CConstaterende datBeekdaelen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting WMO Verordening Beekdaelen 2022

Raadsvergadering 21 december 2021, gemeente BeekdaelenBij agendapunt: Voorstel inzake Verordening maatschappelijke voorziening 202228.146 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

MEMO Registratienummer:

Z/21/166204 283896

TOELICHTING ‘VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING gemeente Beekdaelen 2022’

Behoort bij de vastgestelde ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beekdaelen 2022’ vastgesteld door de raad op 21 december 2022.

1

MEMO

Toelichting op de verordening Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wmo 2015. De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de oude Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (inmiddels vervangen door de Wlz). Deze taken zijn toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij is deels voortgeborduurd op de weg die met die ‘oude’ wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, is een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.

Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan de cliënt daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige ambtenaren. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb.

De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3 eerste lid voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3 tweede tot en met vierde lid, 2.1.4 derde en zevende lid en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden: Op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. Ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is. 30 - Ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is.

Op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg. - Op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend. Op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3 derde lid, 2.1.4 derde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen:

2

MEMO -

-

-

-

Voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Over het feit of er sprake is van bij verordening aangewezen algemene voorzieningen. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehou-den te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeids-voorwaarden. Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4 eerste, tweede en vierde lid, 2.1.4a eerste, tweede en vijfde lid, 2.1.4b tweede lid, 2.1.5 eerste lid en 2.3.6 vierde lid van de Wmo 2015: Bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning een bijdrage in de kosten verschuldigd zullen zijn. (2.1.4 1) Bepalen dat cliënten voor maatwerkvoorzieningen een bijdrage in de kosten verschuldigd zullen zijn.(2.1.4a 1) - Bij verordening kan de hoogte van de bijdrage voor het gebruik van een algemene voorziening worden vastgesteld. Bij die verordening kan de hoogte van de bijdrage per soort voorziening verschillen of kan een korting worden bepaald per in de verordening omschreven categorie van cliënten.

Voor zowel bij verordening aangewezen algemene voorzieningen als bij de maatwerkvoorzieningen kan worden bepaald dat de hoogte van de bijdrage in de kosten op een lager bedrag wordt vastgesteld of wordt verlaagd tot nihil voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van cliënten, indien het inkomen over een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven tijdsperiode van de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen niet meer bedraagt dan een bij verordening vastgesteld bedrag. Bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd. Bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent. Bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Artikel 2.1.3 tweede lid van de Wmo 2015 biedt verder ruimte om met inachtneming van hetbepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van burgers en de gemeente.

Hoofdstuk 1: Begrippen Artikel 1. Begripsbepalingen In het eerste lid is uitgelegd wat onder de diverse begrippen in deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan. a. Aanvraag: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen toelichting. b. Algemeen gebruikelijke voorziening: het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-072001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO en CRvB 24-02-2016, nr. 13/2603 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad.

Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: Is de voorziening gewoon te koop? - Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? c. Algemene voorziening: het betreft een voorziening of maatregel die normaal in de maatschappij aanwezig en beschikbaar is en door iedereen die daar behoefte aan heeft op eenvoudige wijze te verkrijgen of te gebruiken is, zonder een ingewikkelde (aanvraag)procedure. d. Besluit: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. e. Budgethouder: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. f. Budgetplan: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. g. College: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. h. Gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Onder huisgenoten worden personen bedoeld waarmee cliënt duurzaam een gezamenlijk huishouden

3

MEMO voert en een woning bewoont. Een kamerhuurder wordt niet als huisgenoot aangemerkt als de cliënt een huurcontract kan overleggen. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met: a. Echtgenoot: geregistreerde partner. b. Gehuwd: als partner geregistreerd. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluit wordt: a. Als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. b. Als ongehuwd mede aangemerkt wordt diegene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

i.

j.

k.

l.

m. n. o.

Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. 32 Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: a. Zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld. b. Uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander. c. Zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract. d. Zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding. Gemeenschappelijke ruimte(n): de begripsbepaling geeft het verschil aan tussen de woonruimte van een cliënt en de delen van het (woon)gebouw waar de cliënt woont, die ook door anderen worden of kunnen worden gebruikt. Er is sprake van een gemeenschappelijke ruimte als de cliënt alleen middels deze ruimte zijn woning kan bereiken of betreden. Het college treft in principe geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten (zie artikel 11 zevende lid en artikel 13 derde lid onderdeel e.

van deze verordening). Daarnaast is het begrip van belang bij de beoordeling van gebruikelijke hulp. Hoofdverblijf: het gaat om de woning (bestemd én geschikt voor permanente bewoning) waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben. De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente Beekdaelen te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de diens (te verwachten) beperkingen. Dat valt onder zijn eigen verantwoordelijkheid, zie artikel 13 derde lid van deze verordening. Hulpvraag: de hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet is noodzakelijk. Ingezetene: de cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 van de wet).

Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet perse van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening, uitgezonderd een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang zoals hiervoor aangegeven, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Met het begrip ‘hoofdverblijf’ wordt meestal bedoeld: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de BRP ingeschreven staat of zal staan. Indien de cliënt met een briefadres in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of zal staan, gaat het om het feitelijk woonadres. Uit de jurisprudentie bij de ‘oude’ Wmo (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt echter dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in de BRP belangrijk is, maar niet doorslaggevend. Maatschappelijke ondersteuning: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. Maatwerkwerkvoorziening: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. Melding: eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag.

Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek instellen.

4

MEMO Indien een ingezetene alleen verzoekt om informatie en advies, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. p. Normale gebruik van de woning: de begripsbepaling is met name van belang bij het verlenen van woningaanpassingen, trapliften, hulpmiddelen of hulp bij het huishouden. Deze maatwerkvoorzieningen zijn slechts gericht op het normale gebruik van de woning. q. Ondersteuningsplan: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. r. Persoonlijk plan: in het plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn sociale netwerk - de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid onderdelen a. tot en met g. van de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid onderdelen a. tot en met g. van de wet, worden onderzocht door het college. Doordat de cliënt hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door de cliënt een persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in de Wmo 2015 versterkt. s.

Persoonsgebonden budget/ pgb: een geldbedrag, waarmee de cliënt een of meer aan hem te verlenen maatwerkvoorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening, het uitvoeringsbesluit en het vigerende besluit te stellen regels van toepassing zijn. t. Sociaal netwerk: de wet gaat nadrukkelijk uit van het beginsel dat slechts ondersteuning wordt geboden door de gemeente indien iemand daarin niet zelf of met hulp van personen uit zijn sociale netwerk kan voorzien. In verband daarmee is de definitie van dit begrip opgenomen. Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt: dit omvat ook de mantelzorger. In artikel 1.1.1 van de wet staat omschreven dat met het begrip ‘huiselijke kring’ een familielid, een huisgenoot of mantelzorger wordt bedoeld. Uit de definitie ‘sociaal netwerk’ als zodanig vloeit geen verplichting voor deze personen om iemand bij te staan. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn aan wie iemand hulp zou kunnen en mogen vragen, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht wanneer iemand zich tot de gemeente wendt. u. Uitvoeringsbesluit: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. v.

Voorliggende voorziening: het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van degene die een melding doet of een aanvraag indient een beroep te doen op andere wettelijke regelingen voor zover daar aanspraak op bestaat en die aanspraak bijdraagt aan het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen. Zie ook artikel 13 eerste lid onderdeel a. van deze verordening. w. Voorziening in natura: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. x. Wet: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. y. Woning: onder een woning wordt een zelfstandige woonruimte verstaan bestemd én geschikt voor permanente bewoning. Kamerhuur valt, gelet op de begripsomschrijving niet onder het begrip woning. Een woonschip en een woonwagen kunnen ook als woning worden aangemerkt. Verder geldt voor een woning vanzelfsprekend wat daar naar algemeen maatschappelijke aanvaarde maatstaven onder wordt verstaan. Een woning voldoet aan het niveau van sociale woningbouw, hetgeen betekent dat de woning moet zijn voorzien van een woonkamer, een keuken, inpandige sanitaire ruimten (badkamer en toilet) en voldoende slaapkamers voor alle gezinsleden. Woningen waarin de cliënt woonachtig is en de cliënt beschikt over een persoonlijke gedoogd verklaring, worden gelijkgesteld met permanente bewoning. z. Woonvoorziening: de wet geeft geen definitie van een woonvoorziening.

Het kan een woningaanpassing, traplift of hulpmiddel zijn met betrekking tot de ondersteuning gericht op het wonen. Soms wordt in de verordening de wettelijke definitie woningaanpassing gebruikt als dat begrip ook daadwerkelijk is bedoeld. De toelichting op sommige begrippen zijn samengevat, daar de volledige, uitgebreide toelichtingen terug te vinden zijn in de landelijke wet- en regelgeving. De bepaling in het tweede lid is opgenomen in de verordening om te borgen dat alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader of deels worden omschreven dezelfde betekenis hebben als in de wet, het uitvoeringsbesluit en de Awb. Hoofdstuk 2: Procedureregels, melding en onderzoek Artikel 2. Beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan gezien worden als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3 eerste lid en tweede lid onderdeel a. van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en opvang. Deze bepaling maakt het voor het college mogelijk om de uitvoering van het onderzoek alsmede de verstrekking van een maatwerkvoorziening in het kader van beschermd wonen en opvang te mandateren aan een (centrum)gemeente in de regio.

