CConstaterende datBeemster
Koppel je AI →
Document · PDF

10. Brief 15 september 2021 reg.nr. 155577 Hiskemuller en Rienstra Bouwbegeiding, bp Buitengebied 2012-part. herz. 2021 geanonimiseerd 2.pdf

Gemeenteraad 12 oktober 2021, gemeente BeemsterBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken.5.423 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ingekomen: 16 september 2021 Registratienummer: 1555758

Inleiding is eigenaar en gebruiker van de gronden bij de manege aan de Nekkerweg 13a in Middenbeemster. Deze gronden zijn kadastraal bekend als gemeente Beemster, sectie H, nummer 1590. Nota van zienswijzen Onze zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan is in de Nota van zienswijzen onder nummer 19 samengevat tot het volgende. “In de zienswijze wordt aandacht gevraagd voor het correct in het bestemmingsplan opnemen van de eerder vergunde situatie op het perceel Nekkerweg 13a, zowel voor wat betreft de bouwmogelijkheden op het perceel als de gebruiksmogelijkheden. Gevraagd wordt de eerdere toezegging in het kader van de inspraak dat de daarin aangedragen punten worden overgenomen, alsnog op te nemen in het vast te stellen bestemmingsplan.” Daarbij is in de Nota van zienswijzen door de burgemeester en wethouders de volgende reactie gegeven. “Zowel ten aanzien van de bouw- en uitbreidingsmogelijkheden op het perceel als het gebruik voor aan de functie ondergeschikte horeca nemen wij de zienswijze over. De wijze waarop de eerder ingediende inspraakreactie in het ontwerpbestemmingsplan is vertaald geeft daar onvoldoende invulling aan.

De in 2008 verleende horecavergunning rechtvaardigt het opnemen van ondergeschikte horeca naar analogie van de bestemming Sport.” Deze reactie geeft bij de verwachting dat het vast te stellen bestemmingsplan volledig is aangepast overeenkomstig de in onze zienswijze opgenomen opmerkingen. Uit een beoordeling van het vast te stellen bestemmingsplan blijkt dat daarvan echter geen sprake is. Wij hebben in onze zienswijze in bijlage 1 bij deze brief uiteengezet welke opmerkingen niet (voldoende) overeenkomstig zijn aangepast. Daarbij hebben wij ook omschreven waarom dit niet zo is. Deze “aanvullingen” zijn met rode tekst in de zienswijze opgenomen. In het algemeen merken wij het volgende op over de reactie op onze zienswijze. Uit de Nota van zienswijzen blijkt niet waarom burgemeester en wethouders – anders dan zij stellen – de uitbreidingsruimte op grond van de Wro-vergunning van niet volledig in het vast te stellen bestemmingsplan heeft verwerkt. Omdat in of bij het vast te stellen bestemmingsplan in het algemeen en de Nota van zienswijzen in het bijzonder ook niet een onderbouwing is opgenomen waaruit blijkt dit niet is verwerkt is dit in strijd met het motiveringsbeginsel op grond van de Awb.

Daarbij is er zo’n groot verschil tussen de reactie van burgemeester en wethouders in de Nota van zienswijzen en de manier waarop het vast te stellen bestemmingsplan in het voorstel aan uw raad is aangepast dat dit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel op grond van de Awb moet worden geacht.

2 van 3

Amendement Om uw raad te ondersteunen in uw werk hebben wij in bijlage 2 bij deze brief een concept van het amendement opgenomen op grond waarvan uw raad kan besluiten om het voorstel van burgemeester en wethouders zo aan te passen dat het vast te stellen bestemmingsplan volledig overeenkomstig de opmerkingen in onze zienswijze is. Namens Met vriendelijke groet,

,

3 van 3

Gemeente Beemster t.a.v. raad Postbus 7 1462 ZG MIDDENBEEMSTER , 21 juli 2021 Onderwerp

: Zienswijze bestemmingsplan “Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021”

Geachte raad, Op 11 juni 2021 maakte uw college van burgemeester en wethouders bekend dat het ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021” ter inzage ligt in de periode van 14 juni 2021 tot en met 26 juli 2021. In deze periode is het mogelijk om een zienswijze op het plan in te dienen bij uw raad. Met deze brief maken wij namens onze opdrachtgever gebruik van deze mogelijkheid. is eigenaar en gebruiker van de gronden bij de manege aan de Nekkerweg 13a in Middenbeemster. Deze gronden zijn kadastraal bekend als gemeente Beemster, sectie H, nummer 1590. Bestemmingsplan “Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021” Op grond van het ontwerpbestemmingsplan zijn (een deel van) de gronden van het perceel bestemd als “Agrarisch – Paardenhouderij”. Daarbij zijn de gronden ook aangeduid als: − “Waarde – Archeologie”; − “Waarde – Cultuurhistorie”; − “bouwvlak”; − “manege”; − “maximum bebouwingspercentage: 100%”, “maximum bouwhoogte: 8,8 m” en “maximum goothoogte: 4 m”. Hiskemuller & Rienstra bouwbegeleiding Schoterlandseweg 1 8451 CP Oudeschoot/Heerenveen

