36a. Magazine 1 februari 2021 De Eerste Lijns Sociaal Domein.pdf
Tekst van het document
Het denkkader positieve gezondheid vraagt volgens Jenny Zwijnenburg een bredere taakopvatting bij de huisarts. Ze vertelt: “In de jaren dat ik mijn werk doe, had ik huisartsen waar ik mee kon lezen en schrijven en huisartsen waar ik nooit contact mee kreeg. Nu ouderen langer thuis wonen, is dat geen optie meer. De definitie van de eerste lijn wordt verbreed. Je kunt als oudere bij de poh ggz terechtkomen. Die zijn sterk in het individueel welbevinden, het coachen en adviseren daarop. Rouwklachten, eenzaamheid, dat kun je heel psychologisch infietsen, maar de sociaal werker heeft een ander type oplossing in het dagelijks leven zelf te bieden. Denk bijvoorbeeld ook aan Welzijn op Recept, dat nu in veel gemeenten praktijk geworden is. Die oplossingen moeten een vast onderdeel worden van het aanbod van de eerste lijn.”
Jenny Zwijnenburg: ‘De constatering dat dé oudere niet bestaat, is echt belangrijk.’
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
23
STRATEGIE & INNOVATIE
Praktijkondersteuner voor patiënt met financiële problemen
Ziekmakende schulden Geldschulden zijn ziekmakend. Die dagelijkse constatering door Rotterdamse huisartsen heeft geleid tot de komst van iets nieuws: een praktijkondersteuner voor patiënten met financiële problemen. Sinds 1 maart is zij actief. “Het idee is letterlijk: keert u die schoenendoos met rekeningen en ongeopende brieven hier maar om.” TEKST: GERBEN STOLK FOTO: CSAMHABER / PIXABAY.COM
Hoe serieus en belangrijk het initiatief ook is, binnen Gezondheidscentrum Lijn 2 kon men dit voorjaar soms een glimlach niet onderdrukken wanneer werd gediscussieerd over de functiebenaming van de nieuwe collega. Moest het ‘praktijkondersteuner financieel’ of ‘praktijkondersteuner financiën’ worden? Die uitdrukkingen dekten weliswaar de lading, maar zouden gepaard gaan met de afkorting ‘pof’, terwijl ‘op de pof leven’ nou net iets is waar de nieuw medewerker patiënten voor wil behoeden… “En dus zal het waarschijnlijk iets worden als financieel adviseur of zakelijk dienstverlener”, zegt Jan Galesloot medio maart.
‘Veel mensen lopen vast in het ambtelijk circuit’ Hij is een van de drie dokters binnen Huisartsenpraktijk Mozaiek in Gezondheidscentrum Lijn 2, gevestigd in de Rotterdamse wijk Feijenoord. Twee jaar geleden gaf Galesloot een interview aan de Volkskrant. De kop boven het artikel: ‘Geen geld om bloed te laten prikken: armoede in Rotterdam-Zuid’. Het was ook in die periode dat de huisartsen van Mozaiek en de twee beroepsgenoten van de andere praktijk in het gezondheidscentrum het thema ‘problematische schulden’ onder de aandacht brachten van het bestuur, waarvan de leden volgens Galesloot “actief en maatschappelijk betrokken” zijn. Vanaf dat moment ging Gezondheidscentrum Lijn 2 zich oriënteren op de mogelijkheden patiënten met deze sores beter van dienst te zijn.
paar duizend euro. Hoe het bijvoorbeeld kan gaan in de praktijk? Iemand meldt zich met somatische klachten. Tijdens het gesprek zie ik de patiënt in tranen. Ik krijg een vermoeden dat er méér aan de hand is en vraag: ‘Wat voor werk heeft u?’ Het antwoord: ‘Ik heb geen werk.’ Waarop ik vraag: ‘Hoe doet u het dan allemaal? Hoe gaat het financieel, want u bent vorig jaar toch gescheiden? Heeft u schulden?’ Dan komt soms het verhaal eruit. Iemand blijkt tienduizenden euro in het rood te staan en zegt: ‘Ik kom er nooit meer van af, ik zou wel dood willen.’ Vaak is het begonnen met iets relatief kleins, waarna de incasso-industrie op gang is gekomen. Extra schrijnend vind ik de patiënten bij wie de problemen ontstonden vanwege een zorgpremieschuld.” Het gezondheidscentrum biedt ‘Welzijn op Recept’, maar gezien de omvang en de aard van problematiek bleek dat niet afdoende te zijn. Galesloot: “De maatschappelijk
SCHRIJNEND
“Ik voelde me machteloos. Het maakte me duidelijk dat je erbovenop moet zitten bij mensen met schuldenproblematiek.”
Dat zegt huisarts Jan Galesloot over een casus die hij “schrijnend” noemt. “Het ging om een jonge man. Hij was opgegroeid in een gezin zonder zijn biologische vader, met wie hij wel contact onderhield. Als jongvolwassene zette hij samen met zijn vader een zaak op. Toen die failliet ging, vertrok de vader naar zijn geboorteland en bleef de jongen achter met een schuld van een ton, waarmee hij niet terechtkon bij zijn moeder, stiefvader, halfbroers en halfzussen. Schuldhulpverlening kwam om de een
Vuilniszak vol
of andere reden niet op gang. Uiteindelijk raakt hij psychotisch
Galesloot: “Zij heeft de hbo-opleiding sociaal financiële dienstverlening gevolgd en doet bij Veritas vooral bewindvoering voor mensen met een verstandelijke beperking. Bij ons is de doelgroep veel breder; onze ervaring is dat schuldenproblematiek voorkomt binnen alle lagen van de maatschappij. Ze gaat te werk volgens de
en manisch depressief. Zoals gezegd: ik voelde me machteloos.
Klein begonnen
Deze jonge man was een van de patiënten die me doordrong
Galesloot: “Van de mensen die wij op het spreekuur krijgen, heeft ongeveer tien procent problematische schulden. En dan hebben we het doorgaans niet over een
van de noodzaak iemand met kennis van sociaal financiële
24
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
werker vertelde dat ze niet alles kon oplossen. Daarom zijn het bestuur en de huisartsen ook op zoek gegaan naar andere wegen.” Het resultaat: een medewerker die tot eind dit jaar projectmatig vier dagen per week patiënten ziet in de dokterspraktijken of de thuissituatie. Drie partijen maken dit financieel mogelijk en leveren alle een even hoge bijdrage. Het gezondheidscentrum wendt GEZ-gelden aan. Galesloot: “Wij zijn niet aangesloten bij een regionale zorggroep; daardoor houden we meer overhead over en hebben we bij dit soort aparte initiatieven meer eigen beslissingsruimte.” De andere initiatiefnemers en financiers zijn welzijnsorganisatie Humanitas en Stichting Veritas Vertegenwoordiging, een bedrijf dat onder meer voorziet in budgetbeheer en bewindvoering. De nieuwe medewerker in de huisartsenpraktijken is in dienst van Veritas, maar wordt door deze organisatie gedetacheerd.
dienstverlening toe te voegen aan de praktijk.”
filosofie van Veritas: een proactieve benadering om mensen te helpen een overzicht te krijgen over inkomsten en uitgaven. Het wordt ook wel ‘een financiële diagnose’ genoemd. Mensen moeten al hun financiële papieren meenemen. Vaak zijn er ook ongeopende brieven. Soms hebben ze een schoenendoos vol paperassen bij zich, een enkele keer zelfs een vuilniszak. De praktijkondersteuner financiën, zoals we haar nog maar even zullen noemen, heeft maar liefst twee uur de tijd voor de patiënt. Blijkt dat niet voldoende te zijn om de financiën op een rijtje te krijgen? Dan wordt een nieuwe afspraak van twee uur gemaakt.”
