CConstaterende datBeemster
Koppel je AI →
Document · PDF

35. Brief 12 mei 2021 college (ingek 19 mei), financieel beeld implementatie Omgevingswet met bijlage.pdf

Gemeenteraad 8 juni 2021, gemeente BeemsterBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken.21.660 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

14.3 Structurele effecten Totale structurele effecten De totale structurele effecten voor provincies staan in figuur 18 opgenomen. Alle bedragen zijn jaarlijkse bedragen.

67 Nulmeting Omgevingswet, Cebeon, 23 februari 2021, p.23. 68 Nulmeting Omgevingswet, Cebeon, 23 februari 2021, p.16-17.

69 Onderzoek transitiekosten Omgevingswet, KPMG Advisory N.V., 3 februari 2021, pagina 28.

Pagina 62 van 76

Figuur 18: Totale jaarlijkse structurele effecten provincies

Hieronder staat een korte toelichting van de verschillende beelden uit figuur 18 opgenomen. Zonder decentrale ruimte Punt 1 in figuur 18 laat zien dat provincies een besparing tussen de € 3,3 mln. en € 5,9 mln. per jaar kunnen realiseren, zonder gebruik van decentrale ruimte. Bij dit effect wordt een bandbreedte als gevolg van algemene onzekerheden weergegeven. Dit structurele effect wordt als eerste veroorzaakt door per saldo lagere bestuurslasten. Het betreft voor € 4 mln. tot € 7 mln. per jaar aan lagere bestuurlijke lasten voor provincies. Zo hoeft de provincie bijvoorbeeld geen geactualiseerde plannen van gemeenten meer te toetsen. Dit levert naar verwachting een besparing op van € 1 mln. per jaar. Het nieuwe instrument plan-mer-beoordeling kan ertoe leiden dat een plan-MER bij een wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsvisie niet nodig is omdat er geen aanzienlijke milieueffecten blijken te zijn. Dit en enkele vereenvoudigingen in de procedures rond de MER kan leiden tot een besparing van € 1,3 mln. per jaar. Als tweede levert de invoering van DSO extra structurele lasten op, per saldo van € 1 mln. tot € 2 mln.

Pagina 63 van 76

Dit structurele effect wordt daarnaast veroorzaakt door lagere legesopbrengsten van € 0,5 mln. tot € 1,0 mln. per jaar voor provincies. Dit wordt bijvoorbeeld veroorzaakt doordat het voor bedrijven minder vaak nodig is om vergunningen aan te passen. Gebruik decentrale ruimte met maximale financiële efficiëntie Wanneer de provincies de decentrale beleidsruimte maximaal inzetten voor financiële efficiëntie in combinatie met variant 3 van DSO, kunnen de bedragen sterk oplopen, van € 19 mln. tot € 57 mln. per jaar. Dit structurele effect wordt vooral gerealiseerd door de mogelijkheid om op milieuvergunningverlening leges te heffen. Het betreft voor provincies een bedrag van € 14 mln. tot € 44,5 mln. per jaar. Om dat te realiseren is het nodig dat alle provincies bij het gebruik van de decentrale ruimte de keuze maken om kostendekkende milieuleges voor het verstrekken van milieuvergunningen te gaan heffen. Naar verwachting levert dat overigens geen evenredige legesverdeling over de provincies op omdat het aantal bedrijven waarvoor dit kan gaan gelden op enkele plaatsen is geconcentreerd. Daarnaast wordt dit effect veroorzaakt door per saldo lagere bestuurslasten. Zo levert het samenbrengen van diverse informatiebronnen een besparing op tussen de € 1 mln. en € 3 mln. per jaar op. Ook levert de onderzoekshulp voor beschikbare informatie een besparing op van € 1,3 mln. tot € 1,7 mln.

