CConstaterende datBeekdaelen
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota Bodembeheer.pdf

Raadscommissie Fysieke Leefomgeving 2 juni 2022, gemeente BeekdaelenBij agendapunt: Nota bodembeheer Beek, Beekdaelen (Nuth) en Stein 2021-2029, incl. Bodemkwaliteitskaart34.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

[dubbelklik hier om een foto in te voegen]

Nota bodembeheer Gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein

Opdrachtgever: Gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein

Organisatie

Telefoon

Projectnummer

Lievense Milieu B.V. | WSP

+31 (0)88 910 20 00

SOB010377

Adres

Datum

Documentnummer

Ringwade 41 3439 LM Nieuwegein

8 maart 2021

SOB010377.RAP002

Colofon Contactpersoon namens de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein René Denis (RUD Zuid Limburg) Contactpersoon Lievense Milieu B.V. | WSP Jeroen Spronk

Autorisatie Projectnummer

Documentnummer

Status

SOB010377

SOB010377.RAP002

Definitief

Opgesteld en akkoord door

Functie

Datum

Jeroen Spronk

Senior adviseur

08.03.2021

Samenvatting —- 2/2 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

Paraaf

Samenvatting Inleiding Het bodembeleid ondergaat een transitie. Met de invoering van de Omgevingswet (naar verwachting in 2022) maakt het huidige sectorale beleid (gericht op de chemische kwaliteit) plaats voor een beleid dat zich richt op het duurzaam en efficiënt beheren en gebruiken van de bodem en ondergrond. Met deze nota bodembeheer wordt hierop ingespeeld. Bij het beleid voor de sporen hergebruik, saneren, activiteiten zoals bouwen en ruimtelijke planvorming (het meersporen beleid) wordt gestreefd naar een beleid waarbij de eisen die gesteld worden aan de bodemkwaliteit onafhankelijk zijn van de wet- en regelgeving die aanleiding zijn om de bodemkwaliteit te beoordelen. Daarom wordt bij de vier sporen zoveel als mogelijk binnen de wet- en regelgeving één uniform ambitieniveau en eenzelfde bodemkwaliteitsdoelstelling nagestreefd. Een dergelijk beleid is helder en eenduidig voor de burgers en bedrijven. Bij het opstellen van deze nota bodembeheer zijn de volgende algemene uitgangspunten aangehouden: • Zo weinig mogelijk regels. Nieuwe regels zijn alleen nodig indien de algemeen geldende landelijke kaders inzake bodem niet voldoende mogelijkheden bieden om, voor de specifieke situatie in de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein oplossingen te vinden. • Vereenvoudigen van de aanpak van de bodemverontreiniging.

Om de maatschappelijke, economische en ruimtelijke ontwikkelingen te faciliteren, wordt er naar gestreefd om met deze nota bodembeheer de aanpak van de bodemverontreiniging zo veel mogelijk te vereenvoudigen. Essentieel onderdeel hierbij is het maximaal gebruik van de informatie uit de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten. Deze vereenvoudiging leidt ook tot een groter gebruiksgemak voor de bedrijven, burgers, bestuurders, adviesbureaus en ambtenaren die uit verschillende invalshoeken te maken kunnen krijgen met bodemverontreiniging. • Gebruik maken van de ervaringen van de voorbije jaren. De voorbije jaren is binnen de gemeenten ervaring opgedaan met het gevoerde grondstromenbeleid. Deze ervaringen zijn bij het opstellen van deze nota bodembeheer geïnventariseerd. Het beleid dat als positief is ervaren blijft gehandhaafd, verder is voor de optimalisering beleid aangepast of nieuw beleid geïntroduceerd. Om dit te realiseren hebben de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein een bodemfunctieklassenkaart, bodemkwaliteitskaarten en deze nota bodembeheer opgesteld. De kaarten zijn de instrumenten bij de uitvoering van het bodembeleid.

Deze nota bodembeheer geeft aan hoe vrijgekomen grond en gerijpte baggerspecie mag worden opgeslagen (tijdelijk), hergebruikt of toegepast, hoe invulling wordt gegeven aan het bodemsaneringsbeleid en het beleid bij de activiteiten bouwen en ruimtelijke planvorming. Ook zijn regels en procedures voor dit beleid geformuleerd. Deze nota bodembeheer is bedoeld voor professionele partijen.

Samenvatting —- 1/4 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

De gemeenten vullen haar grondstromenbeleid in door vrijkomende grond en gerijpte baggerspecie (bij graaf- en baggerwerkzaamheden) zoveel als mogelijk te hergebruiken zodat minder materiaal wordt gestort en minder primaire grondstoffen worden gewonnen. De wet- en regelgeving voor het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond en gerijpte baggerspecie is geregeld in het Besluit en Regeling bodemkwaliteit. Het is niet zonder meer toegestaan om grond en gerijpte baggerspecie ergens te ontgraven en op een andere plaats toe te passen of tijdelijk op te slaan. Voorkomen moet worden dat het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en gerijpt baggerspecie de ontvangende bodem verontreinigt en risico's vormt voor het (toekomstige) bodemgebruik. Vanwege andere wet- en regelgeving kunnen bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond) nog aanvullende voorwaarden worden gesteld. Gemeentelijk beleid In de onderstaande tabel is het (gebiedspecifieke) regionale beleid weergegeven waarbij is aangegeven of het beleid een voorzetting of een aanpassing van het tot nu toe gevoerde beleid dan wel nieuw beleid is.

Beleidsonderwerp

Voortzetting

Aanpassing

Nieuw

beleid

beleid

beleid

Het uitbreiden van het gemeentelijke bodembeheergebied tot de gemeentelijke grondgebieden van de gemeenten Beek,

✓

Beekdaelen en Stein (zie § 2.4). Het vaststellen van strengere eisen bij het toepassen van grond op

✓

onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en (zie § 2.5.2). Het verruimen van de regels voor het toepassen van grond uit en op aangewezen onverharde (spoor)wegbermen met de

✓

bodemfunctie ‘Industrie’ (zie § 2.5.3). Het vaststellen van (strengere) eisen bij het toepassen van grond

✓

met bijmenging van bodemvreemd materiaal, waaronder hout, steenachtig materiaal en plastic (zie § 2.6). Het vaststellen van eisen bij het toepassen van grond met asbestverdacht/-houdend materiaal op gevoelig bodemgebruik

✓

(zie § 2.7). Het vaststellen van (strengere) regels bij het hergebruik van PFAS-

✓

houdende grond en verspreiden van PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie (zie § 2.8.1). Het vaststellen van strengere eisen voor grond van buiten de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein (zie § 2.9). Het toepassen van grond in grootschalige bodemtoepassingen (zie § 2.10). Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag (zie § 2.11).

Samenvatting —- 2/4 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

✓ ✓ ✓

Beleidsonderwerp

Voortzetting

Aanpassing

Nieuw

beleid

beleid

beleid

Het verruimen van de regels voor het toepassen van grond uit de

✓

bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld (zie § 2.12). Het verruimen van de regels bij de tijdelijke uitname van grond bij

✓

graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur én groenvoorzieningen (zie § 2.13). Het stellen van regels bij vrijkomende kleine partijen grond (zie § 2.14).