Hiervoor kunnen door het college nadere regels opgesteld worden. Artikel 3. Melding hulpvraag Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3 eerste lid en tweede

5

MEMO lid onderdeel a. van de wet. De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. In het eerste lid is nog eens benadrukt dat de melding het middel is van een cliënt om zijn hulpvraag bij het college neer te leggen. Met het gebruik van de in artikel 1 van deze verordening gedefinieerde term ‘hulpvraag’ is een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de Zvw, de Leerplichtwet 1969 e.d. Tevens is in het eerste lid opgenomen dat een melding kan worden gedaan middels het invullen van het daartoe vastgestelde meldingsformulier. Hiervan kan worden afgeweken indien het college bij besluit nadere regels heeft gesteld waarin uitzonderingen op deze bepaling zijn opgenomen. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden: bijvoorbeeld een mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkenen. Hierbij dient echter wel vooropgesteld te worden dat de cliënt ten aller tijde op de hoogte dient te zijn van een melding die op hem betrekking heeft. Het is de verantwoordelijkheid van de persoon die de melding doet, om de cliënt hiervan op de hoogte te stellen.

Indien vooraf blijkt dat de cliënt niet op de hoogte is, kan en mag de gemeente Beekdaelen de melding niet oppakken. In het tweede lid is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, ofschoon dit ook blijkt uit artikel 2.3.2 eerste lid van de wet. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan, is registratie en bevestiging van de ontvangst van de melding van belang. In verband met de registratie en zorgvuldigheid wordt de schriftelijke bevestiging van de melding opgenomen in dit artikel. Artikel 4. Cliëntondersteuning Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet de artikelen 2.2.4 eerste lid onderdeel a. en 2.3.2 derde lid. Vanwege de compleetheid en het belang van de verplichting is deze bepaling ook nog een keer opgenomen in deze verordening. Cliëntondersteuning is in de vorm van een algemene voorziening aanwezig, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen.

Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Met name het wijzen op de beschikbare cliëntondersteuning neemt in de procedure een specifieke plek in. De cliëntondersteuning is onafhankelijk en kosteloos. Artikel 5. Persoonlijk plan Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet artikel 2.3.2 tweede lid. Omdat het een specifieke plaats inneemt in de volgorde van de procedure, is deze bepaling ook nog een keer opgenomen in deze verordening. De cliënt wordt in staat gesteld om, eventueel samen met zijn sociaal netwerk en/of vertegenwoordiger, zijn omstandigheden en de door hem gewenste ondersteuning te beschrijven. Doordat de cliënt voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de ondersteuning die in de ogen van de cliënt nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door het opstellen van een persoonlijk plan, wordt daarnaast de eigen regie van de cliënt en de betrokkenheid van zijn sociaal netwerk versterkt. Het indienen van een persoonlijk plan is een mogelijkheid, maar geen verplichting voor de cliënt. Artikel 6.

Onderzoek Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In het eerste lid wordt benadrukt dat een gesprek in principe deel uitmaakt van het onderzoek. Het gesprek past immers in het stelsel van de Wmo 2015 dat de omgeving van de cliënt daar zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Op het moment dat de cliënt reeds bekend is en de hulpvraag zonder gesprek afgedaan kan worden, kan in overleg met cliënt van het gesprek afgezien worden. Het onderzoek vormt de kern van de procedure, welke maximaal zes weken mag beslaan. De wet beschrijft in het vierde lid van artikel 2.3.2 de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen: - De behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt. - De mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen en opvang. - De mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang. - De behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt.

- De mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang.

6

MEMO - De mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en aanbieders als bedoeld in de Zvw en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang. - Welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn. Voor de bepaling in het derde lid geldt dat deze verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet het bepaalde in artikel 2.3.2 zesde lid. Bij het onderzoek wordt aan de cliënt medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb, in het geval dat cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Ook wordt de cliënt ingelicht over de gevolgen van deze keuze. In het vijfde lid is bepaald dat de uitkomsten van het onderzoek ook schriftelijk worden weergegeven; dit wordt het ondersteuningsplan genoemd. Dit is een beknopte weergave van hetgeen besproken is en de uitkomst daarvan. Als de cliënt aangeeft geen prijs te stellen op het ontvangen van het ondersteuningsplan kan verzending daarvan achterwege blijven. In het kader van de zorgvuldigheid dient het college hier niet te snel vanuit te gaan.

