CConstaterende datBeemster
Koppel je AI →
Document · PDF

bestemmingsplan Rijperweg 129, toelichting en planregels.pdf

Gemeenteraad 26 januari 2021, gemeente BeemsterBij agendapunt: 4a: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Rijperweg 129.24.350 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan "Rijperweg 129 in Middenbeemster"

Bezoekadres Postadres

Rombou : Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle : Postbus 432, 8000 AK Zwolle

Datum

:

Status Projectleider Telefoon E-mail

: vastgesteld : E.W. Lamberts : 08 8236 8236 : info@rombou.nl

Inhoudsopgave Toelichting

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging plangebied

8

1.3

Vigerend bestemmingsplan

8

1.4

Leeswijzer

10

Hoofdstuk 2

Bestaande en gewenste situatie

11

2.1

Inleiding

11

2.2

Bestaande situatie

11

2.3

Gewenste situatie

14

Hoofdstuk 3

Beleidskader

22

3.1

Inleiding

22

3.2

Rijksbeleid

22

3.3

Provinciaal beleid

30

3.4

Regionaal beleid

32

3.5

Gemeentelijk beleid

33

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

36

4.1

Geluid

36

4.2

Luchtkwaliteit

37

4.3

Geur

40

4.4

Bodemkwaliteit

40

4.5

Externe veiligheid

41

4.6

Bedrijven en milieuzonering

45 3

4.7

Water

47

4.8

Ecologie

50

4.9

Archeologie

55

4.10

Verkeer en parkeren

56

4.11

M.e.r.-beoordeling

57

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

60

5.1

Planvorm

60

5.2

Bestemmingsregeling

60

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

63

6.1

Economische uitvoerbaarheid

63

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

63

Bijlagen

Bijlage 1

Principeuitspraak gemeente

Bijlage 2

Advies Stichting ABC

Bijlage 3

Bouwtekening

Bijlage 4

Bodemonderzoek

Bijlage 5

Watertoets

Bijlage 6

Stikstofberekening

Regels

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

139

Artikel 1

Begrippen

139

Artikel 2

Wijze van meten

146

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

148

Artikel 3

Agrarisch

148

Artikel 4

Agrarisch - Hulpbedrijf

161

Artikel 5

Agrarisch - Paardenhouderij

166

4

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Artikel 6

Tuin

172

Artikel 7

Water

174

Artikel 8

Wonen

176

Artikel 9

Waarde - archeologie

182

Artikel 10

Waarde – Cultuurhistorie

185

Hoofdstuk 3

Algemene regels

186

Artikel 11

Anti-dubbeltelregel

186

Artikel 12

Algemene bouwregels

187

Artikel 13

Algemene gebruiksregels

188

Artikel 14

Algemene aanduidingsregels

189

Artikel 15

Algemene afwijkingsregels

190

Artikel 16 Algemene regels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden

192

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

193

Artikel 17

Overgangsrecht

193

Artikel 18

Slotregel

195

Bijlage

Bijlage 1

Landschappelijke inpassing

Inhoudsopgave

5

Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Op 13 november 2018 heeft initiatiefnemer een verzoek bij de gemeente Beemster ingediend voor de realisatie van de permanente huisvesting voor 30 arbeidsmigranten (+ 10 plaatsen met een afwijkingsmogelijkheid) en de realisatie van extra opslagruimte voor de knoflook. Tot slot is verzocht om het bouwvlak van het bedrijf te vergroten tot 2 hectare. Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" heeft de locatie aan de Rijperweg 129 in Middenbeemster de bestemming 'Agrarisch'. Het van toepassing zijnde bouwvlak is 93 meter breed en 150 meter diep (1,4 hectare). Op 5 december 2013 is een projectbesluit genomen om de bouw van een schuur ten westen van dit bouwvlak mogelijk te maken voor de opslag van kisten en machines en voor UlO-koelcellen. Momenteel heeft initiatiefnemer voor de tijdelijke huisvesting van 40 arbeidsmigranten in woonunits een omgevingsvergunning die begin 2025 afloopt. Het ingediende verzoek is in strijd met het bestemmingsplan aangezien op grond van de bouwregels voor bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen (artikel 3.4, lid a., sub 1) bedrijfsgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd mogen worden. Er wordt een vergroting van het bouwvlak voorgestaan tot 2 hectare ten behoeve van de uitbreiding van bedrijfsruimte en de huisvesting van arbeidsmigranten. Een tweede strijdigheid is de gewenste 5 meter goothoogte van de bedrijfsruimte.

Het bestemmingsplan laat een maximale goothoogte toe van 4 meter. De goothoogte van 5 meter is gelijk aan de goothoogte van de voorliggende bedrijfsruimte. Het is niet des Beemsters om een lagere schuur te plaatsen achter een al bestaande schuur. Bovendien is de goothoogte van 5 meter noodzakelijk in verband met de opslag van de knoflook in kisten en in verband met de huisvesting van de arbeidsmigranten op de verdieping. Door middel van de brief d.d. 4 april 2019 laat de gemeente weten onder voorwaarden in te stemmen met het verzoek. De brief van de gemeente is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd. 6

Rijperweg 129 in Middenbeemster

De gemeente is bereid om planologisch medewerking te verlenen nadat: 1. overeenstemming is bereikt over een Des Beemsters verantwoorde stedenbouwkundige invulling, én; 2. stichting Agrarische beoordelingscommissie (Stichting Abc) een positief heeft uitgebracht over de volwaardigheid van het bedrijf en de (economische) noodzaak van de bedrijfsuitbreiding en arbeidsmigrantenhuisvesting. De gemeente heeft het bouwplan beoordeeld en heeft geconcludeerd dat er sprake is van een verantwoorde stedenbouwkundige invulling. Stichting Abc heeft op 7 januari en 22 april 2020 advies uitgebracht over de gewenste ontwikkelingen op het bedrijf van initiatiefnemer. De adviezen van Stichting Abc zijn als Bijlage 2 aan deze toelichting toegevoegd. Samenvattend concludeert Stichting Abc dat er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf en dat de gewenste uitbreiding economisch noodzakelijk is. Op grond van de adviezen van de Stichting Abc stemt de gemeente in met de permanente huisvesting van 30 arbeidsmigranten en 10 extra plaatsen onder voorwaarden via een afwijkingsbevoegdheid alsmede met de uitbreiding van de bedrijfsgebouwen en het bouwvlak tot 2 hectare. Door middel van dit bestemmingsplan wordt de vergroting van het bouwvlak juridisch-planologisch geregeld. Het gewenste bouwvlak wordt 120 meter breed en 166,60 meter lang.

Voor de exacte ligging van het bouwvlak wordt verwezen naar de bij dit bestemmingsplan horende verbeelding. In 2013 heeft initiatiefnemer voor het bouwen van een schuur ten westen van het bouwblok en voor het geheel vernieuwen,vergroten en verplaatsen van de bedrijfswoning via een planologische procedure vergunning gekregen. Deze twee gerealiseerde ontwikkelingen worden in dit bestemmingsplan ook meegenomen. Gezien de noodzaak om de nieuwe bewaarloods en de huisvesting op korte termijn ter realiseren wordt de procedure van de bestemmingsplanherziening en de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de loods gecoördineerd doorlopen.

