenwichtig aanzicht. Richtlijnen Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen • Een dakopbouw gaat qua vormgeving een (harmonische) relatie aan met de bestaande dakvorm of dakvormen van de naastgelegen panden. • Dakopbouw bestaat maximaal uit één verdieping. • Op een dakopbouw is geen dakkapel of dakopbouw toegestaan. • Bij dakopbouwen op een doorgaand dakvlak staan deze regelmatig gerangschikt op een horizontale lijn. • De vormgeving, indeling, materialisatie en het kleurgebruik van een dakopbouw zijn in principe overeenkomstig de karakteristiek van het hoofdgebouw. Afwijkingen hiervan, bijvoorbeeld gemotiveerd vanuit het principe van "onderschikking", zijn bespreekbaar. dakopbouw door doorgetrokken gevel • De dakopbouw bevindt zich aan de achterzijde (tuinzijde) over de volle breedte van de woning.

• De dakopbouw vormt een verlengde van het oorspronkelijke achtergevelvlak. De oorspronkelijke goot- en daklijsten zijn daarbij vervallen. • De hoogte van de dakopbouw is gelijk aan de verdiepingsvloer bij een asymmetrische kap of in ieder geval lager dan de nok. • De dakopbouw is plat afgedekt. • De indeling en materialisering van de dakopbouw zijn overeenkomstig met het hoofdgebouw. • De zijwanden van de dakopbouw zijn gesloten en belemmeren het realiseren van een vergelijkbare dakopbouw bij de belendingen niet.

70 

dakopbouw vanuit de nok (nokverhoging) • Een dakopbouw uit de nok is in principe niet toegestaan tenzij een andere uitbreiding van de kapverdieping niet mogelijk is. • De nokverhoging vindt plaats door het verlengen van het voordakvlak, waardoor de nok naar achter verschuift. In sommige buurten is het mogelijk de nok in zijn geheel te verhogen met aan weerszijden een kozijnvlak. Dit is uitsluitend mogelijk bij buurten waar deze trend met dergelijke nokverhogingen reeds is ingezet. • Bij tussenpanden is de nokverhoging over de volle breedte van de woning gesitueerd. • De nokverhoging sluit met de onderzijde en de nok aan op een eventuele aangrenzende nokverhoging. • De hellingshoek van de opbouw is gelijk aan bestaande hellingshoek van het dakvlak. • Bovenkant kozijn ligt niet hoger dan de bestaande nok. • De nokverhoging heeft dichte zijwanden. • Bijzondere aandacht voor het aanhelen van het metselwerk bij hoekpanden. dakopbouw op een plat dak • De voorzijde van de dakopbouw is teruggelegen van de gevels geplaatst, tenzij: o er sprake is van een opbouw in de vorm van een kap en de opbouw direct achter de voorgevel is gesitueerd, of; o de opbouw naadloos aansluit op de voorgevel en er bijzondere aandacht is voor de vormgeving, detaillering en materialisatie van de overgang tussen bestaande gevel en dakopbouw. De oorspronkelijke goot- en daklijsten zijn vervallen.

• Bij een opbouw in de vorm van een kap is de vorm en nokrichting van de (naastgelegen) bebouwing richtinggevend. • Een dakopbouw is bij voorkeur plat afgedekt. Afwijking is gemotiveerd mogelijk. • De zijwanden van de dakopbouw zijn gesloten en belemmeren het realiseren van een vergelijkbare dakopbouw bij de belendingen niet.

 71

D. KOZIJN- EN GEVELWIJZIGINGEN Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het toevoegen, vergroten of verplaatsen van een kozijn, kozijn-invulling, luik of gevelpaneel. Dit kan zowel plaatsvinden bij een hoofdgebouw als bij een bijbehorend bouwwerk. Het vervangen van bestaande kozijnen door hetzelfde type kozijnen (met gelijkwaardige indeling, aard en uitstraling) valt onder het normale onderhoud en is daarmee vergunningvrij. Dat geldt ook indien houten kozijnen worden vervangen door kunststof kozijnen met een gelijkwaardige (houtachtige) uitstraling. Richtlijnen Deze richtlijnen komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen • Samenhang en ritmiek van het gebouw en/of de straatwand worden niet verstoord. plaatsing • Een nieuwe of het vergroten van een bestaande gevelopening in lijn met de bestaande geleding en indeling van de gehele gevel. • Plaatsing binnen gevelvlak. Geen uitstekende onderdelen, met uitzondering van raamdorpelstenen (vensterbank). • In voorgevel binnen bestaande gevelopeningen indien er (nog) samenhang en ritmiek aanwezig is in het straatbeeld. In zij- en achtergevel zijn nieuwe gevelopeningen mogelijk.

• In voorgevel is verkleinen van kozijn mogelijk door opmetselen van de borstwering, dan wel het aanpassen van de kozijnindeling met een gesloten paneel, waardoor de onderdorpel van het kozijn wordt verhoogd. Bijvoorbeeld bij verplaatsing van keuken naar voorzijde woning. Uitgangspunt is dat overige in lijn blijft met bestaande geleding, materialisatie en indeling van de gehele gevel. maatvoering • Diepte van de negge gelijk aan de bestaande situatie. • De oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en/of het raamhout behouden. vormgeving • Een individuele wijziging leidt niet tot een wijziging van de oorspronkelijke geleding en indeling van de gehele gevel, m.a.w. samenhang en indeling van gevel handhaven. • Detaillering in overeenstemming met de architectuur van de oorspronkelijke gevel. • Gevelopeningen niet blinderen met panelen of schilderwerk. • Bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en/of rollagen waar mogelijk behouden of in ieder geval in overeenstemming met de vormentaal van andere in de gevel voorkomende lateien, onderdorpels en/of raamlijsten uitvoeren. materiaal en kleur • Materiaal en kleurgebruik is afgestemd op het hoofdgebouw. Houten kozijnen mogen door ander materiaal worden vervangen mits aan alle bovenstaande richtlijnen wordt voldaan.

• Bij plaatsing van kunststof kozijnen aan zijden grenzend aan openbaar toegankelijke wegen en water, zijn alleen rechte lasnaden toegestaan. • Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.

72 

E. DAKRAMEN, ZONNEPANELEN EN -COLLECTOREN Een dakraam is een daglichtvoorziening in een dak, waarbij de hoofdvorm van het dakvlak behouden blijft. Een zonnepaneel is een paneel dat kan worden aangebracht op het dak c.q. gevel en dat dient voor energieopwekking. Een zonnecollector is een collector die kan worden aangebracht op het dak en die dient voor warmteopwekking. Een dakraam, zonnepaneel of -collector zijn toevoegingen aan een dakvlak die bij plaatsing aan de voorkant van invloed zijn op het straatbeeld. Richtlijnen Deze richtlijnen komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen • De plaatsing is passend binnen de samenhang en ritmiek van de gevelwand en doet geen afbreuk aan de architectuur of cultuurhistorische waarden van het gebouw. • Bij meerdere dakramen, zonnepanelen of -collectoren zijn deze regelmatig gerangschikt, in eerste instantie horizontaal en bij meerdere ook verticaal. plaatsing • Uitsluitend recht geplaatst op dakvlak of op een plat dak. In principe geen zonnepanelen of collectoren aan de gevel, tenzij overtuigend geïntegreerd en in passende materialisatie uitgevoerd. • Afstand vanaf de dakvoet, vanaf de dak-nok en vanaf midden bouwmuur en zijkant dakvlak minimaal 0.50 m.