Niet passend De vraag rijst: is dit alles een taak voor de eerste lijn? Horen patiënten met achterliggende financiële problematiek niet te worden verwezen naar het sociaal domein? Hier heeft in Rotterdam lange tijd de schoen gewrongen. De Rekenkamer Rotterdam meldde vorig jaar dat de gemeente er in de periode 2012-2015 niet in was geslaagd het aantal inwoners met problematische schulden omlaag te brengen. De gemeente berichtte: “In de Maasstad lopen zo’n 60.000 huishoudens een risico op problematische schulden. De afgelopen jaren is volgens de gemeente gebleken dat deze groep niet goed weet >>
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
25
STRATEGIE & INNOVATIE
waar en hoe ze hulp kunnen vragen, of de aangeboden hulp blijkt niet te passen.” Deze conclusies waren overigens een prikkel om verbeteringen aan te kondigen; deze zijn weergegeven in het uitvoeringsplan Reset Rotterdam. Galesloot: “Wij hopen dat onze nieuwe medewerker mensen kan helpen de juiste weg naar de juiste hulp te vinden. De ervaring van Veritas is dat veel mensen met schuldproblemen vastlopen in het ambtelijk circuit. Ze gaan bijvoorbeeld naar het gemeenteloket VraagWijzer, vertellen kort over hun problemen en krijgen misschien het advies eerst te gaan overleggen met de dienst Werk en Inkomen om daarna terug te komen. Mensen verdwalen in dat circuit. Intussen gaat kostbare tijd verloren, terwijl de schulden oplopen. Het idee van Veritas, dat nu dus ook bij ons in de praktijk wordt gebracht, is dat iemand bij ons zijn financiële diagnose krijgt – een keurig overzicht – waarmee hij bijvoorbeeld veel effectiever naar de gemeente kan gaan en zo nodig sneller terechtkan bij de Kredietbank Rotterdam.”
‘Binnenkomen met hartkloppingen en vertrekken met financiële ondersteuning’
multidisciplinaire karakter van het gezondheidscentrum. Maar laat het duidelijk zijn: we kunnen niet zeggen of dit het ei van Columbus is. Na de evaluatie aan het eind van het jaar weten we meer.”
Vraag achter de vraag De context waarbinnen de praktijkondersteuner in Rotterdam werd geboren, is niet nieuw. In het vorige decennium dienden zich in de eerste lijn ook veel patiënten aan met “een vraag achter de vraag”, zoals Hillary Hendriks het noemt. Zij is huisarts in Gezondheidscentrum Reeshof te Tilburg. Ze zegt: “Iemand presenteert zich met hoofd- of spierpijn, maar als je doorvraagt, krijg je bijvoorbeeld signalen van huisvestingsproblematiek.” De vijf huisartsen van GC Reeshof en zes collega’s uit omliggende praktijken konden ruim een jaar lang een professional inschakelen wanneer ze een achterliggende vraag vermoedden. Hendriks noemt een resultaat: “Een vrouw kwam met hartkloppingen op het spreekuur en was uiteindelijk geholpen met financiële ondersteuning en een cursus bloemschikken. Ze ging weer meer deel uitmaken van de maatschappij.”
Versleten meubels Genoemde professional had praktijkondersteuner welzijn kunnen heten, maar om verwarring met de andere poh’ers te voorkomen, werd gekozen voor ‘consulent maatschappelijke ondersteuning’ (cmo). Hoe werkte het?
Trots
26
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
Frans van Muilwijk: ‘Huisartsen
‘We hadden hier in Tilburg
merkten dat cliënten gerichter
iets wat optimaal werkte.’
konden worden geholpen.’
Huisarts Ad Stokmans: “Ik vertelde de patiënt dat er volgens mij vooral een niet-medisch probleem speelde en dat we in de praktijk iemand hadden met meer verstand daarvan dan ik. Als de patiënt instemde, vroeg ik de cmo contact te zoeken. Meestal bezocht die de patiënt thuis, met als doel iemand in zijn eigen omgeving te zien. De meubels konden bijvoorbeeld helemaal versleten zijn. Nadat de situatie in kaart was gebracht, benaderde de cmo het welzijnswerk, maatschappelijk werk, de wijkverpleegkundige of de gemeente. Zij kende ook de gemeentelijke regelingen, bijvoorbeeld op het vlak van schuldhulpverlening.”
‘Als ik iemand naar een grote organisatie stuur, hoop ik altijd maar dat die persoon op de goede plek terechtkomt’
Tevreden
Durft iemand dit niet of geneert hij zich? Dan kan een ‘buddy’ van Humanitas uitkomst bieden. Galesloot: “Een buddy is een ervaringsdeskundige, iemand die zelf ooit schuldenproblematiek had en de gang van zaken bij de gemeente kent. Die gaat met de patiënt mee naar de gemeente en kan bijvoorbeeld beter beoordelen of een ambtenaar de situatie juist inschat en de goede regeling treft voor de schuldenaar.”
Zal het initiatief de werkdruk van de huisartsen verminderen? Gaan zij minder mensen zien die eigenlijk niet kunnen worden geholpen tijdens hun spreekuur? Galesloot: “Dat zou je verwachten. Maar vaak gaat het om mensen die hun spanningen lichamelijk beleven; de neiging om naar de huisarts te gaan is natuurlijk niet meteen over. Maar los daarvan: als huisartsen voelen we ons trots dat we nu een collega hebben met kennis van sociaal financiële dienstverlening. Het is een verrijking van het
Ad Stokmans en Hillary Hendriks:
initiatief te stoppen en te proberen het wiel opnieuw uit te vinden. Nu moeten we het hier doen met een soort second best.” Hendriks doelt op de vaste contactpersonen die de huisartsenpraktijken hebben bij het sociaal wijkteam, de welzijnszorg en thuiszorg. De laatste is een wijkverpleegkundige die S1-achtige taken mag verrichten. Stokmans: “Maar een wijkverpleegkundige is toch meer gericht op zorg. En voor de andere contactpersonen geldt: bij grote organisaties is veel personeelsverloop. Vaak zijn ze binnen een jaar alweer vertrokken. Bovendien moet je ook met een vaste aanspreekpersoon maar afwachten of het degene is die daadwerkelijk bereikbaar is en met de cliënt aan de slag gaat.” Hendriks: “Als ik iemand naar een grote organisatie stuur, hoop ik altijd maar dat die persoon op de goede plek terechtkomt.”
Huisarts Jan Galesloot: ‘Twee uur de tijd voor een financiële diagnose.’
Het project was succesvol, vertellen de twee huisartsen en Frans van Muilwijk, directeur Gezondheidscentrum Reeshof. Laatstgenoemde: “Huisartsen merkten dat cliënten gerichter konden worden geholpen. En een onderzoek onder 180 cliënten wees uit dat ook zij tevreden waren.” Desondanks kreeg het initiatief geen vervolg. Van Muilwijk: Het project werd gefinancierd door Versterking Eerstelijn Zuid-Nederland (VEZN), onderdeel van CZ en VGZ. Het liep af. De gemeente en CZ, die in de stuurgroep waren vertegenwoordigd, hadden de verwachting dat de werkzaamheden van de cmo spontaan zouden kunnen worden overgenomen door de S1-verpleegkundige en het nieuwe sociale wijkteam van de gemeente. Ook een poh ggz-achtige constructie, waarbij gemeente en zorgverzekeraars alle deels tekenen voor de financiering, bleek op dat moment niet haalbaar.” Hendriks: “Nog steeds is er de grootschalige problematiek van ‘een vraag achter de vraag’. Zorgverzekeraars, eerste lijn en sociaal domein zoeken volop naar oplossingen. Dan denk ik: we hadden hier in Tilburg iets wat optimaal werkte, iets wat daadwerkelijk effect had op het gevoel van eigenwaarde. Het is zonde een goed lopend
Onderdeel team Stokmans: “Het beste scenario is een professional die onderdeel is van het team in de huisartsenpraktijk. Iemand die je direct kunt aanspreken. Onze cmo was van huis uit verpleegkundige en daarmee BIG-geregistreerd. Ze mocht meekijken in het HIS en had dus al voorkennis vergaard wanneer ze op huisbezoek ging. En ik kon later in het dossier zien wat er was afgesproken en hoe het allemaal liep.” Van Muilwijk: “We blijven proberen de cmo nieuw leven << in te blazen.”
1,35 MILJOEN HUISHOUDENS In 2018 had een op de vijf Nederlandse huishoudens betalingsproblemen, zo concludeerde Nibud, het kenniscentrum voor de huishoudportemonnee. Het ging om 1,35 miljoen huishoudens.
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
27
ORGANISATIE VAN ZORG
Herstelcirkel mensen met diabetes
‘Overgewicht los je niet in de spreekkamer op’ Diabetespatiënten komen bij hun huisarts met problemen die deze dokter niet kan oplossen. Henk Schers ontwikkelde de herstelcirkel. ‘De kracht van de groep is nu onderdeel van mijn instrumentarium.”
Schulden, rouw, eenzaamheid. “Dat kan leiden tot nieuwe zorgvragen bij de huisarts. Of juist bij het wijkteam. De coaches kunnen op individueel niveau een beetje helpen. Die kijken dan vooral wat er aan extra ondersteuning nodig is. Ze kennen de lokale sociale kaart. Diegene moet het wel zelf regelen.”