✓

Het toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag of leeflaag

✓

in een sanering (zie § 2.15). Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij het Activiteitenbesluit

✓

(bij de interpretatie van een eindsituatie-onderzoek als geen nulsituatie-onderzoek beschikbaar is; zie § 2.16). Het toepassen van grond uit of in gebieden die zijn uitgesloten van

✓

de bodemkwaliteitskaart en grond uit oude categorie-1 werken (zie § 2.17.1). Grondverzet ter plaatse van beschermde gebieden (zie § 2.17.2).

✓

Het stellen van strengere regels bij het verspreiden van (PFAS-

✓

houdende) onderhoudsbaggerspecie (zie § 2.18) Het voorkomen van verspreiding van invasieve exoten (flora, zoals

✓

de Japanse duizendknoop en de reuzenberenklauw; zie § 2.19)

✓

De geldigheidsduur van een uitgevoerd onderzoek (zie § 2.20.1). Het gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart als al een

✓

kwaliteitsonderzoek is uitgevoerd (zie § 2.20.2 t/m § 2.20.4). Het stellen van regels voor de onderzoeksinspanning voorafgaand

✓

aan het grondverzet (zie § 2.22) Het verruimen van de regels bij repeterende vrachten en

✓

omvangrijke grondtoepassingen (zie § 2.25). Het verruimen van de regels bij grondtransport met de

✓

bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel (zie § 2.26).

✓

Uitwerking meersporenbeleid onderdeel saneren (hoofdstuk 3) Uitwerking meersporenbeleid onderdeel activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming (vrijstellingsregeling

✓

bodemonderzoek; zie hoofdstuk 4).

Beoogd effect Met het vaststellen van het meersporenbeleid wordt gefaciliteerd dat: • het in Limburg beleidsmatig gehanteerde meersporenbeleid wordt verankerd. • de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein haar milieuvriendelijk grondstromenbeleid, dat praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant is, optimaliseren; • meer grondstromen kunnen plaatsvinden zonder dat voorafgaand de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Voor de gemeenten en derden kunnen besparingen worden gerealiseerd in uitvoeringstijd en -kosten;

Samenvatting —- 3/4 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

• • •

meer toepassingslocaties beschikbaar komen om vrijkomende grond milieuvriendelijk te hergebruiken; het gebruik en de aankoop van primaire én secundaire bouwstoffen (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) wordt verminderd; de druk op het wegennet, de uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof en het gebruik van energie wordt verminderd (grond hoeft minder ver te worden getransporteerd, geen extra productie door grondverwerker).

Delegeren bevoegdheden Het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid en eventuele toekomstige wijzigingen op dit beleid moeten, conform artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit, worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om praktische redenen worden besluiten met een uitvoerend karakter gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Het betreft besluiten voor: • wijzigingen van de bodemfunctieklassenkaart; • het toevoegen van aanvullende gegevens aan de bodemkwaliteitskaart die geen invloed hebben op het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid; • het onder voorwaarden accepteren van een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond; • het opnieuw bestuurlijk vaststellen van een gewijzigde bodemfunctieklassenkaart en/of bodemkwaliteitskaart onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gebiedsspecifieke grondstromenbeleid. Financiën Het grondstromenbeleid heeft voor de gemeenten geen nadelige financiële gevolgen.

Met het beleid kunnen voor de gemeenten en derden besparingen worden gerealiseerd bij: • onderzoekskosten voor de toe te passen grond en de ontvangende bodem en bij het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie; • transport-, reinigings- en/of stortkosten van vrijkomende grond; • aanschafkosten voor de toe te passen primaire grondstoffen (zand uit zandwinputten) en secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld grond van een grondbank). Communicatie De mogelijkheden voor het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie, worden door de gemeenten digitaal inzichtelijk gemaakt op de gemeentelijke websites én de website van de Limburgse Werkgroep Bouwstoffen en Grondstromen (LWBG). Hiermee wordt al vooruitgelopen op één van de doelstellingen van de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 in werking treedt.

Samenvatting —- 4/4 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

Inhoudsopgave 1

Inleiding 1.1 Algemeen 1.2 Formuleren milieuvriendelijk en efficiënt grondstromenbeleid 1.3 Beleidsmatige verankering van het meersporenbeleid 1.4 Uitgangspunten bij het opstellen van de nota bodembeheer 1.5 Afbakening nota bodembeheer 1.5.1 Bevoegd gezag 1.5.2 Reikwijdte 1.6 Geldigheid 1.7 Verantwoordelijkheid 1.8 Aansprakelijkheid 1.9 Deze nota in relatie tot de Omgevingswet 1.10 Leeswijzer

2

Uitwerking meersporenbeleid, onderdeel hergebruik 11 2.1 De te verwachten bodemkwaliteit in de gemeenten 11 2.2 Maatschappelijke opgave 13 2.3 Kwaliteitsdoelstelling bij hergebruik van grond 14 2.4 Uitbreiding van het bodembeheergebied 14 2.5 Vaststellen Lokale Maximale Waarden 15 2.5.1 Inleiding 15 2.5.2 Lokale Maximale Waarden toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en 15 2.5.3 Lokale Maximale Waarden toepassen grond ter plaatse van én hergebruik grond uit aangewezen onverharde (spoor)bermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ 16 2.6 Toepassen grond met bodemvreemd materiaal (bewerkt hout, steenachtige materialen, plastic, piepschuim etc.) 19 2.7 Toepassen van grond met asbestverdacht/-houdend materiaal 20 2.8 Toepassen van PFAS-houdende grond en verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie 23 2.8.1 Definiëren toepassingseisen PFAS-verbindingen in de grond en verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie 23 2.8.2 Toekomstige bijstelling van de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en (toepassings)waarden voor PFAS-houdende grond 25 2.9 Toepassen van grond afkomstig van gebieden van buiten de gemeenten Beek Beekdaelen en Stein 25 2.10 Toepassen van grond in een grootschalige bodemtoepassing 25 2.11 Toepassen van grond uit een tijdelijke opslag 26 2.12 Toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld

27

Inhoudsopgave —- 1/4 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

1 1 1 2 3 3 3 4 6 6 7 7 9

2.13 2.14 2.15 2.16 2.17

2.18

2.19 2.20

2.21 2.22

2.23

2.24 2.25 2.26 3

Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen 28 3 Mogelijkheden vrijkomende kleine partijen grond (≤ 50 m ) 29 Toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag, leeflaag in een sanering 30 Gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij bodemverontreinigende activiteiten 30 Bijzondere omstandigheden bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond 31 2.17.1 Van de bodemkwaliteitskaarten uitgesloten locaties en gebieden en grond uit een oude categorie-1 werk 31 2.17.2 Beschermde gebieden 32 Verspreiden onderhoudsbaggerspecie (generiek kader Besluit bodemkwaliteit) 33 2.18.1 Verspreiden onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam 33 2.18.2 Verspreiden onderhoudsbaggerspecie op het aangrenzend perceel 33 Voorkomen verspreiden invasieve exoten (flora) bij grondverzet 35 De geldigheidsduur van een eventueel uitgevoerd onderzoek en gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart bij een al onderzochte locatie 35 2.20.1 De geldigheidsduur van een eventueel uitgevoerd onderzoek 35 2.20.2 Uitgevoerd specifiek onderzoek van de NEN 5740 of een partijkeuring en gebruik ontgravingskaart 36 2.20.3 Uitgevoerd onderzoek en gebruik toepassingskaart 36 2.20.4 Uitgevoerd NEN 5740 onderzoek en gebruik ontgravingskaart 36 Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel 37 Onderzoeksinspanning voorafgaand aan

het grondverzet 38 2.22.1 Historisch onderzoek 38 2.22.2 Onderzoek toe te passen grond 40 2.22.3 Onderzoek ontvangende bodem 41 Procedures bij grondverzet 41 2.23.1 Opvragen informatie voorafgaand aan het grondverzet 41 2.23.2 Melden tijdelijk opslaan en toepassen grond 42 2.23.3 Registratie van de melding 44 2.23.4 Beoordeling van de melding 44 Transport van grond 44 Repeterende vrachten en omvangrijke grondtoepassingen 45 Grondtransport met de bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel 45