De aanduiding “bouwvlak” ligt strak om de manege (het bestaande gebouw) en de aanduiding “manege” direct om het manegeterrein (op hoofdlijnen het bestaande gebouw, de bestaande paardenbak/springtuin en het bestaande parkeerterrein). De gronden mogen op grond van deze bestemming (volgens artikel 7 van de regels) gebruikt worden voor: a. “productiegerichte paardenhouderij”; b. “ondergeschikte neventak in de vorm van een niet-grondgebonden (intensief) veehouderijbedrijf, met een maximale bedrijfsvloeroppervlakte van 750 m2”; c. [. . .] d. “manege voor stalling van paarden en het uitoefenen van de ruitersport ter plaatse van de aanduiding “manege”. Inspraakreactie op het voorontwerpbestemmingsplan “Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021” De Beemster Ruiters heeft op 16 mei 2021 een inspraakreactie op het voorontwerp van het bestemmingsplan “Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021” gegeven. In de Nota van Overleg en Inspraak (hierna: Nota O&I) bij het ontwerpplan is deze reactie (alleen) te vinden in de tabel op pagina 9 van de nota. In deze tabel is de volgende regel opgenomen.

Adres

Onderwerpen reactie

Verzoek wel/niet overgenomen in verbeelding

Nekkerweg 13a

Verzoek: aanpassen bestemming Manege

Overgenomen

Hieruit is af te leiden dat de inspraakreactie van volledig is overgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. herkent haar inspraakreactie echter niet volledig in het ontwerpbestemmingsplan. Overigens merkt op dat ze, behalve het hiervoor bedoelde “overgenomen”, de reactie van de gemeente op haar inspraakreactie niet of nauwelijks kan vinden in de nota. Voor het overzicht is hierna eerst een samenvatting van de inspraakreactie opgenomen. Daarna is voor de afzonderlijke onderwerpen de zienswijze van op het ontwerpbestemmingsplan opgenomen.

Horeca Aan is door burgemeester en wethouders op 3 november 2008 een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (kenmerk: MB/JV/1731) (hierna: DHW-vergunning) verleend. Door wordt ook gebruik gemaakt van deze vergunning. In de inspraakreactie vraagt om deze horeca-activiteit(en) ook uitdrukkelijk mogelijk te maken door deze op te nemen in de bestemming

2 van 16

Samengevat vraagt uw raad om de horeca-activiteiten op grond van de aan haar verleende DHW-vergunning uitdrukkelijk mogelijk te maken in het bestemmingsplan “Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021”. In het vast te stellen bestemmingsplan is in artikel lid 7.1, aanhef en onder d. bepaald dat de gronden “zijn bestemd voor [. . .] manege [. . .], met dien verstande dat voor het adres Nekkerweg 13a tevens ten dienste van en aan de manege ondergeschikte horeca-activiteiten zijn toegestaan, uit categorie 1 zoals genoemd in de bij de regels behorende bijlage 2 Lijst van toegelaten horecatypen”. Op grond hiervan zijn de volgende horeca-inrichtingen mogelijk: “restaurants zonder bezorg- en/of afhaalservice, bistro, crêperie, lunchroom, koffie-/theehuis, koffiebar, ijssalon, broodjeszaak en croissanterie”. Op basis van de in bijlage 2 bij de regels onderscheiden deze inrichtingen zich onder andere van de andere hierin opgenomen inrichtingen door: − geluidhinder vanuit de inrichting (door bezoekers); − verstrekking van (alcoholhoudende) dranken; − verstrekking van etenswaren voor consumptie ter plaatse; − openingstijden. Van de in categorie 1 bedoelde inrichtingen is opgemerkt dat: a. ‘deze in beginsel slechts overdag en beperkt ’s avonds open zijn en daardoor slechts beperkt hinder veroorzaken’; b.