• Afstand tot de kil- of hoekkepers (in geval van piramide- of schilddak) minimaal 1.00 m. • Bij rechte dakvlakken en meerdere dakvlak vullende zonnepanelen of -collectoren is plaatsing tot aan dakrand, -voet en -nok mogelijk. • Op hellende daken vlak, direct op of in het dakvlak geplaatst, met een hellingshoek gelijk aan het dakvlak. • Niet op het hoogste (flauwe) deel van een mansardekap omdat dit teveel gaat overheersen ten opzichte van het dakvlak. • Zonnepaneel of -collector op een plat dak staat ten minste net zo ver verwijderd van de dakrand als die hoog is. Is het hoogste punt van de collector bijvoorbeeld 50 centimeter, dan moet de afstand tot de dakrand(en) ook minimaal 50 centimeter zijn. De hellingshoek van het paneel of de collector niet meer dan 35° zijn. vormgeving • De zonnecollector of -paneel is terughoudend gedetailleerd, dus met minimale en donkergekleurde randen

 73

F. INSTALLATIES Bij installaties gaat het bijvoorbeeld om afvoerkanalen, liftopbouwen, airco units, luchtbehandelingskasten en schotelantennes. Om installaties te veranderen of aan te brengen, zijn meestal bouwkundige voorzieningen nodig. De veranderingen zijn zelden een verfraaiing van het gebouw. Bij voorkeur worden installaties geplaatst op plekken die niet zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, bijvoorbeeld op het achtererf of in het achterdakvlak. Bij nieuwbouw dienen installaties onderdeel te zijn van de ontwerpopgave. De aanvraag voor een omgevingsvergunning zal mede daarop beoordeeld worden. Richtlijnen Deze richtlijnen komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen • Bij nieuwbouw dienen installaties een geïntegreerd onderdeel te zijn van het ontwerp van het gehele gebouw. • Uitgangspunt voor deze ingrepen is dat ze ondergeschikt zijn en het beeld van het gebouw intact laten. Om dit te bereiken is de installatie inpandig opgelost of zeer terughoudend vormgegeven. • Collectieve oplossingen hebben de voorkeur, maar als gekozen wordt voor een individuele oplossing dan zijn zorgvuldigheid (inpassing en vormgeving) en plaatsing zoveel mogelijk uit het zicht de belangrijkste voorwaarden, ongeacht waar.

plaatsing • De installatie staat niet op het erf of aan de gevel grenzend aan de openbare ruimte, tenzij deze zorgvuldig is ingepast in erfinrichting of gevel. vormgeving, materiaal en kleur • De installatie is afgestemd op de vormentaal en het karakter van het gebouw of erfininrichting. • De installatie heeft een kleurstelling overeenkomstig gevel of dakvlak, of is uitgevoerd in zwart of in een grijstint.

74 

G. ERFAFSCHEIDINGEN Een erfscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf/perceel af te bakenen van een ander perceel, een buurerf of openbaar toegankelijk gebied. Erfafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op het straatbeeld. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen. Erfafscheidingen moeten daarom passen in de omgeving, op een zorgvuldige en professionele manier worden geplaatst en worden gemaakt van duurzame materialen. De gemeente geeft de voorkeur aan volledig aangeplante en begroeide erf- en perceelafscheidingen zoals liguster, buxus of haagbeuken. Voor het buitengebied bij voorkeur met streekeigen beplanting. Richtlijnen Deze richtlijnen komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen • Samenhang wordt niet verstoord door te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen. materiaal en kleur • Erfafscheiding is gemaakt van duurzame en degelijke materialen, zoals metselwerk conform het hoofdgebouw of hout of ander niet snel verwerend materiaal. • Geen toepassing van uitsluitend beton, kunststof, geprofileerd plaatmateriaal (golfplaat, damwand etc.), rietmatten of vlechtschermen.

• Kleur overeenkomstig afgestemd op het hoofdgebouw of uitgevoerd in donkere kleurtinten. • Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.

 75

H. ROLHEKKEN EN -LUIKEN Rolhekken, luiken en rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen tegen inbraak en vandalisme te beschermen. Deze voorzieningen kunnen de omgeving een rommelig aanzien geven. Voorkeur gaat daarom uit naar een inpandige rolhekken of -luiken of andere oplossingen zoals geweldbestendig glas of elektronische beveiligingssystemen. Richtlijnen Deze richtlijnen komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen • Samenhang en ritmiek van het gebouw en/of de straatwand worden niet verstoord. • Het plaatsen van luiken aan de buitenzijde van monumenten en beeldbepalende panden in het centrum is niet toegestaan. Tenzij luiken al oorspronkelijk op het pand aanwezig zijn. plaatsing en vormgeving • Plaatsing is minimaal 2.00 m. teruggelegen van de uitwendige scheidingsconstructie (pui), mits de rol-hek of -luik voor minimaal 50% bestaat uit open constructie of glasheldere doorkijkopeningen. • Plaatsing is aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie (pui), mits de rolhek of -luik: o voor minimaal 70% bestaat uit een open constructie of glasheldere doorkijkopeningen, en; o er sprake is van een ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met interieur/gevel.

• Plaatsing aan de binnenzijde is niet mogelijk en is daarom bevestigd aan de buitengevel, mits de rolhek of -luik: o voor minimaal 90% bestaat uit een open constructie of glasheldere doorkijkopeningen, en; o de rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel worden ingepast en qua afmeting en positionering in relatie tot de architectuur van het pand staan, en; o er sprake is van een ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met gevel. Geen ongeverfde materialen. materiaal en kleur • Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.

76 

5.2. BIJZONDERE GEBOUWEN EN FUNCTIES Een aantal objecten en specifieke functies is van grote betekenis voor de uitstraling van een omgeving. Hiervoor zijn aparte objectgerichte richtlijnen nodig om te sturen op de specifieke kwaliteit.

A. STOLPEN In de gemeente Purmerend staan meerdere stolpboerderijen. Stolpboerderijen zijn typisch voor Noord-Holland. De piramidevormige boerderijen werden vanaf de 16e eeuw tot in de 20e eeuw gebouwd. De stolp dankt zijn kenmerkende vorm aan het vierkant (het hooihuis of de ‘tas’) in het midden, met vier stijlen op de hoeken die het piramidevormige dak dragen. Om de tas heen liggen de stallen en de dors (de ruimte waar de wagens ingereden konden worden en het vee werd binnengevoerd). Het woonhuis is soms als een apart volume tegen de stolp aangeschoven. In bepaalde gevallen is de dorsdeur (grote schuurdeur) aangebracht binnen het volume, waardoor een verhoging in het schuine dak ontstaat. In de gemetselde of houten buitenwanden van de stolp zitten ter plaatse van de dors en de stallen kleine(re) vensters. Het woonhuis heeft soms een topgevel van baksteen, al dan niet in combinatie met hout, die representatief en rijk bewerkt is. Ook is de voorgevel vaak verhoogd en zijn de ingangspartij en de vensters van het woonhuis vaak fraai bewerkt. Het dak is bedekt met dakpannen, al dan niet in combinatie met, niet overhangend, riet. Soms heeft het dak een ‘spiegel’, als ter plaatse van het naar de weg gekeerde dakvlak het riet als decoratieve uitsparing is weggelaten, en is ingevuld met dakpannen.

