MvA technische voorvragen CDA inzake RUD agendapunt B.4
Tekst van het document
MEMORIE VAN ANTWOORD ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Memorie van Antwoord m.b.t. gestelde vóórvragen ex. artikel 10 van de Verordening op de raadscommissie Beekdaelen 2020 van de raadsfractie CDA ten aanzien van het agendapunt B4 (Raadsvoorstel inzake concept begroting 2023 en meerjarenraming 2024 – 2026 GR RUD) ter behandeling in de raadscommissie van 01 juni 2022 Vraag 1: In hoeverre : • Kunnen de kosten gemaakt door de inwerkingtreding van de Omgevingswet verhaald worden op de Rijksoverheid? Antwoord: Nee, het is niet zozeer een kwestie van kostenverhaal, maar van compensatie via de Rijksmiddelen. Die compensatie gaat getemporiseerd plaatsvinden. De informatie die anno nu (30 mei) hierover bekend is vernemen wij als volgt uit bronnen bij de VNG en Binnenlands Bestuur. Hieruit blijkt dat gemeenten het eens zijn over de verdeling van de rijkscompensatie voor de invoeringskosten van de Omgevingswet. Het rijk zegde de gemeenten de komende vier jaar een bedrag toe als tegemoetkoming voor de invoeringskosten van de Omgevingswet. Die tegemoetkoming bedraagt voor dit jaar 150 miljoen, en voor de komende jaren respectievelijk 110 miljoen (2023), 70 (2024) en 80 miljoen (2025).
Een commissie bestaande uit afgevaardigden van drie grote en drie kleine gemeenten boog zich de afgelopen maanden over de verdeling van de in totaal 400 miljoen euro. In het voorstel dat er nu ligt (en dat inmiddels door de commissie Financiën van de VNG is overgenomen) ontvangen alle gemeenten een vast deel van 15 procent, om zo recht te doen aan de minimale invoeringskosten die elke gemeente heeft. Met deze verdeling wordt voorkomen dat kleine plattelandsgemeenten nauwelijks worden gecompenseerd voor hun vaste kosten (zoals de lokale aansluiting op het Digitale Stelsel Omgevingswet). Het inwonertal is in het voorstel met 60 procent nog altijd de meest zwaarwegende compensatiefactor. De gemeenteoppervlakte telt voor 25 procent mee. Naar verwachting zal minister Bruins Slot in de Meicirculaire bekendmaken of ze de door de gemeenten voorgestelde verdeelsleutel overneemt. Overigens wordt met de tegemoetkoming van het rijk slechts een deel van de werkelijke invoeringskosten kosten van gemeenten gecompenseerd. De VNG en de andere deelnemers die geconsulteerd worden voor het Integraal Financieel Beeld blijven daarom met het ministerie van BZK in gesprek om de effectiviteit van de terugverdientijd en voornemens tot compensatie aan de gemeenten reëel zijn.
Buiten de bijdrage vanuit de Rijksoverheid is het zo dat het onder de Omgevingswet milieuleges geheven kan worden, hetgeen onder de WABO niet mogelijk is. Hier is dus de mogelijkheid om in ieder geval iets van kosten terug te verdienen. Hierin kan de gemeente een keuze maken of zij wel of niet leges willen gaan invoeren met de komst van de Omgevingswet. Voor de gemeente Beekdaelen is door de RUD Zuid-Limburg becijferd, op basis van de afgelopen 3 jaren, dat er een opbrengst van ca € 24.000 mogelijk is. • kan de raad een grotere rol nemen bij de wijzigingen in gemeentelijke regelingen die noodzakelijk worden door de komst van de Omgevingswet? Antwoord: Onduidelijk is wat in de vraagstelling precies bedoeld wordt met gemeentelijke regelingen. In de 2e helft van dit jaar wordt aan de raad een bundel met besluitvoorstellen voorgelegd. Met onderwerpen die gaan over de bevoegdheid van de raad omtrent de mate van participatie bij initiatieven, maar ook over de vraag in welke gevallen een verklaring van geen bedenkingen nodig is, en wanneer aanvragen getoetst moeten worden door de commissie ruimtelijke kwaliteit. Bij elk van die voorstellen kan de gemeenteraad een afweging maken van de reikwijdte van haar bevoegdheid.
Hierover volgen later dit jaar dus nog specifieke raadsvoorstellen, die inderdaad noodzakelijk zijn om gereed te zijn voor de komst van de Omgevingswet (“de basis op orde”). • Door de inwerkingtreding van de omgevingswet vallen ook taken weg, zoals vergunningsvrij worden. In hoeverre is daar in de begroting van de RUD rekening mee gehouden? Antwoord: De Omgevingswet is gebracht als beleidsneutraal. De Omgevingswet zorgt er weliswaar voor dat minder activiteiten vergunningplichtig zullen zijn, maar de verwachting is dat dit niet per se resulteert in een afname in werk voor onze organisatie. Gezien de verkorte proceduretermijn waar vergunningverleners onder de Omgevingswet mee te maken krijgen zullen het vooroverleg en de intake- en omgevingstafels een prominentere rol krijgen in het proces, en zal dit gevolglijk meer tijd in beslag gaan nemen. Dit betreft een onderwerp waar op regionaal gebied mee wordt geoefend en de verschillende organisaties in samenwerken om dit zo goed als mogelijk voor te bereiden. Vanwege het vergunningvrij worden van verschillende activiteiten worden bovendien meer meldingen verwacht, die door toezicht en handhaving dienen te worden afgewikkeld.