TEKST: PIET-HEIN PEETERS
‘Huisarts moet geen verantwoordelijkheid nemen voor nietmedisch probleem’
Ongemak. Daar begon het voor huisarts Henk Schers mee. “Huisartsen zijn gemiddeld genomen betuttelend bezig met mensen met diabetes.” Patiënten komen elke drie maanden binnen. De huisarts meet dan en als de uitslag niet goed is, krijgen ze te horen wat ze meer of minder moeten doen. Schers: ‘Wat ze natuurlijk allang weten. Maar ze worden te weinig geholpen bij waar ze in hun omgang met diabetes iedere dag tegenaan lopen.” Schers werd geïnspireerd door een ontwikkeling in de artrosezorg. In een samenwerkingsproject met de Sint Maartenskliniek kwamen groepen patiënten met artrose in de wijk bij elkaar om scholing te krijgen en ervaringen uit te wisselen. ‘Mensen hielpen elkaar, waardoor er ook meer eigen regie ontstond.” Niks nieuws natuurlijk, beaamt Schers. “Zoiets bestaat al veel langer. Denk aan de anonieme alcoholisten die al voor de tweede wereldoorlog bestonden. Je brengt peers met elkaar in contact en zegt: Jullie zijn zelf de belangrijkste spelers, niet de zorgverleners.” Maar het zat niet in de gereedschapskist van de huisarts en het bestond evenmin op wijkniveau. “Ik had over dat laatste wel twijfels. Vinden mensen het leuk als ze elkaar elders tegen komen? Bijvoorbeeld in de supermarkt. Dat ze van elkaar weten dat ze diabetes hebben en welke zorgen ze hebben. Maar dat bleek juist als positief te worden ervaren.”
Verantwoordelijkheid De rol van de huisarts is volgens Schers vrij beperkt. Hij levert deelnemers aan, maar wat in zijn ogen “in hoge mate geen medisch probleem is, moet je ook niet medisch maken”. Zijn praktijk bemoeit zich niet met de organisatie van de cirkels. Hooguit komt er iemand een keer een presentatie geven, “maar verder blijf je zoveel mogelijk uit de groep”. Schers benadrukt ‘het eigenaarschap’ van de groep. Wie gezondheid in een buurt wil bevorderen, doet dat door
MEER REGIO'S Henk Schers: ‘We zeggen: Jullie zijn zelf de belangrijkste spelers,
Groepsdynamiek
niet de zorgverleners.’
Zo ontstond, al brainstormend met mensen binnen en buiten zijn werkveld, de herstelcirkel. Een groep van vijftien tot twintig burgers met diabetes die elkaar ondersteunen in het dagelijks leven met hun ziekte en zo veel minder vaak bij de huisarts komen. Ze wisselen ervaringen uit, geven elkaar tips. Inmiddels bestaan er rondom de praktijk van Schers in Nijmegen-Noord vier groepen. Hij en collega’s dragen de herstelcirkel als optie aan bij hun patiënten, maar de ontwikkeling van de groep wordt aan de deelnemers zelf overgelaten. Waar ze bij elkaar komen, wie de trekkers zijn in de groep, het is aan hen.
“Iedere groep krijgt wel een coach. Die heeft geen medische rol, maar is er om de groep op gang te krijgen en te zorgen dat de groep zelf de verantwoordelijkheid neemt.” De coaches zijn mensen uit de verslavingszorg, uit de ggz, leefstijlcoaches. “We hebben een competentieprofiel en een training. Ze moeten hun handen op de rug kunnen houden. Het zijn zeker geen tweede poh’s, liefst weten ze niets van bloedsuikers.” In de groepsdynamiek kan individuele problematiek op tafel komen waarbij de groep niet meer kan helpen.
28
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
Herstelcirkel in de wijk probeert de verschuiving van ziekte en zorg naar gedrag en gezondheid mogelijk te maken. De deelnemers hebben een chronische aandoening als diabetes type 2 of angst- en depressieklachten. Henk Schers: “Zij werken met zelf gestelde leefstijldoelen in groepen van vijftien tot twintig personen aan meer grip, energie en verbinding.” Herstelcirkel streeft naar een gezondheid bevorderende cultuur en structuur in de wijk. De ambitie is om over vijf jaar actief te zijn in dertien regio’s.
burgers verantwoordelijkheid te geven. Idealiter ontwikkelen ze zo samen een omgeving waar gezond leven normaler wordt, gestimuleerd wordt. “We zijn chronische aandoeningen te veel gaan medicaliseren. Bij diabetes is veel van de problematiek niet medisch, maar maatschappelijk. Overgewicht los je niet in de spreekkamer op. Huisartsen moeten geen verantwoordelijkheid nemen voor een probleem dat niet medisch is en waarvan bekend is dat er nauwelijks effectieve interventies zijn.”
Financieren De herstelcirkel als onderdeel van het aanbod van de huisarts is “uniek in Nederland”, denkt Schers. Zorgverzekeraar Menzis ondersteunt het project. Opvallend, omdat er feitelijk geen sprake is van zorgverlening. “Het zit aan de randen van de zorgverzekering. Dat vindt Menzis ook. Eigenlijk wil je het anders financieren, maar de gemeente hier staat nog niet in de stand om dit op te pakken.” Schers noemt de financiering een belangrijke vraag. “Nu zijn herstelcrirkels financieel alleen haalbaar als component van medische zorg. Maar ik zie het ook als een stukje verantwoordelijkheid van gemeenten en werkgevers.” Want de herstelcirkels zijn succesvol. “We weten inmiddels dat deelnemers minder medicatie gebruiken en gewicht verliezen. Mensen zijn niet slechter ingesteld dan wanneer ze vaker bij ons zouden komen. We zien een positieve ontwikkeling van het HDL-cholesterol. En misschien wel het belangrijkste: mensen worden zich door de groep meer bewust van wat ze zelf kunnen en willen.” Op die uitkomsten is volgens Schers wetenschappelijk heus nog wel wat af dingen, “maar deze resultaten zijn hoopgevend.” Vanuit de praktijk van Schers wordt nu eveneens gewerkt aan herstelcirkels voor mensen met psychische problematiek. “Je ziet ook daar veel afhankelijkheid van de medische zorg.
Ook daar gaat het om het aanspreken van de eigen kracht.” Schers is door de ontwikkeling van de herstelcirkels anders naar zijn werk gaan kijken. “Steeds meer mensen gaan makkelijker over hun eigen data en gezondheid beschikken en dus ook meer eigenaar van hun ziekte worden. Daar hebben we gebruik van te maken. En het inzetten op sociale verbondenheid, de kracht van de groep, is nu onderdeel van mijn instrumentarium.” <<
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
29
LEIDERSCHAP & SAMENWERKING
Welzijn op Recept
Kleur aan het leven geven Jan Joost Meijs, voorzitter van het Landelijk kennisnetwerk Welzijn op Recept, is verheugd dat al in meer dan honderd gemeenten enthousiast aan de slag is gegaan met het door hem ontwikkelde gedachtegoed. Voor het optimaliseren van het concept moet de samenwerking van die gemeenten met de zorgverzekeraars worden versterkt, stelt hij. TEKST: FRANK VAN WIJCK
Hoe komt een huisarts tot de ontwikkeling van een gedachtegoed als Welzijn op Recept? In de kern heel simpel: door een data-analyse toe te passen op zijn eigen patiëntenpopulatie, en daarvan te leren dat een groep van 950 patiënten vijf keer per jaar naar de praktijk kwam met niet-medische klachten. “Zo begon het”, vertelt Meijs. “In die tijd las ik net Mentaal vermogen. Investeren in geluk van Jan Auke Walburg. Zijn kernvraag – wat heb je nodig om gelukkig te worden – sloot naadloos aan bij wat ik dacht wat voor die 950 patiënten nodig was.”
welzijnscoach moet heel goed het aanbod in het sociaal domein kennen.” Een verwijzing naar het sociaal domein is zowel voor de huisarts als voor de professionals in het sociaal domein nog wennen, erkent Meijs. “Maar je wilt verwijzingen naar de tweede lijn voorkomen. Daarvoor is die verwijzing naar het sociaal domein essentieel, waar de ruimte bestaat om de patiënt in een andere modus te brengen: niet ingaan op de klachten, maar focussen op wat iemand energie geeft.”