Uitwerking meersporenbeleid onderdeel saneren 3.1 Hergebruik van grond en terugsaneerwaarden 3.2 Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging en zorgplicht 3.3 Onverwachte bodemverontreiniging tijdens graafwerkzaamheden 3.4 Grensoverschrijdende verontreiniging in de landbodem en de waterbodem

Samenvatting —- 2/4 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

46 46 47 48 48

4

Uitwerking meersporenbeleid onderdeel activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming 49 4.1 Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen 49 4.2 Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit ruimtelijke planvorming 49 4.3 Voorwaarden vrijstellingsregeling bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming 50

5

Toezicht en handhaving 5.1 Betrokkenen bij grondwerkzaamheden 5.2 Toezicht en handhaving

52 52 53

6

Delegeren bevoegdheden van de gemeenteraad aan het college 6.1 Inleiding 6.2 Tussentijds aanpassen van bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaart 6.3 Aanvullende bodeminformatie 6.3.1 Uitgesloten locaties en gebieden 6.3.2 Resultaten bodemonderzoek op een voor bodemverontreiniging verdachte locatie 6.4 Accepteren bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten/gebieden als bewijsmiddel chemische kwaliteit toe te passen grond 6.5 Bestuurlijk vaststellen bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart 6.6 Procedure

55 55 55 56 56

Bronvermelding

56 56 57 57 58

Overzicht bijlagen Bijlage 1 - Begrippenlijst Bijlage 2 - Wet- en regelgeving Bijlage 3 A - Statistische parameters bodemkwaliteitszones getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit (voor standaardbodem) Bijlage 3B - Statistische parameters PFAS-verbindingen per bodemkwaliteitszone Bijlage 4 - Mogelijkheden vrij grondverzet

Samenvatting —- 3/4 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

Overzicht kaartbijlagen Kaartbijlage1 - Bodemfunctieklassenkaart Kaartbijlage 2 - Ligging bodemkwaliteitszones bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Kaartbijlage 3A - Ontgravingskaart bovengrond (0,0-0,5 m-mv) Kaartbijlage 3B - Ontgravingskaart ondergrond (0,5 m-mv en dieper) Kaartbijlage 4A - Toepassingskaart bovengrond (0,0-0,5 m-mv) – grond van buiten de gemeente Beek, Beekdaelen en Stein Kaartbijlage 4B - Toepassingskaart ondergrond (0,5-2,0 m-mv) – grond van buiten de gemeente Beek, Beekdaelen en Stein Kaartbijlage 5A - Toepassingskaart bovengrond (0,0-0,5 m-mv) – grond uit de gemeente Beek, Beekdaelen en Stein Kaartbijlage 5B - Toepassingskaart ondergrond 0,5-2,0 m-mv) – grond uit de gemeente Beek, Beekdaelen en Stein

Samenvatting —- 4/4 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

Disclaimer Bodemonderzoek bij private transacties Deze nota bodembeheer gaat niet in op het uitvoeren van bodemonderzoek bij private transacties. Of bij private transacties een bodemonderzoek wordt uitgevoerd dan wel gebruik gemaakt wordt van de informatie uit de bodemkwaliteitskaarten is aan de betrokken partijen. Mocht uit het bodemonderzoek bij een private transactie blijken dat de kwaliteit van dien aard is dat sprake is van een verdachte locatie dan mag, op grond van het zorgplichtbeginsel, voor deze locatie geen gebruik gemaakt worden van de bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel. Bodemonderzoek in het publieksrechtelijke spoor In het kader van de verlaging van de regeldruk kan op basis van deze nota bodembeheer in sommige situaties worden afgezien van bodemonderzoek bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, in het kader van een procedure Wet ruimtelijke ordening of bij het hergebruik van grond. In plaats van een bodemonderzoek uit te moeten voeren, kan gebruik gemaakt worden van de gegevens zoals vastgelegd in de bodemkwaliteitskaarten. De bodemkwaliteitskaarten zijn met de grootste zorgvuldigheid vastgesteld. Deze bieden echter nooit uitsluitsel over onvoorziene omstandigheden op een locatie (bijvoorbeeld de aanwezigheid van puin in de bodem / onbekende dempingen / een niet geregistreerde tank).

Het is nadrukkelijk de keuze van de initiatiefnemer of gebruik gemaakt wordt van de bodemkwaliteitskaarten of dat toch een bodemonderzoek uitgevoerd wordt. Voordat de keuze gemaakt wordt, moeten de voor- en nadelen en de eventuele risico’s worden afgewogen. Als de initiatiefnemer er voor kiest om gebruik te maken van de bodemkwaliteitskaarten, kan het zijn dat tijdens de realisatie van de werkzaamheden zaken worden aangetroffen op basis waarvan onderzoek alsnog noodzakelijk is. In dergelijke gevallen is de gemeente niet aansprakelijk voor de onderzoekskosten en/of de gevolg schade. De eindverantwoordelijkheid voor het toepassen van een partij grond of baggerspecie ligt bij de eigenaar van de locatie waar de grond of baggerspecie wordt toegepast. De gemeente kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortkomt uit onzekerheden in de bodemkwaliteitsgegevens. Bij het werken in verontreinigde grond kan naast de milieu-gerelateerde regelgeving ook de Arbo-wetgeving van toepassing zijn. Deze nota bodembeheer gaat niet in op de eisen die vanwege deze Arbo-wetgeving gesteld (kunnen) worden. De initiatiefnemer en de uitvoerende partij moeten zich voorafgaand aan én bij het uitvoeren van hun taken altijd vergewissen dat conform de geldende Arbo-wetgeving gewerkt wordt. Relevant hierbij zijn de actuele wet en regelgeving.

Thans (onder andere) de CROW publicatie 400 (Werken in en met verontreinigde grond, Richtlijn voor veilig, zorgvuldig en risicogestuurd werken). Vigerende wetgeving altijd leidend De wet- en regelgeving is onderhavig aan aanpassingen/wijzigingen. De vigerende wet- en regelgeving is derhalve altijd leidend.