Een derde tevens eerder vermelde factor die invloed heeft op de omvang van het werk onder de Omgevingswet betreft de toename in afwegingsruimte voor de opdrachtgevers met betrekking tot allerlei nieuwe en bestaande processen. Hier wordt regionaal afstemming over gezocht om waar mogelijk uniformiteit in aangebracht, er zal echter altijd enig onderscheid blijven in de manier waarop zaken per bevoegd gezag worden aangepakt. Het blijft derhalve belangrijk om op te merken dat minder uniformiteit aan de kant van de bevoegde gezagen, zorgt voor meer maatwerk aan de kant van de RUD en hoe meer maatwerk des te meer kosten. Over bovenstaande verwachtingen bestaat landelijke overeenstemming en hoe verder we komen in het implementatieproces, hoe realistischer die verwachtingen in de praktijk blijken te zijn. Vraag 2: De gemeente bepaalt toch het takenpakket dat afgenomen wordt van de RUD. Bepaalt de gemeente zodoende ook of en wanneer de omzetting naar MBA’s worden uitgevoerd? In hoeverre kan de gemeente deze taak zelf uitvoeren als zij dit nodig acht en wat zijn dan de kosten hiervoor? Antwoord: Er is geen wettelijke bepaling die verplicht tot het omzetten van inrichtingen naar mba’s binnen een bij wet bepaalde termijn. De gemeente zou deze taak zelf kunnen uitvoeren. Echter, voor de omzetting is specialistische kennis noodzakelijk die Beekdaelen niet (meer) in huis heeft.
Sowieso is de omzetting door de RUD waarschijnlijk efficiënter omdat het branchegewijs en projectmatig kan worden aangepakt. De gehanteerde kengetallen zijn afkomstig van landelijke richtlijnen. De kosten die de RUD begroot bedragen 3* € 57.000 = € 171.000.
Waar het zich om gaat is dat, gelet op de grote impact op de begroting en de twijfel over de verplichting en de spoed (komende drie jaar), geadviseerd wordt om de omzetting nog niet in 2023 uit te voeren. Voor de dossiers die in 2023 opgepakt worden, wordt de omzetting naar mba’s als een onderdeel van de reguliere taak gezien. Bij de RUD Noord en Midden-Limburg vindt een vergelijkbare werkenderwijze omzetting van dossiers plaats. Vraag 3: In hoeverre is de begroting van de RUD een reële begroting. Elk jaar zien we een groot positief resultaat, dat deels weer middels de jaarrekening wordt bestemd, zonder dat de raad daarover een zienswijze kan indienen. Bedragen boven de inflatie zouden ter keuze voorgelegd dienen te worden aan de individuele deelnemer. Antwoord: De begroting van de RUD Zuid-Limburg is een reële begroting. Dat er geld is overgehouden in 2021 komt voort uit twee incidentele factoren. 1. Minder uitgaven voor studie en reizen als gevolg van Corona. 2. Incidentele meevaller uit subsidieresultaten die in 2021 in het resultaat zijn opgenomen. Er is geen resultaatbestemming opgenomen anders dan verdelen van het resultaat naar de deelnemers en op peil brengen van het weerstandsvermogen op basis van risico-inventarisatie welke is uitgevoerd samen met een delegatie van deelnemers.
Dit laat onverlet dat de RUD gehouden is om smart te begroten en het resultaat zo klein als mogelijk dient te zijn. Vraag 4: Dient de resultaatbestemming, genoemd in de jaarrekening, niet middels een begrotingswijziging of eventueel door het opnemen in de nieuwe begroting, aan de raad voorgelegd te worden, zodat de raad daar eventueel een zienswijze op kan geven? Antwoord: Als voorzienbaar is dat het resultaat sterk afwijkt van de begroting is een begrotingswijziging in het lopende jaar mogelijk. Ingeval van een overschot zal dat leiden tot een verlaging van ieders bijdrage. Het financiële effect hiervan zal hetzelfde zijn als nu via de verdeling van het positieve resultaat wordt bereikt. Immers deze verdeling geschiedt ook naar rato van de omzet per deelnemer. Ingeval een tekort optreedt of zich aftekent, zal de RUD Zuid-Limburg wel met een begrotingswijziging naar de deelnemers komen. Vraag 5: Hoeveel stemmen, conform art.
