Bijlage 2 - Plantoelichting 'Kleverstraat 10/10a Schimmert'
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Kleverstraat 10 / 10a SCHIMMERT”
toelichting Opgesteld door: Maurice Eijpe
Datum:
Betreft: Kleverstraat 10/10A 6333 AB SCHIMMERT In opdracht van initiatiefnemer: Dhr. Soons, Kleverstraat 10, 6333 AB SCHIMMERT
Gulpen, december 2020 Klement2 Rentmeesters Rijksweg 4 6271 AE Gulpen T (043) 323 35 11 E info@klement2.com
2
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel
Op het perceel van de familie Soons, gelegen aan de Kleverstraat 10 te Schimmert, zijn 3 wooneenheden gesitueerd. Van oudsher zijn dit de panden Kleverstraat 10 en 10a. Het pand Kleverstraat 10 is naderhand (1997) nog gesplitst in 2 wooneenheden. Bij het opstellen van het bestemmingsplan “Buitengebied Nuth” (vastgesteld 24-03-2015) is echter verzuimd om aan het pand Kleverstraat 10A te Schimmert, een bouwvlak toe te kennen. Daarnaast is verzuimd om de splitsing van Kleverstraat 10 in twee wooneenheden, in 1997 vergund, mee te nemen in het bestemmingsplan Buitengebied. Bij brief van 12 juni 2018 heeft de voormalige gemeente Nuth erkend dat er ten behoeve van dit perceel omissies zijn opgetreden bij het opstellen van het bestemmingsplan “Buitengebied Nuth”. Burgemeester en wethouders van deze gemeente hebben dan ook besloten om medewerking te verlenen aan een eventuele aanpassing van het bestemmingsplan ten behoeve van deze percelen. In voornoemde schriftelijke reactie is aangegeven dat de initiatiefnemer zelf de plankosten moet dragen, maar dat de gemeente geen (leges)kosten in rekening zal brengen voor de planologische procedure. Met voorliggend (postzegel)bestemmingsplan beoogd initiatiefnemer om de bestemming ter plaatse aan te passen aan de feitelijke, vergunde situatie.
Aan de Kleverstraat 10 zal de aanduiding “2 woningen toegestaan” worden toegekend en voor de Kleverstraat 10a zal een bouwvlak worden opgenomen. Voor wat betreft de verantwoording van het aantal woningen moet er op deze plaats gesproken worden van een administratieve correctie en zullen de woningen aan de bestaande voorraad worden toegevoegd.
1.2 Plangebied
Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan beslaat een deel het kadastrale perceel Schimmert, nummer 373, gelegen aan de Kleverstraat 10 en 10A te Schimmert.
ligging van het plangebied
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
3
Het plangebied wordt in het zuiden begrenst het pand Kleverstraat 10b en aan de oostzijde door de Kleverbergweg. Ten noorden en oosten van het plangebied ligt de tuin die bij de woningen Kleverstraat 10 en 10a hoort.
1.3 Vigerende bestemmingsplannen
Het plangebied ligt binnen het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Nuth” uit 2015 en betreft het “bebouwde deel” van de percelen aan de Kleverstraat 10 / 10a. Het plangebied heeft hierin de bestemming “Wonen”, de dubbelbestemming “waarde – archeologie” en de bouwaanduiding “karakteristiek”. De voor “Wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen inclusief aan huis verbonden bedrijvigheid en de daarbij horende voorzieningen. Daarnaast ligt dit deel binnen de “veiligheidszone – leiding” wat inhoudt dat het bevoegd gezag een verantwoordingsbesluit dient te nemen op het moment dat ter plekke een (beperkt) kwetsbaar object gerealiseerd wordt. In deze casus is dit echter niet van belang omdat het gaat om bestaande, reeds vergunde woningen.