Toelichting

7

1.2

Ligging plangebied

Het voorliggend plan heeft betrekking op het perceel Rijperweg 129 in Middenbeemster liggend in de gemeente Beemster. Het perceel ligt op een afstand van circa 1,3 kilometer ten oosten van het dorp Middenbeemster. Op de onderstaande afbeelding is de globale ligging van het plangebied aangegeven. Voor de exacte ligging van het plangebied wordt verwezen naar de bij dit bestemmingsplan horende verbeelding.

Figuur 1: Globale ligging plangebied 1.3

Vigerend bestemmingsplan

Op het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' van de gemeente Beemster vigerend. Het bestemmingsplan is op 13 september 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Op grond van het bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming 'Agrarisch'. Het plangebied heeft een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4' en een dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie'. Ook is aan de locatie een bouwvlak toegekend en ia een gevellijn aangegeven.

8

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Figuur 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Op 8 augustus 2013 is voor de locatie een omgevingsvergunning verleend voor het geheel vernieuwen,vergroten en verplaatsen van de bedrijfswoning. Op 5 december 2013 is een projectbesluit genomen voor het oprichten van een berging ten westen van het huidige bouwblok. De besluitvlakken van deze twee procedures zijn in de navolgende afbeelding weergegeven.

Toelichting

9

Figuur 3: besluitvlakken (blauwe stippellijn) 1.4

Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande situatie en de gewenste situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de toetsing van het plan aan de milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 is de juridische planbeschrijving opgenomen en in hoofdstuk 6 wordt ten slotte ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.

10

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Hoofdstuk 2 Bestaande en gewenste situatie 2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de bestaande situatie en de gewenste situatie van het plangebied in beeld gebracht. 2.2

Bestaande situatie

2.2.1

Algemeen

De Beemster is tussen 1608 en 1612 drooggelegd door Amsterdamse kooplieden die het project onder andere met VOC-gelden en verdiensten uit de Oostzeehandel financierden. Rond het Beemstermeer werd daarom een ringdijk met een ringvaart aangelegd. Vervolgens werd het water met behulp van een aantal molengangen met elk drie molens uitgemalen, die nadien voor de afwatering van de polder moesten zorgen. Op 19 mei 1612 viel De Beemster definitief droog. De denkbeelden van de Gouden Eeuw bepaalden in 1612 de structuur van de verkaveling. De Beemster was het eerste grootschalige landschapsproject in de wereld waarin het principe van de Gulden Snede volledig werd toegepast. Toen werd het nieuwe land verdeeld in een raster van vierkanten van 1.850 bij 1.850 meter volgens de klassieke opvattingen is dat een volledig harmonieus geheel. De verkaveling voldeed zonder meer aan de wensen van de droogleggers en hun opdrachtgevers, want symmetrie werd in de 17e eeuw gezien als de absolute perfectie. Dit verkavelingspatroon is nu nog steeds terug te vinden in De Beemster. Oorspronkelijk waren er voor De Beemster in de 17e eeuw vijf woonkernen geprojecteerd. Daarvan zijn het centrumdorp Middenbeemster en Westbeemster en Noordbeemster daadwerkelijk gerealiseerd, Zuid- en Oostbeemster werden samengevoegd tot Zuidoostbeemster.

Middenbeemster Middenbeemster is het oudste dorp van de Beemster, dat zoals de naam al zegt midden in de droogmakerij de Beemster is gesitueerd. Het is aangelegd op de kruising van de Middenweg en de Rijperweg. Met de aanleg van een rechthoekig plein in 1610 en de bouw van de kerk in 1623 aan dit plein ontstond een kruisdorp in het midden van de polder. Middenbeemster groeide dankzij het plein en de kerk al Toelichting

11

snel uit tot het centrum van de Beemster met centrumfuncties als een veemarkt en rondom het plein een Herenhuis, een weeshuis, een school en een korenmolen. Rond 1900 was Middenbeemster als kruisdorp nog duidelijk herkenbaar en tot halverwege de 20e eeuw voldeed het kruisdorp aan de uitbreidingsbehoefte. In de periode na de tweede wereldoorlog is het dorp ook buiten het kruis uitgebreid. Drie kwadranten werden bebouwd waarbij de periode van bouwen momenteel nog duidelijk afleesbaar is aan de architectuur. Kenmerkend voor de verschillende uitbreidingen is: de herkenbare orthogonale richtingen van de polder zowel voor de bebouwing als de openbare ruimte; de verspringende blokstructuur binnen de kwadranten door knikken of sprongen in straten of het draaien van de bouwrichting; openbare groenplekken binnen de blokstructuur; de inpassing van de lange rechte perceelssloten grotendeels gelegen aan de openbare ruimte; een overwegende bouwhoogte van twee lagen met kap, de kerk is duidelijk het hoogste gebouw; afwisselend voor- en achterkanten van bebouwing naar het buitengebied gericht waardoor de rand ook afwisselend publiek of privaat terrein is; afwisselende bebouwing in massa, bouwhoogte, kapvorm en materiaalgebruik georiënteerd op de Middenweg en Rijperweg, de historische linten.

Het derde kwadrant, de noordoostzijde van Middenbeemster wordt momenteel afgerond tot de poldersloot waardoor de drie kwadranten eenzelfde afmeting zullen hebben. Voor het vierde kwadrant aan de zuidoostzijde zijn woningbouwplannen in voorbereiding. Alleen de bestaande bebouwing in dit kwadrant behoort tot het plangebied van het onderhavige bestemmingsplan. Op 26 november 1985 is het centrum van Middenbeemster op grond van artikel 20 van de Monumentenwet aangewezen als beschermd dorpsgezicht in verband met de strakke stedenbouwkundige opzet, daterend uit de 17de eeuw en bepaald door elkaar loodrecht kruisende polderwegen, nog altijd kenmerkend is voor Middenbeemster. De oorspronkelijke functie als verzorgingscentrum van de polder de Beemster in het centrale marktplein is daarbij nog herkenbaar aanwezig. Verder heeft de ruimtelijke ontwikkeling voornamelijk binnen het historisch structurele gegeven van de kwadranten plaatsgevonden en is het bebouwingsbeeld nog samenhangend en waardevol.

12

Rijperweg 129 in Middenbeemster

2.2.2

Planlocatie

Aan de Rijperweg 129 in Middenbeemster is het bedrijf van initiatiefnemer gevestigd. Het bedrijf heeft twee volwaardige agrarische takken, te weten een akkerbouwtak (teelt van knoflook) en een veehouderijtak. In de huidige situatie heeft het bedrijf de beschikking over een bouwvlak van circa 1,4 hectare (93 meter breed en 150 meter diep). Op de navolgende afbeelding is het huidige bouwvlak met de rode stippellijn aangegeven.