13 GR, heeft de gemeente Beekdaelen ( Nuth 4, Schinnen 2, en Onderbanken 2 = totaal 8 ) ? Wanneer wordt de stemverdeling herijkt ? Hebben de gemeenten met alleen een basistakenpakket evenveel invloed op de besluitvorming? Antwoord: Een lid van het algemeen bestuur heeft twee of meer stemmen, waarvan het aantal is gerelateerd aan de taken die door de uitvoeringsdienst voor de afzonderlijke deelnemers worden uitgevoerd, alsmede het financiële belang bij het openbaar lichaam van de deelnemer die door het lid wordt vertegenwoordigd. Conform artikel 13, tweede lid, van de Gemeenschappelijke Regeling heeft Beekdaelen 8 stemmen. De meest recente herijking heeft plaatsgevonden in 2019, de aanleiding was de vorming van Beekdaelen. De stemverhoudingen sinds 2019 zijn: Gemeente Beek: 4 Gemeente Beekdaelen: 8 Gemeente Brunssum: 2 Gemeente Eijsden-Margraten: 2 Gemeente Gulpen-Wittem: 2
Gemeente Heerlen: 8 Gemeente Kerkrade: 4 Gemeente Landgraaf: 4 Gemeente Maastricht: 8 Gemeente Meerssen: 4 Gemeente Simpelveld: 2 Gemeente Sittard-Geleen: 8 Gemeente Stein: 8 Gemeente Vaals: 2 Gemeente Valkenburg aan de Geul: 2 Gemeente Voerendaal: 2 Provincie Limburg: 30 Er zijn derhalve voor de gemeenten 3 grootte klassen: groot, middelgroot en klein. Beekdaelen hoort qua stemverhouding bij de grote gemeenten. De inbreng (in omzet) is mede maatgevend voor de stemmen. Vraag 6: Wat zijn de gevolgen als de gemeente het takenpakket van de RUD inkrimpt en weer ( deels ) zelf gaat uitvoeren? Antwoord: Voor de wettelijke (basis) taken heeft de gemeente geen keuze, de gemeente is verplicht deze in te brengen in een omgevingsdienst. Voor de niet wettelijke taken zou die keuze wel gemaakt kunnen worden. Volgens het huidige werkprogramma zouden dat 3.900 uren zijn (ong. 3 fte). Het gevolg van zelf uitvoeren zal zijn dat het werkprogramma verminderd wordt met deze taken en dat de gemeente een eigen organisatiedeel moet optuigen om deze taken zelf te gaan uitvoeren. Gezien te stellen kwaliteitseisen aan personeel (opleiding, inzeteisen en minimum aantallen personeel om continuïteit te waarborgen) en de problemen om geschikt personeel te vinden zal dat overigens geen makkelijke opgave zijn.
Uit het rapport van Aartsen komt duidelijk een tendens om meer milieutaken bij omgevingsdiensten neer te leggen en deze te verstevigen duidelijk naar voren. Een verschuiving betekent minder kosten betalen aan de RUD Zuid-Limburg en meer kosten aan de eigen organisatie. Vraag 7: Blz 44 van de jaarrekening staat : Topfunctionarissen met een totale bezoldiging van € 1700 of minder. Genoemd worden de leden van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks bestuur, waaronder de portefeuillehouder van de gemeente Beekdaelen. Hiermee wordt gesuggereerd dat deze een bezoldiging zouden krijgen? Antwoord: De Wet normering topinkomens (WNT) is op de RUD Zuid-Limburg van toepassing. Publicatie van bezoldigingsgegevens dienen onder meer openbaar te worden gemaakt via het financieel jaarverslag. Bij de definiëring van topfunctionarissen gaat het om personen die tot de hoogste uitvoerende en toezichthoudende organen van een rechtspersoon of instelling behoren en/of hoogst leidinggevenden binnen een rechtspersoon of instelling. Hieronder vallen de leden van het algemeen en dagelijks bestuur en de directeur. Er zijn nu eenmaal maar 2 categorieën hierin: Leidinggevend en Toezichthoudend. Bij de toezichthouders is de keuze hoger of lager dan € 1700. Aangezien de toezichthouders bij de RUD Zuid-Limburg allen onbezoldigd zijn vallen deze allemaal in de categorie < € 1.700.
Ze moeten wel allemaal genoemd worden. Wellicht is het een idee om vanaf de volgende jaarrekening op te nemen dat de toezichthoudende topfunctionarissen allen onbezoldigd zijn. Hierover zal contact
worden gezocht met de accountant. De huidige vermelding voldoet aan de WNT, dit staat natuurlijk voorop aangezien de jaarrekening de rechtmatigheidstoets moet kunnen doorstaan. Vraag 8: Er worden zienswijzen voorgesteld om in te dienen. Deze dienen voor 6 juni a.s. ingediend te zijn. Gelet op de vergadercyclus is deze datum niet haalbaar. Wat denkt u eraan te doen dat de inhoud van de zienswijzen wel meegenomen worden in de besluitvorming/eventueel begroting van de RUD? Antwoord: Het voorstel van de Commissie aan de Raad zal aan het DB van de RUD worden meegedeeld. Zienswijzen die zijn ontvangen voor de besluitvormende AB vergadering worden allemaal betrokken bij de besluitvorming.