Samen verkennen
‘Het sociaal domein heeft een poortwachter nodig’ Veel herkenning Uit dit alles ontstond het concept dat we nu kennen als Welzijn op Recept, waarmee inmiddels in meer dan honderd gemeenten actief gewerkt wordt. “Dat gaat heel hard”, zegt Meijs enthousiast. “Als ik huisartsen vertel over de patiënten voor wie dit primair bedoeld is, zien ze zo iemand gewoon voor zich. De herkenning is groot. De uitvoering van Welzijn op Recept is afhankelijk van de lokale context en kent daardoor veel lokaal maatwerk. Dat is goed, op voorwaarde dat de cruciale elementen in acht worden genomen die we in het Welzijn op Recept Handboek hebben beschreven. Kernelementen zijn bijvoorbeeld het selecteren van de ‘juiste patiënt’, het goede gesprek met hem voeren, hem correct verwijzen en terugkoppeling tussen de welzijnscoach en de huisarts. En de
30
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
Het begint met het terrein verkennen, stelt Meijs. “Niet meteen je huisartspraktijk anders inrichten, maar eerst de welzijnscoach en elkaars werkwijze leren kennen en samen verkennen wat je in samenspraak met de professionals in het sociaal domein kunt bereiken voor mensen. Dan je patiëntenbestand screenen en de patiënten om wie het gaat uitnodigen voor een gesprek dat breder gaat dan alleen diens medische problemen. Die gesprekken moet je echt proactief plannen, anders komt het er niet van.” In dat stadium speelt de poh’er een belangrijke rol, stelt Meijs. “Die heeft meer tijd en ziet veel patiënten elke drie maanden terug. Daarnaast kan de poh’er in de praktische uitvoering veel taken overnemen, zoals het frequente contact met de welzijnscoach. Hier zit wel een grens aan. Hoewel goed bedoeld, plaats ik persoonlijk vraagtekens bij het aanstellen van een poh’er armoede of schuldhulpverlening, omdat dit nu juist het werkterrein en de deskundigheid is van het sociaal domein. Goed diagnosticeren en gepast verwijzen is dan het motto voor de huisarts.”
Niet optimaal verwijzen De stand van zaken is dat huisartsen wel veel Welzijn op Recept-geschikte patiënten op het spreekuur zien, maar nog niet optimaal verwijzen naar Welzijn op Recept, stelt Meijs. “Ze zeggen dat ze eigenlijk dagelijks patiënten
zien met sociaalmaatschappelijke problematiek, maar de praktijk toont aan dat ze maar tien tot vijftien keer per jaar een welzijnsrecept uitschrijven. Kortom, er is nog een behoorlijk onbenut potentieel dat we de komende jaren moeten gaan benutten. De huidige organisatie en financiering van de vooral ‘ziektegerichte’ eerstelijnszorg is een van de oorzaken hiervan, maar zeker niet de enige. Dit heeft dan ook de aandacht van zowel VWS als het Landelijk kennisnetwerk en wordt meer en meer ook door zorgverzekeraars en gemeenten als belangrijk onderwerp gezien.”
Handreiking De samenwerking met het sociaal domein vraagt ook een rol van gemeenten en zorgverzekeraars. “Daar ligt nog een fors vraagstuk”, zegt Meijs. “Gemeenten hebben behoorlijk wat op hun bord gekregen. Ze hebben hun werk binnen het sociaal domein best goed opgepakt vind ik, maar het sociaal domein heeft echt een poortwachter nodig zoals de huisarts dat voor de eerste lijn is. Vaak is alles wat binnen het sociaal domein valt nog verticaal georganiseerd. Gelukkig geeft het feit dat Welzijn op Recept op zoveel plaatsen een voedingsbodem vindt wel aan dat hierin ontwikkeling zit. Ook de zorgverzekeraars nemen het onderwerp serieus. Verbinding met het
sociaal domein is vaak al een van de opdrachten in de contractering met de huisartsen. Maar de zorgverzekeraars en gemeenten zelf zijn nog wel werelden die elkaar beter moeten leren kennen.” Een goede ontwikkeling is dat staatssecretaris Paul Blokhuis Welzijn op Recept nadrukkelijk omarmt (zie pag. 35. red.), erkent Meijs. “Al is zijn idee om het onder te brengen in de Zorgverzekeringswet maar een deel van de oplossing”, zegt hij hierbij, “want daarmee heb je de gemeenten nog niet. Je moet de gemeenten en zorgverzekeraars één simpele handreiking bieden. We zijn daarom bezig met een integraal inkoopadvies Welzijn op Recept dat hen hiervoor een concreet document moet bieden. Ook zijn we met VWS in gesprek over de vraag wat inzetten op Welzijn op Recept oplevert. Al besef ik ook dat alles meten en bewegen een valkuil kan zijn. De gedachte dat je mensen met Welzijn op Recept kleur aan hun leven geeft zodat ze minder een beroep op de zorg doen, ligt nogal voor de hand. Deze mensen, die vast komen te zitten in het medisch systeem, hebben gewoon een duwtje in de goede richting nodig en soms ook ondersteuning. Als je hun levensvaardigheid ondersteunt, gaan ze zich lekker in hun vel voelen, zelfvertrouwen ervaren en dingen ondernemen. En dat zal ook onnodige zorgkosten voorkomen.” <<
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
31
ORGANISATIE VAN ZORG
Krimpgebieden: ruimte voor avontuur
‘Platteland aantrekkelijk maken’ Zorg- en welzijnsprofessionals die krimpgebieden verlaten of niet genegen zijn zich er te vestigen? We kunnen klagen, maar we hebben ook de mogelijkheid de beeldvorming bij te stellen en onder meer huisartsen te attenderen op de kansen die deze streken bieden, zegt Bettina Bock. “Het is niet zo dat er onvoldoende werk is in deze gebieden”, zegt ze. “Vanwege de vergrijzing is er juist een grote zorgbehoefte. Het is eerder een tekort aan professionals waarmee we hier worden geconfronteerd.”
Ouderwets
Bettina Bock
TEKST: GERBEN STOLK FOTO: WEEGHDESIGN / PIXABAY.COM
Bock wordt ook wel ‘krimpprofessor’ genoemd. Sinds 2015 is zij bijzonder hoogleraar Bevolkingsdaling en Leefbaarheid voor Noord-Nederland aan de Rijksuniversiteit Groningen. Jazeker, in de afgelopen jaren hoorde en las zij zoals zovelen dat het niveau van de zorg- en welzijnsvoorzieningen daalde in bepaalde regio’s binnen Groningen, Friesland en Drenthe. Maar nee, ze wil dit niet zien als een onomkeerbaar proces. Bock adviseert zorg-, welzijn en overheidsbestuurders en -beleidsmakers nieuwe wegen in te slaan.
32
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
Dát is dan ook het terrein waarop actie moet worden ondernomen. Daarvoor dient wel bekend te zijn waarom er onder professionals geringe animo bestaat voor het platteland. Bock: “Vooral jongere mensen hebben het idee dat het leven in dichtbevolkte gebieden spannender is en dat je op het platteland bijvoorbeeld minder vrijetijdsmogelijkheden hebt en ook minder voorzieningen zoals kinderopvang. Verder heerst vaak het beeld dat er in agrarische gebieden vooral ouderwetse huisartspraktijken zijn waar je bij wijze van spreken alleen ingegroeide teennagels behandelt. Het werk zou weinig uitdagend zijn. Tegelijkertijd wordt dikwijls gedacht dat je er dag en nacht moet werken, omdat er weinig zorgprofessionals zijn. Dit gaat in tegen de trend dat steeds meer huisartsen parttime willen werken.” De hoogleraar plaatst hiertegenover het beeld van gebieden waar avontuur en innovatie wachten. “Natuurlijk, er zijn obstakels, zoals dat het voor de vaak hoogopgeleide partner van een huisarts moeilijk is een baan te vinden in een krimpgebied en dat menige zorgprofessional daarom de stap naar het platteland niet zet. Maar deels heeft het tekort aan professionals ook te maken met beeldvorming. Je kunt zeggen: het platteland is saai.
Maar je kunt ook benadrukken: met de huidige organisatie van zorg komen we in de knel op het platteland, dus er ligt een uitdaging om vernieuwingen te bedenken en uit te voeren. Die houding maakt werken in deze streken mijns inziens aantrekkelijk, leidt ertoe dat het avontuurlijk wordt hier aan de slag te gaan.”