De cliënt zal ondubbelzinnig en schriftelijk moeten verklaren geen prijs te stellen op het ontvangen van de genoemde bescheiden. Het zesde lid is een herhaling van het bepaalde in artikel 2.3.3 van de wet. Ter volledigheid is dit artikel ook in deze verordening opgenomen. Aangezien het onderzoek naar aanleiding van een melding zes weken in beslag kan nemen, is in dit artikel opgenomen dat het college tijdens het onderzoek in spoedeisende situaties onverwijld een passende tijdelijke maatregel kan nemen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de cliënt. De noodzaak om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. Indien de cliënt in een situatie verkeert waarin uitstel van een maatregel niet mogelijk is, dient het college daarnaar te handelen en de cliënt in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag te tegemoet te komen. De maatregel dient te passen bij de gegeven omstandigheden, dat wil zeggen dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de behoefte van de cliënt, zonder dat van het college kan worden verwacht dat het op stel en sprong een precies passende maatregel treft. Het zal situaties betreffen waarbij anders, door het niet inzetten van de tijdelijke ondersteuning, voor de cliënt of zijn directe gezinsverband onaanvaardbare (gezondheids)risico’s ontstaan.

Bij het beoordelen van het wel of niet toepassen van de spoedprocedure wordt ook gekeken of voorliggende wetgeving aan de orde is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het inzetten van een spoedopname/ -behandeling bij een GGZ-cliënt. Artikel 7. Informatieverstrekking en advisering In het eerste lid is opgenomen dat het college bevoegd is degene door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening. Afdeling 3:3 van de Awb, geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5, eerste lid Awb geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn.

Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende, situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt. In de Awb is de optie van de advisering geborgd ten aanzien van een aanvraag. Een melding is niet opgenomen in de Awb, maar wel in de Wmo 2015. Schulinck stelt dat het opnemen van de optie advisering in de meldingsfase in de Verordening door Rechters zal worden gezien als uiterste zorgvuldigheid. De periode van 6 weken voor het onderzoek naar aanleiding van een melding is in sommige situaties echter te kort om een gedegen advies te ontvangen. Indien deze advisering nodig is, zal dit zoveel mogelijk in de meldingsfase ingezet worden. Hierdoor is het namelijk ook mogelijk om een brug te slaan tussen de melding en de aanvraag. Het zorgt ervoor dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de meldingsfase naar de aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering. Het kan echter ook voorkomen dat een advies in de aanvraagfase noodzakelijk is). Het tweede lid creëert de mogelijkheid dat het college, in alle gevallen waarin het dit noodzakelijk acht, advies kan vragen aan een door het college daartoe aangewezen adviesinstantie. Hierbij kan gedacht worden aan: 1.

Een melding of aanvraag van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening is gevoerd. 2. Een melding of aanvraag van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 van deze verordening heeft gevoerd, maar waarvan de omstandigheden zodanig zijn veranderd dat deze gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden.

7

MEMO 3. In alle overige gevallen waarin het college dit gewenst vindt. Voor de bepaling in het derde lid geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet de artikelen 2.3.2 zevende lid en 2.3.4 eerste lid. Analoog aan artikel 4:2 van de Awb, dat voor de aanvraagfase van een besluit regelt dat de aanvrager de nodige gegevens moet verstrekken, is in het derde lid geregeld dat de cliënt daartoe ook in de voorafgaande onderzoeksfase gehouden is. Artikel 8. Aanvraag Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet artikel 2.1.3 eerste lid en tweede lid onderdeel a. Hierin is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. De wet bepaalt in artikel 2.3.5 tweede lid dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag een beschikking moet geven. In de Awb zijn regels opgenomen omtrent de aanvraag, welke ook van toepassing zijn op deze verordening. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier: het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, hetgeen voor de Wmo 2015 niet van toepassing is.

In het kader van de volgorde van de procedure herhaalt het eerste lid de wet: de aanvraag kan pas worden ingediend nadat het onderzoek is uitgevoerd of na het verstrijken van de zeswekentermijn. Artikel 2.3.5 eerste lid van de wet maakt duidelijk dat de aanvraag ziet op een maatwerkvoorziening. Andere oplossingen die tot tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie kunnen zonder aanvraag en dus zonder beschikking worden ingezet. In het tweede lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen en/of bij het gesprek in de onderzoeksfase aanwezig zijn (zie hiervoor de artikelen 3 en 6 van deze verordening). Aangezien het in artikel 8 van deze verordening gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. Een aanvraag moet schriftelijk worden ingediend. In het derde lid is bepaald dat een getekend ondersteuningsplan als aanvraagformulier dient. Hierdoor wordt een brug geslagen tussen de melding en de aanvraag. Het zorgt ervoor dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de onderzoeksfase naar de aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering.