Figuur 4: afbeelding huidig gebruik en ligging bouwvlak Op de locatie is de volgende bebouwing aanwezig: 1. woning; 2. verwerkingsruimte (920 m2): in gebruik voor verwerking geteeld product; 3. bewaarschuur 1 (1.150 m2): in gebruik voor knoflookbewaring; 4. bewaarschuur 2 (1.612 m2): in gebruik voor knoflookbewaring; 5. veestal (1.680 m2): in gebruik voor de huisvesting van melkkoeien; Toelichting

13

6. woonunits: in gebruik met een tijdelijke vergunning voor de huisvesting van 40 arbeidsmigranten. Zowel de bedrijfswoning, de meest westelijk gelegen bewaarloods en de woonunits liggen deels buiten het bouwvlak. Hiervoor zijn in het verleden afzonderlijke procedures gevoerd. Zie paragraaf 1.3 2.3

Gewenste situatie

Het bedrijf van initiatiefnemers was oorspronkelijk alleen een melkveehouderijbedrijf. De uitbreiding van de bedrijfsvoering met een tweede tak akkerbouw (knoflook) is gaandeweg erbij gekomen en heeft een grote vlucht genomen. Onder de naam Beemster Garlic kweekt initiatiefnemer verse knoflook. Beemster Garlic is één van de grotere aanbieders en heeft een goede marktpositie in een aantal landen in West-Europa. Het bedrijf heeft een bijzondere bewaarmethode ontwikkeld (ULO), waarmee Beemster Garlic de knoflook over langere tijd ‘vers’ kan houden. De knoflook wordt op het bedrijf verkoopklaar gemaakt en verpakt voor de supermarkt. Momenteel wordt het bedrijf wat betreft de knoflook geconfronteerd met nieuwe aanbieders in zijn afzetlanden, tot in Zweden toe, die echter alleen in hun eigen korte oogstseizoen aan de supermarkten kunnen leveren. Om deze nieuwe situatie te pareren, wil initiatiefnemer de bewaarfaciliteit uitbreiden, zodat hij direct aan de markt kan leveren als het lokale aanbod elders weer stopt. Voorts heeft het bedrijf het plan de huidige tijdelijk vergunde huisvestingsvoorziening voor 40 arbeidsmigranten te vervangen door een permanent vergunde huisvestingsvoorziening voor 30 personen. Op termijn kan deze voorzieningen via een afwijking onder voorwaarden worden uitgebreid met maximaal 10 plaatsen.

Op de navolgende afbeelding is een plattegrond van de nieuwbouw weergegeven. De uitbreiding van de bewaarcapaciteit van de knoflook en de uitbreiding van de verblijven van de werknemers (arbeidsmigranten) zijn vormgegeven in één gebouw. Het betreft een gebouw met een totale oppervlakte van circa 2.523 m2 (78,6 meter lang en 32,1 meter breed). Hiervan wordt het voorste gedeelte (circa 1.833 m2) ingericht als bewaarschuur en het achterste gedeelte (circa 690 m2) ingericht als verblijfsruimte voor de werknemers.

14

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Figuur 5: gewijzigde situatie De nieuwe bedrijfsruimte heeft een goothoogte van 5 meter. Omdat de knoflook in kisten wordt bewaard en de kisten worden gestapeld, is deze goothoogte nodig om de schuur efficiënt te kunnen gebruiken. Ook is deze goothoogte van belang om op de verdieping in het achterste gedeelte van de bedrijfsruimte de huisvesting van de arbeidsmigranten te kunnen realiseren. Tot slot is de goothoogte gelijk aan de goothoogte van de voorliggende schuur. Voor het stedenbouwkundig beeld is het Toelichting

15

daarom ook wenselijk om de goothoogtes gelijk te houden. Als Bijlage 3 bij deze toelichting is een tekening van de gevelaanzichten van het nieuwe gebouw opgenomen. De bewaring krijgt een capaciteit van circa 1.700 kisten. In het werknemersverblijf is ruimte voor het huisvesten van 40 personen (18 personen op de begane grond en 22 personen op de eerste verdieping). De plek van de tijdelijke huisvestingvoorziening wijzigt niet. Deze vindt plaats achterop het erf. Door het verlengen van het bouwvlak komen de woonunits ook geheel binnen de grenzen van het bouwvlak te liggen. Op de navolgende afbeelding is de nieuwe begrenzing van het bouwvlak weergegeven. Het bouwvlak is zowel aan de westzijde als aan de noordzijde uitgebreid. Door de uitbreiding van het bouwvlak aan de westzijde komt ook de in 2013 vergunde bewaarschuur volledig binnen het bouwvlak te liggen. Aan de voorzijde is de begrenzing van het bouwvlak gewijzigd zodanig dat de nieuw gebouwde bedrijfswoning nu ook volledig binnen het bouwvlak ligt. Voorts is aan deze zijde het bouwvlak op de voorgevels van de aanwezige bebouwing gelegd. Ter plaatse van het werknemersverblijf is de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - huisvesting seizoenarbeiders / arbeidsmigranten' opgenomen.

16

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Figuur 6: Plangebied en ligging nieuw bouwvlak 2.3.1

Beeldkwaliteit

Idealiter bestaat het geometrisch matenstelsel voor een agrarisch erf uit een basisvierkant van 90 meter bij 90 meter. Ingericht volgens de des Beemsters erfinrichtingsprincipes bestaat een agrarisch erf uit een voorerf (bedrijfswoning en tuin), tussenzone (bijgebouwen en kleine bedrijfsgebouwen) en achtererf (grote bedrijfsgebouwen). Bij de laatste uitbreiding van het bedrijf in 2013 is het erf in de breedte vergroot. Bij Toelichting

17

vergroting in de breedte wordt uitgegaan van twee erven met elk een breedte van 90 meter, waardoor een breed erf ontstaat tot een maximale breedte van 180 meter. In 2013 is voor het uitbreidingsplan van de nieuwe bewaarschuur door het Kwaliteiststeam des Beemsters advies uitgebracht. Het Kwalitetsteam heeft er destijds voor gekozen om tussen de bestaande bebouwing en de nieuwe bebouwing een open ruimte aan te houden waardoor een zichtlijn naar achteren gehandhaafd blijft tussen het oorspronkelijk erf en het 'nieuwe' verbrede erf. Ook is de voorgevel van de nieuwe bewaarloods 10 meter naar achteren geplaatst ten opzichte van de voorgevel van de bestaande bebouwing. Hierdoor ontstaat volgens het Kwaliteitsteam een evenwichtig erf. De teruglegging van 10 meter is ten goede gekomen aan de ruimtelijke kwaliteit van de locatie. Het erf voldoet met deze opzet aan de eis dat bij verbrede erven wordt gezorgd voor een evenwichtige compositie van bouwvolumes waarbij er samenhang is tussen de grootte van de bedrijfsgebouwen en de grootte van het erf. De nieuwe loods wordt in het verlengde gebouwd van de bestaande bewaarschuur. Door deze positie te kiezen blijft de open ruimte tussen bestaande en de nieuwe bebouwing gehandhaafd.

Door aan de voorzijde het bouwvlak op de grens te leggen van de voorgevel van de bestaande bewaarschuur, wordt voorkomen dat de mogelijkheid ontstaat om de bestaande bewaarschuur aan de voorzijde te verlengen. De door het Kwaliteiststeam gekozen compositie, te weten de terugliggende positie van de nieuwe bebouwing, wordt hierdoor planologisch geborgd. Met het nu voorliggende plan wordt de maximale breedte van het erf van 180 meter niet overschreden. 2.3.2

Landschappelijke inpassing

Het plangebied ligt in de zuidwestelijke hoek van de Beemster. De Beemster is aangemerkt als UNESCO werelderfgoed en is daarmee van grote cultuurhistorische waarde. Daarnaast ligt het plangebied in de invloedssfeer van de 'Stelling van Amsterdam'. In paragraaf 3.2 Rijksbeleid wordt verder ingegaan op de kernkwaliteiten van de Beemster.