‘het hier niet gaat om laagdrempelige inrichtingen met veel korte bezoeken van mensen om ter plaatse iets te eten of te drinken of om etens- en/of drinkwaren elders te nuttigen’; c. ‘het hoofddoel niet is het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor consumptie ter plaatse’; d. ‘het hoofddoel niet is het ten gehore brengen van muziek en het bieden van dansgelegenheid’. De aangepaste regel(s) voldoen niet aan de zienswijze. De volgende onderdelen zijn niet (voldoende) verwerkt. 1. In de aangepaste regel in artikel 7.1, aanhef en onder d. is niet het volledige adres van de manege van De Beemster Ruiters opgenomen. Wij stellen uw raad voor om de betreffende regel aan te vullen met “[. . .] het adres Nekkerweg 13a in Middenbeemster tevens ten dienste [. . .]”. De aanvulling is hierbij vet, schuin en onderstreept weergegeven. 2. Weliswaar is in de aangepaste regel in artikel 7.1, aanhef en onder d. bepaald dat de aanduiding “manege” voor de manege van met inbegrip van een horeca-inrichting is, maar in artikel 7, lid 7.4, aanhef en onder f. is nog steeds bepaald dat “onder strijdig gebruik [met de bestemming] in ieder geval wordt verstaan [. . .] het bedrijfsmatig verkopen of ten verkoop aanbieden van goederen bestemd en gereed voor onmiddellijk gebruik of verbruik, uitgezonderd de verkoop of het ten verkoop aanbieden van producten afkomstig van het

5 van 16

3.

betrokken agrarisch bedrijf tot een oppervlakte van 50 m²”. Deze twee regels zijn dan ook tegenstrijdig. De goederen die in de kantine verkocht worden komen niet van de manege zelf. Op basis hiervan kan er dan ook een verschil van inzicht zijn over of een kantine op grond van de DHW-vergunning – waar goederen anders dan van de manege worden verkocht – wel of niet mogelijk is. Om dit te voorkomen stellen wij uw raad voor om artikel 7, lid 7.4 aanhef en onder f. aan te passen tot “onder strijdig gebruik [met de bestemming] in ieder geval wordt verstaan [. . .] het bedrijfsmatig verkopen of ten verkoop aanbieden van goederen bestemd en gereed voor onmiddellijk gebruik of verbruik, uitgezonderd: 1. de verkoop of het ten verkoop aanbieden van producten afkomstig van het betrokken agrarisch bedrijf tot een oppervlakte van 50 m²; 2. ter plaatse van de in lid 7.1, onder d. bedoelde horecavoorziening”. De aanvulling is hierbij vet, schuin en onderstreept weergegeven. Op zichzelf passen de activiteiten op grond van de DHW-vergunning voor wat betreft de aard en de schaal en de effecten binnen de activiteiten van horeca-inrichtingen in categorie 1 zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels. Het valt alleen op dat in bijlage 2 de omschrijving en het overzicht van de horeca-inrichtingen in categorie 1 als een volledig overzicht is opgenomen.

De hier omschreven inrichtingen zijn niet als voorbeeld opgenomen waarbij de omschrijving zoiets is als “horeca-inrichtingen zoals restaurants zonder bezorg- en/of afhaalservice, bistro, crêperie e.d.”. De horeca-inrichting bij is te omschrijven als een kantine en die is niet in het overzicht opgenomen. Ook op basis hiervan kan er een verschil van inzicht zijn over of een de kantine op grond van de DHW-vergunning wel of niet mogelijk is. Om ook dit te voorkomen stellen wij uw raad voor om de omschrijving en het overzicht in bijlage 2 bij de regels aan te vullen met het begrip “(sport)kantine”. De aanvulling is hierbij vet, schuin en onderstreept weergegeven.

Aanduiding “manege”, “bouwvlak” en “maximum bebouwingspercentage” In het ontwerpbestemmingsplan is – in vergelijking met het geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2012” en het voorontwerp-bestemmingsplan – de aanduiding “manege” weliswaar aangepast maar niet zoals weergegeven in figuur 1. De aanduiding ligt in een rechthoek direct om de bestaande paardrijbak, het gebouw van de manege en het parkeerterrein. Omdat alleen de gronden met de aanduiding “manege” zijn bestemd voor een manege (artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder d.) is hierdoor een uitbreiding van de manege niet of nauwelijks mogelijk. Ook de aanduiding “bouwvlak” is in het ontwerpbestemmingsplan niet aangepast zoals weergegeven in figuur 1. De aanduiding ligt direct om het bestaande gebouw van de manege. Hierdoor is een uitbreiding van het gebouw van de manege niet mogelijk. Dat in het ontwerpbestemmingsplan de waarde van de aanduiding “maximum bebouwingspercentage” - in vergelijking met het geldende bestemmingsplan en het voorontwerp-bestemmingsplan – is aangepast van 32% naar 100% maakt dit niet anders nu de aanduiding “bouwvlak” direct om het bestaande gebouw ligt. Bedrijfsgebouwen mogen namelijk alleen in een bouwvlak worden gebouwd