Disclaimer —- 1/1 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

1

Inleiding

1.1

Algemeen

Het bodembeleid ondergaat een transitie. Met de invoering van de Omgevingswet (naar verwachting in 2022) maakt het huidige sectorale beleid (gericht op de chemische kwaliteit) plaats voor een beleid dat zich richt op het duurzaam en efficiënt beheren en gebruiken van de bodem en ondergrond. Met deze nota bodembeheer wordt hierop ingespeeld. Deze nota bodembeheer is opgesteld voor de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein en heeft 2 doelen: 1. Het formuleren van milieuvriendelijk en efficiënt grondstromenbeleid. 2. Het beleidsmatig verankeren van het in Limburg gehanteerde meersporenbeleid. Deze nota is bedoeld voor professionele partijen die onder meer te maken hebben met grondverzet in de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein. In de teksten zijn blauw gekleurde literatuurverwijzingen opgenomen. Deze zijn opgenomen bij de bronvermeldingen op de bladzijden 57 en 58 van deze nota bodembeheer. 1.2

Formuleren milieuvriendelijk en efficiënt grondstromenbeleid

De gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein hebben de wens het grondstromenbeleid op elkaar af te stemmen en grondverzet tussen de drie gemeenten mogelijk te maken. De gemeenten streven ook naar een zo optimaal en duurzaam mogelijke hergebruik van (licht verontreinigde) grond en gerijpte baggerspecie, zodat het nuttig en milieuhygiënisch verantwoord hergebruik hiervan mogelijk wordt gemaakt. Om dit te realiseren hebben de gemeenten (regionale) bodemfunctieklassenkaarten, bodemkwaliteitskaarten[1] en deze nota bodembeheer opgesteld. Bij allerlei graafwerkzaamheden en bewerkingen van de (water)bodem komt grond en baggerspecie vrij. De regelgeving voor het tijdelijk opslaan en het hergebruik of toepassen van grond en gerijpte baggerspecie valt onder het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit [2] [3] (hierna aangeduid als 'het Besluit' en 'de Regeling'). Vanwege andere wet- en regelgeving kunnen bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond) nog aanvullende voorwaarden worden gesteld. Het grondstromenbeleid moet praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant zijn. Hiermee wordt vorm gegeven aan het milieuvriendelijk en verantwoord hergebruik, toepassing en tijdelijke opslag van grond en gerijpte baggerspecie in de gemeenten. Er zijn vier motieven voor het duurzaam en verantwoord grondstromenbeleid: 1.

Een ‘standstill’ voor de bodemkwaliteit op het niveau van het bodembeheergebied (zie § 2.3). 2. Beperking van het gebruik en aankoop van primaire en secundaire grondstoffen (aanvoer en gebruik van zand uit zandwinputten of grond van een grondbank).

1/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

3. Kostenbesparing (minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond). 4. Minder grondtransportbewegingen en energiebesparing (minder druk op het wegennet, minder uitstoot van fijnstof en CO2 en minder grondverwerking). Deze nota bodembeheer geeft aan hoe vrijgekomen grond en gerijpte baggerspecie (hierna tezamen aangeduid als 'grond') op en in de landbodem van de gemeenten kan en mag worden opgeslagen (tijdelijk), hergebruikt of toegepast. De bodemfunctieklassen- en bodemkwaliteitskaarten zijn de instrumenten bij de uitvoering van dit milieuvriendelijke grondstromenbeleid. Op de bodemfunctieklassenkaart zijn de functies ‘Wonen’ en ‘Industrie’ weergegeven. Ook is overig landgebruik zoals landbouw, natuur en oppervlaktewater op de kaarten weergegeven. De bodemkwaliteitskaarten geven voor de gemeenten de te verwachten chemische bodemkwaliteit aan van voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2 meter diepte. De gemeenten hebben binnen de mogelijkheden van het Besluit, gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Bij het gebiedsspecifieke beleid is een afweging gemaakt tussen enerzijds de risico’s voor bodemverontreiniging en behoud van de bestaande bodemkwaliteit en anderzijds de mogelijkheden voor hergebruik of toepassing van grond binnen de gemeenten.

De kaarten en de nota bodembeheer zijn niet afzonderlijk van elkaar te gebruiken. 1.3

Beleidsmatige verankering van het meersporenbeleid

Bij het beleid voor de sporen hergebruik, saneren en activiteiten zoals bouwen en ruimtelijke planvorming (het meersporen beleid), wordt gestreefd naar een beleid waarbij de eisen die gesteld worden aan de bodemkwaliteit onafhankelijk zijn van de wet- en regelgeving die aanleiding zijn om de bodemkwaliteit te beoordelen. Daarom wordt bij de vier sporen zoveel als mogelijk binnen de wet- en regelgeving één uniform ambitieniveau en eenzelfde bodemkwaliteitsdoelstelling nagestreefd. Een dergelijk beleid is helder en eenduidig voor de burgers en bedrijven. De afgelopen jaren hebben de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein dit meersporenbeleid gehanteerd als uitgangspunt voor het bodembeleid. Ook binnen de provincie Limburg wordt het meersporenbeleid gevoerd en is verankerd in het vigerende provinciale Beleidskader Bodem[4]. In de volgende hoofdstukken en paragrafen wordt dit beleid, waar nodig, nader toegelicht.

2/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

1.4

Uitgangspunten bij het opstellen van de nota bodembeheer

Bij het opstellen van deze nota bodembeheer zijn de volgende algemene uitgangspunten aangehouden: • Zo weinig mogelijk regels. Nieuwe regels zijn alleen nodig indien de algemeen geldende landelijke kaders inzake bodem niet voldoende mogelijkheden bieden om, voor de specifieke situatie in de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein oplossingen te vinden. • Vereenvoudigen van de aanpak van de bodemverontreiniging. Om de maatschappelijke, economische en ruimtelijke ontwikkelingen te faciliteren, wordt er naar gestreefd om met deze nota bodembeheer de aanpak van de bodemverontreiniging zo veel mogelijk te vereenvoudigen. Essentieel onderdeel hierbij is het maximaal gebruik van de informatie uit de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten. Deze vereenvoudiging leidt ook tot een groter gebruiksgemak voor de bedrijven, burgers, bestuurders, adviesbureaus en ambtenaren die uit verschillende invalshoeken te maken kunnen krijgen met bodemverontreiniging. • Gebruik maken van de ervaringen van de voorbije jaren. De voorbije jaren is binnen de gemeenten ervaring opgedaan met het gevoerde grondstromenbeleid. Deze ervaringen zijn bij het opstellen van deze nota bodembeheer geïnventariseerd. Het beleid dat als positief is ervaren blijft gehandhaafd, verder is voor de optimalisering beleid aangepast of nieuw beleid geïntroduceerd. 1.5

Afbakening nota bodembeheer

1.5.1 Bevoegd gezag In de meeste situaties is bij het hergebruik/toepassen van grond op of in de landbodem, de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Binnen inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit [5] vallen, is hiervoor de vergunningverlenende instantie het bevoegd gezag. Voor toepassingen op of in de waterbodem en in een oppervlaktewaterlichaam is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag. In de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein is dat Rijkswaterstaat (rijkswateren) of het Waterschap Limburg (overige wateren). Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming[6] bepalend. Voor de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein is, totdat de Omgevingswet inwerking treedt, de provincie Limburg meestal het bevoegd gezag. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet én complexe bedrijven. Voor deze locaties blijft de Provincie Limburg (voor de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein) bevoegd gezag.