18

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Figuur 7: ligging plangebied in de Beemster (plangebied ter plaatse van rode druppel) De planlocatie ligt binnen de zogenaamde stelling- of liniezone van de Stelling van Amsterdam. De locatie ligt dus niet in de zogenaamde kernzone, de zone waarin schootscirkels van 1.000 meter rondom het fort gelden De schootcirkel van het fort Benoorden Purmerend houdt namelijk op aan de oostzijde van de snelweg A7, terwijl de Rijperweg 129 aan de westzijde van de A7 ligt. In het beleidskader wordt aangegeven dat het provinciaal beleid voor de stellingszone is gericht op de bescherming van de kernkwaliteiten van het gebied. Voor de stellingzonde zijn de kernkwaliteiten: 1) een samenhangend systeem van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen, 2) een grote en relatief stille ring rond Amsterdam en 3) een relatief grote openheid. Tussen de provincie en de gemeente is een Ruimtelijke beleidskader De Beemster & Toelichting

19

Stelling van Amsterdam opgesteld, waarin is aangegeven hoe om te gaan met het overlapgebied van de twee werelderfgoederen. Ten aanzien van het fort Benoorden Purmerend wordt vermeld dat de beperkte zichten over het fort die nog aanwezig zijn opengehouden moeten worden. Op de overzichtskaart van het ruimtelijke beleidskader is aangegeven waar wel en waar geen verdichting mogelijk is. Hieruit blijkt dat de overzijde van de Rijperweg 129 moet worden opengehouden. Voor de kant van de Rijperweg 129 geldt dat niet. Binnen de nationale landschappen van Noord-Holland zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, mits de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt. De Beemster valt binnen het nationaal landschap Laag Holland. Laag Holland herbergt veel verschillende functie en landschappelijke kenmerken. De veenweidegebieden en de droogmakerijen zijn ze specifiek vanwege hun kernkwaliteiten, dat ze internationaal kenmerkend zijn voor Laag Holland. De twee typerende landschappen bezitten een aantal kernkwaliteiten die Laag Holland zo uniek maken, namelijk: de grote openheid van het landschap; de vele weide- en moerasvogels; de oude geometrische inrichtigspatroon in de droogmakerijen; de veenpaketten; de middeleeuwse strokenverkaveling en de historische watergangen; een groot aantal archeologische locaties; karakteristieke dijk- en lintdorpen.

Aan de oostkant, op een afstand van circa 90 meter van de kavelgrens wordt de opgaande beplanting behouden. Dit betreft de bestaande bomenrij die tussen de huidige bedrijfsbebouwing aanwezig is. Op de onderstaande foto is dit aangegeven.

20

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Figuur 8: bestaande bomenrij tussen de bebouwing Aanvullend wordt ten westen van de bestaande bewaarschuur en de nieuw te bouwen schuur een nieuwe bomenrij ingeplant bestaande uit streekeigen soorten. In figuur 5 is deze aan te planten bomenrij ingetekend. In het verlengde van de bestaande bomenrij, naast de nieuw te bouwen schuur, worden ook enkele streekeigen bomen aangeplant en wordt een groene recreatiezone rondom de bomenrij ingericht ten behoeve van de arbeidsmigranten (zie ook figuur 5). Een erfafscheiding aan de achterzijde van het perceel is vanwege de te gebruiken grond als productiegrond niet reëel.

Toelichting

21

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1

Inleiding

Bij het opstellen het wijzigingsplan dient de gemeente rekening te houden met het door hogere overheden vastgestelde beleid. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op relevante onderdelen uit het Rijksbeleid en het provinciaal beleid zoals verwoord in de Provinciale Structuurvisie. Daarnaast wordt ingegaan op het gemeentelijk beleid zoals dat is geformuleerd in de Struuctuurvisie Zeevang 2040 'Vitaal perspectief'. 3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bevat het rijksbeleid inzake de ruimtelijke inrichting en de mobiliteit van Nederland tot 2040 en is vastgesteld op 13 maart 2012. De regering maakt ruimte voor groei en beweging en kiest ervoor de invulling van het ruimtelijk beleid voor een belangrijk deel over te laten aan provincies en gemeenten. De ruimtelijke ordening wordt zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat gebracht (burgers en bedrijven) en er wordt meer overgelaten aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij…'). Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving. De SVIR formuleert de drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028) en verbindt hier dertien nationale belangen aan. De drie hoofddoelstellingen van het Rijk zijn: 1. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; 2. het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 3. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor wat betreft nationale belangen ligt de nadruk op het verbeteren van milieukwaliteit en bereikbaarheid om zo de drie hoofddoelstellingen te dienen.

De nationale belangen verzetten zich niet tegen de voorziene ontwikkeling. 22

Rijperweg 129 in Middenbeemster

Met de ontwikkeling wordt de ruimtelijke-economische structuur op lokaal niveau versterkt. Beemster maakt onderdeel uit van 'Metropoolregio Amsterdam'. Dit is een (informeel) samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. De door het Rijk en regio geformuleerde opgaven binnen deze regio zijn neergelegd in de 'Gebiedsagenda Noordwest Nederland' en richten zich o.a. op het verbeteren van de bereikbaarheid en het opvangen van de woningbehoefte (verstedelijkingsafspraken). De afspraken over de regionale en rijksinvesteringen op het gebied van een toekomstige ruimtelijke inrichting worden vastgelegd in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De hiervoor behandelde structuurvisie is een beleidsstuk zonder bindend karakter voor lagere overheden. Om naleving van deze en andere structuurvisies te kunnen afdwingen, is besloten tot de vaststelling van algemene regels. Deze zijn opgenomen in het " Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (Barro). Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden. Een deel van het Barro wordt gevormd door de overname van oude planologische kernbeslissingen en beleidsnota's. Deze waren beiden in principe niet bindend, tenzij het onderdelen betrof die door het Rijk werden aangemerkt als "concrete beleidsbeslissing". Deze concrete beleidsbeslissingen bleven van kracht tot de inwerkingtreding van het Barro eind 2012. Bij de continuering van oude planologische kernbeslissingen en beleidsnota's gaat het om: Project Mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie, en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

Op 1 oktober 2012 is een 1e aanvulling op het Barro in werking getreden. Het Barro is met deze aanvulling uitgebreid met de volgende negen onderwerpen: Rijksvaarwegen; Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; Toelichting

23

Elektriciteitsvoorziening; Ecologische hoofdstructuur; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Veiligheid rond rijksvaarwegen; Verstedelijking in het IJsselmeer; Toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. In het Barro worden in bijlage 8 de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam en van de Beemster benoemd. Droogmakerij De Beemster Voor De Beemster gelden de volgende kernkwaliteiten: 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, vroeg zeventiende-eeuwse (landschaps) architectonische geheel van de droogmakerij De Beemster, bestaande uit: a. de ringdijk en ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving); b. het centraal gelegen dorp (Middenbeemster) op een assenkruis van wegen; c. bebouwing langs de wegen; d. de relatief hooggelegen wegen met laanbeplanting; e. de monumentale en typerende (stolp)boerderijen en restanten van buitens; f.