Menselijke maat Spannend en kansrijk zijn volgens Bock bijvoorbeeld nieuwe samenwerkingsverbanden die resulteren in fenomenen als ‘de dorpsondersteuner’ (zie het
‘Uitdaging om vernieuwingen te bedenken’ interview hieronder). “Dit is een verandering die je kunt combineren met een inhoudelijke innovatie van de gezondheidszorg. Een innovatie waarbij het minder om het curatieve gedeelte gaat en meer om preventie. Je bent meer gericht op wat mensen zoeken, op zingeving, op hun specifieke situatie en behoeften. Vaak kan een vrijwilliger aan deze wensen tegemoetkomen. Dit alles levert meer kleinschaligheid en persoonsgerichte zorg op; de menselijke maat neemt toe, mede omdat de burger kan meepraten over wie er wat voor hem doet. Je kunt je bijvoorbeeld voorstellen dat telkens dezelfde vrijwilliger op hetzelfde tijdstip een dorpsbewoner helpt bij het douchen, terwijl die dorpsbewoner voorheen moest afwachten hoe laat iemand van de thuiszorg verscheen.” Bock noemt in dit opzicht ook zorgcoöperaties. “Die bieden een combinatie van formele en informele zorg, een combinatie van professionals en vrijwilligers.
Dorpelingen kunnen tegen een bepaald bedrag lid worden en zijn daarmee vrager of aanbieder van zorg óf beide. Leden laten bijvoorbeeld weten welke zorg zij nodig hebben, welke taken zij zelf willen uitvoeren en op welke dagdelen zij daarvoor beschikbaar zijn. Dat laatste kan heel eenvoudig zijn: op maandag- en woensdagmiddagen een kopje koffie drinken met een alleenstaande oudere in het dorp. Met een zorgcoöperatie regel je burenhulp op een georganiseerde manier. Je hebt niet de gedwongen dankbaarheid van de oudere. En je hebt ook niet de angst van de vrijwilliger dat de bezoeken na verloop van tijd een verplichtend karakter krijgen.”
Idealen De hoogleraar vervolgt: “Naar mijn mening is het zeker voor huisartsen boeiend om nauw betrokken te zijn bij dit soort noodzakelijke vernieuwingen. Als je ontevreden bent over het huidige zorgmodel, heb je in plattelandsgebieden letterlijk en figuurlijk de ruimte om met je idealen aan de slag te gaan en de zorg te verbeteren. Ik denk dat dit aansluit bij de drive en motivatie die huisartsen horen te hebben: je wilt werken voor mensen die jou het meest nodig hebben. Of het nu een zwakke wijk is in een grote stad of een krimpgebied op het platteland, je zou actief moeten willen zijn dáár waar het dreigt mis te gaan.”
Meer welzijn, minder kosten
Dorpsondersteuner De komst van dorpsondersteuners in Groningse dorpen is gepaard gegaan met een toename van het welzijn en daling van de huisartszorgkosten. Zij koppelen bijvoorbeeld vrijwilligers aan bewoners voor eenvoudige zorgtaken. Wat is een dorpsondersteuner? Richard Jong-A-Pin (onderzoeker en universitair hoofddocent Faculteit Economie en Bedrijfskunde Rijksuniversiteit Groningen): “Iemand die zich inzet voor de leefbaarheid in het dorp. Elk dorp geeft zijn eigen invulling. Meestal is dat organisatie van informele zorg: een dorpsondersteuner brengt vrijwilligers en bewoners bij elkaar.”
dorpsondersteuner een andere rol: sociale activiteiten organiseren om ouderen zelfredzamer te maken. Een tabletcursus bijvoorbeeld. In een van de onderzochte dorpen gaat het behalve om informele zorg ook om versterking van de sociale structuur. De dorpsondersteuner coördineert bijvoorbeeld de inzet van vrijwilligers bij verenigingen.”
Wat kan een vrijwilliger zoal doen?
Wat is de aanleiding voor dorpsondersteuners in de provincie Groningen?
“Een bewoner gezelschap houden of naar het ziekenhuis brengen. Of medicijnen ophalen of een lamp vervangen. Kortom, betrekkelijk eenvoudige zorgtaken die niet zijn bedoeld voor professionals. In sommige dorpen heeft de
“Krimp en vergrijzing raken een aantal regio’s hard, vooral in Noord- en Oost-Groningen. Dit gebeurt bovendien ten tijde van de transitie van welvaarstsstaat naar participatiesamenleving.” >>
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
33
ORGANISATIE VAN ZORG
STRATEGIE & INNOVATIE
Paul Blokhuis over Welzijn op Recept
van huisarts en dorpsraad; inwoners hebben vertrouwen dat ze goed kunnen worden geholpen. In Ulrum en directe omgeving daalden de huisartszorgkosten met zes procentpunt, terwijl ze in het grotere omliggende gebied stegen. Het is te vroeg om te spreken van harde oorzakelijke verbanden, maar dorpsondersteuning gaat in genoemde dorpen gepaard met lagere zorgkosten én welzijnstoename. In Onderdendam is men in 2019 begonnen; daar zijn nog geen conclusies mogelijk.”
En nu? “Het is niet honderd procent zeker, maar het onderzoek suggereert sterk dat de maatschappelijke-economische waarde van dorpsondersteuning groter is dan de kosten. Structurele overheidssubsidie is noodzakelijk om dergelijke projecten – ook op de lange termijn – te laten slagen. Er zijn vele redenen om aan te nemen dat het niet lukt als je het aan de markt overlaat. Bijvoorbeeld: de mensen die het meest behoefte hebben aan een dorpsondersteuner, zijn vaak degenen die het niet kunnen betalen. Het is niet rendabel voor bedrijven.”
Richard Jong-A-Pin
Wie initieert en financiert dorpsondersteuning? “In Wedde en Wedderveer gaf de huisarts uit Wedde in 2014 de aanzet (project Wedde dat ’t lukt, red.). Hij vertelde me dat hij wilde anticiperen op de transitie. Zijn basisgedachte: wat kunnen bewoners voor elkaar betekenen? Daarmee stapte hij naar de dorpsraad. Sinds 2015 is er 28 uur per week een dorpsondersteuner: een dorpsinitiatief dat wordt gefinancierd door de gemeente en dat sinds respectievelijk 2016 en 2017 eveneens draait in zusterdorpen Veelerveen en Vriescheloo. In Onderdendam is het ook een bewonersinitiatief, in dit geval door Dorpshuis Onderdendam. Dit is financieel mogelijk dankzij de lokale hervormde kerk, gemeente Het Hogeland, het dorpshuis en Oranje Fonds. In Ulrum lanceerde de gemeente zelf een ‘dorpsconciërge’. Nadat haar baan ophield te bestaan, ging ze een dag per week door als vrijwilliger. Incidenteel zijn er gemeentelijke subsidies voor activiteiten zoals een tabletcursus.”
Wat levert het op? “In Wedde en Wedderveer zijn tussen 2015 en 2017 de huisartszorgkosten per inwoner gemiddeld met 38 euro afgenomen. De dorpsondersteuner heeft een mandaat
34
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
Wat adviseert u partijen die dorpsondersteuning willen opzetten? “Kijk naar de behoeften in het dorp én naar de mankracht en expertise. Zomaar een basaal voorbeeld: je wilt een vrijwilliger die computerproblemen van bewoners verhelpt. Als niemand in het dorp ict-kennis heeft, moet je << die ambitie laten varen.”
Naam onderzoek: Evaluatie van de dorpsondersteuner. Opdrachtgevers: Vereniging Groninger Dorpen en Healthy Ageing Netwerk Noord Nederland (HANNN). Uitvoerder: Aletta Jacobs School of Public Health, een samenwerkingsverband tussen de Rijksuniversiteit Groningen, het UMCG en de Hanzehogeschool Groningen. Meer informatie: https://www.de-eerstelijns. nl/dossier/3-2020/.
‘Meer inzetten op collectieve preventie’ Met Welzijn op Recept krijgen mensen geen medicijnen, maar een welzijnscoach die ze helpt weer sociaal actief te worden. De eerste signalen zijn positief, stelt staatssecretaris Paul Blokhuis. “Uit onderzoek blijkt dat in 83 gemeenten mensen zo worden ondersteund. Nu kijken hoe we dat aantal omhoog krijgen.”
