MvA vragen VG inzake B1 - onderwijsachterstandenbeleid
Tekst van het document
MEMORIE VAN ANTWOORD ------------------------------------------------------------------------------------------------------Memorie van Antwoord m.b.t. gestelde vóórvragen ex. artikel 10 van de “Verordening op de raadscommissies en beeldvormende ……. bijeenkomsten Beekdaelen 2023” van de raadsfractie Vernieuwingsgroep ten aanzien van het agendapunt B1 “geactualiseerd onderwijsachterstandenbeleid (OAB) 20242027” ter behandeling in de raadscommissie sociale leefomgeving van 15 oktober 2024.
Vraag 1: Blz. 3: Het is wettelijk verplicht dat gemeenten en VVE-partners nagaan of hun inspanningen ook daadwerkelijk leiden tot de bedoeling van de VVE. Wat waren de conclusies over het resultaat van de inspanningen over de afgelopen twee jaar?
Antwoord:
Samenvatting op hoofdpunten uit de laatste VVE monitoring: -
-
-
-
De voorschoolse voorziening (Peuteropvang) heeft een gemiddelde percentage van 16% doelgroep peuters. Dit percentage ligt iets hoger dan wat op basis van het CBS onderwijskansen-dashboard verwacht zou worden. De locatie Nuthergrut heeft veruit het hoogste percentage met 46% doelgroep peuters. De vroegschoolse voorziening (basisscholen groep 1 en 2) hebben een gemiddelde percentage van 8% doelgroeppeuters. Dit percentage ligt iets lager dan wat op basis van het CBS onderwijskansen-dashboard3 verwacht zou worden. De Bolster heeft het hoogste percentage met 44% doelgroeppeuters. Zowel op de voorschoolse voorzieningen als op de basisscholen nemen de meeste kinderen deel aan het basisaanbod, met daarnaast extra aanbod vanuit de themadoelen. Bij 24% van de voorschoolse voorzieningen is daarnaast het extra contact met ouders georganiseerd, waarin aanbod besproken wordt. Op de basisscholen is dat voor 7% van de locaties het geval. Op 87% van de voorscholen en 91% van de vroegscholen verloopt de overdracht volgens de gemaakte afspraken die gemaakt zijn tussen gemeente en de voor- en vroegschoolse organisaties. Bij tenminste 82%
-
-
-
van de doelgroeppeuters en 91% van de doelgroepkleuters vindt een warme overdracht in een fysieke contactvorm plaats. Twee derde van de voorschoolse organisaties vindt dat de afstemming omtrent extra ondersteuning een verbeterpunt is. Denk hierbij aan afstemming tussen voor- en vroegschoolse partners met hun zorgpartners. De helft van de vroegschoolse organisaties vindt dat de afstemming omtrent het didactisch aanbod/handelen een verbeterpunt is. Denk hierbij aan thematische afstemming binnen het koppel. Tijdens koppelbijeenkomsten (koppel is voor- en vroegschool) worden de uitgevoerde en voorgenomen acties besproken en gepland. Voor zowel de voor- als vroegschoolse voorziening zijn voor deze monitor onvoldoende resultaten beschikbaar om een representatieve analyse te kunnen maken op de gebieden Taal, Rekenen en Sociaal-Emotionele ontwikkeling. De gegevens zijn representatief als de gegevens van (doelgroep)peuters van eenzelfde groep navolgbaar zijn en als van alle kinderen met een VVE-indicatie ten minste twee meetresultaten beschikbaar zijn om de ontwikkelingsgroei te kunnen monitoren. De gemeente heeft toegang tot de portal en kan de gegevens geanonimiseerd inzien, hierdoor is het niet mogelijk om de ontwikkelingsgroei te monitoren.
Voor de nieuw monitoring leveren de Peuteropvang locaties de gegevens anoniem maar gecodeerd aan, zodat de ontwikkelingsgroei zichtbaar is in de rapportage. 100% van de voorschoolse locaties en 55% van de basisscholen geeft aan een specifiek ouderbeleidsplan te hebben. De voorschoolse locaties en basisscholen gebruiken allemaal een kindvolgsysteem. Nog niet alle basisscholen laten ouders participeren in de groepen, in het onderwijsachterstandenbeleid is hierover een heldere doelstelling is geformuleerd.
