CConstaterende datBeemster
Koppel je AI →
Document · PDF

bestemmingsplan Rijperweg 129, toelichting en planregels.pdf

Gemeenteraad 26 januari 2021, gemeente BeemsterBij agendapunt: 4a: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Rijperweg 129.24.350 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet gevonden in dit document.

Andere agrarische bedrijven liggen op nog grotere afstand. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. 4.4

Bodemkwaliteit

Algemeen 40

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Aangetoond dient te worden dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Onderzoek Door Klijn bodemonderzoek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd met als doel om een indicatie te verkrijgen van de kwaliteit van de grond en het ondiepe grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het volledig onderzoeksrapport (projectnummer 20KL019, d.d. 13 februari 2020) is als Bijlage 4 aan deze onderbouwing toegevoegd. Samengevat wordt op basis van het bodemonderzoek geconcludeerd dat de locatie niet verdachte is op het voorkomen van asbest. Tijdens de werkzaamheden zijn geen asbestverdacht materialen aangetroffen. In de geanalyseerde grond(men)monsters zijn geen verhoogde gehalten met de onderzochte componenten geconstateerd. In het grondwater is een licht verhoogde gehalten aan barium en naftaleen geconstateerd. De geconstateerde verhoogde gehalten liggen onder de indexwaarde van 0,5 en/of interventiewaarde en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek.

Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein en de afgifte van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. 4.5

Externe veiligheid

Algemeen De externe veiligheid wordt bepaald door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in en rond het plangebied. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en beperkt kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal slachtoffers beperkt blijft.

Toelichting

41

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi (stb.

250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen. Onderzoek Buisleidingen Op een afstand van circa 300 meter ten oosten van de plek waar de huisvesting van de arbeidsmigranten wordt gerealiseerd bevindt zich een hogedrukgasleiding (zie figuur 10). Het betreft een leiding met een diameter 24 inch en een druk 66,2 bar van de Gasunie. Deze hogedrukgasleiding is in het bestemmingsplan Buitengebied 2012 bestemd als 'Leiding - Gas'. In de regels is bepaald dat binnen een afstand van 5 m aan weerszijden van de leiding niet gebouwd mag worden, met uitzondering van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de gasleiding zelf, waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 2 m. Het invloedsgebied van 42

Rijperweg 129 in Middenbeemster

deze leiding bedraagt 315 meter. De woonunits bevinden zich in het effectgebied met een warmtestraling tussen 4 en 10kW/m2. De bewoners/gebruikers van de woonunits zijn in deze situatie binnen afdoende beschermd. Plaatgebonden risico De gasleiding heeft geen plaatsgebonden risicocontour. Dit houdt in dat het plaatsgebonden risico van de leiding op de leiding ligt. Groepsrisico Het plangebied ligt voor een deel binnen het invloedsgebied van de gasleiding. Ten opzichte van de bestaande situatie veranderd er niets ten aanzien van het aantal arbeidsmigranten die op de locatie kunnen verblijven. In totaliteit is er plek voor de huisvesting van 40 arbeidsmigranten. Dit aantal wijzigt niet. De loods waarin de huisvesting van de arbeidsmigranten wordt gerealiseerd ligt op een grotere afstand van de buisleiding dan de aanwezige tijdelijke huisvestingvoorzieningen. De loods ligt op de grens van het invloedsgebied. Het groepsrisico van de leidingen neemt als gevolg van het plan daarom zeker niet toe.

Toelichting

43

Figuur 10: uitsnede risicokaart Ten oosten van het plangebied is verder de snelweg A7 aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor de A7 is geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 vastgesteld. Voor de omvang van het invloedsgebied van de A7 wordt uitgegaan van 355 meter voor LPG transporten (GF3)en 880 meter voor toxische stoffen (LT2). De loods waarin de huisvesting van de arbeidsmigranten wordt gerealiseerd ligt op circa 500 meter uit de A7. Zoals bij de het onderdeel buisleiding al is aangegeven is er qua huisvesting van de arbeidsmigranten geen verandering in aantallen ten opzichte van de bestaande situatie. De loods waarin de huisvesting van de arbeidsmigranten wordt gerealiseerd ligt ook op een grotere afstand van de snelweg A7 dan de aanwezige tijdelijke huisvestingsvoorzieningen. Het groepsrisico van snelweg A7 neemt als gevolg van het plan daarom zeker niet toe. Verder blijkt uit de risicoanalyse dat in de directe nabijheid van het plangebied geen 44

Rijperweg 129 in Middenbeemster

hoogspanningleidingen en Bevi-inrichtingen aanwezig zijn. De Veiligheidsregio Zaansteek-Waterland adviseert om de woonunits te voorzien van een afschakelbare ventilatie en zorg te dragen voor een adequate bluswatervoorziening en beheersmaatregelen voor het geval er een brand ontstaat. Conclusie Er is samengevat sprake van minimale externe veiligheidsrisico's. De adviezen van de Veiligheidsrehio worden overgenomen. Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. 4.6

Bedrijven en milieuzonering

Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne Toelichting

45

bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype tot rustig gebied:

Daarnaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. Onderzoek Aan de overzijde van de planlocatie, aan de Rijperweg 128, is een dierenpension aanwezig. Een dierenpension valt volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ in milieucategorie 3.2. De omgeving van het plangebied moet worden beschouwd als 'gemengd gebied'. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. Het plangebied ligt buiten deze afstand. Ten oosten van het plangebied, op circa 90 meter afstand vanuit de grens van het bouwvlak, is een agrarische bedrijfslocatie gelegen. Op basis van het vigerend bestemmingsplan mag deze locatie worden gebruikt voor aan het buitengebied gebonden bedrijven, waar uitsluitend of in hoofdzaak door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren producten worden voortgebracht, waaronder 46

Rijperweg 129 in Middenbeemster

mede wordt verstaan de met die activiteiten qua aard vergelijkbare activiteiten zoals paarden fokken/melken. Intensieve veehouderij is op de locatie niet toegestaan. Voor grondgebonden veehouderijbedrijven geldt voor het aspect geur op grond van de Wet milieubeheer een vaste afstand van 50 meter tussen (het emissiepunt van) een agrarisch bedrijf en een geurgevoelig object. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Andere agrarische bedrijven liggen op grotere afstand. Het voorliggende plan heeft geen negatieve gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven. Andersom wordt het plan niet gefrustreerd door de aanwezigheid van de bedrijven in de omgeving. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. 4.7

Water

Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal Toelichting

47

en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels In dit kader is bij ruimtelijke ontwikkeling de waterkwantiteit van belang: wanneer de oppervlakte aan verharding toeneemt, stroomt het hemelwater sneller af, wat kan leiden tot wateroverlast. Bij een oppervlaktetoename van verharding van meer dan 800 m2 is daarom compensatie verplicht. Dit houdt in dat nieuw water moet worden aangelegd. Een tweede belangrijk aspect is waterkwaliteit. In dit kader is het van belang dat de kwaliteit van oppervlaktewater binnen het plangebied niet verslechtert. In het plangebied van dit bestemmingsplan is beperkt oppervlaktewater aanwezig. Watertoets Op 5 februari 2020 is de digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat van de uitgevoerde watertoets is als Bijlage 5 aan deze toelichting toegevoegd. Door middel van de mail van 26 februari 2020 reageert het Hoogheemraadschap op de ingediende watertoets.