TEKST: FRANK VAN WIJCK FOTO'S: RIJKSOVERHEID EN MATTHIAS ZOMER / PEXELS
“Dokter, ik slaap de laatste tijd zo slecht.” Iedere huisarts die deze zin hoort in zijn spreekkamer, weet dat hij erop gespitst moet zijn te achterhalen of de patiënt wel een medische vraag heeft. Bij doorvragen blijkt maar al te vaak dat sprake is van een achterliggend psychosociaal probleem. Het doel van het programma Welzijn op Recept is dat de huisarts zo’n patiënt verwijst naar een ‘welzijnsarrangement’ van de welzijnsorganisatie in zijn gemeente. De arrangementen die iemand daar aangeboden krijgt, bestaan uit interventies die het doel hebben zijn welbevinden te vergroten. Dit kunnen creatieve activiteiten zijn of sporten of bewegen, maar bijvoorbeeld ook vrijwilligerswerk. Het doel hiervan is de mentale gezondheid en veerkracht van de persoon te versterken. En de achterliggende gedachte is vanzelfsprekend dat die dan minder een beroep doet op de zorg. Lokale variatie in de uitvoering is tot op zekere hoogte logisch. Arrangementen moeten immers passen bij de patiëntenpopulatie en aansluiten bij de mogelijkheden van de welzijnsorganisatie ter plaatse. Aan VWS-staatssecretaris Paul Blokhuis de vraag hoe Welzijn op Recept verder kan worden gebracht.
Wat ziet u als de grootste waarde van Welzijn op Recept? “Er is een flinke groep patiënten die een arts bezoeken met klachten die feitelijk geen medische maar een sociaal-maatschappelijke oorzaak hebben. Hierbij kun je denken aan mensen die eenzaam zijn, in de schulden zitten, werkloos zijn of een dierbare hebben verloren. Een zorgverlener in de eerste lijn kan zo iemand doorverwijzen naar een welzijnscoach. Die gaat samen met de patiënt op zoek naar activiteiten waar iemand energie van krijgt of blij van wordt. Iemand kan bijvoorbeeld het
biljarten weer oppakken. Zo geef je die persoon weer perspectief. De patiënt heeft weer wat te doen in de avond en leert nieuwe mensen kennen. Een ander kan bijvoorbeeld vrijwilligerswerk doen, waardoor hij vrienden maakt en weer voldoening krijgt uit het leven. Kortom, mensen krijgen geen pijnstiller of antidepressivum voorgeschreven, maar ze krijgen Welzijn op Recept. Deelnemers aan Welzijn op Recept vertellen dat ze zich gezonder en gelukkiger voelen, actiever zijn, dat hun zelfvertrouwen groeit en dat ze de toekomst rooskleuriger tegemoet zien. Mensen kunnen zowel lichamelijk als fysiek weer opbloeien door de interventie.”
Movisie noemt het een interventie die uitstekend past bij de kanteling van de Wmo. Vindt u dit ook en waarom? “Ja, daar ben ik het mee eens, maar het interessante is ook dat Welzijn op Recept er al eerder was dan de Wmo 2015. Welzijn op Recept geeft huisartsen een gestructureerde mogelijkheid om patiënten door te verwijzen naar het sociale domein. Patiënten die wel naar de huisarts gaan, maar niet naar het Wmo-loket. De manier waarop zij vervolgens door een welzijnscoach begeleid worden naar een activiteit, past bij de integrale maatschappelijke ondersteuning door gemeenten van mensen die dat nodig hebben.”
U bent te spreken over de eerste resultaten in 83 gemeenten en stelt “Nu kijken hoe we dat aantal omhoog krijgen”. Ligt er met de informatie over Welzijn op Recept die er nu is een voldoende solide basis voor andere gemeenten om hiermee aan de slag te gaan? “Zeker weten. Welzijn op Recept wordt nu al aangeboden in 83 gemeenten, en ik wil graag dat dat er meer worden. Het mooie is dat gemeenten die dit ook willen gaan aanbieden, niet opnieuw het wiel hoeven uit te vinden. >>
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
35
een lijntje snel gelegd en weten ze elkaar makkelijker te vinden. Zowel voor een doorverwijzing als voor een overleg. Bijvoorbeeld om samen te bespreken of een patiënt geholpen zou zijn bij Welzijn op Recept.”
Er bestaat ook grote lokale variatie in de kwaliteit van de uitvoering. Is centrale regie nodig om de uitvoering te stroomlijnen?
Zij kunnen leren van de ervaringen van de gemeenten die hen zijn voorgegaan. Het Landelijk kennisnetwerk Welzijn op Recept heeft de best werkende werkwijzen bekeken en gebundeld. Via hun website www.welzijnoprecept.nl zijn handboeken en handleidingen te bestellen met tips en adviezen over hoe de interventie kan worden gestart, of als het al is opgezet, hoe die kan worden voortgezet. Zowel gemeenten als huisartsen en welzijnswerkers kunnen hier nuttige informatie in vinden. Wij krijgen van huisartsen te horen dat ze hier echt wat aan hebben. Daarnaast kunnen bijvoorbeeld huisartsen, of mensen die werken bij de gemeenten, bij vragen over Welzijn op Recept contact opnemen met het Landelijk Kennisnetwerk Welzijn op Recept.”
‘Deelnemers voelen zich gezonder en gelukkiger’ Welke partij moet hierin de kartrekker zijn: de huisarts, de gemeente? “In de praktijk zien we dat het niet altijd één partij is die de kar trekt. Het opzetten van de interventie is een gezamenlijke inspanning van huisarts, gemeente, welzijnscoach, het sociale domein en zo mogelijk ook de zorgverzekeraar. We zien dat soms de gemeente het initiatief neemt, zoals bijvoorbeeld op dit moment in Kerkrade. In Zuidoost-Brabant is het juist een huisartsenzorggroep die het voortouw neemt. En in Enschede is de welzijnsorganisatie in de lead.
36
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
Elke partij heeft hierin zijn eigen rol. De welzijnscoach speelt bijvoorbeeld een cruciale rol in het contact met de huisarts en het sociale domein. We zien dat die vaak de aanjager en spin in het web is.”
Speelt het zorgkantoor een rol? “Hoewel Welzijn op Recept zeker ook onderdelen bevat die vallen onder het zorgkantoor, bijvoorbeeld om langer zelfstandig thuis of in de wijk te wonen, zijn op dit moment de hoofdfinanciers de gemeente en zorgverzekeraar.”
Het ontbreekt vaak nog aan structureel overleg tussen de zorgverleners in de eerste lijn en de welzijnscoaches. Wat hindert beide partijen naar uw inschatting? “Het is belangrijk dat zorgverleners in de eerste lijn en de welzijnschoaches goed met elkaar in contact staan. In de praktijk blijkt dat de samenwerking binnen Welzijn op Recept meer van mensen vraagt dan in eerste instantie verwacht. Dit komt omdat het een domein-overstijgende interventie is. In het begin draait het onder meer om elkaar, elkaars werkwijze en manier van communiceren te leren kennen voor het opbouwen van vertrouwen. En parallel daaraan loopt het praktisch opzetten van Welzijn op Recept. In een latere fase gaat het om het opzetten van een structureel overleg, waarin ruimte is voor feedback en het zichtbaar maken van de resultaten. Voor het contact is wel wat extra’s nodig. Zo is het belangrijk om na te denken over de vraag hoe de welzijnscoach wordt betaald voor dit soort overleggen. Daarnaast blijkt uit de praktijk dat het erg goed werkt als de welzijnscoach een werkplek krijgt in de huisartsenpraktijk. Daardoor ontmoeten arts en coach elkaar sowieso makkelijker, is
“De verschillen tussen gemeenten zijn groot, waardoor een idee van bovenaf opleggen niet gaat werken. Je kunt je voorstellen dat Welzijn op Recept er in de Haagse Schilderswijk heel anders uitziet dan op het platteland in Oost-Groningen. Bij Welzijn op Recept is het belangrijk om te kijken hoe de interventie het best kan worden ingericht per gemeente, zodat het aansluit bij de behoeftes van de patiënt. We weten inmiddels enerzijds welke elementen essentieel zijn – en dus voor alle regio's hetzelfde zijn bij het opzetten van Welzijn op Recept – en anderzijds hoe we het zo kunnen inrichten dat de lokale context aansluit bij de interventie.”
Er is veel discussie over de vraag of zorg altijd het antwoord is op de vragen waarmee mensen de huisarts confronteren. Sociale omstandigheden en individueel gedrag zouden (naast een gezonde leefomgeving) veel meer bijdragen aan goede gezondheid dan gezondheidszorg kan doen, is een opvatting die in deze discussie wordt gehoord. Waar staat u in die discussie? En hoort daar ook een verschuiving in financiering bij van zorg naar welzijn? “Wat mij betreft moet preventie van gezondheidsproblemen een essentiële rol gaan spelen in de toekomst van ons zorgstelsel. Welzijn op Recept is daar een heel concreet voorbeeld van; een voorbeeld van hoe we kunnen voorkomen dat klachten van mensen groter en ernstiger worden, door hen weer een doel te geven of hun sociale leven weer een stimulans te geven. Het is onderdeel van een omslag in het denken. Minder in termen van het repareren van schade en meer in termen van preventie en gezonde leefstijl. Om mensen beter te helpen en ook omdat het aantal mensen dat een beroep op de zorg gaat doen de komende jaren enorm toeneemt, moeten we kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat mensen zolang mogelijk gezond blijven. De gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) is een goed voorbeeld daarvan. Sinds vorig jaar wordt deze interventie vergoed vanuit het basispakket. Daar ben ik heel blij mee, en dat zijn de eerste stappen naar meer preventie in de zorg.