per jaar op. Daarnaast zijn er ook andere kleinere effecten. Het structurele effect van het DSO is maximaal € 1,2 mln. negatief. Gebruik decentrale ruimte met minder financiële efficiëntie De provincie heeft ook de mogelijkheid om de decentrale beleidsruimte minder op financiële efficiëntie te richten. In combinatie met een tussenscenario van het DSO kan het structurele effect voor provincies in dit scenario uitkomen tussen € 2,0 mln. en € 6,3 mln. per jaar. Het effect van het gebruik van decentrale ruimte met een minder gunstig financieel effect is voor de provincies beperkt. De effecten komen nagenoeg overeen met de variant zonder gebruik decentrale ruimte. Het structurele effect van het DSO is beperkt, namelijk van € 0,9 mln. negatief tot € 2,2 mln. per jaar positief. Terugverdientijd Om inzicht te geven in de verhouding tussen de eenmalige kosten en de structurele effecten is naar terugverdientijden gekeken, die vooral als indicatief beschouwd moeten worden. Het is namelijk pas mogelijk om transitiekosten terug te verdienen als er ook structurele baten zijn. Voor provincies is dat pas mogelijk na het invoeren van leges voor milieuvergunningen. Als uitgegaan wordt van de hoogste mogelijke structurele effecten en de laagst mogelijke transitiekosten, dan komt de indicatieve terugverdientermijn uit op 1,6 jaren voor provincies. Dit is het meest optimistische scenario.

Pagina 64 van 76

De terugverdientermijn wordt langer ofwel als transitiekosten niet aan de onderkant van de bandbreedte uitkomen maar hoger blijken te zijn, ofwel als de structurele effecten lager blijken te zijn. Als voor de deling uitgegaan wordt van het middelpunt van de eenmalige effecten en een deling van het hoogste (2a) en het laagste (2b) structurele effect dan komen de indicatieve terugverdientijden uit op 3,6 jaren voor provincies. In het meest negatieve scenario, de hoogste eenmalige kosten en de laagste structurele effecten is de terugverdientijd langer dan 40 jaar.

14.4 Toelichting op enkele effecten Uitstel Omgevingswet Het uitstel van de inwerkingtreding van de Ow brengt voor provincies extra transitiekosten met zich mee. Een raming van deze extra transitiekosten komt uit op € 3 mln. tot € 4 mln.70 Deze extra transitiekosten vallen in de jaren 2020 en 2021. Leges milieuvergunning In het Integraal Financieel Beeld is een correctie toegepast op de leges voor milieuvergunningen. De raming voor gemeenten voor de milieuleges uit het rapport van Berenschot is verhoogd met € 11 mln. tot € 42 mln. per jaar. In bijlage 4 staat een nadere toelichting over deze correctie.

70 Onderzoek Transitiekosten Omgevingswet, KPMG Advisory N.V., 3 februari 2021, p. 31.

Pagina 65 van 76

Bijlage 15: Waterschappen In deze bijlage staat het Integraal Financieel Beeld van de stelselherziening Ow voor de waterschappen opgenomen. In paragraaf 15.1 staan de resultaten van de nulmeting van de lasten en baten van voor de stelselherziening opgenomen. In paragraaf 15.2 staan de eenmalige effecten vermeld. Vervolgens staan in paragraaf 15.3 de structurele effecten van de stelstelherziening opgenomen. Als laatste staan de overige effecten in paragraaf 15.4 vermeld.

15.1 Nulmeting Het deelonderzoek ‘Nulmeting Omgevingswet’ brengt de lasten en baten onder de huidige wetgeving van die taken, die straks onder het nieuwe Omgevingsrecht zullen vallen voor waterschappen in beeld. Daarmee wordt een beeld gegeven van het lasten en batenniveau van vóór invoering van de Omgevingswet. De veranderingen in de lasten en baten als gevolg van de stelselherziening kunnen hiertegen afgezet worden. Als basis hiervoor zijn de rekeningcijfers van 2018 gehanteerd. In 2018 maakte de waterschappen tussen de € 365 mln. en € 391 mln. per jaar aan kosten voor taken die worden geraakt door de Ow71. Een deel van de lasten kunnen waterschappen verhalen via leges. Dit betreft voor leges een bedrag tussen de € 9 mln. tot € 10 mln.72 per jaar. De nettolasten voor waterschappen liggen tussen de € 355 mln. en 382 mln. 73 per jaar.