Bij een nieuwe verontreiniging (veroorzaakt op of na 1 januari 1987) binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting, toetst de vergunningsverlener Wet algemene bepalingen omgevingsrecht [7] van de desbetreffende inrichting of zijzelf dan wel de provincie Limburg als het bevoegd gezag optreedt. In het vigerende provinciale Beleidskader Bodem is hier nader op ingegaan.

3/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

Voor de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming binnen de (toekomstige) Omgevingswet, de Wet ruimtelijke ordening[8] en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Voor de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein wordt bij besluiten die het watersysteem raken, maar waar de gemeente het bevoegd gezag is, per situatie de bodemproblematiek afgestemd met het bevoegd gezag Waterwet[9]. Alleen op deze manier wordt bereikt dat de eisen die de gemeente stelt, aansluiten op de wensen/eisen die de waterbeheerder heeft ten aanzien van het watersysteem. In § 3.4 is ingegaan hoe dit geregeld wordt bij een grensoverschrijdende verontreiniging in de landbodem en de waterbodem. 1.5.2

Reikwijdte

Deze nota bodembeheer, het meersporenbeleid, heeft betrekking op: • Het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem en het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op het grondgebied van de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein (hoofdstuk 2). • De aanpak van bodemverontreiniging en het hergebruik van grond en terugsaneerwaarden op saneringslocaties (hoofdstuk 3). • Het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij bodemverontreinigende activiteiten en bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming) (§ 2.16 en hoofdstuk 4). Beoordelingen op grond van het meersporenbeleid vinden plaats bij nieuwe ontwikkelingen (dynamische situaties, zoals grondverzet, bouwen en/of bestemmingswijzigingen). Op locaties waar geen ontwikkelingen plaatsvinden (statische situaties) is het meersporenbeleid niet van toepassing. Toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem en het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie Voor alle toepassingen van grond geldt dat deze functioneel, nuttig, moeten zijn (zie § 2.1.1 van bijlage 2). Als dat niet zo is, wordt de grond niet nuttig hergebruikt en wordt de grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond. Een voorbeeld hiervan is het creëren van overhoogte op een geluidswal zonder dat dit voor de geluidswering noodzakelijk is.

Voor het ontgraven en tijdelijk opslaan van grond in het kader van gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2022 in werking en vervalt de Wet bodembescherming. Diverse onderwerpen uit de Wet bodembescherming komen in het Besluit activiteiten leefomgeving aan de orde. Ook moeten bepaalde onderwerpen worden opgenomen in het Omgevingsplan en/of de Omgevingsverordening. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder kader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Waterwet en de Keur van waterschappen. Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet in de

4/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

gemeente een omgevingsvergunning (vroeger aanlegvergunning) worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan. Het in deze nota geformuleerde grondstromenbeleid heeft geen betrekking op toepassingen van grond in een oppervlaktewaterlichaam tenzij het om een demping van een oppervlaktewaterlichaam gaat waardoor feitelijk een landbodem ontstaat. In die situatie worden nadere afspraken gemaakt tussen de waterkwaliteitsbeheerder (Rijkswaterstaat voor rijkswateren en het Waterschap Limburg voor de overige wateren) en de gemeente. Grens landbodem-waterbodem De definitie van de grens tussen landbodem en waterbodem is aangegeven in artikel 1 van de Waterwet: “Oppervlaktewaterlichaam: 'samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna'.” Ter plaatse van de waterbodems is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag. Binnen de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein zijn dat Rijkswaterstaat (rijkswateren) en het Waterschap Limburg (overige wateren).

Bij de rijkswateren vallen de zogenoemde ‘drogere oevergebieden’, zoals gedefinieerd in de Waterregeling[8], onder het bevoegd gezag van de betreffende gemeente. De ligging van het beheergebied van Rijkswaterstaat en de drogere oevergebieden zijn inzichtelijk gemaakt op de website van Rijkswaterstaat: https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgevingbeleid/waterwet/kaarten/kaart-waterregeling/ of https://geoservices.rijkswaterstaat.nl/portaal/. Ter plaatse van de overige wateren in het beheergebied van het Waterschap Limburg is de ‘Keur’ van toepassing. De gebieden die onder ‘de Keur’ vallen zijn inzichtelijk gemaakt op de ‘Legger’. De legger is op de volgende website van het Waterschap Limburg inzichtelijk gemaakt: https://www.waterschaplimburg.nl/overons/regels-wetgeving-0/wetten-regels/legger/. De aanpak van (water)bodemverontreiniging Binnen het meersporenbeleid geldt dat een bodemsanering moet worden uitgevoerd als er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging of, als de locatie niet voldoet aan de bodemkwaliteit die hoort bij de toegekende functie. Voor waterbodems is, met de inwerkingtreding van de Waterwet in 2009, de gevalsbenadering volledig vervallen. Voor waterbodems geldt als uitgangspunt dat de waterbodem gezien wordt als een integraal onderdeel van het watersysteem.

Sanering van de waterbodem is alleen nodig als de waterbodemkwaliteit een ongewenste invloed heeft op het bereiken van de gewenste kwaliteit van het gehele watersysteem. In dat opzicht is het ook logisch dat de waterkwaliteitsbeheerder volledig verantwoordelijk is voor het beoordelen en het (zo nodig) aanpakken van de waterbodems. De beoordeling vindt hierbij niet langer alleen op basis van aangetroffen gehalten plaats, maar vindt primair plaats door na te gaan of en in welke mate de waterbodemkwaliteit een invloed heeft/kan hebben op het functioneren van het watersysteem.

5/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

Als sprake is van een grensoverschrijdende verontreiniging (de verontreiniging komt zowel in de landbodem als de waterbodem voor), wordt de aanpak gekoppeld aan de ligging van de bron van de verontreiniging, op voorwaarde dat er een duidelijke (punt)bron te vinden is. In de praktijk betekent dit het volgende: Aanpak volgens de Wet bodembescherming als de bron op de landbodem ligt en aanpak volgens de Waterwet als de bron in het watersysteem ligt. Het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij de interpretatie van een eindsituatieonderzoek bij een bodemverontreinigende activiteit en bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming) Eén van de doelen van de Omgevingswet is dat de bodemkwaliteitskaarten voor meer doelen dan het toepassen/hergebruik van grond wordt ingezet. De gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein willen de bodemkwaliteitskaarten onder voorwaarden gaan gebruiken • Bij de interpretatie van eindsituatie-onderzoeken bij bodemverontreinigende activiteiten als geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd. • Als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming). 1.6

Geldigheid

Deze nota bodembeheer wordt door de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein vastgesteld voor een periode van maximaal 10 jaar. Voor een bodemfunctieklassenkaart geldt geen wettelijke houdbaarheidtermijn. De bodemkwaliteitskaarten worden maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd (zie artikel 4.3.5 van de Regeling). Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn. Met de bodemkwaliteitskaart wordt ook de bodemfunctieklassenkaart geëvalueerd. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Op basis van de evaluatie van de bodemfunctieklassenkaarten en de bodemkwaliteitskaarten wordt vastgesteld of aanpassing van deze nota noodzakelijk is of dat de nota in de huidige vorm nog een volgende 5 jaar kan worden gebruikt. Alleen als het gebiedsspecifieke beleid (artikel 44 van het Besluit) moet worden aangepast, moet ook de nota opnieuw door de gemeenteraad bestuurlijk worden vastgesteld. 1.7

Verantwoordelijkheid

De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond ligt in eerste instantie bij de initiatiefnemer. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een perceeleigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener. De initiatiefnemer voor de grondtoepassing, of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), is dan ook verplicht om het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond te melden. In § 2.23.2 is een aantal situaties beschreven waarbij het toepassen van grond niet gemeld hoeft te worden.