6 van 16

(artikel 7, lid 7.2, onder 7.2.2, onder a, onder 1.). Ook hierdoor is een uitbreiding van (de gebouwen voor) de manege niet mogelijk zoals weergegeven. Een uitbreiding zoals weergegeven op de tekening bij de Wro-vergunning 2009 en WRO-vergunning 2006 is sowieso niet mogelijk op grond van het ontwerpbestemmingsplan. Ook hier is de inspraakreactie van – anders dan wat burgemeester en wethouders in de Nota O&I stellen – niet overgenomen. Hiertegen maakt De Beemster Ruiters bezwaar. vraagt uw raad om een uitbreiding van de manege (en de hierbij horende paardrijbakken) mogelijk te maken op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021” door in het plan de aanduiding “manege” en “bouwvlak” op te nemen zoals weergegeven in figuur 1. Op de tekening bij de Wro-vergunning 2009 en WRO-vergunning 2006 is voor de manege een gebouw van (30 m x 75 m =) 2.250 m² en een uitbreiding hiervan van (22 m x 60 m =) 1.320 m² weergegeven. vraagt uw raad om deze gebouwen mogelijk te maken door in het plan een waarde voor de aanduiding “bebouwingspercentage” op te nemen op grond waarvan ten minste (2.250 m² + 1.320 m² =) 3.570 m² aan gebouwen mogelijk is. In de Nota van zienswijzen is voor wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden de volgende reactie op de zienswijze opgenomen. “Zowel ten aanzien van de bouw- en uitbreidingsmogelijkheden op het perceel [. .

.] nemen wij de zienswijze over. De wijze waarop de eerder ingediende inspraakreactie in het ontwerpbestemmingsplan is vertaald geeft daar onvoldoende invulling aan”. “Verbeelding aanpassen op in 2009 verleende vergunning door vergroten bouwvlak, bestemmingsvlak en bebouwingspercentage”. Deze reactie geeft ons de verwachting dat voor wat betreft de bouw- en uitbreidingsmogelijkheden het vast te stellen bestemmingsplan is aangepast zoals weergegeven in figuur 1 (inspraakreactie) en de Wro-vergunning 2009. Daarvan is geen sprake; de hierna uiteengezette onderdelen zijn niet (voldoende) aangepast.

Aanduiding “manege” In de reactie in de Nota van zienswijzen is opgemerkt dat ‘het bestemmingsvlak op de verbeelding wordt aangepast op grond van de in 2009 verleende vergunning’. Hierover merken wij vooraf het volgende op. Een aanpassing van het bestemmingsvlak is geen onderdeel van de in de zienswijze opgenomen vraag. Dit is niet in de vraag opgenomen omdat het vergroten van het bestemmingsvlak alleen naar ons oordeel niet (of nauwelijks) aanvullende bouw-, gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden biedt voor een manege. Op grond van artikel 7, lid 7.1, onder d. is een manege namelijk alleen mogelijk binnen de aanduiding “manege”. Dit is waarom in de zienswijze de vraag is opgenomen om de aanduiding “manege” te vergroten zoals weergegeven in figuur 1. En

7 van 16

2.

bestemmingsplan. Het vergroten van de lengte is niet nodig in vergelijking met de aanduiding zoals die is opgenomen op de verbeelding van het vast te stellen bestemmingsplan. De aanduiding “bouwvlak” te vergroten tot een breedte (langs de Nekkerweg) van tenminste 96 meter vanaf de zuidwestelijke grens van de aanduiding “bouwvlak” zoals opgenomen op de verbeelding van het vast te stellen bestemmingsplan.

wijst uw raad erop dat op grond van de rechtsopvatting van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uw raad “bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening [dient] te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld” (zie onder andere rechtsoverweging 6.1 van de uitspraak 201801850/2/R2 van 5 februari 2020). Het initiatief van is: − “voldoende concreet” want in figuur 1 en op de tekening bij de Wro-vergunning 2009 en WRO-vergunning 2006 is duidelijk weergegeven op welke manier zij uw raad vraagt om de aanduidingen in het bestemmingsplan op te nemen; − “tijdig kenbaar gemaakt” want al in de inspraakreactie maar ook in deze zienswijze vraagt zij uw raad om de aanduidingen aan te passen; en de − “ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld” want alle informatie is voor uw raad beschikbaar om deze beoordeling uit te voeren en heeft niet een vraag om aanvullende informatie van uw raad of burgemeester en wethouders ontvangen. Ook wijst uw raad op het Coalitieakkoord 2018-2020.