Het ondersteuningsplan wordt opgesteld aan de hand van de noodzaak tot ondersteuning op een bepaald moment, welke gebaseerd is op een actuele situatie. Dit is gebaseerd op de wettelijke onderzoeksplicht die het college heeft en het zorgvuldigheidsbeginsel waaraan het college gebonden is. Om deze reden wordt aangenomen dat hierdoor niet mogelijk is om op grond van een dergelijk ondersteuningsplan later dan 8 weken een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in te dienen. Indien dit wel gebeurd, zal het onderzoek, als bedoeld in artikel 6 van deze verordening, opnieuw moeten plaatsvinden. Hoofdstuk 3: Criteria en weigeringsgronden Artikel 9. Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo 2015 centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de ‘oude’ Wmo, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel a. van de wet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz.

134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Artikel 2.3.5 van de wet bepaalt dat cliënt met een maatwerkvoorziening niet in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie gebracht hoeft te worden, dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De ondersteuning dient in redelijke verhouding te staan. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel en in het bijzonder het eerste tot en met vierde lid is deze verplichting uitgewerkt. In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn.

Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een

8

MEMO verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de cliënt bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst compenserend geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat het college als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing verstrekt, maar een verhuiskostenvergoeding. De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college dan het primaat van verhuizing hanteert. Deze verordening stelt met name regels over procedure, criteria en weigeringsgronden. In het zesde lid is daarom opgenomen dat het college bevoegd is om bij besluit nadere regels te stellen inzake de aard en de omvang van de toe te kennen maatwerkvoorzieningen. Om voornoemde redenen is eveneens het zevende lid opgenomen. Artikel 10. Specifieke criteria voor een maatwerkvoorziening gericht op verplaatsen en vervoer In dit artikel zijn specifieke criteria opgenomen om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening gericht op verplaatsen en vervoer.

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat indien een cliënt beschikt over een indicatie op grond van de Wlz, het mogelijk is een vervoersvoorziening te verstrekken indien cliënt aan de daarvoor gestelde criteria genoemd in deze verordening en de door het college bij nader besluit te stellen regels voldoet. Deze bepaling is een gevolg van een lacune in de landelijke wetgeving omtrent de afbakening tussen de Wlz en de Wmo 2015. Deze afbakening is voor alle onderdelen, waaronder bijvoorbeeld Hulp bij het huishouden en de verstrekking van hulpmiddelen, correct geregeld. Echter, biedt de wet geen afbakening inzake de verstrekking van een vervoersvoorziening aan mensen die beschikken over een Wlz-indicatie. Kijkend naar de overige aspecten waarvoor wettelijk wél een concrete afbakening is opgenomen en handelend vanuit de geest van de wet, kan worden gesteld dat de wetgever heeft beoogd vervoersvoorzieningen ook voor mensen die beschikken over een Wlz-indicatie, onder de Wmo 2015 onder te brengen. Handelend vanuit de hiervoor genoemde geest van de wet en tevens vanuit de optiek dat deze mensen voor wat betreft het kunnen voorzien in hun vervoersbehoefte niet tussen wal en schip mogen vallen, is in deze verordening bepaald dat ook mensen die over een Wlz-indicatie beschikken in aanmerking kunnen komen voor een vervoersvoorziening.

Uiteraard dient dan wel te worden voldaan aan criteria genoemd in deze verordening en de door het college bij nader besluit te stellen regels. In het tweede lid is het algemene afwegingskader met betrekking tot een maatwerkvoorziening in het kader verplaatsen, in de vorm van een rolstoel uiteengezet. Het verplaatsen in en om de woning (woonkamer, slaapvertrek, toilet, douche en keuken) kan op verschillende wijzen plaatsvinden: met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel, of met een rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel, net als in de Wvg en de ‘oude’ Wmo, onder de wet. De overige loop- en verplaatsingshulpmiddelen vallen onder een andere wettelijke regeling: de Zvw. Er is van af gezien om een begripsomschrijving van een rolstoel te geven. Het is, ook na jaren proberen, nog steeds niet gelukt een kwalitatief goede begripsomschrijving van rolstoel te formuleren.