Richtlijnen algemeen • Stolpen zijn door hun kapvorm bepalende elementen in het landschap, behoud of - als sloop onvermijdelijk is - herbouw van de stolp is daarom altijd het uitgangspunt bij ingrepen. massa en opbouw • De hoofdvorm, één lage begane-grondlaag plus piramidevormig dak, blijft gehandhaafd. • Bij uitbreiding uitgaan van de maat van de plattegrond van de stolp; deze is karakteristiek en varieert van middelgroot (15 bij 15 meter) tot groot (20 bij 20 meter) • De dakhelling is minimaal 45 graden. • Een ‘pronkgevel’ met verhoogd middendeel alleen op de voorgevel. • Een dakkapel of loggia alleen op het achterdakvlak en ondergeschikt opgenomen in het dakvlak. • Geen zonnepanelen en -collectoren aan de voorkant. • Dakramen en zonnepanelen of -collectoren verzonken in het dakvlak (niet bij monumenten) en mits de maat in verhouding staat tot het oppervlak van de kap en overige reeds aanwezige elementen daarin. • Geen glimmende/spiegelende zonnepanelen en/of collectoren, dus ook geen glimmende randafwerking. • Grote ingrepen zoveel mogelijk concentreren op één punt. • Aan-, uit- en bijgebouwen zijn in maatvoering ondergeschikt aan het hoofdvolume.

 77

detaillering, materiaal- en kleurgebruik • Bij restauratie/verbouwing dienen materialen zoveel mogelijk aan te sluiten bij de oorspronkelijke materialen (hout, betimmeringen, deuren, ramen, kozijnen, baksteen, voegspecie etc.) • Hoofdmaterialen voor de gevels zijn baksteen en/of houten delen. Andere materialen alleen in onderschikking. • Als dakbedekking worden matte keramische pannen of riet - of een combinatie hiervan toegepast. • Geglazuurde dakpannen zijn alleen toegestaan als de bestaande of historische situatie daartoe aanleiding geeft. • De baksteenkleur valt binnen de bandbreedte van aardtinten (licht)rood/roodbruin/bruin. Een andere kleurstelling is alleen mogelijk, wanneer de bestaande situatie en/of specifieke omstandigheden daarvoor aanleiding zijn. • De kleur van de dakpannen is (Hollands)rood, grijs-gesmoord of antraciet. • De kleur van houten delen is dekkend-donker of crème-wit. • De volgende materiaal- en kleurtoepassingen worden als oneigenlijk beschouwd voor de stolpboerderij en zijn derhalve in principe niet toegestaan: o beton, betonsteen, kalkzandsteen, baksteenstrips, alsmede stucwerk met baksteenmotief e.d.; o kunststof-, metaal- of volkernplaten als gevelbekleding; o kunststof- of metaalplaten, alsmede dakpanplaten, kunstriet en shingles als dakbedekking; o kunststofkozijnen, -ramen en deuren; o spiegelend glas, vlakke plaatdeuren, rolluiken.

• De materialisatie van aan-, uit- en bijgebouwen is afgestemd op de karakteristieke materiaaltoepassing van de stolp en/of het gebruikelijke landelijk traditionele materiaalgebruik. Bij de materiaalkeuze speelt de beeldkwaliteit van het ensemble een doorslaggevende rol. Een afwijkende materialisatie is in overleg met de gemeentelijke adviescommissie mogelijk. • Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.

Stolpboerderij aan Westerweg 28 78 

Stolpboerderij aan Westerweg 59

B. HOOGBOUW Purmerend staat voor een verdichtingsopgave. Eén van de speerpunten in de ‘Agenda Purmerend 2040’ is een grootstedelijke ambitie voor Purmerend vastgesteld waarin een substantieel aantal woningen aan de stad wordt toegevoegd. Eén van de middelen om te kunnen verdichten, is hoogbouw. Onder hoogbouw wordt in Purmerend verstaan gebouwen met een hoogte van meer dan 25 meter (ca. 8 lagen). In de ‘Hoogbouwvisie Purmerend’ (2017), een uitwerking van de ‘Agenda Purmerend 2040’, staat waar hoogbouw bij voorkeur mogelijk is, met welke hoogte en wanneer een hoogbouweffectrapportage moet worden uitgevoerd om de impact te onderzoeken. Deze hoogbouweffectrapportage is verplicht bij een hoogte van meer dan 25 meter (8 lagen). Om hoogbouwinitiatieven te beoordelen zijn in de hoog-bouwvisie vuistregels opgenomen. Van de initiatiefnemer van hoogbouw wordt verwacht dat de vuistregels worden meegenomen en afgewogen in de hoogbouweffectrapportage. Richtlijnen Verschijningsvormen voor hoogbouw zijn voor een groot deel situatie-afhankelijk. Uitgangspunt is dan ook dat de context (directe omgeving en invloed op stedelijk weefsel) van de hoogbouw een belangrijke rol speelt bij de beoordeling. Daarbij kunnen onderstaande richtlijnen ondersteunend zijn. algemeen • Er is rekening gehouden met de gestelde vuistregels zoals opgenomen in de ‘Hoogbouwvisie Purmerend’.

• Landschappelijke inpassing: de hoogbouw past in de horizon van de stad of heeft een dusdanige impact op de horizon en het imago, dat dit de stad versterkt. • Stedelijke inpassing: de hoogbouw past binnen het beeld van de stad of wijk en heeft een dusdanige impact op de directe omgeving en/of het imago, dat dit de stad versterkt. • De hoogbouw doet recht aan de (cultuur)historische waarden van de plek. plaatsing en oriëntatie • De plaatsing van hoogbouw levert een positieve bijdrage aan de beleving van een plek, als stedenbouwkundig accent, oriëntatie en herkenbaarheid. • De oriëntatie van de gebouwen is alzijdig, en versterkt de oriëntatiemogelijkheden binnen de stad. • Het gebouw sluit op een goede wijze aan op de openbare ruimte. hoofdvorm en massa • De maat en schaal van het gebouw past op een goede wijze in de korrelgrootte van de directe omgeving. Dat betekent niet dat hoogbouw even groot moet zijn als de omliggende bebouwing, maar vooral dat er sprake is van een passende evenwichtige verhouding tussen het gebouw, de open ruimte en de bebouwing in de omgeving.