Op basis van de vragen uit de digitale watertoets, komt naar voren dat er sprake is van een waterbelang en dat de normale procedure moet worden gevolgd. Dit betekent dat hiervoor een watervergunning nodig is en dat het Hoogheemraadschap in overleg met initiatiefnemer wil bespreken hoe in het plan rekening kan worden gehouden de waterhuishoudkundige belangen. Voor de Beemster is een integraal compensatiepercentage van 10% ten opzichte van de verhardingtoename van toepassing. Waterkwantiteit Het plan voorziet in de uitbreiding van een bedrijfsgebouw met een oppervlakte van circa 2.523 m2 en 50 m2 aan oppervlakteverharding. Op grond van het compensatiepercentage van 10% betekent dit dat voor het plan 257,3 m2 aan vervangend water gegraven dient te worden. Initiatiefnemer geeft de voorkeur aan het realiseren van de watercompensatie door 48

Rijperweg 129 in Middenbeemster

het graven van een nieuwe watergang. In figuur 11 is de nieuw te graven watergang ingetekend. Deze watergang wordt 51,5 meter lang en 5 meter breed. Hiermee wordt voldaan aan het compensatiepercentage van 10%.

Figuur 11: te graven watergang Op ongeveer de plek waar het compensatiewater wordt gegraven lag in de jaren 80 ook een dwarssloot. De nieuwe sloot past derhalve binnen de uitgangspunten voor de kavelstructuur van de Kopergravure. In 2013 heeft initiatiefnemer een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing gerealiseerd met een oppervlakte van in totaliteit 1.679 m2. Er heeft toen ook watercompensatie plaatsgevonden door een erfsloot (niet zijnde een kopergravuresloot) achter de woning Rijperweg 126 te verbreden. Destijds is een toename gerealiseerd van 167,9 m2 aan oppervlaktewater. Het Hoogheemraadschap heeft hiervoor op 24 mei 2013 een watervergunning afgegeven (registratienummer 13.23334). Waterkwaliteit en riolering Schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de sloot. Afvalwater wordt geloosd op de septictank. Ten opzicht van de huidige situatie komt er niet meer afvalwater vrij omdat het bedrijf in de huidige situatie ook al huisvesting biedt aan 40 arbeidsmigranten. Verder worden alleen niet uitloogbare bouwmaterialen gebruikt. De waterkwaliteit zal als gevolg van het plan niet verslechteren. Toelichting

49

Onderhoud Voor de kavelsloten/ schouwsloten is de aanliggend eigenaar verantwoordelijk voor het onderhoud tot het midden van de sloot. Bij bebouwing die de toegang voor inspectie en materieel vanaf de oever belemmeren, is het van belang dat wordt toegelicht hoe inspectie en onderhoud na realisatie geborgd wordt. Omdat de nieuwbouw van de loods plaatsvindt daar waar geen kavelsloten of schouwsloten aanwezig zijn, heeft het plan geen negatief effect op de toegang voor inspectie en materieel. Conclusie Het aspect water staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Voor het graven van het oppervlaktewater ter compensatie van de toename aan verharding wordt een vergunning aangevraagd bij het HHNK. 4.8

Ecologie

Algemeen Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat geen strijdigheid ontstaat met de wetgeving ten aanzien van de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op circa 1,8 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Polder Zeevang (zie figuur 12). Gezien deze afstand worden geen negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden verwacht als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied. De delen van het NNN en de Natura 2000-gebieden liggen buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden in het projectgebied.

50

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Figuur 12: N2000 gebieden in de omgeving van het plangebied Soortenbescherming Bij de procedure in 2013 voor de realisatie van de bewaarloods heeft ecologisch adviesbureau Kruijssen geconstateerd dat door de lopende bedrijfsvoering al een verstoring optreedt vanwege geluid, verlichting en uitlaatgassen van machines en voertuigen op de aanwezige fauna. De betreffende bewaarloods is in figuur 13 weergegeven.

Toelichting

51

Figuur 13: bewaarloods (procedure gevoerd in 2013) Door het intensief agrarisch gebruik en de aanwezige bedrijvigheid is geconstateerd dat ter plaatse van het projectgebied geen broedvogels te verwachten waren. De bouw van de loods heeft dan ook geen effect op de in de omgeving voorkomende broedvogels. De nieuwe loods wordt gebouwd in het verlengde van de loods die in 2013 is gebouwd. Op de luchtfoto in figuur 13 is te zien dat dit perceel ook wordt gebruikt ten behoeve van de intensieve agrarische bedrijfsvoering. Het bouwperceel is in gebruik als productiegras. De omgeving van de boerderij valt onder de categorie intensieve landbouwcultuur. Inventarisatie van het perceel Het productiegras bestaat uit een soortenarm mengsel van grassen waarin Engels raaigras domineert. Kruiden zijn niet of nauwelijks aanwezig. Beschermde plantensoorten zijn niet te verwachten. 52

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Algemeen voorkomende vogelsoorten in de Beemster zijn de Kievit (krijsen 2013), fazant, scholekster, bergeend, gele kwikstaart (Kruijsen, 2007). Voor deze soorten geldt in het algemeen dat wel enige begroeiing in min of meerdere mate aanwezig moet zijn in het voortplantingsseizoen. Omdat opgaande beplanting ontbreekt kan worden uitgesloten dat broedvoegels binnen het plangebied voorkomen. Gezien het karakter van het bouwperceel zijn nauwelijks andere diersoorten te verwachten. Het enige zoogdier dat regelmatig op de kale akkers is te verwachten is de haas die algemeen in de Beemster voorkomt en waarop wordt gejaagd. Voortplanting van de haas op het bouwperceel is niet verwachten vanwege de korte afstand tot aan de bedrijfsbebouwing en -activiteiten. In de zomer jagen vleermuizen langs de bomen op de Rijperweg en naar verwachting zo af en toe ook boven het erf van de boerderij. Omdat er geen bomen worden gekapt enl lijnvormige structuurelementen verdwijnen, heeft het plan geen negatief effect op de vleermuizen. Buiten het voortplantingsseizoen (herfst en winter) zijn in de Beemster op kaal akkerland lokaal eenden met name bergeenden, nijlganzen en grauwe ganzen te verwachten. Dit blijkt bijv. uit waarnemingen van derden in deelgebied “Beemster – Nekkerweg” op www.waarneming.nl.