Vanaf dit schooljaar wordt de Raad middels een Raadsinformatiebrief geïnformeerd over de uitkomsten van de VVE monitoring.
Vraag 2: Blz. 4: Eventuele verbeterplannen die de inzet van extra budget van de gemeente vragen worden aan de gemeenteraad voorgelegd. Is het gezien de uitgebreidere doelstellingen van OAB 2024-2027 t.o.v. OAB 2020-2023 echter niet eerder waarschijnlijk dan mogelijk dat extra budget nodig is?
Antwoord: Er zijn zover voor nu bekend geen financiële extra middelen nodig voor de komende beleidsperiode. Dit heeft er deels mee te maken dat de gemeente Beekdaelen kind volgend financiert. Kind volgend financieren is een financieringssysteem waarbij de financiering voor de opvang van een kind direct gekoppeld is aan het individuele kind, in plaats van aan de instelling waar het kind naartoe gaat. Zijn er minder peuters dan verwacht, dan ontvangt de kinderopvang organisatie ook minder subsidie. Daarnaast zien wij bij de meeste VVE locaties een groei in de aantallen zowel VVE als regulier. Hierdoor zijn de groepen goed gevuld (max 16 per dag) en ontvangen de kinderopvangorganisaties ook meer eigen bijdrage van ouders en zijn ze minder afhankelijk van gemeentesubsidies.
Hierdoor blijven er voldoende OAB-middelen over voor de inzet van verbeterplannen. Daarnaast hebben wij de afgelopen drie jaar gebruik kunnen maken van de gemeentelijke NPO middelen die voor onderwijs en voorschoolse voorzieningen in te zetten waren. Hieruit is het gezamenlijke project Beekdaelen Hard voor Taal gefinancierd en een minimale inbreng vanuit de OAB middelen noodzakelijk en zijn er reserves OAB opgebouwd. De gemeentelijke NPO middelen zijn volledig ingezet, waardoor voor de komende beleidsperiode de OAB middelen ingezet gaan worden. Indien mogelijk gecombineerd met de LEA middelen als er gekozen gaat worden voor een gezamenlijke nieuw project.
Vraag 3 Blz. 9: Resultaatafspraak 3: Iedere peuter van het AZC neemt deel aan de Peuteropvang van ut Rengelpotje waarbij minimaal 12 uur VVE-aanbod wordt aangeboden. Of is hier 8 uur bedoeld (zie blz. 8 tweede regel van beneden)?
Antwoord:
Op dit moment wordt er 8 uur Peuteropvang afgenomen door de peuters van het AZC en is meer niet mogelijk door de huidige openingstijden. Het streven is om het aanbod uit te breiden naar 12 uur per week. Deze gesprekken hierover met aanbieder Spelenderwijs zijn lopend en de verwachting is dat er gedurende het schooljaar 2024/2025 wordt uitgebreid naar 12 uur. De 8 uur is al behaald vandaar dat dit niet benoemd is als resultaatafspraak/doelstelling. Zoals in de inleiding staat beschreven is het een ambities beleid en proberen we het hoogst haalbare na te streven. Vraag 4 Focus op Vroegschoolse Educatie: Het voorstel legt een sterke nadruk op de doelgroep van peuters en kleuters, wat positief is voor een vroegtijdige ontwikkeling. Echter, er is weinig aandacht voor de ondersteuning van oudere kinderen die ook met onderwijsachterstanden kampen. In hoeverre kan er ook gekeken worden naar de doorstroom naar het basisonderwijs en de ondersteuning van kinderen in latere leerjaren?
Antwoord:
Het onderwijsachterstandenbeleid bestaat al tientallen jaren en wordt steeds aangepast op basis van nieuwe inzichten. Het huidige OAB beleid is gebaseerd op de gedachte dat preventie op jonge leeftijd cruciaal is om latere problemen te voorkomen. Daarom ligt er veel nadruk op de periode voordat een kind naar de basisschool gaat, maar ook op de eerste jaren van het basisonderwijs door de inzet van VVE. Het VVE programma loopt van 2 t/m 6 jaar daarom is een goede doorgaande lijn van cruciaal belang voor het kind van peuter naar kleuter. Zodra de leerling in groep 3 zit vervalt in principe de VVE indicatie, maar dit wil niet zeggen dat de achterstanden volledig zijn verdwenen. Daarom heeft de gemeente Beekdaelen gekozen voor de inzet van LEA middelen. LEA-middelen worden door gemeenten gebruikt om initiatieven te financieren die gericht zijn op het verminderen van onderwijsachterstanden en het bevorderen van gelijke kansen voor alle kinderen in de basisschool leeftijd.