15.2 Eenmalige effecten De totale eenmalige effecten voor waterschappen voor de periode 2016-2024 bedragen € 63 mln. tot 77 mln. aan transitiekosten.74 De onzekerheidsmarge van waterschappen is door KPMG op 20% vastgesteld. Dat betekent dat de geraamde transitiekosten van 10% lager of 10% hoger kunnen uitvallen. Volgens het onderzoek van KPMG zijn waterschappen in 2016 of 2017 gestart met de transitie naar de Ow. Vrijwel alle transitiekosten worden gemaakt vóór inwerkingtreding van de wet (84%). Waterschappen maken na 2024 nog slecht in beperkte maken transitiekosten, die tijdens het onderzoek nog niet te kwantificeren waren. Een deel van de waterschappen in de steekproef van het onderzoek van KPMG gaf reeds aan klaar te zijn geweest voor de oorspronkelijke inwerkingtreding van de Omgevingswet (01-01-2021). Dit verklaart dat relatief veel transitiekosten al zijn gemaakt in de periode t/m 2020. De transitiekosten die vanaf 2022 worden gemaakt, na inwerkingtreding van de wet, hangen samen met het overdragen van werkzaamheden van de programmaorganisatie aan de lijnorganisatie en het afronden van de organisatieverandering (incl. cultuurverandering), de afstemming met andere decentrale overheden (bijv.

71 Nulmeting Omgevingswet, Cebeon, 23 februari 2021, p.23. 72

De Unie van Waterschappen verzamelt elk jaar financiële gegevens over leges. Uit deze data blijkt dat de omvang van de leges gemiddeld jaarlijks lager ligt. Het betreft een bedrag van € 4 mln. tot € 5 mln. per jaar. Omdat in de steekproef van CEBEON de waterschappen zitten die de hoogste legesopbrengsten hebben, komt zij op een hoger bedrag. De cijfers van de Cebeon rapportage zijn in deze rapportage gevolgd vanwege de consistentie met de andere cijfers uit de nulmeting. 73 Nulmeting Omgevingswet, Cebeon, 23 februari 2021, p.21. 74

Onderzoek transitiekosten Omgevingswet, KPMG Advisory N.V., 3 februari 2021, pagina 33.

Pagina 66 van 76

gemeenten die de transitie later maken) over plannen, de door een aantal waterschappen nog vast te stellen waterschapverordening en het optimaliseren van de aansluiting op het DSO.

15.3 Structurele effecten De totale structurele effecten voor waterschappen staan in figuur 19 opgenomen. Alle bedragen zijn jaarlijkse bedragen.

Figuur 19 – Totale jaarlijkse structurele effecten waterschappen

In de tekst hierna staat een korte toelichting van de verschillende beelden uit figuur 19 opgenomen. Zonder decentrale ruimte In figuur 19 staat het totale structurele effect voor waterschappen opgenomen. Zonder gebruik van de eigen beleidsruimte en met de basisvariant van het DSO is het structurele effect tussen nihil en € 2,4 mln. positief per jaar. Dit structurele effect wordt als eerste veroorzaakt door per saldo lagere bestuurslasten. Dit betreft voor ongeveer € 0,5 mln. tot € 4 mln. per jaar aan lagere bestuurslasten. Zo hoeft het waterschap bijvoorbeeld minder bestemmingsplan(wijziging)en te toetsen vanwege het vervallen van de actualiseringsplicht van gemeenten. Dit levert naar verwachting een besparing op van € 1 mln. per jaar. Daarnaast wordt dit Pagina 67 van 76

structurele effect veroorzaakt door lagere leges opbrengsten. Dit betreft een daling aan leges van ongeveer € 0,5 mln. tot € 1,1 mln. per jaar als gevolg van lagere bestuurslasten. Het structurele effect van het DSO bedraagt € 0,5 mln. tot € 2,1 mln. negatief per jaar. Gebruik decentrale ruimte maximale financiële efficiëntie Wanneer waterschappen de decentrale ruimte maximaal inzetten voor financiële efficiëntie, in combinatie met variant 3 van DSO, kunnen de besparingen oplopen van € 8 mln. tot € 16 mln. per jaar. Dit structurele effect wordt voornamelijk veroorzaakt door lagere bestuurslasten. Dit betreft voor € 8,2 mln. tot € 13 mln. per jaar aan lagere bestuurslasten. Dit wordt voor een groot gedeelte door het structurele effect van het DSO gerealiseerd. Dit effect is € 3 mln. tot € 6 mln. per jaar. Dit wordt o.a. door het samenbrengen van diverse informatiebronnen en onderzoekshulp voor beschikbare informatie gerealiseerd. Daarnaast wordt voor de waterschappen als initiatiefnemer een positief effect van € 2,4 mln. tot € 3,6 mln. per jaar geraamd. Daarnaast wordt dit structurele effect bepaald door mutaties van de leges. Waterschappen krijgen de mogelijk om bij het gebruik van de decentrale ruimte de keuze maken om leges voor het verstrekken van lozingsvergunningen te gaan heffen. Dit levert tussen de € 2,5 mln. en € 3,1 mln. aan opbrengsten op.