 79

plint (uit hoogbouwvisie) • De openbare ruimte rondom het gebouw moet goed ontworpen zijn met aanlooproutes, beplanting, verlichting etc.. • Transparantie in de gevel zorgt voor interactie tussen binnen en buiten. • Attractieve functies kunnen een bijdrage leveren aan de levendigheid. • Extra hoge verdiepingen in de plint maken het gebouw geschikt voor functieveranderingen in de toekomst. • Hoge gebouwen geven windoverlast. Voor het goed functioneren van de openbare ruimte rondom is het van belang dit te voorkomen. • In de verschijningsvorm, materiaalgebruik en geleding kan een plint reageren op de straat. Ook de benadering en vormgeving van de entree speelt hierin een rol. • De opbouw van de massa van het gebouw speelt in de beleving ook een belangrijke rol. vormgeving, materiaal- en kleurgebruik • De entree en eventuele hellingbaan van een eventuele parkeergarage vinden zo veel mogelijk binnen het pand plaats en zijn integraal onderdeel van het ontwerp en doet geen afbreuk doen aan de beleving van de buitenruimte. • In materiaal- en kleurgebruik is sprake van een samenhang en harmonie als geheel. • Er wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen die blijvend kwaliteit uitstralen. duurzaamheid • Er is op verschillende niveaus nagedacht over duurzaamheid, waaronder bestendigheid, energie- en klimaatbeheer, materiaalgebruik, afvalstromen, mobiliteit, ecologie en natuur etc.

• Bij de toepassing van voorzieningen t.b.v. duurzaamheid zoals zonnecollectoren/ -panelen, groene gevels/daken of dergelijke, passen deze binnen het architectonische concept en zijn ze integraal mee ontworpen.

80 

Onder hoogbouw wordt in Purmerend verstaan gebouwen met een hoogte van meer dan 25 meter (ca. 8 lagen), zoals deze imposante woontoren ‘Heel Europa’ langs Noordhollandsch Kanaal (20 lagen, circa 60 meter).

 81

C. Terrassen Een terras is een buiten het horecabedrijf liggend deel waar sta- of zitgelegenheid wordt geboden en dranken kunnen worden geschonken en etenswaren voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. Om het verblijf in het centrum aantrekkelijk te maken zijn er meerdere terrassen. Maar terrassen hebben ook invloed op het straatbeeld en gebruik van de openbare ruimte. Ten aanzien van terrassen wordt er onderscheid gemaakt in een gevelterras en zomerterras. Het gevelterras bevindt zich tegen de gevel van het horecabedrijf. Het terras is niet breder dan de gevel van dit bedrijf. Een zomerterras is een terras dat zich niet aan de gevel bevindt. Dit kan zijn op pleinen en pleinachtige ruimten zoals de Koemarkt en de Kaasmarkt. In de Algemene plaatselijke verordening Purmerend 2003 (Apv) wordt in artikel 110b lid 6 aangegeven wanneer een vergunning nodig is voor het plaatsen van een terras. De richtlijnen zijn alleen van toepassing voor terrassen waarvoor een vergunning nodig is. Voor het plaatsen van terrassen heeft de gemeente het Terrassenbeleid van de gemeente Purmerend vastgesteld. Voor het plaatsen van schermen op de Koemarkt is tevens het raadsbesluit tot Beleidsuitgangspunten plaatsing schermen t.b.v. terrassen Koemarkt (2017) van toepassing.

Richtlijnen Alleen terrassen bij de inrichtingen zoals omschreven in Afdeling 7a van de Algemene Plaatselijke Verordening. Het vigerende bestemmingsplan is leidend of een horeca inrichting is toegestaan. Onderstaande richtlijnen hebben uitsluitend betrekking op het uiterlijk van terrassen en de gevolgen van plaatsing daarvan. algemeen • Terrassen mogen geen directe schade aanbrengen in de bestrating of straatmeubilair. • Het is toegestaan de naam, het logo / beeldmerk van het horecabedrijf of een product dat wordt verkocht op de terrasschotten en de volant (randen) van de parasols te voeren. terrasmeubilair • Alle soorten (lig)stoelen en banken zijn toegestaan op zowel het gevel- als het zomerterras mits direct en makkelijk verplaatsbaar. • Om het open karakter van pleinen te waarborgen en goed toezicht mogelijk te houden mogen de rugleuningen van terrasmeubilair niet hoger zijn dan de gemiddelde terrasstoel. Als richtlijn wordt 1.00 m. gehanteerd. • Streven naar een bepaalde verwantschap en harmonie in het straatmeubilair. • Toepassing van losse verwarmingselementen is mogelijk.

82 

windschermen algemeen • Geen terrasschermen op zomerterrassen (terrassen die zich niet tegen de gevel bevinden). • De terrasschermen bij terrassen tegen de gevel zijn gemakkelijk, zonder gebruik van gereedschap verwijderbaar en daarom niet vast aangebracht in de grond. • Het aanbrengen van schermen mag niet leiden tot gevelbeschadigingen. • Terrasscherm is niet breder dan 2.00 m. en niet hoger dan 1.50 m.. • Op de Koemarkt is het terrasscherm niet breder dan 3.50 m., niet hoger dan 1.50 m. en niet voorbij de historische paaltjes geplaatst. windschermen hoger dan 1.50 m. op Koemarkt • Maat, materiaal en detaillering dient passend te zijn bij de karakteristiek van de gevels. • Alleen geplaatst op de erfscheiding tussen panden. parasols • Parasols in één egale kleur, vierkant of rechthoekig en niet boven de kroonhoogte van bomen uitkomen.

 83

D. RECLAME-UITINGEN Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclame op borden, lichtreclames en spandoeken of vlaggen vormen een belangrijk en beeldbepalend element van de openbare ruimte. In gebieden met commerciële functies zijn reclames op zijn plaats en verhogen ze de visuele aantrekkingskracht van de omgeving, hoewel daar een kritische grens aan verbonden is. In andere gebieden is (bepaalde) reclame ongewenst. De reclame-uitingen dienen te voldoen aan onderstaande uitgangspunten en de van toepassing zijnde regelgeving in het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Algemene plaatselijke verordening. Dit geldt ook voor de reclame-uitingen op basis van privaatrechtelijke overeenkomsten. Reclame-uitingen die voldoen aan de voorschriften uit bijlage 2 van het Besluit Omgevingsrecht kunnen zonder omgevingsvergunning worden aangebracht. Algemene richtlijnen Met het oog op de aard, gewenste uitstraling en schaal zijn de volgende vaste reclame-uitingen storend in het straatbeeld en daarom in beginsel niet toegestaan: • Reclamebakken buiten de bouwmassa (het silhouet) van het gebouw op daken en goten. • Lichtbakken aan, op of bij monumenten. • Mechanisch bewegende reclame. • Daglichtreflecterende reclame. • Lichtreclame met veranderlijk of intermitterend (knipperend) licht. • Reclame of beschilderingen op rolluiken.