Om ongelijkheid binnen Beekdaelen te voorkomen is er voor gekozen dat de LEA middelen gemeente breed en dus op alle scholen worden ingezet. Tenzij er een goede reden is om een specifiek project op een bepaalde school te laten plaats vinden. Een voorbeeld van een gezamenlijk project is Beekdaelen Hard voor Taal, op dit moment lopen er gesprekken met de scholen en voorscholen over de inzet van een nieuw project. Scholen en voorscholen vullen een matrix in waarop duidelijk te zien is waar de behoefte en de zorg ligt een voorbeeld hiervan kan zijn de inzet van klassikale ergotherapie in de kinderopvang en op de scholen. De klassikale inzet van ergotherapie op scholen richt zich op het verbeteren van de leeromgeving en het ondersteunen van alle leerlingen, niet alleen degenen met specifieke motorische of sensorische uitdagingen. Dit kan verschillende vormen aannemen, waarbij de ergotherapeut de klas als geheel helpt om dagelijkse schoolactiviteiten beter te beheersen en om de leerprestaties en het welzijn van de leerlingen te bevorderen. Een ander project dat loopt op de scholen is Dyslexie in transitie dat zich richt op een preventieve, integrale en kostenbesparende aanpak van dyslexie. Het project heeft als doel om dyslexiezorg efficiënter te maken door nauwe samenwerking tussen scholen, dyslexiespecialisten, ouders, en gemeenten.
De kern is om dyslexie eerder te signaleren en kinderen preventief te ondersteunen, zodat minder kinderen onnodig doorverwezen worden naar formele dyslexiezorg. De reden dat de focus ligt op het jonge kind is dat we niet vroeg genoeg kunnen beginnen met het voorkomen van onderwijsachterstanden echter spelen er ook projecten af die voordelen hebben voor de oudere kinderen. Mocht de matrix aangeven dat de noodzaak en behoefte op ergotherapie valt zal dit in groepsverband plaats vinden en geeft de school aan welke (oudere) groepen hier voor in aanmerking komen. Vraag 5 Financiering en Duurzaamheid: De financiële middelen van € 793.000 per jaar, waarvan € 609.000 van het rijk en € 184.000 van de gemeente, zijn grotendeels afhankelijk van externe financiering. Dit kan op lange termijn problematisch zijn als de rijksmiddelen verminderen. Is er in dit geval ook een plan voor duurzame financiering om de continuïteit van het beleid te waarborgen?
Antwoord: De grootste kostenpost van de OAB-middelen is de inzet van het VVE aanbod in onze gemeente. Waarvoor bewust gekozen is voor een goede spreiding met voldoende VVE locaties voor een zo’n groot mogelijk bereik in iedere kern. Dit is tevens ook de belangrijkste inzet waar het bestrijden van achterstanden begint. De VVE aanbieders hebben zicht gecommitteerd aan de resultaat en doelstellingen beschreven in het OAB. De rijksmiddelen worden jaarlijks in oktober gepubliceerd voor het volgende jaar. In oktober dienen ook alle VVE aanbieders de definitieve VVE subsidies in bij de gemeente. Zien wij dat de rijksmiddelen fors verminderen kunnen er andere keuzes gemaakt worden in het aanbod/spreiding van VVE. In de kern is het VVE aanbod bedoeld voor VVE indicaties en bij niet volledige VVE groepen wordt dit
aangevuld met reguliere peuters. Echter vinden wij het van groot belang dat ook de reguliere peuters mee kunnen profiteren van dit VVE aanbod en zal de spreiding hoe deze nu is gemaakt zoveel als mogelijk in stand gehouden worden. Zoals in vraag 2 beantwoord is verwachten wij voor de komende jaren geen problemen met het OAB budget. Voor 2025 zijn de rijksmiddelen voorlopig vastgesteld op €651.860 en voor 2024 definitief vastgesteld op €652.656, dit is hoger dan begroot. Om er voor te zorgen dat de voorlopige subsidie aanvraag van de VVE aanbieders in lijn loopt met de definitieve aantallen vinden er drie keer per jaar afstemming overleggen plaats met de VVE aanbieders. Zien wij bijvoorbeeld dat de (VVE) aantallen afnemen, dienen er ook minder pedagogische medewerkers in gezet te worden en kan de keuze zijn om van een hele groep (16) naar een halve groep (8) te gaan. Vraag 6 Verbinding met Andere Beleidsdoelen: Hoewel het voorstel aangeeft dat er verbindingen zijn met andere beleidsdoelen, zoals jeugdgezondheidszorg en preventief jeugdbeleid, is het onduidelijk hoe deze verbindingen in de praktijk worden gerealiseerd. Kunt u hier iets concreter over worden?