Daarom blijft staan als eerder onder de Wvg en de ‘oude’ Wmo: onder rolstoel dient te worden verstaan wat daar over het algemeen in het dagelijkse taalgebruik onder wordt verstaan: een rolstoel is een voorziening ter verplaatsing in en om de woning, soms ook in de directe woon- en leefomgeving, waarbij het gaat om 4 wielen, soms alle vier even groot (een transportrolstoel), soms 2 grote wielen achter en 2 kleine wielen voor, waarbij de rolstoel met de handen aan de achterste wielen kan worden aangedreven. Een rolstoel kan, zoals hierboven beschreven, met de hand worden aangedreven, maar ook elektrisch. Ook zijn er motoren die op een rolstoel aangebracht kunnen worden om het rijden met de rolstoel te ondersteunen; zowel voor diegene die in de rolstoel zit als de persoon die de rolstoel voortduwt. Wie op grond van beperkingen geen andere mogelijkheid heeft dan zich te verplaatsen met een rolstoel, kan in aanmerking komen voor een rolstoel. Het doel van het gebruik van een dergelijke rolstoel is: het zich kunnen verplaatsen in de directe woonomgeving, soms ook in de directe woonen leefomgeving, al dan niet met hulp van anderen. Bewoners van Wlz-instellingen komen slechts voor een rolstoel in aanmerking indien zij vanuit de Wlz geen rolstoel krijgen.

Als een cliënt de combinatie verblijf en behandeling ontvangt in dezelfde instelling, verblijft in een ziekenhuis of verblijft in een revalidatiecentrum, ontvangt hij een rolstoel uit de Wlz. In het derde lid is het algemene afwegingskader met betrekking tot een maatwerkvoorziening in het kader van vervoer uiteengezet. Bij participatie gaat het om deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat iemand ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschap pen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat iemand zich kan verplaatsen. Om deze reden kunnen maatwerkvoorzieningen in het kader van vervoer ingezet worden. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving mogelijk moeten maken. In de jurisprudentie wordt hiervoor een afstand tussen 1500 en 2000 kilometer toereikend geacht (zie o.a. CRvB 07-06-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2100 en CRvB 14-11-2012, nr. 10/6265 WMO, nr. 11/4410 WMO). Met de verplaatsingen in de directe woonomgeving wordt in beginsel bedoeld: de verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en

9

MEMO familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. Met de vervoersbehoefte buiten de directe woon- en leefomgeving wordt rekening gehouden als een bovenregionaal contact alleen door de cliënt zelf bezocht kan worden, dit bezoek voor de cliënt noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen en het gebruik van Valys niet als voorliggende voorziening beschouw kan worden. Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen leefomgeving te kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootermobielen of een meeneembare scootermobiel, vallen dan ook niet onder de compensatieplicht. Naast rolstoelen voor verplaatsing zijn er ook rolstoelen, speciaal voor verplaatsing bij sportbeoefening, de zogenaamde sportrolstoelen. In het vierde lid is bepaald dat men voor een sportrolstoel in aanmerking komt als sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk is door aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Het gebruik van een sportrolstoel voor teamsporten is helder. Daarnaast zijn er ook individuele sporten (marathon bijvoorbeeld) waar men een sportrolstoel voor aan zal kunnen vragen. Recreatieve activiteiten worden niet onder sport gerekend. De aanvraag voor een sportrolstoel om in de natuur te zijn zal dan ook afgewezen worden.

Om deze reden wordt wel de eis gesteld dat men actief lid is van een sportvereniging, hoewel dat lid zijn ook niet alles zegt. Het overleggen van een geldig lidmaatschapsbewijs is derhalve noodzakelijk. Een dergelijke maatwerkvoorziening kan maximaal 1 keer per 3 jaar verstrekt worden. Er moet op gewezen worden dat het bij een sportvereniging ook vaak tot de mogelijkheid behoort om een sportrolstoel te lenen, om uit te proberen of een bepaalde sport die aantrekkelijk lijkt ook bij iemand past. Dit kan nuttig zijn om te voorkomen dat een aangeschafte rolstoel uiteindelijk niet of nauwelijks gebruikt wordt. Topsport zal net als bij niet-gehandicapten, vaak hoge uitgaven vergen voor sporthulpmiddelen. Deze regeling is daar niet voor bedoeld. Topsport zal vaak een beroep op sponsoring noodzakelijk maken. De enige sportvoorziening die wordt verstrekt is de sportrolstoel. Net als in de Wvg en de ‘oude’ Wmo is gekozen tot deze beperking. Bij de Wvg is de sportrolstoel als uitzondering vanuit de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) meegenomen. Dit is vervolgens weer gebeurd vanuit de Wvg naar de ‘oude’ Wmo. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB onder de Wvg is dat terecht. Nu bij invoering van de Wmo 2015 geen extra geld beschikbaar is gekomen om ruimer sportvoorzieningen te verstrekken is deze regel vanuit de Wvg en de ‘oude’ Wmo in de huidige wet aangehouden.