Ook voor eenden en ganzen geldt, dat een te besloten landschap zoals het bouwperceel nabij het erf van de boerderij en de Rijperweg geen aantrekkelijk leefmilieu is. Toetsing De bouw van de nieuwe loods levert mogelijk verstoring op vanwege geluid, verlichting, uitlaatgassen van machines en voertuigen etc. Dit effect is tijdelijk. Bovendien heeft de bestaande bedrijfsvoering ook al een effect op de omgeving waardoor de verstoring tijdens de bouwfase verwaarloosbaar is op de fauna in de omgeving. Met het verdwijnen van het productiegras ter plaatse van het bouwperceel verdwijnen ter plaatse alleen een paar algemene plantensoorten en de hieraan gekoppelde soorten ongewervelden die ook algemeen zijn (kevers, spinnen, vliegen, bladluizen etc.). Alle soorten planten en dieren ter plaatse zijn niet beschermd conform de Wet natuurbescherming. Het toepassen van een gedragscode of het aanvragen van een ontheffing is dan ook Toelichting

53

niet nodig. Dat laatste geldt ook voor de algemeen beschermde haas die af en toe op de akkers wordt waargenomen. Ook broedvogels zijn algemeen beschermd in ons land. Ter plaatse van de nieuwe loods zijn geen broedvogels te verwachten. De aanleg binnen of buiten het vogelbroedseizoen zal dan ook geen effect sorteren op de voorkomende broedvogels in de omgeving. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten niet beschermd. Stikstof In de bouwfase komt NOx vrij bij het verkeer van en naar de bouwplaats en machines met een verbrandingsmotor. Dit kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie op N2000 gebieden. In paragraaf 4.2 is beschreven dat de verkeersbewegingen van en naar de locatie in de gebruiksfase zullen afnemen omdat de af- en aanvoer van de kisten met knoflook per vrachtauto naar de huurlocaties in de omgeving komt te vervallen. Een wijziging van andere stikstofemissiebronnen in de gebruiksfase worden niet voorzien. De warmtevraag (verbranding van gas) van de huisvesting van de arbeidsmigranten blijft gelijk omdat het aantal te huisvesten personen gelijk blijft. Door een betere isolatie van de nieuwe huisvesting treedt er mogelijk zelf een daling op van het gasverbruik.

Voor de gebruiksfase staat het vast dat de stikstofemissie zal dalen vanwege een vermindering van de verkeersbewegingen en mogelijk een afname van het gasverbruik. In de bouwfase is sprake van een (tijdelijke) toename van de stikstofemissie. Met behulp van Aerius Calculator is berekend of de toename van de NOx emissie in de bouwfase zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie in de N2000 gebieden. Hierbij is uitgegaan van de worst case scenario doordat op de randen van de gebieden is gerekend. Uit de Aerius berekening blijkt dat er geen deposities optreden boven de 0,00 mol N / ha/jaar. Op grond hiervan staat vast is dat het plan geen significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. De berekening is als Bijlage 6 aan deze toelichting toegevoegd. Het gegeven dat zowel de bouw- als de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie veroorzaakt op enig Natura 2000 gebied is de zekerheid verkregen 54

Rijperweg 129 in Middenbeemster

dat het plan de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden in ieder geval niet zal aantasten. Conclusie Het aspect ecologie staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 4.9

Archeologie

Algemeen Als gevolg van het Verdrag van Malta (Valletta) zijn overheden verplicht om in het ruimtelijke beleid zorgvuldig om te gaan met het archeologische erfgoed. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient, voordat er bodemingrepen plaatsvinden, een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd. De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed was tot voor kort vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988, met een nadere uitwerking in de Wet op de Archeologische MonumentenZorg (Wamz) uit 2007. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden waarmee de Monumentenwet 1988 is vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet, is in het overgangsrecht van de Erfgoedwet bepaald dat de regels met betrekking tot archeologie uit de Monumentenwet 1988 ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

Belangrijke uitgangspunten uit de Monumentenwet 1988, zoals de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem en het inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening en de financiering van onderzoek (‘de verstoorder betaalt’), blijven dus onverminderd van kracht. Onderzoek De gemeente Beemster heeft haar gemeentelijk archeologiebeleid verwoord in de Beleidsnota Archeologie Gemeente Beemster 2003. Door middel van archeologie-criteria is aangegeven welk niveau van Toelichting

55

archologiebeleid in een bepaald gebied geldt. Er is een inventarisatie verricht naar voor het gemeentelijk beleid relevante terreinen, die (vermoedelijk) archologisch waardevol zijn. Mogelijk archeologische waardevolle vindplaatsen zijn aangegeven op de kaart behorende bij de voornoemde nota. De locatie ligt op de archeologische beleidskaart in het ‘overige gebied’ waarbij een lage verwachting geldt op het aantreffen van archeologische resten. In 2008 heeft de gemeenteraad van Beemster dan ook besloten dat voor het overig gebied archeologisch onderzoek vervalt. Dit is echter foutief in het bestemmingsplan Buitengebied 2012 opgenomen. Gezien de ligging van het perceel Rijperweg 129 is de kans op archeologische (toevals)vondsten niet aanwezig. Daarom is in het nu voorliggende bestemmingsplan geen dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied van dit bestemmingsplan. 4.10

Verkeer en parkeren

Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is onderzoek naar het effect van de voorgenomen ontwikkelingen op de verkeers- en infrastructuur. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeersgeneratie, de verkeersveiligheid en het parkeren. Onderzoek / toetsing De locatie aan de Rijperweg 129 is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg plaatsvindt. Op het erf is voldoende gelegenheid voor personenauto's, tractoren en vrachtwagens om te keren waardoor wordt voorkomen dat voertuigen achteruit rijdend het erf moeten verlaten. Dit bevordert de verkeersveiligheid. In paragraaf 4.2 is beschreven dat de voorgenomen ontwikkelingen geen toename zullen veroorzaken van het aantal verkeersbewegingen, maar eerder een afname van het aantal bewegingen met zwaar verkeer. De belasting van de aanwezige infrastructuur zal daarom verminderen. Ook kan worden gesteld dat de capaciteit 56