Antwoord: Een van de bijlages van het OAB is het stroomschema van voorschoolse voorziening naar basisschool. Hier in staat het voorschool knooppunt beschreven dit is een knooppunt voor kinderen met een extra zorg- en ondersteuningsbehoefte de kernpartners van dit voorschools knooppunt zijn de interne zorg coördinator, de ouders, het maatschappelijk werk, team toegang jeugd en de jeugdgezondheidszorg (JGZ). De VVE indicatie wordt afgegeven door de JGZ. De verpleegkundige van het consultatiebureau (JGZ) is zichtbaar voor de pedagogisch medewerkers en er is om de 6/8 weken contact over de ontwikkeling van de VVE peuter. Vraag 7 Evaluatie en Monitoring: Het voorstel vermeldt dat er jaarlijks terugkoppeling plaatsvindt naar het bestuurlijk overleg, maar het is niet duidelijk hoe de effectiviteit van het beleid wordt gemeten. Is er een gedetailleerd evaluatieplan dat niet alleen kijkt naar de resultaten, maar ook naar de processen en de ervaringen van betrokkenen, zoals ouders en leerkrachten?
Antwoord:
Nee dit is er niet. De voorschoolse voorzieningen worden jaarlijks geïnspecteerd door de GGD en is een belangrijk onderdeel van het waarborgen van de kwaliteit en veiligheid. Inspecteurs beoordelen o.a.. of de opvang een pedagogisch beleidsplan heeft en of dit ook in de praktijk wordt gevolgd. Dit omvat de manier waarop de opvang
bijdraagt aan de emotionele veiligheid, persoonlijke competentie, en sociale vaardigheden van kinderen. De inspectie van het onderwijs in Nederland is een belangrijk proces dat erop gericht is om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen en te verbeteren. Dit gebeurt voornamelijk door de Inspectie van het Onderwijs, een onafhankelijke instantie die toezicht houdt op de kwaliteit van het onderwijs in zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs. Scholen worden regelmatig geïnspecteerd op basis van een risicobeoordeling. Dit houdt in dat scholen met een hogere kans op kwaliteitsproblemen vaker worden bezocht. Vraag 8 Ouderbetrokkenheid: Hoe wordt de ouderbetrokkenheid daadwerkelijk gestimuleerd en gemeten?
Antwoord:
Zie voor het stimuleren van de ouderbetrokkenheid hoofdstuk 2 van het OAB. De resultaatafspraken van de ouderbetrokkenheid wordt gemeten in de VVE monitoring dat jaarlijks wordt afgenomen bij de voor- en vroegscholen. Vraag 9 Kanttekeningen bij Resultaatafspraken: De resultaatafspraken zijn wettelijk verplicht. In hoeverre zijn deze meer dan een administratieve verplichting? Is er ook een cultuur van continue verbetering en leren, waarbij de resultaatafspraken daadwerkelijk bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en niet alleen voldoen aan de wettelijke eisen?
Antwoord: De jaarlijkse VVE- monitor is een middel om aan deze wettelijke verplichting te voldoen. De uitkomsten van deze monitoring worden voorgelegd in het VVE netwerkoverleg en in het LEA overleg. De conclusies en resultaten die uit de monitoring naar voren komen vormt de agenda van het VVE-netwerkoverleg. Hierdoor kunnen nieuwe (resultaat)afspraken met elkaar worden gemaakt, die vervolgens worden geborgd in het OAB voor de nieuwe beleidsperiode.