Gebruik decentrale ruimte met minder financiële efficiëntie De waterschappen hebben ook de mogelijkheid om de decentrale beleidsruimte minder op financiële efficiëntie te richten. In combinatie met een tussenscenario van het DSO kan het structurele effect voor waterschappen in dit scenario uitkomen tussen € 0,6 mln. negatief en 3,4 mln. positief per jaar. Het effect van het gebruik van decentrale ruimte met een minder gunstig financieel effect is voor de waterschappen beperkt. De effecten komen nagenoeg overeen met de variant zonder gebruik decentrale ruimte. Het structurele effect van het DSO is beperkt, namelijk van € 0,7 mln. negatief tot € 0,8 mln. positief per jaar. Terugverdientijd Om inzicht te geven in de verhouding tussen de eenmalige kosten en de structurele effecten is naar terugverdientijden gekeken, die vooral als indicatief beschouwd moeten worden. Het is namelijk pas mogelijk om transitiekosten terug te verdienen als er ook structurele baten zijn. Dit is met name afhankelijk van financieel gunstig gebruik van decentrale ruimte en het scenario DSO. Als uitgegaan wordt van de hoogste mogelijke structurele effecten en de laagst mogelijke transitiekosten, dan komt de indicatieve terugverdientermijn uit op 4 jaren voor waterschappen. Dit is het meest optimistische scenario.

Pagina 68 van 76

De terugverdientermijn wordt langer ofwel als transitiekosten niet aan de onderkant van de bandbreedte uitkomen maar hoger blijken te zijn, ofwel als de structurele effecten lager blijken te zijn. Als voor de deling uitgegaan wordt van het middelpunt van de eenmalige effecten en een deling van het hoogste (2a) en het laagste (2b) structurele effect dan komen de indicatieve terugverdientijden uit op 9 jaren voor waterschappen. In het meest negatieve scenario, de hoogste eenmalige kosten en de laagste structurele effecten dan kunnen de eenmalige kosten niet worden terugverdiend.

15.4 Toelichting enkele effecten Uitstel Omgevingswet Het uitstel van de inwerkingtreding van de Ow brengt voor waterschappen extra transitiekosten met zich mee. Een raming van deze extra transitiekosten komt uit op € 10 mln. tot 12 mln.75 Deze extra transitiekosten vallen in de jaren 2020 en 2021. Omdat waterschappen over het algemeen vergevorderd waren in hun transitie, maken zij verhoudingsgewijs hogere extra transitiekosten dan bijvoorbeeld gemeenten als gevolg van het uitstel van de wet.

75 Onderzoek Transitiekosten Omgevingswet, KPMG Advisory N.V., 3 februari 2021, p. 36.

Pagina 69 van 76

Bijlage 16: Rijkspartijen In deze bijlage staat het Integraal Financieel Beeld van de consequenties van de invoering van de Ow voor de Rijkspartijen. Alle bedragen zijn jaarlijkse bedragen.

16.1 Nulmeting Voor de Rijkspartijen heeft geen afzonderlijke nulmeting plaatsgevonden.

16.2 Eenmalige effecten De totale eenmalige effecten voor Rijkspartijen voor de periode 2016-2024 bedragen € 72 mln. tot € 80 mln. aan transitiekosten.76 De onzekerheidsmarge voor Rijkspartijen is door KPMG op 10% vastgesteld. Volgens het onderzoek van KPMG zijn Rijkspartijen – als bevoegd gezag – veelal in 2016 gestart met de transitie naar de Omgevingswet. Departementen en uitvoeringsorganisaties zijn grotendeels klaar op het moment van inwerkingtreding van de wet. Het programmateam loopt in een aantal gevallen nog een of meerdere jaren (in beperkte vorm) door. In 2025 is de transitie naar de Ow naar verwachting afgerond en zijn er geen transitiekosten meer voorzien.