Hierin is opgemerkt dat u “bij de actualisatie van het bestemmingsplan “Buitengebied 2012” kijkt naar nieuwe ontwikkelingen waarbij de ambitie is om de leefbaarheid in het buitengebied op peil te houden”. is een leidende paardensportvereniging. De vereniging loopt dan ook voorop in de paardensport. Veel liefhebbers van deze sport (jong en oud) uit de regio maken gebruik van de voorzieningen die de vereniging biedt. Daarbij wordt het terrein en het gebouw van de manege ook gebruikt door andere verenigingen uit de Beemster en voor verschillende maatschappelijke activiteiten in de Beemster zoals keuringen van de veeteeltstudieclub Beemster. De manege van draagt op deze manier duidelijk bij aan de leefbaarheid van de regio. Om deze bijdrage mogelijk te houden en een vooruitstrevende vereniging te blijven is het nodig dat de vereniging uitbreidingsmogelijkheden heeft. Overigens wordt opgemerkt dat het door burgemeester en wethouders in de Nota O&I op pagina 7 opgenomen uitgangspunt voor het bestemmingsplan “Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021” voor wat betreft nieuwe ontwikkelingen in strijd is met het Coalitieakkoord 2018-2020. In de Nota O&I is namelijk het volgende opgemerkt. “Verzoeken tot aanpassing of vergroting van bouwvlakken zijn in dit plan in beginsel niet overgenomen. Het plan is primair

9 van 16

is één paardenbak onvoldoende. Een voordeel van een tweede paardenbak bij de manege is dat inwoners van de Beemster die wel een paardenstal aan huis hebben gebruik kunnen maken van de paardenbak bij de manege waardoor ze niet een paardenbak aan huis nodig hebben.” Opgemerkt wordt dat op de tekening bij de Wro-vergunning 2009 ook drie paardenbakken (twee “springtuinen” en één “buitenbak”) zijn weergegeven. In het vast te stellen bestemmingsplan zijn de regels over paardenbakken opgenomen zoals die ook waren opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Dit betekent dat ook op grond van het vast te stellen bestemmingsplan er maar één paardenbak mogelijk is. De opmerkingen in de zienswijze over het aantal paardenbakken blijft dan ook van toepassing op het vast te stellen bestemmingsplan. Voor het andere verwijzen wij ook naar onze opmerkingen hiervoor over de aanduiding “manege” en de aanduiding “bouwvlak”. Wij stellen uw raad voor om de regels in artikel 7.4.2 voor paardenbakken op de volgende manier aan te passen. “Binnen de bestemming ‘Agrarisch – Paardenhouderij’ is de aanleg van een paardenbak toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.

ter plaatse van een aanduiding “manage” of per bouwvlak is maximaal één paardenbak toegestaan, met dien verstande dat in afwijking hiervan voor het adres Nekkerweg 13a in Middenbeemster maximaal drie paardenbakken zijn toegestaan; b. de bouwhoogte van de omheining mag niet meer bedragen dan 2,0 m; c. de bouwhoogte van lichtmasten ten behoeve van een paardenbak mag niet meer bedragen dan 5 m, met dien verstande dat in afwijking hiervan en in afwijking van het bepaalde in lid

7.2, onder 7.2.4 voor het adres Nekkerweg 13a in Middenbeemster de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 10 m. De aanpassingen/aanvullingen zijns hierbij vet, schuin en onderstreept weergegeven. Op dit moment heeft

ongeveer 170 leden die paardrijden op de manege. Omdat op zes dagen per week paardrijlessen geeft, waarvan op vijf dagen per week ook ’s avonds, is de vraag naar mogelijkheden om te kunnen paardrijden in de paardenbak erg groot. De leden die geen les volgen kunnen op de momenten dat les gegeven wordt niet gebruik maken van de paardenbak. Met twee of drie paardenbakken kan en paardrijles blijven geven en ruimte bieden aan leden die geen les volgen. Dit is ook van toepassing op de momenten waarop er wedstrijden of andere activiteiten plaatsvinden op de manege. De vraag naar een tweede (en mogelijk derde) paardenbak is er op dit moment overduidelijk bij . Als tweede wordt opgemerkt dat de regel over de paardenbakken onduidelijk is en daardoor in strijd is met het rechtzekerheidsbeginsel. In de aanhef van de regel is bepaald dat “binnen de bestemming “Agrarisch – Paardenhouderij” de aanleg van een paardenbak is toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden”. Eén voorwaarde is dat “per bouwvlak maximaal één paardenbak is toegestaan”. Op basis hiervan is het onduidelijk hoeveel paardenbakken er mogelijk zijn.