Rijperweg 129 in Middenbeemster

van de ontsluitingsweg geen belemmering vormt voor het plan. Ook na realisatie van de plannen is op het eigen terrein meer dan voldoende gelegenheid voor zowel tractoren, vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. De personenauto's van de arbeidsmigranten worden inpandig geparkeerd. Er vindt geen afwenteling van het parkeren plaats op / langs de openbare weg. Conclusie Omdat het aantal verkeersbewegingen per saldo iets afneemt, het keren en parkeren plaatsvindt op het eigen erf wordt geconcludeerd dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid. 4.11

M.e.r.-beoordeling

Beleid Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningen, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieu-effectrapportage opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit m.e.r. is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er drie mogelijkheden: 1. bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r. en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe m.e.r.-plicht. In dat geval dient een m.e.r. opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project die onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden die in onderdeel D gegeven worden ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt. 2. indien er geen directe m.e.r.-plicht geldt, kan er wel een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven onder de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen.

Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan dit moet in de toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor Toelichting

57

het milieu niet uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. Analyse De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r. De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden.

D.11.2

Activiteit

Gevallen

Besluit

De aanleg, wijziging of

In gevallen waarin de

De vaststelling van

uitbreiding van een

activiteit betrekking

het plan, bedoeld

stedelijk

heeft op:

in artikel 3.6, eerste

ontwikkelingsproject,

1: een oppervlakte van

lid,

met inbegrip van de

100 hectare of meer,

onderdelen a en b,

bouw van winkelcentra of 2. een aaneengesloten

van de Wet

parkeerterreinen.

gebied en 2.000 of

ruimtelijke

meer woningen omvat,

ordening --> het

of

bestemmingsplan

3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Dit betekent dat het verplicht is een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht uit te voeren. De inhoudelijke vereisten voor deze beoordeling staan benoemd in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. Hierin staat dat de voorgenomen activiteiten aan de volgende drie aspecten moeten worden getoetst: 1. kenmerken van het project; 2. plaats van het project; 3. kenmerken van het potentiële effect. De kenmerken van het voornemen en de potentiële effecten Het plan omvat de bouw van een loods bij een agrarisch bedrijf en blijft ver onder de hierboven genoemde drempelwaarden. Hierbij kan er van worden uitgegaan, gelet op de kenmerken en de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect, dat dit niet gepaard gaat met een toename aan verkeersintensiteiten en 58

Rijperweg 129 in Middenbeemster

daarmee gepaard gaande milieubelasting (geluid, luchtkwaliteit) ten opzichte van de huidige situatie. De plaats van de uitbreiding (ligging ten opzichte van gevoelige gebieden) Het plangebied ligt in het buitengebied met daaromheen bedrijven, woningen en andere agrarische bedrijven. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van beschermde natuurgebieden. De conclusie op grond van bovenstaande is, dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht. Zie hiervoor ook de voorgaande paragrafen. De voorgenomen activiteit is niet aan te merken als een project waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het valt tevens onder de drempelwaarde van onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r. Er is dan ook geen plicht tot het doen van een m.e.r.-beoordeling. Conclusie Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Het is dus niet noodzakelijk om een m.e.r. op te starten.

Toelichting

59

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving Dit hoofdstuk bevat de toelichting op de gekozen planvorm, die van een gedetailleerd bestemmingsplan. Tevens geeft het inzicht in de overwegingen die aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen. 5.1

Planvorm

Het onderhavige plan voorziet in een actueel en adequaat juridisch kader voor ontwikkeling en beheer van het plangebied. Het is een plan op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Gezien het gewenste behoud van de ruimtelijke en functionele structuur en de beperkte mate van ontwikkeling is gekozen voor een gedetailleerde planvorm. Deze planvorm maakt het mogelijk alle aanwezige functies in het plangebied te voorzien van een gedetailleerde bestemmingsregeling waardoor de ruimtelijke kwaliteit in het gebied als zodanig kan worden beheerd en behouden. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft omtrent de in acht te nemen horizontale en verticale maten. In de bijbehorende voorschriften zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksbepalingen alsmede de eventuele afwijkingsmogelijkheden te vinden. Voor een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat de in het bestemmingsplan gestelde regels zodanig zijn opgesteld dat deze (goed) te handhaven zijn.

Het gemeentebestuur is van oordeel dat de regels in het onderhavige plan voldoen aan deze eis. 5.2

Bestemmingsregeling

De verschillende in het plangebied aanwezige functies zijn in overwegende mate overeenkomstig hun huidige gebruik bestemd. Een aantal regelingen is hieronder toegelicht. Bestemmingsregels

60

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Agrarisch De reële en volwaardige agrarische bedrijven inclusief vollegrondstuinbouwbedrijven vallen binnen deze bestemming. Hierbinnen zijn bouwregels gegeven voor vier verschillende categorieën: bouwregels voor bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning; bouwregels voor pronkgevels; bouwregels voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen; bouwregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde. De ervenstudie (Handboek 'Ontwerp uw eigen erf', 2014) geeft aan dat grote bedrijfsgebouwen op ten minste 18 m van de achtergevel van de woning of stolp moet liggen. Voor kleine bij- of bedrijfsgebouwen geldt dit niet. Algemene regels Anti-dubbeltelregel Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat grond die al in aanmerking is genomen of betrokken is bij het verlenen van een vergunning niet nog een keer wordt betrokken bij een aanvraag om omgevingsvergunning. Hierdoor wordt voorkomen dat met gebruikmaking van privaatrechtelijke overeenkomsten, de publiekrechtelijke regels worden ondergraven. Algemene bouwregels In dit artikel worden regels gegeven voor bouwwerken die op twee of meer bestemmingen van toepassing zijn. Ondergrondse bouw De regels die van toepassing zijn op bovengrondse bouw zijn ook van toepassing op ondergrondse bouw. Het onderhavige bestemmingsplan verbindt daar de regel aan dat qua diepte ondergrondse bouw beperkt moet blijven tot ten hoogste één bouwlaag.

Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling is opgenomen wat onder verboden gebruik van de gronden wordt verstaan. Algemene afwijkingsregels Dit artikel geeft een regeling voor het geval dit voor een betere technische Toelichting

61

realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.