6/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

De verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie ligt verankerd in de wettelijke zorgplicht: • Algemene zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer[11] (artikel 1.1.a): achterwege laten van handelingen, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. • Zorgplicht uit de Wet bodembescherming (artikel 13): een ieder die handelingen verricht die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, is verplicht preventieve en zo nodig herstellende maatregelen te treffen. • Zorgplicht voor handelingen inzake afvalstoffen. Met afvalstoffen wordt gedoeld op bijlage 1 van EU-richtlijn afvalstoffen van 1975. In de Wet milieubeheer wordt hierop ingegaan in de artikelen 10.1 en 10.2. Bij afvalstoffen gaat het dan bijvoorbeeld om grond met bijmenging/verontreiniging van puin, sintels, gietstukresten, teerresten, et cetera. • Zorgplicht uit het Besluit (artikel 7): een ieder die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dat van hem kan worden gevergd. De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, kan geen beroep worden gedaan op de gedane melding voor het Besluit bodemkwaliteit of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond/bagger van een onjuiste kwaliteit. 1.8

Aansprakelijkheid

De bodemfunctieklassenkaarten, de bodemkwaliteitskaarten en deze nota bodembeheer zijn met grote zorgvuldigheid opgesteld. De bodemkwaliteitskaarten bieden geen harde garanties voor de kwaliteit van een partij grond. De kaarten doen alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De eindverantwoordelijkheid voor de toepassing van grond blijft bij de initiatiefnemer en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie. Als twijfel bestaat over de kwaliteit van de grond, wordt geadviseerd een onderzoek te laten uitvoeren. 1.9

Deze nota in relatie tot de Omgevingswet

Naar verwachting treedt in 2022 de Omgevingswet en diverse (aanvullings-) wetten, besluiten en Algemene maatregelen van bestuur in werking. De huidige wet- en regelgeving voor bodemsanering en het nuttig toepassen van grond en gerijpte baggerspecie komt daarmee te vervallen en wordt in de Omgevingswet, de bijbehorende (aanvullings-)wetten en besluiten en Algemene maatregelen van bestuur geregeld. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet valt deze nota bodembeheer én de bodemkwaliteitskaart van rechtswege via het overgangsrecht direct in het tijdelijke deel van het

7/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

Omgevingsplan. Het in deze nota bodembeheer geformuleerde gebiedsspecifieke beleid wordt hiermee na de inwerkingtreding van de Omgevingswet voortgezet. Deze nota bodembeheer kan ook onderdeel uitmaken van de nog op te stellen Omgevingsvisie. Een nieuw op te stellen Omgevingsplan met het oog op de bodem, krijgt een breder spectrum dan alleen bodemsanering en hergebruik van grond. Er wordt aangesloten op de gemeentelijke Omgevingsvisie. Onderwerpen zoals de aanpak van bodemverontreiniging, activiteiten in het grondwater, eventuele diffuse bodembelasting met lood, verzilting, bodemdaling, bodemafdekking (wateroverlast en hittestress), opslag van gas in de ondergrond, asbestdaken en gerelateerde bodemverontreiniging en het overgangsrecht van de Wet bodembescherming kunnen aan de orde komen. Het verdient de aanbeveling om het hergebruik van grond terug te laten komen in een nieuw Omgevingsplan, met het oog op de bodem. Met de Omgevingswet wijzigt ook het normenkader. Er komen zogenaamde ‘Voorkeurswaarden’ en ‘Maximale waarden’. De ‘Voorkeurswaarde’ (voor een bepaald bodemgebruik) is gelijk aan de huidige normen uit de Regeling voor ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. De ‘Maximale waarde’ is gelijk aan de huidige waarden die voor het spoedcriterium van de Wet bodembescherming worden gebruikt.

Tussen de ‘Voorkeurswaarde’ en ‘Maximale waarde’ hebben gemeenten de ruimte om eigen beleid te maken. De huidige Interventiewaarden van de Wet bodembescherming worden in de Omgevingswet opgenomen in bijlage IIA van het Besluit Activiteiten Leefomgeving. Als gegraven gaat worden met een omvang meer dan 25 m3, en de interventiewaarde wordt overschreden, wordt het net zoals nu verplicht een geschiktheidstoets uit te voeren voor het huidige/beoogde bodemgebruik. De gemeenten krijgen de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid te maken: • om de interventiewaarde, ‘triggerwaarde’, voor de verplichte geschiktheidstoets hoger of lager te stellen (zie artikel 5.89j Besluit Kwaliteit Leefomgeving), bijvoorbeeld voor gebieden waar sprake is van een diffuus verspreide sterke verontreiniging; • om verhoogde terugsaneerwaarden te formuleren (net zoals de Lokale Maximale Waarden binnen het Besluit). Bij werkzaamheden in de grond met gehalten boven de interventiewaarden, blijft de kwaliteitsborging in het bodembeheer[12] gelden; de zogenaamde ‘Kwalibo’; bijvoorbeeld dat werkzaamheden onder erkenning en volgens beoordelingsrichtlijnen moeten worden uitgevoerd (zie artikel 2.1 van de Regeling). Opgesteld gemeentelijk/regionaal beleid (verhoogde ‘triggerwaarden’) heeft daar geen invloed op. Binnen de Omgevingswet blijft een bodemkwaliteitskaart gelden als erkend bewijsmiddel bij grondverzet.

De bodemkwaliteitskaarten kunnen ook gebruikt worden bij het Activiteitenbesluit of bij de vrijstelling van bodemonderzoek voor omgevingsvergunningen.

8/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

Bij nog niet gesaneerde en beheerde grondwaterverontreinigingen wordt de regelgeving in de Omgevingswet als volgt: • Op een natuurlijk moment (bijvoorbeeld (her)ontwikkelingsprojecten of tijdens graafwerk) moet door de initiatiefnemer de bron van de grondwaterverontreiniging worden gesaneerd. • Afhankelijk van de urgentie en het gebruik van de boven- en ondergrond (bijvoorbeeld drinkwaterwinning) neemt de overheid initiatieven om de pluim van de grondwaterverontreiniging aan te pakken. In de Omgevingswet is het een doelstelling dat informatie over milieuwet- en regelgeving makkelijker en digitaal wordt ontsloten. De mogelijkheden voor het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie, worden door de gemeenten digitaal inzichtelijk gemaakt op de gemeentelijke websites én de website van de Limburgse Werkgroep Bouwstoffen en Grondstromen (LWBG). Hiermee wordt al vooruitgelopen op één van de doelstellingen van de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 in werking treedt. 1.10

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is het meersporenbeleid onderdeel hergebruik uitgewerkt. Hier is ingegaan op de te verwachten chemische bodemkwaliteit in de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein. Ook wordt een toelichting gegeven op de maatschappelijke opgave over het toepassen van grond in de gemeenten. Vervolgens is in dit hoofdstuk het beleid voor de toepassing van grond en de bijbehorende procedures nader uitgewerkt. Het meersporenbeleid onderdeel saneren komt aan de orde in hoofdstuk 3. In dit hoofdstuk wordt beleid uitgewerkt voor hergebruik van grond en terugsaneerwaarden op saneringslocaties. Is aangegeven hoe te handelen bij niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, zorgplicht en onverwachte bodemverontreinigingen tijdens graafwerkzaamheden. Daarnaast is uitgewerkt hoe om te gaan met grensoverschrijdende verontreinigingen in de landbodem en de waterbodem. Hoofdstuk 4 gaat in op het meersporenbeleid onderdeel activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming. Hier wordt beleid geformuleerd dat onder voorwaarden de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden in plaats van het uitvoeren van een bodemonderzoek. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op toezicht en handhaving van het meersporenbeleid.