11 van 16

Op grond van de aanhef is het aantal paardenbakken op de gronden bestemd als “Agrarisch – Paardenhouderij” onbeperkt. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat voor deze regel voor wat betreft het aantal paardenbakken zo voldoende is. In de voorwaarde is echter bepaald dat ten hoogste “één paardenbak per bouwvlak” mogelijk is. De uitleg hiervan kan zijn dat het aantal paardenbakken op de gronden bestemd als “Agrarisch – Paardenhouderij” ten hoogste het aantal “bouwvlakken” in de verschillende bestemmingsvlakken van deze bestemming mag zijn. Dit betekent dat er in één bestemmingsvlak (waarin één aanduiding “bouwvlak” is opgenomen) twee paardenbakken kunnen liggen en in een ander bestemmingsvlak (waarin ook één aanduiding “bouwvlak” is opgenomen) geen paardenbak ligt. Samen is hier nog altijd sprake van ten hoogste “één paardenbak per bouwvlak”. De uitleg kan ook zijn dat per bestemmingsvlak waarin een aanduiding bouwvlak is opgenomen ten hoogste één paardenbak mogelijk is. Regels die op meer dan één manier zijn uit te leggen zijn onduidelijk en niet rechtszeker. Daarbij ligt de paardenbak bij de manege van buiten de aanduiding “bouwvlak” maar binnen het bestemmingsvlak “Agrarisch – Paardenhouderij” en binnen het de aanduiding “manege”. Onduidelijk is of hiermee sprake is van “één paardenbak per bouwvlak”.

De uitleg van de regel kan namelijk ook zijn dat er op de gronden binnen de aanduiding “bouwvlak” ten hoogste één paardrijbak mag zijn en dat op de gronden buiten de aanduiding het aantal onbeperkt is. Omheining Een andere voorwaarde voor de paardenbakken is dat de bouwhoogte van een omheining ten hoogste 1,5 m mag zijn (artikel 7, lid 7,4, onder 7.4.2, onder b.). Als eerste wordt opgemerkt dat een omheining een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is zoals bedoeld in het ontwerpbestemmingsplan (artikel 1, lid 1.28 in samenhang met artikel 1, lid 1.33). In het ontwerpbestemmingsplan is ook bepaald dat “bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd” (artikel 7, lid 7.2, onder 7.2.4 aanhef en onder a.). Ook dit is onduidelijk want zoals opgemerkt ligt de paardenbak bij de manege van buiten de aanduiding “bouwvlak”. De uitleg van de bepalingen kan namelijk zijn dat een paardenbak met een omheining alleen mogelijk is op de gronden met de aanduiding “bouwvlak”. Als er geen omheining bij de paardenbak mag, betekent dit dat geen gebruik kan maken van haar paardenbak. Hiervoor wordt opgemerkt dat de Stichting Veilig Paardrijden – waarbij is aangesloten en een keurmerk van draagt – het advies geeft om een omheining met een hoogte van 1,5 m om een paardenbak te hebben (zie handboek SVP).

De voorwaarde is dat de hoogte van de omheining om de paardenbak ten minste 1 m is. Het advies is in die zin een aanvulling op deze voorwaarde. Als tweede wordt opgemerkt dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen – ook bouwwerken, geen gebouw zijnde – ten hoogste 2 m mag zijn. Het is niet duidelijk waarom er voor wat betreft de bouwhoogte een onderscheid wordt gemaakt tussen een

12 van 16

omheining en andere terreinafscheidingen. De omheining is tenslotte ook een terreinafscheiding. Dit wordt ook opgemerkt omdat een enigszins grotere bouwhoogte voor een omheining om een paardenbak naar het oordeel van wenselijk is. Een bouwhoogte van 2 meter is naar het oordeel van mogelijk omdat er op basis van ruimtelijke overwegingen niet of nauwelijks een verschil is tussen een omheining van een paardenbak of een andere terreinafscheiding. Voor andere terreinafscheidingen wordt een dergelijke bouwhoogte aanvaardbaar geacht zo blijkt uit het ontwerpbestemmingsplan. Overigens is in het geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2012” ook een bouwhoogte van ten hoogste 2 meter opgenomen voor terreinafscheidingen. Ook de regels voor de omheining die in het vast te stellen bestemmingsplan zijn opgenomen zijn zoals die ook waren opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Wij verwijzen dan ook naar onze opmerking hiervoor over het aantal paardenbakken. Lichtmasten Een voorwaarde voor de paardenbakken is dat de bouwhoogte van lichtmasten bij de banen ten hoogste 5 m mag zijn (artikel 7, lid 7.4, onder 7.4.2, onder c.).

Ook hierbij wordt als eerste opgemerkt dat een lichtmast een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is zoals bedoeld in het ontwerpbestemmingsplan en dat in het plan is bepaald dat deze “uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd” (artikel 7, lid 7.2, onder 7.2.4 aanhef en onder a.). Ook dit is onduidelijk, want zoals opgemerkt ligt de paardenbak bij de manege van buiten de aanduiding “bouwvlak”. Daarbij staan de lichtmasten op grond van de aan op 14 januari 2009 verleende vergunning buiten de aanduiding “bouwvlak” en hebben een bouwhoogte van ten hoogste 10 m. Op grond van het ontwerpbestemmingsplan kan dan ook niet gebruik maken van de aan haar verleende vergunning. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel op grond van de Awb en het rechtzekerheidsbeginsel. Omdat in of bij het ontwerpbestemmingsplan ook geen onderbouwing is opgenomen waaruit blijkt waarom deze lichtmasten niet mogelijk worden gemaakt is dit in strijd met het motiveringsbeginsel op grond van de Awb. Zie onze opmerkingen over het aantal paardenbakken en de omheining. Samengevat vraagt uw raad om de voorwaarde dat ten hoogste één paardenbak mogelijk is niet op te nemen in het bestemmingsplan. Daarbij vraagt om de regels voor de paardenbakken (aantal, omheining en lichtmasten) zo in het plan op te nemen dat ze duidelijk zijn.