62

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

Het plan wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor de omgevingsvergunning zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Met de initiatiefnemer is voor de ruimelijke procedure een anterieure overeenkomst gesloten. De hoogte van het kostenverhaal is door middel van de Plankostenscan berekend. Voor de gemeente zijn er geen andere kosten verbonden aan dit plan, waardoor het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voert met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn. Het voorliggende initiatief is op 6 januari 2020 in het goede dienstenoverleg besproken met de provincie. Afgestemd is dat het bestemmingsplan op de gebruikelijke manier, in het kader van het vooroverleg, wordt voorgelegd aan de provincie. 6.2.2

Zienswijze

Het ontwerp bestemmingsplan ligt gedurende een periode van 6 weken voor een ieder ter inzage, zoals dit is voorgeschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Algemene wet bestuursrecht. Er is gedurende de termijn gelegenheid om zienswijzen in te dienen. Van deze gelegenheid is wel/geen gebruik gemaakt.

Toelichting

63

Bijlagen

64

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Bijlage 1

Principeuitspraak gemeente

Toelichting

65

a

I

I

I

I

N N ffiffiffiffitrffiYffiM

NN

WERELDERFGOED

,.

Domein Ruimtelijk ïeam Ontwikkeling

Ltw brief van

15 november 2018

Beemster Garlic B.V. t.a.v. de mevr. M. Kruiswijk - Oosterom Rijpenrveg 129 1462 MH MIDDENBEEMSTER

:*

kenmerk

ons kenmerk

datum

04391 29886

4 april 2019 y§ffitrffifl.§ffiffiru

onderwerp

r#ÀFm.rffir$

Principe-uitspraak uitbreiding Beemster Garlic en huisvesting arbeidsmigranten Geachte mevrouw Kruiswijk - Oosterom,

Op 15 november 2018 ontvÍngen wij uw principeverzoek voor:

- uitbreiding van huidig bouwblok naar 2 hectare; - vergunning voor verlenging huidíge knoflookbewaarschuur; - vergunning voor realisatie permanente huisvesting voor 20 personen; - verlenging tijdelijke vergunning voor huisvesting van 20 personen in huidige woonunits; op het perceel van Beemster Garlic, Rijperweg 129 te Middenbeemster.

Achtergrond De achtergrond van uw verzoek is dat Beemster GarÍíc een toekomstbestendig bedrijf wil realiseren. U geeft aan dat op 1 september 2018 in totaal 45 hectare landbouwgrond is aangekocht om zowel het akkerbouwbedrijf als het melkveehouderijbedrijf op een verantwoorde, grondgebonden wijze te laten groeien met het oog op bedrijfscontinuiïeit.

Uitbreiding van huidig bouwblok naar 2 hectare U laat weten dat een verwezenlijking van de gewenste planvorming niet past binnen het huidige bouwvlak, zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Het gewenste bouwblok is 120 meter breed en 166,60 meter lang, wat te maken heeft met aanwezigheid van twee volwaardige agrarische bedrijven op één locatie. Vorm en grootte worden grotendeels bepaald door gewenste uitbreiding van knoflookbewaarschuur. Ook is 166,60 meter lengte gewenst om uitbreidingsmogelijkheden te hebben voor het melkveebedrijf en de gewenste permanente huisvesting. Tussen bedrijfsgebouwen en gewenste permanente huisvesting is 25 meter ruimte gewenst om een brandveilige situatie te realiseren. Vergunning voor verlenging huidige knoflookbewaarschuur Van het kweek- en veruverkingsproces voert Beemster Garlic alleen het bewaren van de knoflook niet volledig in eigen beheer uit. Bijna de helft van alle knoflook wordt bij externe bedrijven met speciale koelcellen bewaar.d. U geeft aan dat de externe bewaring hogere kosten, (bedrijfs)onzekerheid, mindere kwaliteit en meer transport met zich mee brengt.

bijlage(n): Geen behandeld door: E. van Diik

telefoonnummer 0299 - 45 27 49

N \NN Postadres: Postbus 7, 1462 ZG Middenbeemster Telefoon: 0299 452 452

W Website: www.beemster. net

§m

W

geadresseerde Beemster Garlic B.V.

ons kenmerk datum 0439129880 4 april 2019

Verder is het van belang om de zelf verbeterde bewaartechnologie in aangepaste koelcellen, omwille van de concurrentiepositie niet toe te passen bij externe bewaarbedrijven. Het is de bedoeling 90 procent van de knoflook op de Rijperweg te bewaren. Daartoe is een verlenging van de bewaarschuur aan de westkant nodig: Langs deze schuur wordt een streekeigen bomenrij aangeplant.

r$

Vergunning voor realisatie permanente huisvesting voor 20 personen ln 2011 heeft de stichting Agrarische beoordelingscommissie de noodzaakvan huisvesting voor 40 arbeidsmigranten aangetoond. U geeft aan dat de arbeidsbehoefte en de daarbij noodzakelijke huisvestingsvraag sindsdien alleen maar groter is geworden op uw bedrijf. De huidige tijdelijke vergunning voor huisvesting in woonunits van 40 personen loopt in 2020 af . Beemster Garlic wil het personeel in de toekomst een gedegen huisvesting bieden en vraagt daarom een vergunning aan voor permanente huisvesting. Tussen bedrijfsgebouwen en gewenste permanente huisvesting is 25 meter ruimte gewenst om een brandveilige situatie te realiseren. Vertenging tijdetijke vergunning voor huisvesting van 20 personen in huidige woonanits Beemster Garlic wenst de permanente huisvesting voor 40 personen in twee fasen te realiseren. De eerste fase geschiedt vóór het aflopen van de huidige, tijdelijke vergunning, de tweede fase geschiedt over 5 jaar. Beide fasen omvatten realisatie van permanente huisvesting van 20 personen. Om 40 personen te kunnen blijven huisvesten wordt verzocht om ook de huidige vergunning voor het huisvesten van 40 personen in woonunits te "halveren" naar 20 personen voor een maximum periode van 5 jaar na 2020.

Uitspraak principeverzoek In beginsel hebben wij een positieve grondhouding ten aanzien van het verzoek, waaraan wijwel de nodige voonruaarden verbinden. De motivering en de voorwaarden volgen hierna.