16.3 Structurele effecten Zonder decentrale ruimte De financiële effecten voor Rijkspartijen zonder gebruik van decentrale ruimte valt binnen een bandbreedte van € 5,0 mln. tot € 6,4 mln. per jaar. Bij dit effect wordt een bandbreedte als gevolg van algemene onzekerheden weergegeven. Dit structurele effect wordt voornamelijk veroorzaakt door hogere legesopbrengsten omdat kostendekkende tarieven worden gehanteerd. Dit betreft een bedrag tussen de € 9,2 mln. tot € 10,8 mln. per jaar. Verder wordt het structurele effect veroorzaakt door hogere bestuurslasten. Dit betreft een bedrag tussen de € 3,3 mln. en € 4 mln. per jaar. Naast verschillende kleinere effecten maakt ook de hogere beheerkosten van het DSO van € 4,9 mln. per jaar daar deel vanuit. Gebruik decentrale ruimte maximale financiële efficiëntie Wanneer Rijkspartijen de decentrale ruimte maximaal inzetten voor financiële efficiëntie, in combinatie met variant 3 van DSO, kunnen de bedragen oplopen van nihil tot € 6,4 mln. per jaar.

76 Onderzoek transitiekosten Omgevingswet, KPMG Advisory N.V., 3 februari 2021, p. 37.

Pagina 70 van 76

Dit structurele effect wordt voornamelijk veroorzaakt door hogere bestuurslasten. Het effect van het gebruik van de decentrale ruimte is beperkt. Dit structurele effect betreft een bedrag van ongeveer € 5,5 mln. tot €5,6 mln. per jaar. Verder stijgen de beheerlasten van DSO naar € 13,8 mln. per jaar. Als initiatiefnemer kent het Rijk in deze variant voordelen. Dit effect bedraagt € 2,8 mln. tot € 6,5 mln. per jaar (zie ook bijlage 4). Daarnaast zijn er nog verschillende kleinere besparingen. Het financieel effect is daardoor lager dan bij de invoering van de Rijksregels. Gebruik decentrale ruimte met minder financiële efficiëntie Het Rijk heeft ook de mogelijkheid om de decentrale beleidsruimte minder op financiële efficiëntie te richten. In combinatie met een tussenscenario van het DSO kan het structurele effect voor het Rijk in dit scenario uitkomen tussen € 0,6 negatief en € 2,9 mln. positief per jaar. Dit structurele effect wordt veroorzaakt door hogere bestuurslasten. Het effect van het gebruik van de decentrale ruimte is voor het Rijk beperkt. Datgene dat verandert is de bijdrage voor de beheerlasten DSO van € 10,8 mln. Het financieel effect is daardoor lager dan bij de invoering van de Rijksregels.

16.4 Toelichting enkele effecten Uitstel omgevingswet Het uitstel van de inwerkingtreding van de Ow brengt voor Rijkspartijen extra transitiekosten met zich mee. Een raming van deze extra transitiekosten komt uit op € 8 mln. tot € 9 mln.77 Deze extra transitiekosten vallen in de jaren 2020 en 2021.