vraagt uw raad om de paardenbakken zoals weergegeven op de tekening bij de Wro-vergunning 2009 sowieso mogelijk te maken in het bestemmingsplan “Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021”.

13 van 16

Parkeerterrein Behalve dat in de bestemming “Agrarisch – Paardenhouderij” van het ontwerpbestemmingsplan is bepaald dat “bouwwerken, geen gebouw zijnde, uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd” is ook bepaald dat “de bouwhoogte van overige bouwwerken niet meer dan 5 m mag bedragen”. De hier bedoelde “overige bouwwerken” zijn onder andere lichtmasten. Bij de manege van ligt buiten de aanduiding “bouwvlak” een parkeerterrein. Op grond van de Wro-vergunning 2009 staan daarbij lichtmasten met een bouwhoogte van 9 m. Deze lichtmasten staan ook buiten de aanduiding “bouwvlak”. Op grond van het ontwerpbestemmingsplan kan dan ook niet gebruik maken van de aan haar verleende vergunning. Zoals opgemerkt is dit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel op grond van de Awb en het rechtzekerheidsbeginsel. Omdat in of bij het ontwerpbestemmingsplan ook geen onderbouwing is opgenomen waaruit blijkt waarom deze lichtmasten niet mogelijk worden gemaakt is dit ook in strijd met het motiveringsbeginsel op grond van de Awb. Samengevat vraagt om de lichtmasten bij het parkeerterrein op grond van de aan haar verleende Wro-vergunning 2009 mogelijk te maken in het bestemmingsplan “Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021”. Op de verbeelding van het vast te stellen bestemmingsplan is de aanduiding “bouwvlak” opgenomen op de gronden van het parkeerterrein.

Dit met uitzondering van een deel van het parkeerterrein ten noordoosten van het gebouw van de manege. De gronden van dit deel liggen buiten de gronden met de aanduiding “bouwvlak”. Dit betekent dat op zichzelf “overige bouwwerken” zoals lichtmasten bij het parkeerterrein mogelijk zijn op grond van het vast te stellen bestemmingsplan. De regels over de bouwhoogte van “overige bouwwerken” die in het vast te stellen bestemmingsplan zijn opgenomen zijn zoals die ook waren opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Dit betekent dat op grond van het vast te stellen bestemmingsplan lichtmasten met een hoogte van ten hoogste 5 meter mogelijk zijn. De lichtmasten van 9 meter op grond van de Wro-vergunning 2009 zijn dan ook niet mogelijk op grond van het vast te stellen plan. Voor het andere verwijzen wij ook naar onze opmerkingen hiervoor over de aanduiding “manege” en de aanduiding “bouwvlak”. Wij stellen uw raad voor om de regels in artikel 7.2.4 voor bouwwerken, geen gebouw zijnde op de volgende manier aan te passen. “Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, geldende de volgende regels: a. [. . .] b. [. . .] c. [. . .] d. [. . .]

14 van 16

e.

de bouwhoogte van lichtmasten mag ten hoogste 5 m bedragen met dien verstande dat in afwijking hiervan voor het adres Nekkerweg 13a in Middenbeemster de bouwhoogte ten hoogste 9 m mag bedragen;

f.

de bouwhoogte van overige bouwwerken, [. . .]; g. uitsluitend ter plaatse van de [. . .] De aanpassingen/aanvullingen zijns hierbij vet, schuin en onderstreept weergegeven.

Niet-grondgebonden veehouderij (intensief) In de bestemming “Agrarisch – Paardenhouderij” van het ontwerpbestemmingsplan is bepaald “ondergeschikte neventak in de vorm van een niet-grondgebonden (intensief) veehouderijbedrijf” mogelijk is (artikel 7, lid 7.1, onder b). In de regels van het plan is ook bepaald dat een “grondgebonden agrarisch bedrijf” is “een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond”. Op basis hiervan gaat ervan uit dat een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf een veehouderijbedrijf is ‘waarvan de productie niet geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond’. Het is niet duidelijk wat voor een veehouderijbedrijf dit is. kan zich namelijk nauwelijks een veehouderijbedrijf voorstellen dat niet op een of andere manier ‘afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond’. Ook veehouderijbedrijven waar het vee in een stal gehouden wordt zijn vaak voor ‘de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond’. Dit is weliswaar niet per se grond in de directe omgeving van een dergelijk bedrijf maar het voer voor het vee wordt toch vaak verbouwd op ‘onbebouwde grond’.