Beoordeling plan Bestemmingsplan Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" kent de locatie waar het verzoek betrekking op heeft de bestemming 'Agrarisch'. Het van toepassing zijnde bouwvlak is 93 meter breed en 1 50 meter diep (1,4 hectare). Op 5 december 2013 is een projectbesluit genomen om de bouw van een schuur ten westen van dit bouwvlak mogelijk te maken voor de opslag van kisten en machines en voor UlO-koelcellen. Voor de units waar arbeidsmigranten worden gehuisvest, is een omgevingsvergunning verleend voor een tijdel'rjke afwijking van het bestemmingsplan voor een periode van 5 jaar tot 2024. Uw verzoek is in strijd met het bestemmingsplan. Het betreft'bouwen buiten het bouwvlak'. Er wordt een verdere vergroting van het bouwvlak voorgestaan tot 2 hectare ten behoeve van 2 schuren en huisvesting van arbeidsmigranten.

Uitbreiding van huidig bouwblok naar 2 hectare Zowel gemeentelijk als provinciaal beleid bieden in beginsel basis voor bedrijfsuitbreiding tot maximaal 2 hectare en de huisvesting van arbeidsmigranten. Gezien de planologische mogelijkheden waar gebruik van wordt gemaakt én de voorgenomen uitbreidingen wordt geconcludeerd dat de grote openheid van het landschap wordt aangetast. Aantasting van deze openheid is echter niet wenselijk. Daarom is het van belang dat de economische noodzaak van het voornemen wordt aangetoond.

geadresseerde Beemster Garlic B.V.

ons kenmerk 04391 29886

datum 4 april 20ï S

Gelet hierop kan planologische medewerking worden overwogen als overeenstemming wordt bereikt over een Des Beemsters verantwoorde stedenbouwkundige invulling én na deskundig agrarisch advies van Stichting Agrarische beoordelingscommissie (Stichting Abc) omtrent de volwaardigheid van het bedrijf en de (economische) noodzaak van de bedrijfsuitbreiding en arbeidsmigrantenhuisvesting. Het is dus nodig om een concreet bouwplan aan te leveren, opdat een uitspraak gedaan kan worden over de stedenbouwkundige invulling van de beoogde bebouwingen. Daarom dient u na een positief advies van Stichting Abc alsnog een (meer) uitgewerkte bouMekening te overleggen ten behoeve van een definitieve stedenbouwkundige beoordeling. Het advies van de Stichting Abc dient aanvullend en geactualiseerd te zijn ten opzichte van de advisering van commissie van acht jaar geleden. Vergunning voor verlenging huidige knoftookbewaarschuur Voor een verlenging van de bestaande knoflookbewaarschuur geldt hetzelfde als voor een uitbreiding van het huidige bouwblok naar 2 hectare. De velenging is namelijk onderdeel van het bouwplan waarvoor vergroting van het bouwvlak nodig is.

Ook op dit punt kan planologische medewerking worden overwogen als overeenstémming wordt bereikt over een Des Beemsters verantwoorde stedenbouwkundige invulling én na deskundig agrarisch advies van Stichting Agrarische beoordelingscommissie omtrent de volwaardigheid van het bedrijf en de (economische) noodzaak van de bedrijfsuitbreiding Vergunníng voor realísatie permanente huisvesting voor 20 personen Op zich is er geen bezwaar tegen het realiseren van adequate (permanente) huisvesting voor personeel op eigen terrein. Personeel hoeft dan niet naar alternatieve vormen van woonruimte te zoeken, dis wellicht niet altijd even geschikt, betaalbaar en veilig is of geschikt is met het oog op een te grote belasting van de leefbaarheid in de straat of buurt. Verlenging tÍjdelijke vergunning voor huisvesting van 20 personen in huidige woonunits Beemster Garlic wenst permanente huisvesting voor 20 én tijdelijk extra 20 arbeidsmigranten in vrijstaande huisvesting. Die extra 20 zouden nu nog nodig zijn, maar misschien op termijn door bedrijfstechniek niet meer. Bovendien zou permanente huisvesting van 40 arbeidsmigranten nu financieel niet haalbaar zijn. Bel e id sn ota H u i sv e sti ng Arbe i d sm igra nte n De gemeentelijke Beleidsnota Huisvesting Arbeidsmigranten uit 2009 stelt verschillende voorwaarden aan het oprichten van vrijstaande huisvesting bij bedrijven in het buitengebied.

Zo moet er een door de eigenaar, of een door hem gedelegeerde bedrijfsleider of beheerder bewoonde bedrijfswoning aanwezig zijn. Onderkomens zijn toegestaan met een maximaal gebruiksoppervlakte (GBO) van 200m2 (exclusief recreatieruimten). Daarnaast staat de beleidsnota maximaal 20 arbeidsmígranten in vrijstaande huisvesting toe.

Voor huisvesting in bestaande of nieuwe in gebruik zijnde bedrijfsbebouwing gelden nagenoeg dezelfde voorwaarwaarden, met het verschil dat er niet meer dan 15 kamers zijn voor in totaal niet meer dan 30 personen. De regeling is zo dat werkgevers gebruik"kunnen maken van beide mogelijkheden, maar dat er nooit meer dan in totaal 30 personen gehuisvest mogen worden. Het huisvesten blijft een ondergesch ikte nevenactiviteit van de bed rijfsvoeri ng.

blz. 3

Eeadresseerde Beemster Garlic B.V.

on§ kenmerk 04391 29886

datum 4 april 2019

passen) agrarisch De huisvesting - in welke vorm dan ook - moet passen binnen het (aan te woonkamer bouwblok, zoàs opgenomen in een bestemmingsplan. Een recreatieruimte of en de moet net als een reíXen aanwezig zijn. Verrommeling dient te worden tegengegaan aanzien. landelijk het huisvesting mag niet verstorend zijn voor per verzoek wordt gekeken naar de omvang van het bedrijf en de locatie. Bij deze worden mogelijkheden moàen de eisen, voortkomende uit milieuwetgeving, goed t1 acht g"órn"n, zodat omliggende bedrijven niet worden gehinderd in hun bedrijfsvoering ten geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit). [evotge van de nuisvËËting (milieucirkels, geur, Het verzoek voor zowel permanente als tijdelijke huisvesting van in totaal mijranten zal onderdeel uitmaken van de toets door Stichting Abc'

40 arbeids-

Overige aspecten uitbreiding, Ten aanzien van verkeer en parkeren is er geen bezwaar tegen de voorgestelde de zullen terrein eigen op opslag de Met zolang alles op eigen terrein wordt opgelost. grote met voertuigbewegingen tusseÉtildse transporten afnemen. Oitècheelt veel voertuigen, wat een positief effect heeft op de directe omgeving. rekening houdend Te verwachten valt dat het gebruik van vuilwater zal toenemen- Daarmee worden' zal een meervoudige rioolaànsluiting (septictank) aangebracht moeten gevoerd-moeten worden in Gelet op de impact op het landschap zal een zorgvuldig proces het Cultureel Erfgoed. voor samenwerking met irovincie Noord-Holland en oe Riltsoienst lndien nodig légt de rijksdienst het voorstel door naar UNESCO-