77 Onderzoek Transitiekosten Omgevingswet, KPMG Advisory N.V., 3 februari 2021, p. 42.

Pagina 71 van 76

Bijlagen: overige zaken

Pagina 72 van 76

Bijlage 17: Uitgangspunten Over deze uitgangspunten zijn in 2015 afspraken gemaakt tussen het Rijk en de bestuurlijke koepels in het “Uitgangspuntenrapport”78. Hieronder staan de belangrijkste uitgangspunten die hieruit zijn overgenomen, waarbij aangegeven is welke bijstelling behoeven en waarom dat het geval is: 100% naleving In de onderzoeken wordt uitgegaan van “100% naleving” van de regelgeving. Dit betreft zowel de huidige regelgeving als ook de nieuwe regelgeving. Hiermee wordt bedoeld dat bestuursorganen handelen conform de wettelijke voorschriften, dat –voor wat betreft de nalevingskosten- de initiatiefnemers de voorschriften voor 100% nakomen en dat –voor wat betreft de bestuurslasten- toezicht houden en handhaven nodig blijft. Niet gedoeld wordt op de effecten van gedragsverandering die kunnen ontstaan ten gevolge van invoering van de Omgevingswet. Nulmeting, peildatum ultimo 2019 De startsituatie wordt – als gevolg van de destijds uitgestelde invoering - voor de veranderingen als gevolg van de wet- en regelgeving vastgesteld op 1 januari 2022. In de diverse deelonderzoeken worden op basis van de nulmeting de ‘delta’s’ bepaald. Dit zijn de meer- of minderkosten en baten ten opzichte van de bestaande situatie. Voor de berekeningen in de nulmeting van Cebeon worden de rekeningcijfers 2018 gebruikt.

In de slag naar het integrale beeld worden deze kosten ‘opgetild’ naar cijfers, gebaseerd op hetzelfde jaar, te weten 2019. Aantallen en tarieven Er wordt gewerkt met het zogenoemd standaardkostenmodel zoals dat beschreven is in het Handboek Meting Regeldrukkosten79. Er wordt echter in afwijking daarvan niet uit gegaan van de aantallen en tarieven uit een basisjaar. Dat is wel de systematiek van de artikel 2 onderzoeken, maar in dit onderzoek is het gewenst inzicht te krijgen in effecten die gebaseerd zijn op zo actueel mogelijke aantallen en tarieven. Voor wat betreft de te gebruiken parameters is in elk deelonderzoek uitgegaan van de meest actuele aantallen80 en tarieven. Dit zorgt ervoor dat de onderzoeksresultaten meer aansluiten bij de realiteit. Welk jaar dat is, is per deelonderzoek bepaald. Alle onderzoeken zijn gebaseerd op hetzelfde peiljaar, te weten 2019. Dit tenzij objectief is vastgesteld dat 2019 voor het betreffende deelonderzoek geen representatief jaar is81. Overheidstarieven 201982 In het onderzoek uit 2015 en in de sindsdien uitgevoerde heronderzoeken is uitgegaan van de handleiding overheidstarieven 2015 voor de kosten die door de Rijksoverheid gemaakt worden en de CAR-UWO salaristabel per april 2015 voor de kosten voor de overige bestuurslagen. Ook hiervoor geldt dat deze

78 Financiële effecttoetsen stelselherziening Omgevingsrecht, Cebeon, 17 september 2015. 79 https://www.kcwj.nl/sites/default/files/handboek_meting_regeldrukkosten_v_1-1-2018.pdf 80 Nulmeting en schattingen aantallen omgevingsvergunningsaanvragen en meldingen 2016-2019, Programma aan de Slag, maart 2020 81 Dit is bijv. denkbaar als het gaat om bouwvergunningen waarvan er in 2019 mogelijk weinig zijn aangevraagd vanwege de stikstof- en Pfas-crisis. 82 https://kennisopenbaarbestuur.nl/media/255766/handleiding-overheidstarieven-2019.pdf

Pagina 73 van 76

gedateerd zijn. In de vertaalslag naar het integrale beeld worden deze kosten ‘opgetild’ naar cijfers, gebaseerd op hetzelfde jaar, te weten 2019. Uitgangspunten tarieven decentrale overheden Om de tarieven te kunnen berekenen is uitgegaan van de CAR-UWO salaristabel van oktober 2019, dit betreft de arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten. Salaristabel kent 18 schalen en 11 periodieken. Hiervoor moet voor iedere schaal uit worden gegaan van het gemiddelde salaris op basis van alle periodieken. Om inzicht te krijgen in de feitelijke kosten voor de organisatie, is in onderstaande tabel de salarissen vermeerderd met 31,4% overhead en 50,4% toeslag. Uitgegaan is van 1.400 direct productieve uren. Uitgangspunten uurtarieven personeelskosten Rijksoverheid 2019 In de onderstaande tabel zijn de tarieven opgenomen die gehanteerd worden voor de Rijksoverheid. Alle cijfers zijn overgenomen uit de Handleiding Overheidstarieven 201983 . Voor de overheidsuurtarieven geldt de bedragen exclusief BTW. Uitgangspunten uurtarieven bedrijven 2019 Voor bedrijven worden de uurtarieven gehanteerd uit het Handboek Meting Regeldrukkosten84 met daarop een correctie met een factor van 1,058 zodat gerekend wordt met tarieven 2019. In deze uurtarieven zit geen btw. Er dient ook zonder btw gerekend te worden bij investeringen en out of pocket kosten.