de oude negentiende-eeuwse gemalen en molengangen;

g. de structuur en het karakter van het (beschermde) dorpsgezicht van Middenbeemster; h. het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen; 2. Grote openheid; 3. Voor zover het werelderfgoed De Beemster samenvalt met het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zijn de uitgewerkte universele waarden van het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam tevens van toepassing op het werelderfgoed De Beemster. De Stelling van Amsterdam Voor De Stelling van Amsterdam gelden de volgende kernkwaliteiten: 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, 24

Rijperweg 129 in Middenbeemster

laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse hydrologische en militair-landschappelijke geheel, bestaande uit: a. een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam; b. sluizen en voor- en achterkanalen; c. de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken; d. inundatiegebieden; e. voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied); f.

de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten;

2. Relatief grote openheid; 3. Groene en relatief stille ring rond Amsterdam. Het plangebied ligt in het overlapgebied van de twee werelderfgoederen. Voor het fort Benoorden Purmerend wordt vermeld dat de beperkte zichten over het fort, die nog aanwezig zijn, opengehouden moeten worden. Op de overzichtskaart van het ruimtelijke beleidskader is aangegeven waar wel en waar geen verdichting mogelijk is. Hieruit blijkt dat de overzijde van de Rijperweg 129 moet worden open gehouden. Voor de kant van de Rijperweg 129 geldt dat niet. Binnen de nationale landschappen van Noord-Holland zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, mits de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt. De Beemster valt binnen het nationaal landschap Laag Holland. Laag Holland herbergt veel verschillende functie en landschappelijke kenmerken. De veenweidegebieden en de droogmakerijen zijn ze specifiek vanwege hun kernkwaliteiten, dat ze internationaal kenmerkend zijn voor Laag Holland. De twee typerende landschappen bezitten een aantal kernkwaliteiten die Laag Holland zo uniek maken, namelijk: de grote openheid van het landschap; de vele weide- en moerasvogels; de oude geometrische inrichtigspatroon in de droogmakerijen; de veenpaketten; de middeleeuwse strokenverkaveling en de historische watergangen; een groot aantal archeologische locaties; karakteristieke dijk- en lintdorpen.

Het plangebied valt binnen het landschap droogmakerij. De karakteristieken van de Toelichting

25

droogmakerij, zoals de grote openheid, de oude geometrische inrichtingspatronen en de strokenverkaveling en historische watergangen worden door het plan niet aangetast. Het plangebied ligt buiten een archeologische locatie en een karakteristiek dijk- of lintdorp. 3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 juli 2017 is het besluit tot wijziging van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden. Het betreft een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder). De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De behoefte aan deze stedelijke ontwikkeling moet dan worden aangetoond. De behoefte is het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, looptijd bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). De uitkomst van de beoordeling van de behoefte moet in de plantoelichting worden vermeld. Voor uitwerkings- en wijzigingsplannen kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering van deze behoefte wordt doorgeschoven naar de toelichting behorende bij het uitwerkings- of wijzigingsplan. Als stedelijke ontwikkeling wordt bedoeld: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor een minimale omvang vastgelegd van wat een stedelijke ontwikkeling is.

Voor overige stedelijke functies wordt gesteld dat 'in beginsel' geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m² bedraagt. Uitgangspunt is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De motivering van de behoefte aan die ontwikkeling dient in het licht te worden geplaatst van een goede ruimtelijke ordening en dient zich te richten op het motiveren van de behoefte aan die ontwikkeling met het oog op het tegengaan van ongewenste leegstand en het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik. Het plan bestaat primair uit de vergroting van het agrarisch bouwvlak van circa 1,4 ha 26

Rijperweg 129 in Middenbeemster

naar 2 ha. De uitbreiding gaat ten koste van agrarische productiegrond. Binnen het vergrote bouwvlak wordt een nieuwe loods gebouwd met een oppervlakte van circa 2.523 m2. Opslagloods agrarische producten Omdat het extra ruimtebeslag méér dan 500 m2 bedraagt, is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en zal de behoefte dus aangetoond moeten worden. Omdat de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet daarnaast worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onderdeel van de ontwikkeling is de realisatie van 1.833 m2 aan agrarische opslagruimte in de nieuwe loods. De regionale behoefte Het betreft een uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf. Vastgesteld kan worden dat het betreffende bedrijf om haar huidige marktpositie te behouden en te versterken genoodzaakt is uit te breiden, maar tevens haar bedrijfsactiviteiten wenst te concentreren op één locatie. Zie hiervoor ook het advies van Stichting Abc (bijlage 2). In de gemeentelijke structuurvisie Beemster 2012 gaat de gemeente ten aanzien van de agrarische sector uit van een ruimtelijk tweesporenbeleid, namelijk: Het bieden van voldoende ruimte voor passende schaalvergroting en innovatie; Het bieden van voldoende ruimte voor mogelijkheden tot verbreding.

In tegenstelling tot veel andere agrarische gebieden in Nederland biedt De Beemster nog kansen voor schaalvergroting en een bescheiden mogelijkheid voor nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf. Verwacht wordt dat tussen 2012 en de komende jaren, een aantal agrariërs hiervan gebruik gaan maken. In het bestemmingsplan Buitengebied 2012 wordt rekening gehouden met continuering en groei van agrarische bedrijvigheid. Zo kan een agrariër op basis van een bedrijfsplan zijn bouwvlak uitbreiden tot maximaal 2 hectare. Op basis van het vigerend ruimtelijk beleid is de voorgenomen groei mogelijk. Omdat het een agrarisch bedrijf betreft is de groei niet binnen het bestaand stedelijk gebied realiseerbaar.

Toelichting

27

Handreiking ' Ruimte voor Arbeidsmigranten' Naast de uitbreiding van de opslagruimte wordt een oppervlakte van circa 690 m2 ingericht als verblijfsruimte voor de werknemers. Het Rijk erkent dat het toenemende aantal arbeidsmigranten voor problemen kan zorgen in gemeenten. In 2008 verscheen de Handreiking 'Ruimte voor Arbeidsmigranten'. De Handreiking moet gemeenten helpen goed beleid te formuleren. Er wordt een aantal praktische voorbeelden genoemd van gemeenten die gezocht hebben naar een passende aanpak. Veelal gaat deze aanpak in samenwerking met private partijen zoals werkgevers, uitzendbureaus en huisvesters. Volgens het Rijk vraagt het huisvesten van arbeidsmigranten om lokaal maatwerk. In de Handreiking worden in hoofdlijnen vier opties genoemd: 1. huisvesting in woonhuizen binnen bestaande kernen; 2. logies in bestaande gebouwen (hotels, kazernes, etc.); 3. huisvesting in het buitengebied (vrijkomende agrarische bebouwing); 4. huisvesting op campings en parken. Belangrijk uitgangspunt bij het ontwikkelen van nieuwe huisvestingsmogelijkheden voor arbeidsmigranten is dat het huisvesten van deze mensen gezien kan worden als het bedrijfsmatig verschaffen van een nachtverblijf. Deze mensen hebben in het land van herkomst hun hoofdverblijf, waardoor hun verblijf hier niet onder de definitie 'wonen' valt.