Deze nota wordt afgesloten met een hoofdstuk over enkele delegaties van bevoegdheden door de gemeenteraden naar de colleges van burgemeester en wethouders en een overzicht van de in de teksten aangegeven bronvermeldingen. De in deze nota gebruikte begrippen zijn in bijlage 1 uiteengezet. In bijlage 2 is ingegaan op de Wet- en regelgeving bij het meersporenbeleid. De statistische onderbouwing van de ontgravingskaarten wordt weergegeven in de bijlagen 3A en 3B. De mogelijkheden voor het toepassen van grond binnen de gemeenten, zonder dat bodemonderzoek uitgevoerd hoeft te worden, worden weergegeven in bijlage 4. Op de kaartbijlagen 1 en 2 zijn respectievelijk de bodemfunctieklassenkaart en een kaart met de ligging van de bodemkwaliteitszones weergegeven. Op de kaartbijlagen 3A en 3B zijn de te verwachten ontgravingsklassen weergegeven. Als grond van buiten het bodembeheergebied wordt toegepast moet getoetst worden aan de generieke, landelijke normen. De bijbehorende

9/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

toepassingskaarten zijn opgenomen in de kaartbijlagen 4. De toepassingseisen voor grond uit de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein binnen de grondgebieden van deze gemeenten zijn opgenomen in de kaartbijlagen 5.

10/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

2

Uitwerking meersporenbeleid, onderdeel hergebruik

2.1

De te verwachten bodemkwaliteit in de gemeenten

Voor de grondgebieden van de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein zijn twee bodemkwaliteitskaarten opgesteld: 1. Een bodemkwaliteitskaart voor zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink), minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Deze bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de grondgebieden van de gemeenten Beek, Beekdaelen (voormalig grondgebied gemeente Nuth) en Stein. De voormalige gemeenten Onderbanken en Schinnen zijn niet opgenomen in deze bodemkwaliteitskaart. De bodeminformatie van deze voormalige gemeenten moeten nog worden geregistreerd in het bodeminformatiesysteem van Gemeente Beekdaelen die door de RUD Zuid Limburg wordt beheerd. 2. Een bodemkwaliteitskaart voor PFAS-verbindingen1. Deze bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de grondgebieden van de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein. Bij de bodemkwaliteitskaarten zijn op basis van bodemtype, gebruikshistorie, huidig bodemgebruik en bodemkwaliteit bodemkwaliteitszones onderscheiden. Binnen een bodemkwaliteitszone wordt dezelfde gebiedseigen bodemkwaliteit verwacht. Hierbij is rekening gehouden dat de bovenste (halve) meter van de bodem doorgaans meer belast is met verontreinigende stoffen dan de onderliggende bodemlaag. De bodemkwaliteitskaarten zijn opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[13].

Alle bodemkwaliteitszones zijn voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte opgesteld voor de stoffen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, PCB (7), PAK (10), minerale olie en PFAS-verbindingen2. Op basis van uitgevoerde bodemonderzoeken in de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein nemen de gehalten aan PFAS-verbindingen af in de diepere bodemlagen. Gezien dit gegeven is het de verwachting dat de bodemlaag dieper dan 2,0 meter niet verdacht is voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen. Voor elke bodemkwaliteitszone is de gemiddelde chemische bodemkwaliteit in beeld gebracht. De vastgestelde gemiddelde kwaliteit per zone is opgenomen in tabel 2.1 in deze paragraaf. De kwaliteit is ingedeeld volgens de landelijk vastgestelde klassen voor ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. De statistische onderbouwing en de vastgestelde kwaliteitsklassen zijn weergegeven in de bijlagen 3A en 3B.

1

2

Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die sinds de jaren ’70 grootschalig zijn toegepast in blusschuim of om producten water- en/of vetafstotend te maken en zijn verwerkt in een scala van producten (tefalpannen, kleding, verf, cosmetica, zonnebrand). Het betreft 30 PFAS-verbindingen die zijn opgenomen in de advieslijst van Bodem+ d.d. 12 juli 2019: https://www.bodemplus.nl/publish/pages/164708/1907012-pfas_-_advieslijst_tbv_tijdelijk_handelingskader_v4.pdf.

11/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

Tabel 2.1 geeft per bodemkwaliteitszone de voorkomende bodemfunctieklasse(n), de verwachte ontgravingsklasse en de toepassingseisen weer. Uit tabel 2.1 blijkt dat het nuttig hergebruik van gebiedseigen licht verontreinigde grond beperkt is. Binnen het gebiedsspecifieke kader van het Besluit hebben de gemeenten de mogelijkheid om beleid te formuleren waardoor meer licht verontreinigde grond kan worden hergebruikt dan mogelijk is in het generieke kader van het Besluit. Dit gebiedsspecifieke beleid is in § 2.5 beschreven. De volgende locaties en gebieden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaarten: • Locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS-verbindingen in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende 3 en verwerkende bedrijven4, inzet blusschuim5 en secundaire bronnen6)(specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart ten aanzien van PFAS-verbindingen). • (Voormalige) stortplaatsen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). • ‘MAA Airport’ (gemeente Beek; andere beheerorganisatie dan de gemeente). • Terrein DSM in Stein. • Waterbodems (andere bevoegde gezagen en beheerorganisaties dan de gemeenten) met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling. • Ook het grondwater is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.

De volgende locaties/gebieden zijn ook uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart, maar voor PFAS-verbindingen maken deze locaties wél onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart: • De grondgebieden van de voormalige gemeenten Onderbanken en Schinnen. Rijkswegen, provinciale wegen, spoorgebonden gronden (de gemeenten hebben hiervoor gebiedsspecifiek beleid opgesteld, zie § 2.5.3). • Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging, waaronder ‘Loodsanering-haven’ (gemeente Stein) en ‘Transportroutes looderts’ (gemeente Stein; Wbb-locatie). • Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb; specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart), met uitzondering van de multifunctioneel gesaneerde locaties.