Het handboek stelt dat voor bedrijven exclusief btw gerekend moet worden. Het komt voor dat de activiteiten waarop wordt “bespaard” door derden worden verricht. Denk daarbij aan het moeten doen van onderzoek of het moeten aanvragen van vergunningen. Onderzoeken worden regelmatig uitbesteed en vergunningaanvragen worden door derden gedaan. In de mate waarin sprake is van dergelijke uitbesteding valt dit onder out of pocket kosten en dient dus niet met de hierboven genoemde tarieven gerekend te worden, maar met marktconforme tarieven. Uitgangspunten uurtarieven burgers 2019 Voor burgers wordt met één standaardtarief gerekend, namelijk met € 15,87, dit tarief is op basis van het tarief in het Handboek Meting Regeldrukkosten85 gecorrigeerd naar 2019. Net als bij bedrijven komt het ook bij burgers voor dat de activiteiten waarop “bespaard” wordt door derden worden verricht. Denk daarbij aan het moeten doen van onderzoek of het moeten aanvragen van vergunningen. Onderzoeken worden regelmatig uitbesteed en vergunningaanvragen worden door derden gedaan. In de mate waarin sprake is van dergelijke uitbesteding valt dit onder out of pocket kosten en dient dus niet met de hierboven genoemde tarieven gerekend te worden, maar met marktconforme tarieven. Het Handboek meldt dat bij out of pocket kosten voor bedrijven zonder BTW moet worden gerekend.

Voor burgers zou het logisch zijn met BTW te rekenen. De gangbare praktijk is echter om voor burgers en bedrijven voor out of pocket met zelfde bedragen te rekenen. Ook al is dit minder logisch, laten we aansluiten op deze praktijk (dus ook burgers zonder BTW).

83 https://kennisopenbaarbestuur.nl/media/255766/handleiding-overheidstarieven-2019.pdf 84 https://www.kcwj.nl/sites/default/files/handboek¬_meting_regeldrukkosten_v_1-1-2018.pdf 85 https://www.kcwj.nl/sites/default/files/handboek¬_meting_regeldrukkosten_v_1-1-2018.pdf, p.34.

Pagina 74 van 76

Inclusief BTW, betekent inclusief toepasselijk BTW In alle onderzoeken is rekening gehouden met kosten/prijzen/tarieven inclusief toepasselijke BTW. Het toevoegen van BTW aan interne kosten is niet met de werkelijkheid in overeenstemming en is waar toegepast in onderzoeken gecorrigeerd. Hier wijkt het Integraal Financieel Beeld af van het onderzoek van Cebeon. 86

86 Bont Consult & Cebeon.(2015). Synthese Financiële Effectentoetsen Stelselherziening Omgevingswet, p.13-14.

Pagina 75 van 76

Bijlage 18: Lijst met afkortingen Afkorting AIM AMvB BRZO BZK DSO DSO-LV IPO IPOw MKBA OLO Ow VNG Unie Wkb Wro

Activiteitenbesluit Interne Module Algemene Maatregel van Bestuur Besluit Risico Zware Ongevallen Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Digitaal Stelsel Omgevingswet Digitaal Stelsel Omgevingswet – Landelijke Voorziening Interprovinciaal Overleg Informatiepunt Omgevingswet Maatschappelijke-Kosten-Baten-Analyse Omgevingsloketonline Omgevingswet Verenging van Nederlandse Gemeenten Unie van Waterschappen Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Wet ruimtelijke ontwikkeling

Pagina 76 van 76

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://beemsterraadsinformatie.purmerend.nl/api/v1/meetings/1368/documents/18028