De Handreiking schetst de mogelijkheid om planologisch onderscheid te maken in een aantal vormen van huisvesting. Deze huisvestingvormen zijn: 1. kamerverhuur: het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij de kamerhuurder ter plaatse het hoofdverblijf heeft; 2. logies: het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij de betreffende persoon het hoofdverblijf elders heeft; 3. logiesgebouw: een gebouw specifiek ingericht voor het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden van meer dan tien personen, waarbij de betreffende personen het hoofdverblijf elders hebben; 4. woning: dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of een huishouden plus maximaal drie personen of maximaal vier personen die geen huishouden vormen. In voorliggend plan voorziet mede in een logiesgebouw voor meer dan 10 personen 28

Rijperweg 129 in Middenbeemster

en valt daarmee onder huisvestingsvorm 3. Ten aanzien van de Handreiking gaat het in deze situatie om huisvesting in het buitengebied. Deze stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte. De provincie heeft beleidskaders opgesteld onder welke voorwaarden het huisvesten van buitenlandse werknemers is toegestaan. Zie paragraaf 3.3. Hieraan wordt voldaan. 3.2.4

Visie Erfgoed en Ruimte

De Visie Erfgoed en Ruimte ‘Kiezen voor Karakter’ (VER) geeft de wijze aan waarop met de cultuurhistorische kwaliteiten van gebieden en objecten in de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in Nederland kan worden omgegaan. De VER is gericht op het verbinden van de zorg voor het cultureel erfgoed met andere ruimtelijke ontwikkelingsopgaven op het gebied van onder meer economie, veiligheid en duurzaamheid. De visie zet overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijk ontwerpers er toe aan om de waarde van het cultureel erfgoed in te zetten bij de ontwikkeling van gebieden. De VER is aanvullend aan de SVIR, waarin het kabinet de unieke cultuurhistorische waarde van nationaal belang planologisch borgt. Daarnaast is met ingang van 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangepast. Hierin is opgenomen dat in het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden. In hoofdstuk 2 is een beschrijving gegeven van de cultuurhistorische waarde van het plangebied en op welke wijze hier in het stedenbouwkundig plan mee rekening is gehouden. 3.2.5

Conclusie

Het plangebied ligt in het overlapgebied van De Stelling van Amsterdam en Droogmakerij De Beemster. De Stelling van Amsterdam betreft een unieke oude vestigingslinie. De Stelling van Amsterdam is Unesco werelderfgoed en van uitzonderlijke universele waarde. Tevens ligt het plangebied in Unesco werelderfgoed De Beemster. Ontwikkelingen in het gebied mogen geen afbreuk doen aan het werelderfgoed. De ontwikkelingen op de planlocatie zijn kleinschalig en doet geen afbreuk aan de unieke kenmerken van de Stelling van Amsterdam en van De Beemster. De Toelichting

29

ontwikkeling is niet strijdig met het Barro. Ten slotte is rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde van het plangebied. 3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Structuurvisie Noord-Holland 2040 en Provinciale Ruimtelijke Verordening

Structuurvisie Provinciale Staten van Noord-Holland hebben de Structuurvisie Noord-Holland 2040 ‘Kwaliteit door veelzijdigheid’ (verder: de Structuurvisie) en de bijbehorende verordening vastgesteld. In de structuurvisie geeft de provincie Noord-Holland aan op welke manier zij de ruimte in de provincie de komende 30 jaar wil benutten en ontwikkelen. De provincie zet vooral in op compacte en goed bereikbare steden, omringd door aantrekkelijk groen. Het beleid zoals neergelegd in de Structuurvisie, is in de Provinciale Ruimtelijke Verordening in regels gevat. In de verordening is onderscheid gemaakt tussen landelijk gebied en bestaand bebouwd gebied. Stedelijke ontwikkeling is in principe mogelijk binnen bestaand bebouwd gebied. In het landelijk gebied is stedelijke ontwikkeling enkel onder voorwaarden toegestaan. Provinciale Ruimtelijke Verordening Artikel 15: Ruimtelijke kwaliteit De kernkwaliteiten zijn vertaald in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) van de provincie Noord-Holland. Binnen het plangebied zijn de kernkwaliteiten van Droogmakerij de Beemster en de Stelling van Amsterdam van kracht. In subparagraaf 3.2.2 zijn de kernkwaliteiten besproken. Geconcludeerd wordt dat de kernwaarden door de voorgenomen ontwikkeling niet worden aangetast. Er wordt met het plan aangesloten op de uitgangspunten uit de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.

Met het plan wordt de historische en landschappelijke structuur van wegen en sloten niet aangetast. Er wordt voldaan aan de ruimtelijke kwaliteitseis. Artikel 22: UNESCO Werelderfgoed De Beemster Het plangebied ligt binnen het als UNESCO Werelderfgoed aangewezen gebied De Beemster. In subparagraaf 3.2.2 zijn de kernkwaliteiten van dit werelderfgoed benoemd. Op grond van artikel 22 lid 1 PRV geldt voor het UNESCO Werelderfgoed dat een bestemmingsplan uitsluitend mag voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van bestaande functies voor zover deze de kernkwaliteiten behouden en/of versterken. Met de onderhavige ontwikkeling worden de kernkwaliteiten van 30

Rijperweg 129 in Middenbeemster

het Werelderfgoed niet aangetast. In het plan is in de opzet rekening gehouden met de kenmerkende structuren. Gelet op de beperkte omvang van de uitbreiding van het bouwvlak en de nieuwbouw van de loods en de aanwezige agrarische bebouwing in de omgeving, leidt het plan tevens niet tot aantasting van de kenmerkende openheid. UNESCO Werelderfgoed De Stelling van Amsterdam Het plangebied ligt in de nabijheid van een deel van de Stelling van Amsterdam. Om de samenhang binnen de stelling en het landschap visueel open te houden is er binnen een straal van 1.000 meter rond een fort een zone vastgesteld. Binnen deze 1.000 meter zone mocht ten gevolge van de werking van de Vestingswet beperkt worden gebouwd. De planlocatie ligt echter buiten de 1.000 meter straal. Voor de noordzijde van Rijperweg gelden geen beperkingen ten aanzien van het openhouden van het gebied. Artikel 26 Agrarische bedrijven in landelijk gebied 1. Voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op landelijk gebied geldt het volgende: a. agrarische bebouwing wordt geconcentreerd binnen het bouwperceel; b. in afwijking van onderdeel a geldt dat buiten het bouwperceel gaas- en boogkassen kunnen worden toegestaan mits deze na het groeiseizoen worden verwijderd; c. ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf is maximaal één agrarische bedrijfswoning toegestaan.