Er zijn meer voorbeelden van kansrijke interventies die we structureel zouden moeten inzetten. Welzijn op Recept is daar één van. Maar valpreventie voor ouderen is ook zo’n kansrijke interventie.
We weten dat valpreventie ziekenhuiskosten bespaart, maar toch vindt implementatie nog niet landelijk plaats. Dat moet wat mij betreft dus echt anders. Ander voorbeeld is de inzet van leefstijl bij mensen met diabetes. Op dat terrein gebeurt gelukkig een hoop, maar nog veel te vaak worden medicijnen voorschreven. Dat terwijl een gezonde leefstijl diabetici soms zelfs van hun ziekte af kan helpen. Het liefst zijn we er natuurlijk heel vroeg bij. Daarom kijken we naar hoe we de GLI specifiek voor kinderen met overgewicht kunnen inzetten en hoe deze structureel kan worden gefinancierd. Dit gaat allemaal om preventie die op het individu is gericht. Wat mij betreft gaan we in de toekomst veel meer inzetten op collectieve preventie.
‘Het werkt goed als de welzijnscoach een plek krijgt in de huisartsenpraktijk’ Ik werk ook hard aan de preventie van gezondheidsproblemen. Anderhalf jaar geleden hebben we met tientallen maatschappelijke partijen het Nationaal Preventieakkoord ondertekend. Daarin hebben we afspraken gemaakt over drie onderwerpen waarmee we de meeste gezondheidswinst kunnen behalen. In het akkoord zijn we de strijd aangegaan met roken, hebben we afspraken gemaakt om overgewicht terug te dringen en pakken we problematisch alcoholgebruik aan. Samen met mijn collega-bewindspersonen bij het ministerie van VWS werk ik aan een plan voor de toekomst van de gezondheidszorg. Wat mij betreft komt die omslag ook daarin naar voren: niet ziekte en schade als uitgangspunt, maar preventie en gezondheidspotentieel.”
Ook het creëren van gezonde wijken? “Een gezond ingerichte wijk kan bijdragen aan een gezonde en actieve leefstijl. Denk aan bewegen, spelen en elkaar ontmoeten. De fysieke leefomgeving krijgt dan ook steeds meer aandacht. Een aantal landelijke programma’s richt zich mede op het ontwikkelen van een gezonde leefomgeving. Voorbeelden van programma’s uit het sociale domein zijn Gezonde School, Gezonde Wijk, GezondIn…, Jongeren op Gezond Gewicht, Eén tegen eenzaamheid en Onbeperkt Meedoen. Ook stimuleer en ondersteun ik gemeenten via het GIDS-programma, gezondheid in de << stad, om gezondheidsachterstanden aan te pakken.”
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
37
ORGANISATIE VAN ZORG
Wijknetwerken waarin de eerstelijnszorg samenwerkt met welzijn en burgers kunnen het lokale zorgsysteem veranderen. En dat is nodig om de zorg toegankelijk en betaalbaar te houden. Zo’n netwerk opzetten is niet eenvoudig. Onderzoeksleider dr. Miranda Laurant van het project ‘Sterk Wijknetwerk’ deelt ervaringen en succesfactoren.
Samenwerken met burgers, Sterk Wijknetwerk hoe doe je dat? voldoende financiële ruimte om te doen wat passend is bij de vraag van de inwoner.” Uit alle praktijkvoorbeelden komt naar voren dat burgers het lastig vinden om contact te krijgen met professionals. Tegelijkertijd ervaren zorg- en welzijnsprofessionals dat goed samenwerken en een netwerk vormen complex is; en extra moeilijk als zij samenspraak met burgers moeten oppakken. Laurant: “De huidige ontwikkelingen vragen om andere competenties van professionals en burgers. Opleidingen zullen daarop moeten inspelen. Het aansluiten van onderwijs bleek in dit project veelal een brug te ver, maar is uiteindelijk wel noodzakelijk.”
TEKST: JOSÉ VAN DER WAERDEN FOTO: ROB GIELING
Verschillende ontwikkelingen en overheidsbeleid hebben geleid tot verschuivingen in de samenleving en gezondheidszorg (zie tabel). Miranda Laurant, lector organisatie van zorg en dienstverlening bij de University of Applied Sciences | Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN), stelt dat de aandacht vooral uitgaat naar de zorgvraag van het individu. “Terwijl er meer mogelijk is. Denk aan de steun die inwoners in een wijk nodig hebben om gezonde keuzes te maken. Alleen door samen te werken, vergroten we voor iedereen de mogelijkheden om gezond te blijven en de zorg betaalbaar houden.”
Inwoners mede-eigenaar
Miranda Laurant: ‘Andere competenties gevraagd van professionals en burgers.’
Praktijkvoorbeelden In lokale netwerken kunnen professionals en burgers samen de gezondheid en vitaliteit van inwoners in een wijk centraal stellen. Maar hoe organiseer je dat? Om dit uit te vinden, initieerde het project twee ‘eigen’ proeftuinen voor een sterk wijknetwerk, in Wijchen en Leiden. Twee vragen dienden als vertrekpunt: wat zijn de (zorg)vragen en behoeften van inwoners vanuit (positieve) gezondheid? En zijn de bekwaamheden van professionals, burgers en/of vrijwilligers hierop afgestemd? Samenwerking is immers noodzakelijk om het juiste aanbod te kunnen bieden. Voor het verzamelen van kennis over samenwerken in een wijknetwerk, brachten de onderzoekers ook vijf lokale initiatieven in kaart: Proeftuin Ruwaard, Netwerk Positieve Gezondheid Lemmer, Stichting Wedde dat ’t lukt (zie ook pagina 5/6), DementieNet Dukenburg en DementieNet Gemert.
Tijd niet rijp Alle praktijkvoorbeelden leveren zinvolle leerpunten op. In Leiden bleken conflicterende belangen bij participanten groot, waardoor het initiatief al in de voorbereidingsfase strandde. Laurant: “De tijd was er niet rijp voor. Er was onvoldoende draagvlak en geen gedeelde ambitie. Toch heeft het zorg- en welzijnsorganisaties, de gemeente en zorgverzekeraar aan het denken gezet, want
38
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
ongeveer een half jaar later is in een andere wijk een vergelijkbaar initiatief gestart.” Ook in Wijchen was het lastig om groepen samen te brengen en te houden. “Een eerste verkenning met stakeholders was hoopvol, daarom nodigden we bottom-up mensen uit om samen een visie en ambitie te formuleren. Hoewel iedereen achter het doel ‘bevorderen van gezondheid en vitaliteit’ stond, bleek in de praktijk dat partijen dit verschillend wilden invullen. Ook was het lastig om huisartsen te mobiliseren. Hierdoor ontbrak een belangrijke partij in het wijknetwerk.”
Het project heeft veel kennis opgeleverd, onder andere over de succesfactoren voor een wijknetwerk. Belangrijke punten zijn: samenwerkingspartners in een vroeg stadium betrekken, voldoende draagvlak creëren – ook bestuurlijk en beleidsmatig –, een gezamenlijke ambitie formuleren en zorgen voor een kartrekker/regievoerder. Cruciaal is bovendien dat inwoners zich gehoord voelen en mede-eigenaar zijn om gezondheid en vitaliteit in de wijk te bevorderen. << Bij het project ‘Sterk Wijknetwerk’ zijn de HAN, het Radboudumc (IQ Healthcare en Eerstelijnsgeneeskunde) en de Stichting KOH betrokken. Het is financieel mogelijk gemaakt door het ministerie van VWS.