Ook is het niet duidelijk wat de aanvulling “intensief” tussen haken achter het begrip “niet-grondgebonden” betekent. Op welke manier vult dit het begrip aan? Of op welke manier onderscheidt deze aanvulling het hier bedoelde “niet-grondgebonden” van een mogelijk ander soort “niet-grondgebonden”? is van oordeel dat deze aanvulling niet opgenomen hoeft te worden. Alles in overweging nemende is van oordeel dat ook deze regel niet duidelijk en daardoor niet rechtszeker is. Samengevat vraagt uw raad om de regels voor “niet-grondgebonden veehouderijbedrijven” (omschrijving van het begrip en de aanvulling van het begrip “intensief” tussen haken hierop) zo in het plan op te nemen dat ze duidelijk zijn. In de Nota van zienswijzen geven burgemeester en wethouders geen reactie op deze opmerking. Samenvatting van de zienswijze

15 van 16

Samengevat houdt de zienswijze van het volgende in. vraagt uw raad om in het bestemmingsplan “Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021”: 1. de horeca-activiteiten op grond van de aan haar verleende DHW-vergunning uitdrukkelijk mogelijk te maken; 2. de uitbreidingsruimte zoals weergegeven op de tekening bij de aan haar verleende Wro-vergunning 2009 en WRO-vergunning 2006 en in figuur 1 en omschreven in haar inspraakreactie mogelijk te maken; 3. de voorwaarde dat ten hoogste één paardenbak mogelijk is niet op te nemen. Daarbij om de regels voor de paardenbakken (aantal, omheining en lichtmasten) zo op te nemen dat ze duidelijk zijn. En om de paardenbakken zoals weergegeven op de tekening bij de Wro-vergunning 2009 sowieso mogelijk te maken; 4. de lichtmasten bij het parkeerterrein op grond van de aan haar verleende Wro-vergunning 2009 mogelijk te maken. 5. de regels voor “niet-grondgebonden veehouderijbedrijven (omschrijving van het begrip en de aanvulling van het begrip “intensief” tussen haken hierop) zo op te nemen dat ze duidelijk zijn. Namens Met vriendelijke groet,

,

16 van 16

AMENDEMENT Raadsvergadering van:

21 september 2021

Behorende bij agendapunt: Onderwerp:

Bestemmingsplan “Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021

Gelezen het voorstel van het college d.d. 31 augustus 2021 en de brief van Hiskemuller & Rienstra bouwbegeleiding namens van 15 september 2021, Gelet op artikel 147b van de Gemeentewet en artikel 27 van het Reglement van orde gemeenteraad Beemster 2018, Overwegende dat: 1. Anders dan in de Nota van zienswijzen is gesteld het vast te stellen bestemmingsplan niet volledig is gewijzigd overeenkomstig de in de zienswijze van opgenomen opmerkingen. 2. In of bij het vast te stellen bestemmingsplan in het algemeen en de Nota van zienswijzen in het bijzonder niet een onderbouwing is opgenomen waaruit blijkt waarom het plan niet volledig is gewijzigd overeenkomstig de opmerkingen opgenomen in de zienswijze van . 3. Dit in strijd is met artikel 3:46 (het motiveringsbeginsel) van de Algemene wet bestuursrecht. 4. Dit ook in strijd moet worden geacht met afdeling 3:2 (het zorgvuldigheidsbeginsel) van de Algemene wet bestuursrecht. 5. In de brief van Hiskemuller & Rienstra bouwbegeleiding namens van 15 september 2021 een voldoende onderbouwing is opgenomen voor de wijzigingen overeenkomstig de in haar zienswijze opgenomen opmerkingen.

Stellen wij de raad van de gemeente Beemster voor: Beslispunt 4 van het ontwerp van het raadsbesluit luidende: “Het bestemmingsplan Buitengebied 2012 – Partiele herziening 2021 (NL.IMRO.0370.BPBUITEN2012HERZ2021-VA01) gewijzigd t.o.v. het ontwerp cf. art. 3.8 lid 1 Wro vast te stellen” te wijzigen in: “Het bestemmingsplan Buitengebied 2012 – Partiele herziening 2021 (NL.IMRO.0370.BPBUITEN2012HERZ2021-VA01) gewijzigd t.o.v. het ontwerp cf. art. 3.8 lid 1 Wro en met inachtneming van de bij de brief van Hiskemuller & Rienstra bouwbegeleiding namens van 15 september 2021 omschreven wijzingen vast te stellen”

Fractie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://beemsterraadsinformatie.purmerend.nl/api/v1/meetings/1277/documents/18972