• Reclame op zonwering, m.u.v. terughoudend aanbrengen van naamsaanduiding op doek van zonwering. • Reclame in fluorescerende kleuren. • Reclame op, aan, bij of voor een woning of woonverdieping uitsluitend gebruikt t.b.v. de woonfunctie. Bij woningen waar sprake is van een praktijk aan huis is klein naambord naast de deur mogelijk. • Aanstootgevende, intimiderende, beledigende en/of discriminerende teksten en/of afbeeldingen. Voor het overige zijn in algemene zin de hierna volgende richtlijnen van toepassing. Een andere plaatsing of maatvoering die afwijkt van de richtlijnen is denkbaar mits de architectuur dit mogelijk maakt. algemeen • Reclame dient in de beleving te passen bij het karakter van de directe omgeving. • Geen overdaad aan reclame-uitingen. • Bij een nieuwbouw- of verbouwplan de reclame zo veel mogelijk in het ontwerp integreren.

84 

plaatsing • Een reclame heeft een rechtstreeks verband met de activiteiten die in het pand of op het perceel plaatsvinden. • Reclames aan, voor en/of op korte afstand van monumenten mogen de monumentale en architectonische waarde van het pand en de directe omgeving niet aantasten. • Reclames mogen het uitzicht op en het (veilig) gebruik van de openbare ruimte niet ernstig belemmeren. • Indien de (historische) architectuur van bestaande bebouwing reeds voorziet in specifieke reclamemogelijkheden, zoals koofborden of velden tussen raamkozijnen en -bogen, zijn dat de aangewezen plaatsen waar reclame-uitingen aangebracht dienen te worden. • Gevelreclame integreren in de gevelstructuur of architectuur van de gevel, waarbij de maatvoering en detailleringen harmoniëren met de gevel en straat-wand. • De samenhang en structuur van de gevel en straat-wand behouden (bijv. geen scheiding winkelpui en verdieping). vormgeving • Bevestigingsconstructies, toevoerleidingen en hulptoestellen zoveel mogelijk aan het oog onttrekken. • Kokers, uitsluitend bestemd voor het opbergen van elektrische leidingen en andere hulpconstructies, zijn geschilderd in een donkere kleur of in dezelfde kleur als het gevelvlak. • Objecten moeten voldoen aan technisch en constructieve eisen en zoveel mogelijk zijn gemaakt van duurzame materialen (kwalitatief hoogwaardige materialen, ook voor langere termijn).

• Geen overdaad van felle, contrasterende en/of bonte kleuren.

 85

Historische stad • Per bedrijf / winkel per 5.00 meter gevelbreedte maximaal 4 reclame-uitingen aan de voorgevel (bij een hoekpand met twee puien is er sprake van 2 voorgevels). • Reclame alleen plat of haaks op de voorgevel geplaatst (bij een hoekpand met twee puien is er sprake van 2 voorgevels). • Niet op het dak of de dakrand overschrijdend. • Maximaal 1 lichtgevende of aangelichte reclame met constante lichtbron. • Maximaal 1 vlag, vaandel wimpel of banier per 3.00 m. gevelbreedte. • Geen spandoeken en steigerdoeken in frame. • Reclame plat op de gevel: o tussen bovenkant kozijnen of pui begane grond en onderkant kozijnen verdieping; o maximaal 75% van gevelbreedte; o maximaal 60% van hoogte borstweringstrook met een maximum van 0.50 m.; o plaatsing met rondom zichtbare ruimte tussen reclame en kozijnen, tenzij geïntegreerd in winkelpui. • Reclame haaks op de gevel: o tussen bovenkant kozijnen of pui begane grond en bovenkant kozijnen verdieping; o maximaal 0.20 m. dik, bij monumenten maximaal 0.05 m. dik. o maximaal 0.60 m. hoog en 0.80 m. uit de gevel stekend (exclusief bevestigingsconstructie); o bevestigingsconstructie tussen 0.10 en 0.15 m uit de gevel stekend. Woongebieden In een woonomgeving zijn reclame-uitingen niet op hun plaats, tenzij er sprake is van een winkelcentrum of praktijkruimte aan huis, zoals een arts of verzekeringsadviseur.

Praktijkruimte aan huis • Uitsluitend één kleine onverlichte aanduiding aan de gevel onder de vloer van de eerste verdieping. • Maximaal 0.50 m2 en maximaal 0.10 m dik inclusief bevestigingsconstructie. Winkelcentra in de woongebieden • Per bedrijf / winkel per 5.00 meter gevelbreedte maximaal 4 reclame-uitingen aan de voorgevel (bij een hoekpand met twee puien is er sprake van 2 voorgevels). • Boven de entree, gecentreerd in de gevel of passend in de structuur van de gevel / winkelpui. • Bij meerdere verdiepingen onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping. • Op de dakrand van grotere overdekte winkelcentra de naam van het gehele complex in losse letters, niet breder dan de entreepartij met een maximum van 3.00 meter breed en 1.00 meter hoog inclusief bevestigingsconstructie. • Maximaal 1 vlag, vaandel wimpel of banier per 3.00 m. gevelbreedte.

86 

Oost-west as In dit gebied is sprake van een transformatie naar een aantrekkelijk, stedelijk en multifunctionele zone, met zowel woon- als bedrijfsbebouwing en gecombineerde functies. Reclame-uitingen dienen terughoudend te zijn en te passen binnen de ambities van het gebied. Uitgangspunt is mee-ontworpen reclame-uitingen passend binnen de architectuur van het gebouw. Voor bedrijfspanden zijn de criteria voor bedrijventerreinen van toepassing. Uitgezonderd reclame-uitingen op daken en reclamedoeken in frame aan de gevel. Bedrijventerreinen • Per bedrijfspand per 3.00 meter gevelbreedte maximaal 1 reclame-uitingen aan de voorgevel (bij een hoekpand met twee puien is er sprake van 2 voorgevels). • Boven de entree, gecentreerd in de gevel of passend in de structuur van de gevel. • Maximaal 2.00 m. hoog, 4.00 m. breed en 0.30 m. vanuit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie. • Op de dakrand niet breder dan de entreepartij met een maximum van 3.00 meter breed en 1.00 meter hoog inclusief bevestigingsconstructie. • Maximaal 1 vlag, vaandel wimpel of banier per 3.00 m. gevelbreedte. • Bij de hoofdentree maximaal 3 even hoge vlaggenmasten tot 6.00 meter hoog. • Op eigen terrein is één (gezamenlijke) vrijstaande zuil met een maximale afmeting (bxh) van 1.25 x 4.50 m. mogelijk. Van een zuil bij een gebouw hoger dan 20 m. kan de maximale afmeting (bxh) 1,50 x 6,00 m. zijn.

• Reclame uitingen op verzamelgebouwen kennen een eenduidige ritmiek en vormgeving. Groene krans Uitgangspunt is dat de parken en het landschap vrij blijft van reclame-uitingen. Uitzondering zijn sport- en recreatieterreinen. Sport- en recreatieterreinen • Tegen de gevel van het clubgebouw bestaande uit onverlichte naamsaanduiding(en) van de vereniging(-en) met een totale maximale oppervlakte van 2.00 m2. per (club)gebouw. • Bij de hoofdentree van het terrein maximaal 1 bord of zuil tot maximaal 3.50 meter hoog. • Bij de hoofdentree van het terrein maximaal 4 even hoge vlaggenmasten tot 6.00 meter hoog. • Reclameborden langs het sportveld of -baan tot maximaal 1.20 m. hoog.