'ONMISBARE ONDERSTEUNING' De rol van de huisarts is voer voor een belangrijke interne discussie, denkt Miranda Laurant. “Waar ben je verantwoordelijk voor? Voor ziektegerichte individuele patiëntenzorg of voor de gezondheid van de populatie?” Emmy Derckx, bestuurder bij Stichting KOH, stelt dat huisartsen veel willen doen, maar niet zonder samenwerking kunnen. “De zorgvraag in de eerste lijn neemt toe, is complexer en lang niet altijd medisch getint. De ondersteuning die wijkbewoners en welzijnsprofessionals kunnen bieden, is onmisbaar. Het gaat om een optimale inzet van ieders kunde en capaciteit. Zo doet iedereen waar hij/zij goed in is.” Dit vraagt om ontschotting en anders denken, aldus Laurant. “Ik snap dat tijdgebrek voor de huisarts een knelpunt is. Daarom moeten financiers de eerstelijnsprofessionals meer ruimte geven om anders te werken, in lokale netwerken. Enerzijds is een voorinvestering nodig, gericht op preventie, en anderzijds moet er structurele financiering komen om het ‘anders werken’ duurzaam te maken.”
Transitie en transformaties in de samenleving en de zorg Centraal
Decentraal
Succesverhaal Oss
Ketens
Netwerken
Het praktijkvoorbeeld Proeftuin Ruwaard in Oss, gericht op multiprobleemgezinnen, laat zien hoe het wél kan werken. “Hier is vooraf veel en langdurig overleg geweest, op bestuurlijk niveau en met wijkbewoners. Dit maakte het mogelijk dat de gemeente alle Wmo-gelden bij elkaar legde onder het motto ‘anders denken en doen in Ruwaard’. Bij de feitelijke start lag er een goed geformuleerde visie én een ‘samenwerkwijze’. Daarnaast was er een kwartiermaker die professional en burger enthousiasmeerde.” In de wijk Ruwaard zijn al ruim 500 casussen opgepakt. Professionals houden bij zorgvragers thuis mdo’s en nemen deel aan leersessies. “Ook is er
Intramuraal
Extramuraal
DBC-bekostiging
Populatiebekostiging
Formele zorg
Informele zorg
Specialistische zorg
Generalistische zorg
Gefragmenteerde zorg
Geïntegreerde zorg
Maximale zorg
Optimale zorg
Medicaliseren
Normaliseren
Genezen
Voorkomen
Patiëntgerichte zorg
Persoonsgerichte zorg
Bron: Laurant & Vermeulen (red) (2018)
Zorgen voor
Zorgen dat
Gezondheid Organiseren. Een leerboek
Lijden aan een ziekte
Leiden van je leven
voor verpleegkundigen. Houten: Bohn
Ziekte & Zorg
Gezondheid & Gedrag
Stafleu van Loghum.
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
39
STRATEGIE & INNOVATIE
‘Zorg en ondersteuning moeten dichtbij worden geleverd’
Waardevolle stuurinformatie gemeenten en zorgverzekeraars
Regiobeelden ggz
Wie zijn de mensen in een regio die geestelijke gezondheidszorg nodig hebben en welke zorg dan? Zilveren Kruis en 43 gemeenten maakten met ondersteuning van jb Lorenz en mogelijk gemaakt door middelen van ZonMw, regiobeelden om deze vragen te kunnen beantwoorden.
verantwoordelijkheid ligt in de verbinding tussen het medisch en het sociaal domein”, zegt hij. “Daarop vullen gemeenten en zorgverzekeraars elkaar aan. Maar dat kunnen we alleen goed doen als we inzicht hebben in de vraag om hoeveel mensen het gaat en welke vragen zij precies hebben. Inzicht daarin krijgen vormt het ideale vertrekpunt om die samenwerking te optimaliseren.” Als voorbeeld noemt Koekoek de doelgroep EPA, mensen met een ernstig psychiatrische aandoening, die deels ambulant en deels in verblijf is. “Deels sociaal domein en deels zorgdomein dus”, zegt hij. “Door de grootte van deze groep en hun zorgbehoefte goed in kaart te brengen, kunnen we optimaal sturen op de op- en afschaling van de zorg en ondersteuning. Daarmee creëren we betere zorg voor mensen met een psychische kwetsbaarheid, uitgaand van zorg in de eigen omgeving, omdat we weten dat voor deze mensen naast behandeling ook begeleiding en ondersteuningsstructuren in de wijk relevant zijn. Door hen gericht te ondersteunen, kunnen we hun maatschappelijke participatie vergroten.”
Ideaal vertrekpunt Erik Koekoek, strategisch adviseur gemeenten bij Zilveren Kruis, onderschrijft het belang dat De Waard hecht aan de regiobeelden volledig. “Die gezamenlijke
40
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
NIET EERDER ZO GROOTSCHALIG Het opstellen van de regiobeelden gebeurde in samenwerking tussen Zilveren Kruis en jb Lorenz, met ondersteuning van ZonMw-middelen.
TEKST: FRANK VAN WIJCK FOTO: KHUSEN RUSTAMOV / PIXABAY
In de context van de samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars is het voor beide partijen relevant een beeld te hebben van de mensen voor wie zij een verantwoordelijkheid hebben in zorg en ondersteuning. “Zeker als het gaat om mensen binnen het ggz-domein, die niet per se goed in staat zijn om voor zichzelf op te komen en dus uit eigen beweging in beeld te komen bij ons”, zegt Lia de Waard-Oudesluijs, wethouder zorg en ondersteuning (ChristenUnie) in Epe. Epe is een van de 43 gemeenten waarvoor een regiobeeld is gemaakt om deze specifieke groep inwoners in kaart te brengen. “Zo’n regiobeeld levert ons niet alleen relevante data op om hen op dit moment de zorg en ondersteuning te bieden die zij nodig hebben”, zegt De Waard, “maar ook om sturing te geven aan onze langetermijnvisie hierop. Het versterkt daarmee de mogelijkheden voor samenwerking tussen zorgverzekeraars en gemeenten, en dus de mogelijkheden om goed invulling te geven aan onze gezamenlijke verantwoordelijkheid voor deze doelgroep.”
samenwerkingsagenda’s die gemeenten en zorgverzekeraars al op regioniveau hebben. “Hierin gaan we bepalen welke thema’s we verder gaan uitdiepen”, zegt Koekoek. “En uiteraard gaan we bij de vervolgstappen ook de aanbieders van zorg en welzijn betrekken.”
Het gevoel van urgentie om deze vervolgstappen te zetten, is er bij beide partijen. “En dat gevoel is door de coronacrisis alleen maar versterkt”, zegt De Waard. “We kunnen aannemen dat juist de ggz-groep veel last zal ondervinden van deze crisis en dat dit een lange nasleep voor hen kan hebben. Het kan niet anders dan dat dit onze samenwerkingsagenda verandert en versnelling erin noodzakelijk maakt. Maar het mooie van het inventariseren door middel van die regiobeelden is ook dat dit beide partijen – de gemeenten en de zorgverzekeraars – heeft laten zien hoezeer we hiermee in samenwerking meerwaarde kunnen bieden aan de individuele inwoner.” Koekoek vult aan: “We zien inderdaad nu nóg meer hoe waardevol het is om dit samen op te pakken. En we doen dit vanuit de gedeelde visie dat zorg en ondersteuning dichtbij dienen te worden geleverd.” <<
Vervolgstappen
Bianca den Outer van jb Lorenz vertelt: “Onder onze procesbegeleiding hebben we gezamenlijk regiobeelden voor de ggz besproken met 43 gemeenten in ons land. Tezamen tellen die gemeenten 2.193.272 inwoners, 12,59 procent van het inwoneraantal in ons land. Het was een bijzonder traject, waarin alle partners veel tijd hebben gestoken. Het duiden van de data ging soms moeizaam. Maar de gesprekken die we hebben gevoerd met elkaar waren steeds van hoge kwaliteit. De deelname van meer dan honderd mensen die werkzaam zijn in die 43 gemeenten en bij Zilveren Kruis, zorgt ervoor dat we echt een impuls hebben kunnen geven aan het lerend vermogen van de betrokken deelnemers.” Uniek aan dit project was dat Zilveren Kruis en de gemeenten gezamenlijk declaratiedata over de ggz bijeen hebben gebracht als basis voor nieuwe inzichten in de ggz-populatie in die gemeenten. De geanonimiseerde data die in het kader van de regiobeelden zijn verzameld, zijn in Nederland niet eerder op deze schaal bijeengebracht. “Het was ons een eer om dit project te mogen uitvoeren”, zegt Den Outer, “en deze cijfers te mogen valideren, ordenen en vergelijkbaar maken. Daarnaast hebben we vanuit onze eigen expertise door middel van tachtig indicatoren voor iedere gemeente vier factsheets ontwikkeld over de verschillende vormen van ggz voor mensen met een psychische kwetsbaarheid.