Het bestemmingsplan kan met een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.6 van de wet, één extra bedrijfswoning mogelijk maken mits dit noodzakelijk is voor het toezicht op de bedrijfsvoering en de betreffende gronden niet zijn gelegen in een glastuinbouwconcentratiegebied of een tuinbouwconcentratiegebied, zoals aangegeven op kaart 7 en de digitale verbeelding ervan; d. een agrarisch bouwperceel heeft een omvang van maximaal 2 hectare; e. in afwijking van onderdeel d kan een agrarisch bouwperceel een omvang van meer dan 2 hectare hebben, mits de uitbreiding noodzakelijk is voor het primaire productieproces en de uitbreiding geen afbreuk doet aan de landschappelijke waarden van de betreffende omgeving. f.

in de huisvesting van tijdelijke werknemers kan worden voorzien, indien: 1. de huisvestingsvoorziening wordt gesitueerd binnen het agrarisch bouwperceel; Toelichting

31

2. de huisvesting plaatsvindt ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, en; 3. het een ondergeschikte functie ten opzichte van een volwaardig agrarisch bedrijf betreft. 2. (...) Het nieuwe bouwvlak heeft een oppervlakte van 2 hectare en voldoet daarmee aan artikel 26.d van de Verordening. De uitbreiding van het bouwvlak en de nieuwe bebouwing wordt geconcentreerd binnen dit vergrote bouwvlak. De huisvesting van de arbeidsmigranten voldoet aan lid f van artikel 26. Zie hiervoor ook het bijgevoegde advies van Stichting Abc. Conclusie De ontwikkelingen op de planlocatie zijn in lijn met de Structuurvisie en de Provinciale Ruimtelijke Verordening. 3.4

Regionaal beleid

Regiovisie Waterland 2040 Het Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Waterland (ISW) is een samenwerkingsverband van zeven Waterlandse gemeenten: Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Purmerend, Waterland, Wormerland en Zeevang. Samen vormen deze gemeenten de regio Waterland. De regio Waterland heeft in 2009 de Regiovisie Waterland 2040 opgesteld. Het motto van de Regiovisie is: Vitaal met Karakter. De Regiovisie Waterland 2040 vormt de basis voor de gemeentelijke plannen. Volgens de visie dient de sociaaleconomische vitaliteit van de kernen te worden bewaakt. Hieraan dient het ruimtelijke beleid zoveel mogelijk bij te dragen, zonder het authentieke karakter van het landschap aan te tasten. Verder is er een plus nodig op het gebied van woningbouw ter bevordering/instandhouding van de vitaliteit van de kernen. Conclusie De toekomstvisie van het ISW vormt geen belemmeringen ten aanzien van de ontwikkeling die met dit wijzigingsplan worden beoogd.

32

Rijperweg 129 in Middenbeemster

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Beemstermaat: structuurvisie van de gemeente Beemster

De Structuurvisie Beemstermaat van de gemeente Beemster (juli 2012) vormt het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en geeft aan waar welke functies wenselijk zijn en waar niet. In deze structuurvisie zijn de ambities genoemd die de gemeente nastreeft. Deze ambities luiden als volgt: Behoud en herstel van het landschapspatroon. Tegengaan van verrommeling. Behouden en versterken van de ruimtelijke structuur en karakteristiek. Recreatie en duurzaamheid versterken. Oplossen mobiliteitsdruk binnen neutraal raster. Deze ambities zijn in zogenaamde 'gouden regels' omgezet. Deze regels hebben als uitgangspunt dat ontwikkeling mogelijk moet zijn om de dynamiek binnen de gemeente te behouden, maar de kernwaarden behouden moeten blijven. Ontwikkelingen moeten passen binnen de historisch bepaalde hoofdstructuur. Verder is in deze structuurvisie een belangrijke ambitie dat eventuele verdichting in het buitengebied alleen plaatsvindt in dezelfde zones en langs dezelfde wegdelen waar nu bebouwing staat. In de 'gouden regels' is onder andere verwoord dat De Beemster een werkpolder is waar binnen de historisch bepaalde hoofdstructuur (ruimtelijke en functionele) veranderingen mogelijk zijn. 3.5.2

Bestemmingsplan Buitengebied 2012

In de toelichting op het bestemmingsplan Buitengebied 2012 is aangegeven dat in het buitengebied met name akkerbouw-, veehouderij- en vollegrondstuinbouwbedrijven zijn gevestigd. Veel bedrijven zijn gemengd. Ten aanzien van akkerbouw geldt geen specifiek gebiedsgericht beleid. Voor veehouderij is dat wel het geval. Grondgebonden veehouderij dient behouden en versterkt te worden, aangezien het landschap hierdoor wordt behouden en versterkt. Zowel vestiging van nieuwe bedrijven als uitbreiding van bestaande bedrijven is mogelijk. In de regels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de wijziging van de vorm van een agrarisch bouwvlak. De uitbreiding van een bouwvlak dient via een Toelichting

33

bestemmingsplanherziening plaats te vinden. Ten aanzien van de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders/arbeidsmigranten is in de regels een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Op grond van deze wijzigingsbevoegdheid kan voor maximaal 16 seizoensarbeiders /arbeidsmigranten huisvesting worden gerealiseerd. De voorwaarde is onder andere dat de agrarische noodzaak aangetoond dient te worden en dat de maximale gebruiksoppervlakte niet meer dan 200 m2 (exclusief recreatieruimten) mag bedragen (i.c. 12,50 m2 p.p.). De Stichting Abc heeft geconstateerd dat op het bedrijf gedurende circa 8 maanden het aantal ingehuurde arbeidsmigranten groter is dan 20 personen. In de periode juni tot en met december worden er zelfs 30 of meer arbeidsmigranten ingehuurd, waarbij gedurende 5 er meer dan 40 arbeidsmigranten werkzaam op het bedrijf. De inzet van arbeidsmigranten op het bedrijf van initiatiefnemer zal vanwege de volgende omstandigheden onveranderd groot blijven: Het mechaniseren in de verwerking van verse knoflook blijft moeilijk. Er wordt veel onderzoek gedaan maar met onvoldoende resultaat.

De hoeveelheid arbeidsmigranten voor wortel/stengel snijden en bollen pellen blijven nodig; Initiatiefnemer verwacht een groei in afzet van verse knoflook op de Europese markt, wat betekent dat er meer arbeidsmigranten nodig zijn; Van de oogst van de knoflook is gemiddeld ongeveer 10% niet geschikt voor de verkoop als bol (gescheurde huid, te klein, snijfout). Deze bollen worden nu nog verkocht aan Bresc. Initiatiefnemer gaat de verwerking van de uitvalbollen en de verkoop daarvan echter in eigen beheer uitvoeren. Dit gaat op jaarbasis om ongeveer 120.000 kg. In 2019 heeft het bedrijf hiervoor het BRC certificaat behaald. Dit is een voedselveiligheidscertificaat dat nodig is om panklare producten te mogen produceren. Recent heeft het bedrijf geïnvesteerd in verwerkingsmachines en een afvulmachine voor de uitvalbollen. Door de corona-crisis is alles in een stroomversnelling gekomen. Initiatiefnemer wil zich richten op de consument met een gehakte knoflookpuree in kleine verpakking, bijvoorbeeld cups van 20 gram, waarbij de smaak zeer dichtbij de verse knoflookbol zit, maar veel makkelijker te gebruiken is dan een paar losse tenen. Ook is het product zeer geschikt in de maaltijdpakketten. Er zijn al verschillende partijen die interesse hebben getoond. Initiatiefnemer verwacht met de verwerking van de uitvalbollen in knoflookpuree 10 mensen jaarrond extra nodig te hebben.