In het vijfde lid zijn redenen vastgelegd wanneer een cliënt in aanmerking kan worden gebracht voor een andere maatwerkvoorziening gericht op vervoer dan het CVV. Als een algemene voorziening geen voldoende oplossing biedt of als naast een algemene voorziening nog andere vervoersvoorzieningen nodig zijn, geldt het primaat van het CVV, zoals genoemd in artikel 14 zesde lid van deze verordening. Als gevolg van dit primaat komt een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek het openbaar vervoer niet kan bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer allereerst – indien dit medisch mogelijk is en er sprake is van een vervoersbehoefte in de directe woon-en leefomgeving – in aanmerking voor CVV. De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de CRvB geoperationaliseerd middels het loopafstand criterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo (ongeveer 20 minuten), afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te komen, dan komt men ook voor een maatwerkvoorziening in het kader van vervoer in aanmerking. Er ligt overigens geen letterlijke relatie met het openbaar vervoer.

Het opheffen van een reguliere buslijn, waardoor een halte op grote(re) afstand komt te liggen, is geen aanleiding een vervoersvoorziening te verstrekken. De provincie heeft voor deze burgers een aparte regeling getroffen, waardoor zij voor een gereduceerd tarief gebruik kunnen maken van het CVV. In de meeste situaties zal deze maatwerkvoorziening afdoende zijn. Uit de jurisprudentie van de CRvB blijkt dat alleen bij onbeheersbare incontinentie (hetgeen zelden voorkomt) of bij ernstige gedragsproblemen of in andere uitzonderlijke situaties het CVV niet adequaat geacht moet worden. In bijna alle andere situaties is het CVV de eerste voorziening die in aanmerking komt voor verstrekking. Bij het CVV zal een tarief, gelijk aan het blauwe strippenkaarttarief in het reguliere openbaar vervoer betaald moeten worden. Dat bedrag is geen eigen bijdrage in de zin van de wet, maar een algemeen gebruikelijk tarief, zoals ook gebruikers van elk openbaar vervoer een tarief betalen. Voor een sluitend systeem van vervoer kan, behoudens het gebruik van de Regiotaxi, aangesloten worden bij de uitvoering van het zogenaamde bovenregionale vervoer, waarvoor de rijksoverheid verantwoordelijk is. Het bovenregionaal vervoer – uitgevoerd door Valys - opereren vanaf de zesde OV-zone. Als het CVV niet adequaat is of niet aanwezig is, zal een andere voorziening gekozen moeten worden.

Het kan dan gaan om een maatwerkvoorziening in de vorm van een autoaanpassing (in natura of in de vorm van een pgb) of een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de (eigen) auto of (rolstoel)taxi gaan. In het vijfde lid onderdeel b. is bepaald dat alleen bij personen met een zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 200 meter) als gevolg van de jurisprudentie van de CRvB op beide terreinen een oplossing moet worden geboden. Dit wil niet zeggen dat dit niet hoeft bij mensen met een grotere loopafstand, maar tot 200 meter is het dwingend voorgeschreven. Verstrekking van een aanvullende maatwerkvoorziening in het kader van vervoer, is aan de orde indien er een substantiële vervoersbehoefte in de directe omgeving van de woning is en een loopafstand van 200 meter niet te overbruggen is. Voor deze verplaatsingen kan gedacht worden aan een scootmobiel of een driewielfiets, maar ook een elektrische rolstoel. Een dergelijke

10

MEMO maatwerkvoorziening zal worden inge-zet als alle algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen niet meer tot een oplossing kunnen leiden, zoals bijvoorbeeld een fiets. Ook de elektrische fietsen zijn inmiddels algemeen gebruikelijk. Behalve een substantiële vervoersbehoefte dient ook de (verkeers)veiligheid en zelfstandigheid van de cliënt in de afweging betrokken te worden: Verkeersveiligheid De cliënt waaraan een maatwerkvoorziening in de vorm van een elektrische rolstoel, scootmobiel of driewielfiets wordt toegekend, moet deze voorziening op een adequate manier kunnen gebruiken en moet veilig aan het verkeer kunnen deelnemen. Medicatiegebruik kan een reden zijn voor een negatieve beoordeling van deze (verkeers)veiligheid, evenals alcohol-of drugsgebruik. Enkel de aanwezigheid van dergelijke medicatie, drugs of alcohol is geen contra-indicatie voor de inzet van een dergelijke voorziening. De specifieke situatie en persoonskenmerken van de cliënt spelen hierbij een doorslaggevende rol. Zelfstandigheid De cliënt waaraan een maatwerkvoorziening in de vorm van een elektrische rolstoel, scootmobiel of driewielfiets wordt toegekend, moet zelfstandig om kunnen gaan met zijn maatwerkvoorziening. Is dat niet het geval, dan worden deze maatwerkvoorzieningen niet verstrekt.