omkadering plangebied
Het overige deel van het perceel, met de bestemmingen “Natuur” en “Agrarisch met waarden” is gelegen binnen de “zone – Ecologische Hoofdstructuur” wat inhoudt dat bebouwing van deze percelen ongewenst is.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
4
1.4 Juridische planvorming In het bestemmingsplan wordt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, bestemmingen aan de in het plan begrepen gronden toegekend. Met het oog op deze bestemmingen worden regels gegeven, welke in ieder geval het gebruik van de grond en de zich daarop bevindende bouwwerken reguleren. Daarnaast bevat het plan standaardregels met betrekking tot het overgangsrecht en de anti-dubbeltelregeling. Naast de planregels bestaat het bestemmingsplan ook uit een volledige, toegankelijke en begrijpelijke verbeelding van het plan (de plankaart). Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de gemaakte keuzes voor de totstandkoming van het bestemmingsplan onderbouwd worden. Het bestemmingsplan dient digitaal beschikbaar, raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Ten behoeve van de uniformiteit dient het gehele plan opgesteld te worden conform de IMRO2012 en de SVBP2012. Hiermee wordt voldaan aan de eisen die de Wet ruimtelijke ordening stelt ten aanzien van bestemmingsplannen. Onderhavig bestemmingsplan Kleverstraat 10 en 10A te Schimmert ziet toe op een aanpassing van de bestemming “Wonen” teneinde de planologische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke, vergunde situatie ter plaatse. In casu is er dus sprake van een administratieve correctie.
Op dit postzegelbestemmingsplan van toepassing zijnde planregels zijn overgenomen van het bestemmingsplan “Buitengebied Nuth”.
1.5 Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk worden de planologische kaders geschetst aan de hand van het nationale, provinciale en gemeentelijke beleid. In Hoofdstuk 3 wordt het planvoornemen uiteengezet. In het daaropvolgende Hoofdstuk 4 worden de actuele waarden van het gebied besproken en de mogelijke invloed daarvan op de planvorming. Hierbij gaat het om waarden ten aanzien van flora en fauna, cultuurhistorie en archeologie. Hoofdstuk 5 bevat vervolgens de wettelijke verplichte waterparagraaf, waarin het plan getoetst wordt op het aspect water. In Hoofdstuk 6 wordt het plan vervolgens getoetst op milieuaspecten zoals geluid, geur, luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, externe veiligheid, etc. In Hoofdstuk 7 wordt ingegaan op overige aspecten. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 8 ingegaan op de juridische aspecten van het bestemmingsplan. Hierbij worden de planregels toegelicht. De handhaving van het bestemmingsplan wordt nader toegelicht in Hoofdstuk 9. Hoofdstuk 10 gaat vervolgens in op de uitvoerbaarheid van het planvoornemen, waarbij zowel de financiële als maatschappelijke uitvoerbaarheid beoordeeld wordt. Ten slotte wordt in Hoofdstuk 11 ingegaan op de procedure van het bestemmingsplan, waarbij onder andere wordt stilgestaan bij de vorm van inspraak en vooroverleg.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
5
Hoofdstuk 2 Beleidskaders 2.1 Planologische kaders Bij ieder ruimtelijk plan vindt een toetsing plaats aan het actuele beleid van de overheid. Door een toetsing aan rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid ontstaat een duidelijk beeld van het kader waarbinnen het bestemmingsplan wordt opgesteld. Voornoemde toetsing dient een compleet beeld te geven van de ruimtelijke overwegingen en het relevante planologisch beleid. Gemeenten dienen bij het opstellen van hun beleid rekening te houden met de kaders zoals deze door het Rijk en de Provincie zijn vastgelegd. De belangrijkste kaders van het Rijk en de provincie Limburg worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd mede als randvoorwaarden dienen voor het lokale maatwerk in het bestemmingsplan.