Vanwege de huidige behoefte aan huisvesting van arbeidsmigranten laat het 34

Rijperweg 129 in Middenbeemster

voorliggende bestemmingsplan bij recht de huisvesting van 30 arbeidsmigranten toe. Via een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan de huisvesting met 10 plaatsen worden uitgebreid indien de bedrijfseconomische situatie hierom vraagt. Omdat het vigerende bestemmingsplan niet voorziet in de uitbreiding van het gewenste aantal plaatsen voor arbeidsmigranten is een herziening van het bestemmingsplan dan ook noodzakelijk. Conclusie Het plan betreft de vergroting van een bestaande agrarisch bedrijf in het buitengebied. De nieuwe bebouwing sluit aan op de bestaande bebouwing. Het plan past binnen de gouden regels die zijn opgesteld ten aanzien van de Beemster en is derhalve in overeenstemming met het gemeentelijk ruimtelijk beleid. Dit blijkt ook uit de brief van de gemeente van 4 april 2019, waarin is aangegeven dat onder voorwaarden ingestemd kan worden met het plan. Om de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan een vereiste.

Toelichting

35

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1

Geluid

Algemeen In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn regels opgenomen voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals bijvoorbeeld woningen) door wegverkeer. Het gaat daarbij om de geluidsbelasting in het maatgevende toekomstige jaar. In het algemeen is dit het jaar 10 jaar na realisatie of na het uitvoeren van het akoestisch onderzoek. De Wet geluidhinder kent een voorkeursgrenswaarde. Als aan deze waarde wordt voldaan, is er voor de Wet geluidhinder geen belemmering voor het bouwplan. Onder voorwaarden is een hogere grenswaarde mogelijk. Op grond van de Wgh gelden voor gevoelieg objecten (zoals woningen) de volgende grenswaarden: Voorkeursgrenswaarde: 48 dB Maximale grenswaarde: 58 dB Maximale grenswaarde: 53 dB De Wet geluidhinder gaat ervan uit dat het verkeer in de toekomst stiller wordt, onder andere door Europees bronbeleid. Daarom mogen op de berekende geluidsbelastingen enkele correcties worden toegepast. Er geldt een generieke correctie van 5 dB als het gaat om wegverkeer met een snelheid van minder dan 70 km/u en (minimaal) 2 dB als het gaat om wegverkeer met een snelheid van 70 km/u of meer (de zogenaamde 'aftrek'). Daarnaast geldt er een correctie die afhankelijk is van het soort wegdek van 1 dB of 2 dB voor wegverkeer met een snelheid van 70 km/u of meer.

Onderzoek Het tijdelijk huisvesten van arbeidsmigranten en de opslagloods zijn geen geluidsgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. In de voorwaarden van de afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan Buitengebied 2012 en in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient echter wel getoetst te worden of ter plaatse van de huisvesting sprake is van een 36

Rijperweg 129 in Middenbeemster

acceptabel woon- en leefklimaat. De huisvesting van de arbeidsmigranten wordt gerealiseerd achter op het erf, op circa 180 meter uit de weg. De aanwezig bebouwing tussen de ruimte waar de huisvesting zal plaatsvinden en de weg zorgt bovendien voor een afscherming van het geluid. Gezien de grote afstand tussen de huisvesting van de arbeidsmigranten en de weg en de afschermende bebouwing kan worden gesteld dat voldaan wordt aan de voorwaarde van een acceptabel woon- en leefklimaat. In de voorschriften, die opgenomen zijn bij de bouw van de verblijfsruimte, is bovendien bepaald dat het karakteristieke installatie-geluidsniveau niet meer mag zijn dan 30 dB. Hoewel de eisen uit de Wet geluidhinder niet van toepassing zijn op de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten, kan wél worden gesteld dat in de verblijfsruimte sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect geluid het plan uitvoerbaar is. 4.2

Luchtkwaliteit

Algemeen De milieukwaliteitseisen omtrent luchtkwaliteit zijn verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarde die voor een aantal verontreinigende stoffen in de wet is gesteld. Hierbij zijn twee sporen te onderscheiden: het creëren van bestemmingen die potentieel bijdragen aan de (verslechtering van de) luchtkwaliteit en het creëren van bestemmingen die gevoelig zijn voor (een slechte) luchtkwaliteit. Als aannemelijk is dat aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormt luchtkwaliteit geen belemmering om een bestemmingsplan vast te stellen. Deze voorwaarden zijn: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Toelichting

37

het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging; het project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit of binnen een regionaal programma van maatregelen. Voor projecten waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Dit is geregeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). In de bij het NIBM behorende Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Dit geldt onder andere voor woningbouwlocaties die ingeval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m². Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen.

Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.

Figuur 9: Grenswaarden maatgevende stoffen Wlk Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de 38

Rijperweg 129 in Middenbeemster

kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de ontwikkeling. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse van het plangebied gelegen rond de 9 µg/m³, de concentratie PM10 in 2020 ter plaatse is gelegen rond de 17 µg/m³ en de concentratie NO2 in 2020 is ter plaatse van het plangebied gelegen rond de 12 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie De realisatie van de migrantenhuisvesting heeft geen gevolgen voor de verkeersbewegingen van deze groep personen omdat de capaciteit van de huisvesting ten opzichte de bestaande situatie niet verandert. Het bedrijf blijft huisvesting bieden aan 40 personen. Het enige verschil is dat de helft van de huisvestingsplaatsen wordt omgezet in permanente huisvestingsplaatsen. De uitbreiding van de bewaring voor de knoflook heeft juist tot gevolg dat het aantal verkeersbewegingen zullen afnemen. In de huidige situatie huurt initiatiefnemer in Beemster en Heerhugowaard ruimte voor de opslag van de knoflook. In 2019 hebben circa 1988 kisten in huurcellen gestaan. Eén trailer vervoerd per keer 42 kisten.

Het vervoer van de kisten naar de opslag bij derden veroorzaakte in 2019 dus 47 verkeersbewegingen met vrachtauto's. Voor het transport terug naar de locatie aan de Rijperweg 129 zijn weer 47 transportbewegingen met vrachtauto's nodig. Op deze locatie wordt de knoflook namelijk klaargemaakt om te worden afgevoerd naar de eindgebuiker / retail. In de nieuwe situatie wordt de knoflook op de eigen locatie opgeslagen en komen de verkeersbewegingen van en naar de huurlocaties dus te vervallen. Omdat de productie niet toeneemt, kan worden gesteld dat het plan tot gevolg heeft dat er gemiddeld 94 transporten met vrachtwagens minder plaatsvinden dan in de huidige situatie. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet Toelichting

39

noodzakelijk is. Het plan veroorzaakt bovendien geen toename van het aantal verkeersbewegingen. Het aspect luchtkwaliteit staat het plan daarom niet in de weg. 4.3

Geur

Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelasting- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een in de omgeving gelegen veehouderij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Onderzoek Het plan voorziet niet in de uitbreiding van de veehouderij. Op de planlocatie is geen sprake van de toevoeging van een geurgevoelig object, aangezien de (tijdelijke) huisvesting van arbeidsmiganten niet als een geurgevoelig object wordt beschouwd. Ten oosten van het plangebied, op circa 180 meter afstand van de geplande nieuwe huisvesting, is een agrarische bedrijfslocatie gelegen. De afstand van deze locatie tot de gevel van het nieuwe gebouw waar de huisvesting plaatsvindt is zodanig groot dat deze bedrijfslocatie niet wordt beperkt in zijn ontwikkelingsmogelijkheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://beemsterraadsinformatie.purmerend.nl/api/v1/meetings/1220/documents/16776