 87

6. RICHTLIJNEN GROTERE ONTWIKKELINGEN Deze nota bevat geen richtlijnen voor grotere ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. Dit is ook van toepassing op gebieden, die in transformatie zijn of in opbouw. Hiervan mag van de ontwerper of aanvrager een grotere inspanning worden verwacht om de kwaliteit van het gebied te helpen opbouwen. Het gaat om ontwikkelingen die veelal een nieuw bestemmingsplan nodig hebben, bijvoorbeeld het transformeren van een bedrijventerrein om daar woningbouw mogelijk maken. Nieuwe / aanvullende richtlijnen zijn wenselijk als: • een ontwikkeling de bestaande fysieke structuur en karakteristiek doorbreekt; • een ontwikkeling niet objectgericht is, maar van invloed is op een heel gebied; • er sprake is van een stedenbouwkundig plan en veelal een nieuw bestemmingsplan nodig is. De plek van nieuwe functies In de praktijk valt het op dat in de huidige kwaliteitsadvisering het accent vooral ligt op beoordeling op planniveau: het gaat over de vraag hoe deze het beste ingepast kan worden (belevingswaarde, inpassing). Kwaliteitsbeoordeling op hogere schaal waarbij ook wordt gekeken waar de ingreep kan plaatsvinden ontbreekt veelal. De plek van een bepaalde functie behoeft altijd aandacht. De afweging van geschikte locaties dient tot component van omgevingskwaliteit te worden gerekend.

Daar wordt bij kwaliteitssturing en -advisering expliciet naar gekeken. De gemeentelijke previsor en/of de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit wordt daarbij vooraf geconsulteerd en bij grotere (her)ontwikkelingsplannen vooraf betrokken bij de programmatische keuzes en stedenbouwkundige opzet. Procedure Zodra een (her)ontwikkelingsproject aan de orde is kunnen nieuwe richtlijnen opgesteld worden, bijvoorbeeld in de vorm van een beeldkwaliteitplan of een vergelijkbaar kader. Een beeldkwaliteitplan of vergelijkbaar heeft een ontwikkelgericht karakter en vormt een sturingsinstrument voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Een dergelijk kader kan naast richtlijnen voor gebouwen ook uitgangspunten voor de inrichting van de openbare ruimte bevatten. De raad wordt betrokken bij deze grotere ingrijpende ontwikkelingen. Het beeldkwaliteitplan of een vergelijkbaar instrument wordt (eventueel samen met het bestemmingsplan) namelijk vastgesteld door de gemeenteraad, als aanvulling op de nota. Het beeldkwaliteitplan of vergelijkbaar is, mits anders bepaald, alleen van toepassing in de ontwikkelfase. Na realisatie/oplevering vervalt het ontwikkelgerichte karakter. Mogelijk vervalt daarmee een deel van de in de ontwikkelfase relevante richtlijnen.

De richtlijnen in een beeldkwaliteitplan dient in ieder geval de volgende onderdelen te bevatten: • een duidelijke begrenzing van het plangebied waarop het beleid van toepassing is; • een korte gebiedsbeschrijving van de nieuw te verwachten situatie en indien van toepassing de motivering van de ontwerpkeuzes die gemaakt zijn t.a.v. de inpassing van het plan in zijn omgeving; • de richtlijnen als basis voor het ontwerp en voor beoordeling van het ontwerp door de gemeentelijke adviescommissie.

88 

Woningbouw Weidevenne

 89

DEEL C OMGEVINGSNOTA BEEMSTER Op 10 juli 2012 heeft de gemeenteraad van voormalige gemeente Beemster de ‘Omgevingsnota Beemster’ vastgesteld. In dit deel C is de vastgestelde nota beleidsneutraal overgenomen. Inleiding .......................................................................................................................................... 91 DEEL 1: Introductie ......................................................................................................................... 94 1. De Omgevingsnota .................................................................................................................. 95 2. Macro-meso-micro en regieniveaus ........................................................................................ 97 3. Werelderfgoed De Beemster ................................................................................................. 100 4. Ruimtelijke kwaliteitskaarten ................................................................................................ 107 DEEL 2: Beoordelingskaders bijzondere regie ............................................................................. 110 5. Buitengebied ......................................................................................................................... 112 6.

Dorpskern Middenbeemster ................................................................................................. 123 7. Dorpslinten Zuidoostbeemster, Westbeemster, Noordbeemster ........................................ 128 8. Randen................................................................................................................................... 134 9. Objecten ................................................................................................................................ 137 a. Stolpen ............................................................................................................................... 137 b. Landbouwschuren en agrarische bedrijfsgebouwen ......................................................... 140 c. Bruggen en dammen .......................................................................................................... 141 d. Forten ................................................................................................................................ 143 e. Bouwwerken bij paardenhouderijen ................................................................................. 145 DEEL 3: Beoordelingskaders lichte regie ..................................................................................... 146 10.

Binnengebied: dorpsuitbreidingen ........................................................................................ 148 11. Binnengebied: bedrijventerrein ............................................................................................ 151 12. Objectgerichte beoordelingskaders ...................................................................................... 152 a. Aanbouwen ........................................................................................................................ 153 b. Bijgebouwen ...................................................................................................................... 154 c. Dakkapellen........................................................................................................................ 155 d. Dakramen, panelen en collectoren ................................................................................... 156 e. Erfafscheidingen ................................................................................................................ 157 f. Reclame-uitingen................................................................................................................ 158 DEEL 4: Algemene beoordelingskaders ....................................................................................... 160 13.

Algemeen beoordelingskader monumenten ......................................................................... 161 14. Algemeen beoordelingskader openbare ruimte ................................................................... 165 15. Algemeen beoordelingskader bouwwerken.......................................................................... 167 16. Beoordelingskader voor repressief welstandstoezicht ......................................................... 171 op bestaande bouwwerken (excessenregeling)

90 

Deze Beemster omgevingsnota uit 2012 is beleidsneutraal overgenomen in voorliggende nieuwe nota die bestaat uit samenvoeging met de Nota omgevingskwaliteit Purmerend uit 2020. Beleidsneutraal betekent dat in de tekst en de beleidsintenties geen wijzigingen hebben plaatsgevonden ten opzichte van de oorspronkelijke versie zoals vastgesteld in 2012. Zie Deel A voor meer uitleg. Ter ondersteuning van de tekst zijn in deze nieuwe versie wel illustraties en foto’s opgenomen, waaronder ook foto’s van na 2012.