3 4 5

6

Zoals bijvoorbeeld productie van o.a. PFOS, PFOA, fluortelomeren en andere PFAS-verbindingen. Zoals bijvoorbeeld productie en verwerking van teflon, galvanische industrie, textielindustrie, papier(verwerkende) industrie, lak- en verfindustrie, fabricage van cosmetica. Brand blussen, brandweeroefenplaatsen (gemeenten), brandpreventie voorzieningen (industrie) met schuimblusinstallaties, militaire brandweeroefenplaatsen en vliegvelden, brandweeroefenplaatsen op vliegvelden (burgerluchtvaart). Zoals bijvoorbeeld stortplaatsen, waterzuiveringsinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties, ijzerinzamelbedrijven (inzamelen brandblussers), gebruik bestrijdingsmiddelen.

12/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

Tabel 2.1 Toepassingseisen per combinatie voorkomende bodemfunctie en verwachte bodemkwaliteitsklasse/ontgravingsklasse voor de onderscheiden bodemkwaliteitszones. Verwachte Bodemkwaliteitszone

Bodemfunctie

ontgravingsklasse (kwaliteitsbepalende stof)

Toepassingseis (generiek kader Besluit)

Bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) B1. Stein – Meers en Maasband B2. Nuth/Stein – Oude bebouwing B3. Beek/Nuth/Stein – Bedrijfsterreinen/industrie B4. Beek/Nuth/Stein –

Wonen

Wonen

Industrie

Industrie (zink) # Wonen (cadmium, zink, PAK) #

Wonen @

Wonen @

Landbouw/natuur #

Landbouw/natuur @

Landbouw/natuur #

Landbouw/natuur @

Landbouw/natuur #

Landbouw/natuur @

Industrie

Overig bebouwde gebieden

Wonen

B5. Beek/Nuth/Stein –

Overig

Buitengebied

(landbouw/natuur)

Ondergrond (bodemlaag vanaf 0,5 meter diepte tot en met 2,0 meter diepte) O1. Beek/Nuth/Stein – Ondergrond

Industrie Wonen

Landbouw/natuur #

Landbouw/natuur @

Landbouw/natuur #

De gemiddelden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit laatste kan tot beperkingen leiden van het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden.

@

De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de gedefinieerde regionale toepassingseisen (zie § 2.8, tabel 2.3, blz. 24/60).

2.2

Maatschappelijke opgave

De gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein verwachten de komende 5 tot 10 jaar dat continu grond (tijdelijk) wordt ontgraven, opgeslagen en toegepast. Een voorbeeld hiervan is het regulier onderhoud aan weg(berm)en, rioleringen, kabels, leidingen, groenvoorzieningen en (vervangende) nieuwbouwprojecten. Uit de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten blijkt dat het nuttig hergebruik van gebiedseigen licht verontreinigde grond beperkt is (zie §2.1, tabel 2.1). Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Ook moet dan grond van elders worden aangekocht en aangevoerd die wel voldoet aan de toepassingseisen; bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank. De gemeenten willen invulling geven aan een duurzamer en kosten effectiever grondstromenbeleid. Grond vrijkomend uit het ene project willen de gemeenten kunnen hergebruiken in het andere project. Werk met werk maken. Er zijn dan minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond nodig. Er hoeft

13/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

minder grond te worden aangekocht en ook de transportafstanden worden gereduceerd. De druk op het wegennet en de uitstoot van schadelijke stoffen, zoals fijnstof en CO 2 en het gebruik van energie nemen af. Het gebiedsspecifieke en regionale grondstromenbeleid bij de toepassingen van grond is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen onacceptabele risico’s met zich mee. Het gebiedsspecifieke en regionale grondstromenbeleid is in de volgende paragrafen onderbouwd en beschreven. 2.3

Kwaliteitsdoelstelling bij hergebruik van grond

Bij het nuttig toepassen van grond hanteren de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein het ‘standstill’ principe op het niveau van het bodembeheergebied (zie § 2.4). Het ‘standstill’ principe betekent dat de bodemkwaliteit binnen het bodembeheergebied gelijk moet blijven en op termijn verbetert. Op het niveau van bodembeheergebied is een vermindering van de kwaliteit alleen toelaatbaar: • met gebiedseigen grond, vrijgekomen bij grondverzet binnen het vastgestelde bodembeheergebied (zie § 2.4); • als de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (zie § 2.5) niet worden overschreden; • als elders in het bodembeheergebied een verbetering van de bodemkwaliteit wordt gerealiseerd. De Lokale Maximale Waarden voldoen aan de landelijke definitie voor ‘duurzaam geschikt voor het beoogde gebruik’. Er treden met de plaatselijke vermindering van de kwaliteit geen risico’s op voor het (toekomstig) bodemgebruik. Op gebiedsniveau wordt als volgt invulling gegeven aan het ‘standstill’ principe: • Daar waar de grond wordt ontgraven treedt een lokale verbetering op van de bodemkwaliteit. • In gebieden waar een strengere toepassingseis geldt dan de kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt een verbetering gerealiseerd. Voor grond van buiten het bodembeheergebied (zie § 2.4) gelden bij Lokale Maximale Waarden meestal andere voorwaarden (zie § 2.9).

Naast het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid is in dit hoofdstuk ook algemeen beleid voor het hergebruik en toepassen van grond en het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten uitgewerkt. 2.4

Uitbreiding van het bodembeheergebied

Het generieke kader van het Besluit gaat uit van het ‘eigen’ gemeentelijke grondgebied als bodembeheergebied voor het te voeren beleid bij het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond. Om grondstromen tussen gemeenten mogelijk te maken en de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten te gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te

14/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021

passen grond, moet het (generieke) gemeentelijke bodembeheergebied worden uitgebreid. Deze uitbreiding valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifieke kader. Met deze nota bodembeheer accepteren de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein elkaars bodemkwaliteitskaart. Het bodembeheergebied wordt hiermee vastgesteld als zijnde de grondgebieden van de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein. De bodemkwaliteitskaarten van deze gemeenten mogen gebruikt worden als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit van de toe te passen, te hergebruiken grond. 2.5

Vaststellen Lokale Maximale Waarden

2.5.1 Inleiding De mogelijkheden voor hergebruik van gebiedseigen grond (zie § 2.4) met de ontgravingskwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ worden vergroot door gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Het Besluit bodemkwaliteit staat toe dat in relatief schone gebieden, gebiedseigen grond mag worden toegepast met bijvoorbeeld de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of ‘Wonen’. Voor deze gebieden worden zogenaamde Lokale Maximale Waarden vastgesteld. Met het gebiedsspecifieke beleid wordt voorkomen dat de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein en derden onnodig hoge kosten moeten maken voor de afvoer van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ of ‘Wonen’. Het generieke kader van het Besluit staat deze verslechtering niet toe. Alleen met gebiedsspecifiek beleid mag lokale verslechtering plaatsvinden. Ook mag licht PFAS-houdende grond niet altijd worden hergebruikt. In de hierna volgende paragrafen worden de verschillende Lokale Maximale Waarden gedefinieerd. Ten slotte zijn strengere Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het toepassen van grond op terreinen met een gevoelig bodemgebruik. De in de hierna volgende paragrafen vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten het bodembeheergebied én van gebieden waarvan de bodemkwaliteitskaart niet is geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond (zie ook § 2.4 en § 2.9.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beekdaelen&id=fe055f09-6a85-4757-ad04-3829465cd1f8