Principe-uitsPraak

Sà*órï""it"rà r"gg"n wij in beginsel planologische medewerking toe aan het door u ingediende princiPeverzoek voor: uitbreiding van huidig bouwblok naar 2 hectare; vergunning voor verÉnging huidige knoflookbewaarschuur; ,erlunning voor reatisatie permanente huisvesting voor maximaal20 personen; ,erlunning voor tijdelijke huisvesting van maximaal 20 personen in huidige woonunits; met in àchtneming van de Beleidsnota Huisvesting Arbeidsmigranten'

-

Voorwaarden Aan planologische medewerking verbinden wij de volgende voorwaarden: gezien dé omvang van het ploject wordt medewerking uitsluitend verleend middels een van de Wet aanvraag tot vàitËtelling van e'en bëstemmingsplan in de zin van artikel 3'1 gewenste ontwikkelingen: om Garlic, ruimtelijÈe ordening voo,-r het perceel van Beemster uitbreiding huidig bouwblok naar 2 hectare; verlenging huidige knoflookbewaarschuur; realisatie permanente huisvesting voor maximaal 20 personen; mogelijk te kunnen maken; van het in combinatie met een omgevingsvergunning voor een tijdelijke_afwijking arbeidsmigranten maximaal20 van bestemmingsplan fan eeritildef;fe nuisvesting gefaciliteerd worden; te worden: i-n het op te stellen bestemmingsplan dient ook verwerkt oprichten van een berging ten het voor 2013 5-december van het protéCtoestuit westen van het huidige bouwblok; de omgevingsvergun-ning van 8 augustus 2013 voor het geheel vernieuwen, vergroien en verplaatsen van de bedrijfswoning;

-

'r r

-

-

'

. .

geadresseerde Beemster Garlic B.V.

ons kenmerk 04391 29886

datum 4 april 2019

- na ondertekening van een anterieure overeenkomst zal Stichting Agrarische t,

-

beoordelingscommissie (Abc) schriftelijk verzocht worden advies uit te brengen met betrekking tot de volwaardigheid van het bedrijf en de noodzaak van de gewenste bed rijfsu itbreid in g en a rbeidsm igrantenhuisvesting ; na een positief advies van Stichting Abc dient u uitgewerkte bouwtekeningen te overleggen ten behoeve van de definitieve beoordeling van het plan door Landschap & Vormgeving ten behoeve van een Des Beemsters verantwoorde stedenbouwkundige invulling; na accordering van het plan door Landschap & Vormgeving kunt u om een gecoördineerde procedure verzoeken (bestemmingsplan plus een aanvraag omgevingsvergunning), waarbij op eigen kosten het bestemmingsplan aangeleverd wordt; in de toelichting van het bestemmingsplan (en een eventuele ruimtelijke onderbouwing voor een omgevingsvergunning) moet helder zijn aangegeven hoe: uitbreiding van het huidige bouwblok naar 2 hectare gemotiveerd wordt, in zowel ruimtelijke zin als in bedrijfstechnische zin; verlenging van de huidige knoflookschuur landschappelijk wordt ingepast; huisvesting van arbeidsmigranten gaat plaatsvinden. Daarbij dient duidelijk aangegeven te worden wat de noodzaak is voor de permanente huisvesting van maximaal 20 personen plus een tijdelijke huisvesting van maximaal 20 personen, overeenkomstig het advies van Stichting Abc.

Bij tijdelijke huisvesting zal ook aangegeven moeten worden voor welke periode de tijdelijkheid zal gelden. Daarbij moet ook rekening gehouden worden met mogelijke kabels en leidingen in de ondergrond en de eisen van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier; er dient aandacht te zijn voor de afvoer van vuilwater; het bepaalde in artikel 3 "Agrarisch" van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" is overeenkomstig van t6epassing, voor zowel de bouwregels als de gebruiksregels; economische uitvoerbaarheid dient te zijn gewaarborgd, in die zin dat alle mogelijke kosten (gemeentelijke plankosten, eventuele noodzakelijke aanpassingen aan de omliggende boven- en ondergrondse openbare infrastructuur, en eventuele planschadekosten) op de initiatiefnemer worden verhaald. Daartoe dient een anterieure overeenkomst gesloten te worden; kosten voor het laten opstellen van een bestemmingsplan (en een eventuele ruimtelijke onderbouwing voor een omgevingsvergunning), alsmede de kosten voor de onderliggende onderzoeken komen voor rekening van de initiatiefnemer.

. . .

-

-

Gewezen wordt op het belang van de ruimtelijke onderbouwing voor het project in de toelichting van het bestemmingsplan (en bij een omgevingsvergunning om tijdelijk af te wijken van het geldende bestemmingsplan). Daarin moet het project worden getoetst aan al het geldende overheidsbeleid. Ook moet een verantwoording gegeven worden hoe het project zich verhoudt tot alle omgevingsaspecten. ln het bijzonder wordt gewezen op het belang van voldoende ruimtelijke kwaliteit en de inpassing in het cultuurhistorische landschap van de Beemster.

Als het project gepaard gaat met activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, geven wij in overuveging ons te verzoeken het bestemmingsplan gecoördineerd met een aanvraag voor een omgevingsvergunning in procedure te brengen. ln het kader van deze principe-uitspraak willen wij eerst nader inzicht verkrijgen in de economische uitvoerbaarheid van dit project. Ten behoeve van een nader (ambtelijk) onderzoek verzoeken wij u eerst, voordat vervolgstappen in de vormgeving van dit project worden genomen, contact op te nemen met mevrouw H. Veltmeijer, telefoonnummer 0299 - 45 2578.

blz. 5

geadresseerde Beemster Garlic B.V.