INLEIDING Voor u ligt de nieuwe Beemster Omgevingsnota. Deze nota geeft beoordelingskaders voor ingrepen in de ruimte, zoals bouwen of verbouwen, inrichten van de openbare ruimte of wijzigen van een monument. De Beemster is werelderfgoed. De Gemeente Beemster is als lokale overheid verantwoordelijk voor het behoud van die uitzonderlijke kwaliteiten. Maar De Beemster is geen museum, het gebied moet ook blijven functioneren in deze tijd. In dialoog met bewoners en ondernemers maakt het gemeentebestuur bij elke gewenste of noodzakelijke ingreep in de ruimte een afweging: kan het voorgestelde plan op die plek gerealiseerd worden zonder schade aan het werelderfgoed, en zo ja, hoe moet het dan worden uitgevoerd. Dit vraagt een zorgvuldig proces. Geen twee ingrepen zijn aan elkaar gelijk omdat de context altijd anders is. Ieder plan moet specifiek ontworpen, ontwikkeld en beoordeeld worden. De gemeente voert daarbij de regie, en dat is de essentie van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Het ‘scenario’ voor de regie ligt verankerd in wettelijke instrumenten: in de Structuurvisie, de bestemmingsplannen en in deze Omgevingsnota.

 91

Een ‘maatpak’ voor De Beemster De Omgevingsnota is op maat gemaakt voor het bijzondere karakter van de droogmakerij die werelderfgoed is. Kenmerkend voor De Beemster is het gegeven dat ruimtelijke ingrepen op drie schaalniveaus betekenis hebben: • macro = De Beemster als geheel; • meso = de structuur van De Beemster, van Beemsterkamer tot Beemsterkavel, met wegen en water en gebouwde structuren als kernen en reeksen bebouwing; • micro = erfniveau (boerderijerf, tuinderserf, buitenplaatserf, ringdijkerf) en ‘binnengebieden’ in de kernen. Deze schaalniveaus zijn onderling sterk op elkaar betrokken en lopen van groot naar klein. Daarom is het zaak bij de beoordeling van ruimtelijke ingrepen steeds vanuit het geheel (de hele Beemster) naar de details (een ingreep op een erf of in een kern) te kijken. De consequentie hiervan is dat in de beoordeling van ruimtelijke ingrepen het accent verschuift van het object als zodanig naar het object in zijn omgeving. Bovendien wordt in de Omgevingsnota onderscheid gemaakt tussen gebieden en objecten die een belangrijke rol spelen in het werelderfgoed-karakter van de polder, en gebieden en objecten die daarvoor van minder betekenis zijn. Het principe van deze Omgevingsnota is dat de gemeente veel aandacht zal besteden aan de regie van ruimtelijke ingrepen die het specifieke karakter van De Beemster raken.

Bij ingrepen die dat niet doen, zal de gemeente zich terughoudend opstellen. Opbouw van de Omgevingsnota De Omgevingsnota bestaat uit vier delen. Deel 1 bevat een algemene introductie. Nadat het doel, de juridische status en het gebruik van de nota zijn uitgewerkt, wordt uitleg gegeven over de opbouw van de beoordelingskaders (macro-meso-micro) en de regieniveaus.Daarna wordt een kort overzicht gegeven van de geschiedenis van de droogmakerij en worden het ruimtelijk beleid en de ruimtelijke kwaliteitskaarten van de Omgevingsnota besproken. Deel 2 bevat en de beoordelingskaders voor de gebieden en objecten die met elkaar op de verschillende schaalniveaus primair bepalend zijn voor de uitzonderlijke waarde van De Beemster: • het buitengebied, inclusief buurtschappen, ringdijk en de agrarische erven; • de dorpskern Middenbeemster; • de historische dorpslinten van Westbeemster, Noordbeemster en Zuidoostbeemster (Zuiderweg en Purmerenderweg); • de buitenranden, op de grens van bebouwde kom en buitengebied; • de voor De Beemster karakteristieke gebouwtypen, zoals forten en andere objecten van de Stelling van Amsterdam, stolpboerderijen, bruggen, dammen, landbouwschuren en agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken bij paardenhouderijen.

92 

Deel 3 bevat de beoordelingskaders voor de binnengebieden - het weefsel van de woon- en werkgebieden achter de randen op de grens van bebouwde kom en buitengebied - en objecten die van secundair belang zijn voor de cultuurhistorische waarde van De Beemster: • het binnengebied van de dorpsuitbreidingen; • het binnengebied van het bedrijventerrein; • de kleine veel voorkomende objecten, zoals aanbouwen, bijgebouwen, • dakkapellen en kleine objecten in het dakvlak, erfafscheidingen en reclame-uitingen. Deel 4 geeft de algemene beoordelingskaders. Het kan voorkomen dat een ingreep of een bouwwerk niet beoordeeld kan worden met de specifieke beoordelingskaders uit deel 2 en deel 3. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er onverwachte of experimentele aspecten meespelen of indien de specifieke criteria in een concreet geval niet adequaat zijn voor de beoordeling. Ook kan het zijn dat de optelsom van de specifieke criteria onvoldoende kwaliteit oplevert. In deze gevallen kan de ingreep of het bouwwerk beoordeeld worden op basis van de algemene beoordelingskaders (voor monumenten, openbare ruimte en bouwwerken) die zijn opgenomen in deel 4 van de Omgevingsnota.

Een beoordeling op basis van de algemene beoordelingskaders moet extra zorgvuldig worden gemotiveerd, waarbij de stelregel is dat er hogere eisen worden gesteld naarmate een ingreep of een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. Deel 4 bevat ook een regeling voor repressief toezicht op bestaande bouwwerken. De Omgevingsnota hoeft in praktijk niet voor naar achter gelezen te worden. Voor de meeste ingrepen en bouwplannen volstaat het om een of twee beoordelingskaders te lezen. Op termijn kan de gemeente alle beoordelingskaders digitaal aan een kaart met adressenbestand koppelen. De Beemster Omgevingsnota werd in opdracht van de gemeente Beemster opgesteld door Welstandszorg Noord-Holland en José van Campen woord en plaats, Beek & Kooiman Cultuurhistorie en Marlies van Diest ontwerp. Het proces werd begeleid door medewerkers van de gemeente.

 93

Deel 1 INTRODUCTIE

94 

1. DE OMGEVINGSNOTA Ruimtelijke kwaliteit Het doel van de Omgevingsnota is het behouden en stimuleren van de ruimtelijke kwaliteit. In het overvolle Nederland is ruimtelijke kwaliteit een gemeenschappelijk bezit, het is geen zaak van de eigenaren van grond of gebouwen alleen, het is een waarde die niet geïndividualiseerd of geprivatiseerd kan worden. Een goede ruimtelijke kwaliteit levert een bijdrage aan de leefbaarheid, de duurzaamheid en de culturele betekenis van een gebied. Het versterkt de ‘eigenheid’ (of identiteit) van een plek of een gemeente. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Mensen zijn graag in gebieden met een goede ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit is niet eenvoudig te definiëren of te objectiveren. Meestal wordt ruimtelijke kwaliteit benoemd als een optelsom van de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde van een gebouw of van een gebied. De begrippen ‘utilitas, venustas, firmitas’ werden al ruim tweeduizend jaar geleden beschreven door de Romeinse bouwmeester Vitruvius. De Omgevingsnota richt zich primair op de belevingswaarde van de omgeving. De Omgevingsnota regelt niet welke functies op welke plek komen en hoe omvangrijk en flexibel het programma is; dat soort zaken worden primair in het bestemmingsplan geregeld.