Dit criterium kan beoordeeld worden door de medisch adviseur en een ergotherapeut (via de verwijzing ‘enkelvoudige extramurale ergotherapie’. Scootmobielen kunnen eventueel voor een tijdelijke periode verstrekt, bijvoorbeeld voor een jaar. Een verlenging is mogelijk, maar van belang is om voor het einde van de periode vast te stellen of de scootmobiel nog noodzakelijk is. Daarbij spelen de bovengenoemde criteria een rol. Het zesde en zevende lid spreken voor zich en behoeven geen nadere toelichting. Artikel 11. Specifieke criteria voor een maatwerkvoorziening gericht op wonen In het eerste lid is het algemene afwegingskader met betrekking tot een maatwerkvoorziening in het kader van wonen in relatie tot het normale gebruik van de woning uiteengezet. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties. Deze woonfuncties omvatten de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Aanpassingen kunnen tevens gericht zijn op verbeteringen in het bereiken van de woning, de stalling van verplaatsingshulpmiddelen, de bruikbaarheid van de woning en/of de bediening van de woning.

Zoals in artikel 9 zesde lid van deze verordening is opgenomen, is het college bevoegd om bij besluit nadere regels te stellen inzake de aard en de omvang van de toe te kennen maatwerkvoorzieningen, waaronder een uitgebreidere beschrijving van de reikwijdte van het normale gebruik van de woning. Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een briefadres heeft. Dit is reeds uitgebreid beschreven in de begripsbepaling van deze verordening. In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen.

In het tweede en derde lid is bepaald dat, indien een cliënt beperkingen ervaart in het normale gebruik van de woning, hij zijn hoofdverblijf in deze woning heeft en de kosten van een woningaanpassing het door het college bij nadere regels vast te stellen bedrag te boven gaan, eerst beoordeeld dient te worden of verhuizing naar een al geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt. In de jurisprudentie uit de tijd van de Wvg en de ‘oude’ Wmo is het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de CRvB. Bij de beoordeling inzake het toepassen van het primaat van verhuizen moet in de concrete situatie van de cliënt bekeken worden of hem gevraagd mag worden te verhuizen, want bij het hanteren van het primaat van de verhuizing gaat het om een financiële afweging aan de kant van de gemeente. Het is immers een uitwerking van het principe dat wordt gekozen voor de goedkoopstcompenserende oplossing. Aan de andere kant van de afweging zal rekening gehouden moeten worden met de individuele behoeften en wensen van de cliënt. Zonder een afgewogen beoordeling van het een tegenover het ander zal een besluit snel als onzorgvuldig beoordeeld worden.

Er zijn grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, met name op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen zal een goed gemotiveerd besluit worden genomen, waarin alle relevante factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de cliënt. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en

11

MEMO heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan. Het is niet reëel om van een cliënt te verwachten dat hij zondermeer naar een andere regio of zelfs provincie verhuisd omdat daar toevallig een woning beschikbaar is. In het tweede lid is om deze reden bepaald dat het acceptabel wordt geacht als binnen een straal van 15 kilometer van de huidige woning van de cliënt een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning beschikbaar is. Binnen deze afstand is het voor de cliënt mogelijk om te blijven deelnemen aan zijn (huidige) maatschappelijk leven. In het derde lid onderdelen a. en b. is bepaald dat een woningaanpassing alsnog verstrekt kan worden indien de cliënt, in afwachting van een geschikte en beschikbare woning, niet meer in de eigen woning kan blijven wonen en/of er medische redenen zijn waarom een verhuizing niet mogelijk is. De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte of gemakkelijker geschikt te maken woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol.

Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit de jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatieadvies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing aanpassen. In het derde lid onderdeel c. is bepaald dat een woningaanpassing alsnog verstrekt kan worden indien er andere redenen zijn waardoor het redelijkerwijs niet van de cliënt kan worden gevergd om te verhuizen. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming zijn: Sociale factoren Sociale omstandigheden waarmee rekening gehouden kan worden zijn bijvoorbeeld de binding van de cliënt met de huidige woonomgeving en de nabijheid van voor de cliënt belangrijke voorzieningen.

Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning van de cliënt kan een rol spelen in het afwegingsproces, met name in situaties waarin sprake is van mantelzorg. De sociale omstandigheden moeten in het onderzoek zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de cliënt zijn werk "aan huis" heeft (eigen bedrijf), dienen de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen te worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben. Woonlasten en financiële draagkracht van de cliënt Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op dit gebied, maakt het college een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden genomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beekdaelen&id=a5033293-68c2-433d-bbb5-c13a86b4e060