or?s kenmerft 04391 29886

blz. í

datum 4 aprit 2019

61

Vooroverleg en aanvraag uitvoerbaarheid van het project, kan Nadat duidelijkheid is veikregen over de economische worden gpstart. Daarbij het proces voor de totstandkóming van eèÀ oestemmingsplan de .on""ii vàn hetbestémmingspran ter beoordeling aan adviseren wij nadrukker.rjk om u en tussen overleg aanteiding hiervan kan eventueel een gemeente voor te f"öd;. wàar""n van een overleg kunt u contact met de de gemeente plaatsiËàèn. Voo1" het plannen contactgegevens' gemeente opn"r"n ,ia de onderaan in deze brief vermelde is vordaan en gezamenlijk tot ían het ontwerpbestemmingsplan met alle het oordeelwordt gekomen dat het "on.Lft tot het indienen van een aanvraag tot bijbehorende sturren óàË"0 is, kunt u ór!tg""n artiker 3.1, lid 1 van de wet ruimtelijke vaststering ,"n u"n'oà.-t"^mingspran iÀ oé"zin van Beemster' Nadat deze aanvraag is ordening bij de gemeenteraaO vàn de gémeente ln grote lijnen behelst dit het ingediend, zal deplanologiscne procedurà woroen opgestart. oàiarerpnestemmingsplan gedurende wettelijk voorove1eg, de terinz"gef"ggiÀg ,àn ""n door de raad en welke termijn zienswijzen kunnen wordei ingebracht,.vaststelling met daaraan gekoppeld een terinzagelegging ,rn'[àt u"ttgestelde bestómingsplan het bestemmingsplan in werking beroepstermijn. Na afloop van de n".àp.iài*ín iéot é"n ingèàieno verzoek om voortopige voorziening).

Ars aan de gesterde voonuaarden van de beginseruitspraak

oàÉórà"",

tnformatief karakter

karakter heeft' wij hebben hiervoor principev-erzoek' Tegen deze uitspraak kunt een uitspraak gedaan op het door u inóJi"nO" ïormete aanvraag bestaatwel de u geen beutaarrnrf."n. ZoOra is beslËióp ""n en vervolgens beroep in te stellen' mËóerUrneid om O"àtt"g"À;"*aà.te maken

wijwijzen u erop dat deze brief slechts een informatief

Wijzijnuitgegaanvandedgoruver.strektegegevens.bijhetverzoek.Daarbijisdeuitspraak beleid en inzichten daaromtrent' gedaan op grond u-* tÀàÀgetdende ÀgÀtJ, {etoend Leges 21g,15 aan leges verschuldigd' u heeft Voór het behandelen van het principeverzoek is € nog een nota' hiervoor een nota ontvangen of ontvangt hiervoor

ïot slot

geÏnformeerd. Mochl u nog vragen Wij gaan ervan uit u hiermede voldoende te hebben ft. Veltrneijer via telefoonnumpFt\ nebOen dan kunt u contact opnemen met mevrouw 0299 - 45 25 78"

,{l ít {/

burgemeester en

Hoog'.ettti11' i Beemster, van wethoudgrs

Í

--_-

_--i:^ namens dezg,

r Velden

Bijlage 2

72

Advies Stichting ABC

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Advies Stichting Abc 7 januari 2020

Agrarische beoordelingscommissie

Abc Stichting Abc Postbus 357 3440 AJ WOERDEN K.v.K. Woerden Nr. 41170098 BTW Nr. NL806251165B01

Secretariaat tel: 06-42741790 email: info@abcommissie.nl

Bankrekening IBAN: NL49 INGB 0006 3199 49

uw email van: 20 november 2019 uw kenmerk: ons kenmerk: 19 099 bm betreft: uitbreiding bouwvlak; verlenging huidige knoflookschuur; realisering permanente huisvesting 20 arbeidsmigranten en tijdelijke vergunning voor huisvesting van 20 arbeidsmigranten in bestaande woonunits; verlenging veestal aanvrager: de heer J. Kruiswijk en mevrouw M. Oosterom namens Beemster Garlic B.V. locatie: Rijperweg 129 te Middenbeemster adviesaanvraag ontvangen: 20 november 2019

Aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beemster

Woerden, 7 januari 2020

Geacht college, Naar aanleiding van uw verzoek om advies inzake de aanvraag omgevingsvergunning van de heer J. Kruiswijk en mevrouw M. Oosterom namens Beemster Garlic B.V. berichten wij u het volgende. Aanvraag De aanvraag betreft de uitbreiding van het bouwvlak naar 2 hectare, de verlenging van de huidige knoflookschuur, de realisering van een permanente huisvestingsvoorziening voor 20 arbeidsmigranten en een tijdelijke vergunning voor de huisvesting van 20 arbeidsmigranten in bestaande woonunits en de verlenging van een veestal op het perceel waar het bedrijf is gevestigd, gelegen aan de Rijperweg 129 te Middenbeemster. Leden van de Agrarische beoordelingscommissie hebben voornoemde locatie bezocht op 6 december 2019 en met de heer J. Kruiswijk de bedrijfssituatie en (bouw-) aanvraag besproken. Bestemmingsplan Het perceel ligt binnen het plangebied van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012’ (gemeente Beemster). Volgens onze commissie is de locatie gelegen op gronden met de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Volgens het bepaalde in artikel 3 ‘Agrarisch’ zijn de als zodanig aangewezen gronden, onder meer, bestemd voor agrarische bedrijven en erven (art. 3.1, lid a. en j.)

Volgens de bouwregels in artikel 3.2 mag op deze gronden uitsluitend ten behoeve van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd. Volgens de bouwregels voor bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen in artikel 3.4, lid a., sub 1., mogen bedrijfsgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; In artikel 1 ‘Begrippen’ is onder meer het volgende agrarisch relevante begrip vermeld: uuu. volwaardig agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf groter dan 70 NGE, waarvan de continuïteit gewaarborgd is, met een arbeidsomvang van ten minste één volledige arbeidskracht van wie de agrarische bedrijfsuitoefening het hoofdberoep vormt. Huidige situatie / nieuwe situatie / reden voor de aanvraag De heer J. Kruiswijk (leeftijd 53 jaar) en zijn partner, mevrouw M. Oosterom (leeftijd 49 jaar) exploiteren een knoflookkwekerij en een melkveehouderij als Besloten Vennootschap onder de naam ‘Beemster Garlic B.V.’. Het echtpaar Kruiswijk heeft 4 zonen, waarvan zoon T. Kruiswijk (leeftijd 22 jaar) en zoon C. Kruiswijk (leeftijd 21 jaar) reeds deelnemen in het bedrijf. Naast deze 2 zonen zijn er de zonen M. en J. Kruiswijk die nog studerend zijn. Alle 4 zonen zijn beoogd bedrijfsopvolger. Naast de 4 ondernemers heeft het bedrijf 2 arbeidskrachten fulltime in dienst voor 40 uur per week. Daarnaast zijn er 45-50 losse arbeidskrachten wisselend werkzaam.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://beemsterraadsinformatie.purmerend.nl/api/v1/meetings/1220/documents/16776