Nota omgevingskwaliteit Purmerend juli 2021.pdf
Tekst van het document
De wegen vormen de functionele ontsluitingsstructuur van De Beemster en begrenzen de ‘landschappelijke kamers’ van de polder. De wegprofielen zijn van essentieel belang: de weg zelf, bermen en eventuele taluds, de doorgaande boomstructuur, flankerende sloten. 7. Het erf is de ordenende bouwsteen van het buitengebied. Erfinrichting en bebouwing zijn onlosmakelijk verbonden met De Beemster als geheel. 8. Bebouwingsstructuren worden vanuit het grotere geheel benaderd: vanuit het landschap naar de bebouwing. De randen van de dorpskernen zijn van groter belang dan de binnengebieden. 9. Middenbeemster is vanuit cultuurhistorisch oogpunt de belangrijkste bebouwde structuur en moet letterlijk als middelpunt van De Beemster herkenbaar blijven. 10. Forten en stolpen worden als gestolde cultuurhistorische artefacten in stand gehouden. 11. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is intensief waar het moet: namelijk op alles wat ‘Des Beemsters’ is en raakt aan deze Gouden Regels; en neutraal waar het kan: op alle overige aspecten.
98
Essenties op mesoniveau In de beoordelingskaders van de Omgevingsnota zijn de ordenende principes en dragende kwaliteiten van de onderscheiden gebieden uitgewerkt. Deze ‘essenties’ kunnen gebruikt worden in de eerste fasen van het ontwerpproces; ze dienen als gesprekspunten in de dialoog tussen de initiatiefnemer van een plan, de bewoners en ondernemers van De Beemster en de gemeente. Indien er in het voortraject sprake is van begeleiding en advisering door de adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit, gebeurt dat in eerste instantie op basis van deze essenties. Ze vormen het scharnierpunt tussen de Gouden Regels en de beoordelingscriteria. Criteria voor ruimtelijke kwaliteit op microniveau De criteria voor ruimtelijke kwaliteit dienen ten slotte om concrete ingrepen in de omgeving te beoordelen. Deze criteria hebben vooral een borgende functie. De criteria voor ruimtelijk kwaliteit bevatten welstandscriteria voor bouwwerken en criteria voor ingrepen die niet aan welstandstoezicht onderhevig zijn. In combinatie met het algemene beoordelingskader voor monumenten zijn de criteria voor ruimtelijke kwaliteit ook bruikbaar voor de beoordeling van wijzigingen aan monumenten. Omdat de gemeente een integrale beoordeling voorstaat, zijn alle criteria samengebracht onder de noemer criteria voor ruimtelijke kwaliteit.
Regieniveaus De regie door de gemeente hoeft niet overal hetzelfde te zijn. Waar de uitzonderlijke kwaliteiten van De Beemster in het geding zijn, zal de gemeente zich bijzonder inspannen om die te behouden. Maar als het gaat om de binnengebieden, het weefsel van de woon- en werkgebieden achter de randen op de grens van bebouwde kom en buitengebied, die van secundair belang zijn voor de uitzonderlijke kwaliteiten van De Beemster, zal de gemeente zich terughoudend opstellen. Ruimtelijke kwaliteit heeft in die gebieden veel minder ‘collectieve’ betekenis, het is daar vooral aan de bewoners en ondernemers om hun leefomgeving vorm te geven zoals zij dat willen. In de Omgevingsnota worden drie regieniveaus onderscheiden: • Beschermend: bij veranderingen en ontwikkelingen aan of nabij aangewezen monumenten of in het beschermde gezicht, is de regie gericht op het beschermen van die waarde. Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk mits ze de te beschermen waarden ondersteunen. Bij beschermende regie is vaak – maar niet altijd - sprake van bescherming via de Monumentenwet. • Bijzonder: bij veranderingen en ontwikkelingen op plekken die primair ‘Des Beemsters’ zijn, is de regie gericht op het accentueren van de bijzonderheid: de betekenis van de ingreep voor de omgeving en zelfs voor De Beemster als geheel.
• Licht: bij veranderingen of ontwikkelingen in de binnengebieden, het gewone weefsel van de woon- en werkgebieden, is de regie gericht op het voorkomen van ingrepen die ernstig afbreuk zouden doen aan de ruimtelijke kwaliteit. In deze woon- en werkgebieden is de vrijheid voor burgers en ondernemers groter. Alle niveaus bieden ruimte voor vernieuwing. Ook bij beschermende regie, waar behoud en hergebruik voorop staat, is ruimte voor eigentijdse ingrepen.
99
3. WERELDERFGOED DE BEEMSTER 3.1. ONTSTAAN EN INRICHTING De polder De polder De Beemster is tussen 1608 en 1612 drooggemalen. Amsterdamse kooplieden financierden, onder andere met VOC-gelden en de verdiensten uit de Oostzeehandel, dit grootschalige landaanwinningsproject. Begin 17de eeuw bestond er een grote behoefte aan nieuwe en goede landbouwgrond. Bovendien dreigden de met elkaar verbonden binnenzeeën Schermermeer, Beemstermeer en Purmermeer door het afkalven van de oevers steeds groter te worden. Dat ging ten koste van de landbouwgrond en bedreigde de bebouwing aan de oevers. Tegen deze achtergrond gaven de Staten van Holland al in 1607 toestemming om het Beemstermeer droog te malen. Rond het meer werd een ringdijk met een ringvaart aangelegd. Op 19 mei 1612 viel De Beemster definitief droog, 7200 ha groot en grotendeels bestaand uit vruchtbare landbouwgrond. In 1644 maakte Balthasar Florisz van Berckenrode een kopergravure met een zeer gedetailleerde kaart van de nog jonge Beemster. Deze kopergravure laat de hoofdstructuur van de droogmakerij zien met het oorspronkelijke sloten- en wegenpatroon. Zoals de meeste droogmakerijen werd ook De Beemster geometrisch verkaveld. Zeer bijzonder is echter dat hier de klassieke proportieleer als basis voor de verkaveling is gekozen.
Hier heersen de principes van orde, ratio, van mathematische beginselen en van weloverwogen planning op een monumentale schaal. Uitgangspunt was de destijds als ‘ideaal’ beschouwde maatvoering. Rasters van wegen en afwateringstochten verdelen de ruimte in vierkante blokken. Zowel de wegen als de tochten vormen vierkanten van 1852 bij 1852 meter (oftewel 400 morgen). De twee rasters liggen los van elkaar: snijpunten van het ene raster liggen precies in het midden van de vierkanten van het andere raster. Zo ontstaan telkens vier vierkante polderblokken van 926 bij 926 meter, aan twee zijden begrensd door een weg en aan twee zijden door water. Deze polderblokken zijn weer opgedeeld in (meestal) vijf rechthoekige landbouwkavels van 185 bij 926 meter. De landbouwkavels sluiten aan de achterzijde aan op de hoofdafwatering en aan de voorzijde op de ontsluitingsstructuur. Per polderblok kon de keuze worden gemaakt voor noord-zuid of oost-west gerichte kavels. Beide komen voor. Zo is het karakteristieke Beemster bebouwingspatroon ontstaan: een neutraal grid van wegen, geflankeerd door (van oorsprong) agrarische erven langs wegdelen die grenzen aan de kopse kant van de kavels. De ligging van de rasters is bepaald door twee lijnen: de Middenweg (de langst mogelijke lijn in noord-zuidrichting) en de Middensloot.
Op basis van deze lijnen konden twee keer zes ‘ideale vierkanten’ worden geformeerd.
100