De Omgevingsnota doet wel uitspraken over hoe een toegestane functie en een toegestaan volume het beste kunnen worden ingepast en uitgevoerd. En ‘het beste’ dat is dan: op een manier die de ruimtelijke kwaliteit van De Beemster behoudt en versterkt. Juridische status en gebruik van de Omgevingsnota De Omgevingsnota is een grondige actualisering en aanvulling van de Welstandsnota Beemster uit 2003, en zal deze na vaststelling door de gemeenteraad vervangen. De Omgevingsnota is dus (onder meer) de welstandsnota in de zin van de Woningwet, en wordt ook als zodanig behandeld in het inspraak- en besluitvormingstraject. De Omgevingsnota bevat de criteria voor ruimtelijke kwaliteit: voor ingrepen aan monumenten, voor ingrepen in de openbare ruimte en voor het oprichten of veranderen van bouwwerken (de eigenlijke welstandscriteria). Een door de Gemeenteraad in te stellen adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit moet elke beoordeling baseren op de betreffende beoordelingskaders. Voor een welstandsadvies geldt dat zelfs formeel: in de Woningwet staat dat een welstandsadvies enkel en alleen gebaseerd mag zijn op de criteria die door de gemeenteraad in de welstandsnota zijn vastgesteld. Plannen worden altijd integraal beoordeeld. Voor een goede gang van zaken moet echter altijd specifiek gemaakt worden welke juridische status een beoordeling heeft.

 95

De Omgevingsnota biedt de volgende (juridische) gebruiksmogelijkheden: • Omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument: o beoordeling altijd op basis van de algemene criteria voor monumenten (hst. 14) o aanvullend daarop gebruik van de relevante gebieds- en objectgerichte beoordelingskaders • Inrichting openbare ruimte (vergunningvrij, maar indien de gemeente zelf opdrachtgever is, wordt het plan ook aan de adviescommissie voorgelegd): o op basis van de criteria voor openbare ruimte in de relevante gebiedsgerichte beoordelingskaders o indien deze niet passend zijn op basis van algemene criteria voor openbare ruimte (hst. 15) • Omgevingsvergunning voor het bouwen: o welstandsbeoordeling op basis van de criteria voor bouwwerken in de relevante gebiedsen objectgerichte beoordelingskaders o indien deze niet passend zijn op basis van algemene criteria voor bouwwerken (hst. 16) • Omgevingsvergunningen voor ingrepen op het erf: o beoordeling op basis de relevante criteria in de relevante gebieds- en objectgerichte beoordelingskaders • Repressief toezicht op bestaande bouwwerken: o op basis van algemene criteria voor excessen (hst. 17) • Omgevingsvergunning voor planologische gebruiksactiviteit o de beoordelingskaders worden mede gebruikt als kader voor het afwijkingsbeleid.

96 

2. MACRO-MESO-MICRO EN REGIENIVEAUS Beoordelingskaders: macro-meso-micro Een beoordelingskader is een set met relatieve criteria, die worden geïnterpreteerd in het licht van de bijbehorende beschrijving en het voorliggende plan. De beoordelingskaders in de Omgevingsnota zijn integraal: ze omvatten monumentale en cultuurhistorische aspecten, maar ook infrastructuur en groen, en gaan in op de relatie tussen gebouwen en openbare ruimte. Ze zijn gebaseerd op de bestaande kwaliteiten en de gewenste ontwikkelingen. De beoordeling is dus altijd contextgebonden. De beoordelingskaders in de Omgevingsnota bieden geen ‘checklist’ voor ruimtelijke kwaliteit. Ze geven op zichzelf geen garantie op ruimtelijke kwaliteit. Ze vergroten wel de mogelijkheid om een ordelijk gesprek te voeren over ruimtelijke kwaliteit. Bij de beoordeling van ruimtelijke ingrepen kijkt men steeds vanuit het geheel (de hele Beemster) naar de details (een ingreep op een erf of in een kern). Dat principe is vertaald in Gouden Regels op macroniveau, essenties van het gebied op mesoniveau en min of meer ‘harde’ beoordelingscriteria op microniveau. Deze samenhang geeft speelruimte.

Soms gaat het principe ‘voor wat hoort wat’ op: als een voorgestelde ingreep de huidige situatie zeer verbetert maar daarbij niet honderd procent binnen de beoordelingscriteria past, kan het gemeentebestuur besluiten om - binnen de essenties - de beoordelingscriteria vrijer toe te passen. De Omgevingsnota is dus zowel richtinggevend als borgend.

Afbeelding macro-meso-micro en van buiten-naar-binnen (bron: Startnotitie Van welstandsnota naar omgevingsnota, Marlies van Diest Ontwerp, 2010)

 97

Gouden Regels op macroniveau Voor de regie op het macroniveau is in de Startnotitie een aanzet gegeven voor een aantal Gouden Regels. Deze regels zijn zo geformuleerd dat ze niet één oplossing voorschrijven, maar de ontwerp- en beoordelingsprincipes aangeven op het macroniveau. Bij het opstellen van de Omgevingsnota zijn deze Gouden Regels verder uitgewerkt. Deze Gouden Regels zijn vastgelegd in de Structuurvisie van de gemeente. Hieronder worden deze regels ‘geciteerd’. 1.

De Beemster is werelderfgoed en daarom moeten alle nieuwe ontwikkelingen voldoen aan de criteria van ‘Des Beemsters’. Dat houdt in dat elk ruimtelijk initiatief (bebouwing, water, wegen, landschap) opgevat moet worden als ontwerpopgave met de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van De Beemster als uitgangspunt. 2. De Beemster is een werkpolder: binnen de historisch bepaalde hoofdstructuur moet (ruimtelijke en functionele) verandering mogelijk zijn. 3. De hiërarchie in de ruimtelijke structuur is van groot naar klein: van De Beemster als geheel naar het architectonisch detail. 4. De landschappelijke openheid is een belangrijke, maar kwetsbare kwaliteit van De Beemster. De polder bestaat visueel-landschappelijk uit een aantal ‘kamers’, begrensd door randen met bebouwing en opgaande beplanting: de dorpen, de beboomde wegen met agrarische erven en de ringdijk. Eventuele verdichting in het buitengebied vindt alleen plaats in dezelfde zones en langs dezelfde wegdelen waar nu bebouwing staat. De openheid van de kamers blijft zo gewaarborgd. 5. Het hiërarchisch opgebouwde watersysteem, lopend vanaf de kavelsloten via het grid van de hoofdafwatering tot de Beemsterringvaart, is de blauwdruk voor de polderstructuur. Dit watersysteem, zoals in kaart vastgelegd op de Kopergravure (1644), moet gerespecteerd worden, zowel het tracé als het dwarsprofiel. 6.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://beemsterraadsinformatie.purmerend.nl/api/v1/meetings/1272/documents/18725