2.2 Rijksbeleid
2.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt onder andere de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. De SVIR speelt in op de volgende ontwikkelingen en uitdagingen: de veranderende behoefte aan wonen en werken; de mobiliteit van personen; economische positie tussen de tien meest concurrerende landen vasthouden voornamelijk in de sectoren logistiek, water, hightech, creatieve industrie, chemie en voedsel en tuinbouw; de bijzondere waarden (compacte steden omringd door open en natuurrijk landelijk gebied, cultuurhistorie en natuur) koesteren en versterken; waterveiligheid en beschikbaarheid van voldoende zoetwater in verband met de klimaatverandering en stedelijke ontwikkeling; aandeel duurzame energiebronnen als wind, zon, biomassa en bodemenergie moet worden vergroot; deregulering. Om goed op deze ontwikkelingen en eisen in te spelen is een beleid nodig dat toekomstbestendig is en de gebruiker ruimte geeft. Dit vraagt een grondige actualisatie van de bestaande beleidsnota's voor ruimte en mobiliteit. De structuurvisie voorziet hierin door overheden, burgers en bedrijven de ruimte te geven om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zich meer richten op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van belangen voor Nederland als geheel.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
6 Het Rijk ziet verder toe op de deregulering waarmee jaarlijks vele miljoenen euro's kunnen worden bespaard. De provincies en gemeenten zullen afspraken maken over verstedelijking, groene ruimte en landschap. Het Rijk verbindt ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit en zet de gebruikers centraal. Het zijn bewoners, ondernemers en reizigers die Nederland sterk maken. Provincies en gemeenten krijgen de ruimte zelf maatwerk te leveren. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiertoe zijn voor de middellange termijn (2028) drie doelen gesteld: 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; 2. Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebieds- of projectspecifieke afweging zal maken.
In de SVIR zijn deze nationale opgaven uit de nationale ruimtelijke structuur aangevuld met regionale opgaven. De opgave van nationaal belang binnen deze regio is het tot stand brengen van de (herijkte) Ecologische Hoofdstructuur (EHS), inclusief de Natura 2000-gebieden. Voor de omgeving van het plangebied geldt een algemene beschermingsplicht in het kader van het Nationaal Landschap Zuid Limburg.
Het wijzigen van de functie (bestemming) van onderhavig perceel heeft echter geen invloed op de fysieke omgeving en past daarmee prima binnen dit beleid. 2.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte genoemd, bevat regels ter bescherming van nationale belangen. De keuze voor deze belangen is reeds gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en worden met het Barro en het Bro juridisch verankerd. In totaal gaat het om dertien nationale belangen, te weten: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Ecologische hoofdstructuur, Primaire waterkeringen
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
7 buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. In het kader van deregulering en decentralisatie is er voor gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Door de nationale belangen in bestemmingsplannen te borgen, worden deze belangen reeds in een vroeg stadium vastgelegd, wat bijdraagt aan een versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk. Enkele bepalingen hebben echter betrekking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden. In het bijzonder gaat het hier om de artikelen ten behoeve van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en de EHS. De opgave van nationaal belang binnen deze regio is het tot stand brengen van de (herijkte) Ecologische Hoofdstructuur (EHS), inclusief de Natura 2000-gebieden. 2.2.3 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden met als doel het ontwikkelen en in stand houden van soorten en ecosystemen die belangrijk zijn voor Europa. Deze gebieden zijn aangewezen op basis van de Natuurbeschermingswet en de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Het beleid houdt echter niet bij de landsgrenzen op, dieren en planten trekken zich immers niets aan van landsgrenzen.
Er zijn drie thema's die centraal staan bij Natura 2000, te weten beleven, gebruiken en beschermen. Onderhavig plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een Natura 2000 gebied en heeft hier evenmin invloed op.
plangebied in relatie tot omliggende Natura 2000 gebieden
2.2.4 Nationaal Landschap - Zuid-Limburg Nuth is gelegen in het Nationaal Landschap Zuid Limburg dat wordt gevormd door het groene hart tussen de drie stedelijke agglomeraties Maastricht, Sittard-Geleen en Parkstad. Een mooi en afwisselend Zuid-Limburgs landschap, dat rust en kwaliteit uitstraalt, waarin alle activiteiten een lust voor de omgeving zijn en dat als uitloop- en recreatiegebied makkelijk bereikbaar en beleefbaar is voor haar bewoners, de omwonende stedelingen, economische topsectoren en toeristen. De ambitie van de provincie Limburg is om dit vijfsterren-landschap (met haar kernkwaliteiten) te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap zijn het reliëf, het open-besloten karakter, het groene karakter en het cultuurhistorisch erfgoed.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
8 Kernkwaliteit
Wat (de belangrijkste aspecten)
Nadere ruimtelijke duiding Reliëf Steilere hellingen, steilranden, graften, holle wegen, Goud- en zilvergroene droogdalen, grubben, beekdalen, bronnatuurzones, en kwelzones, vochtige laagten, breuktreden, Bronsgroene overgangen Maasterrassen, geologische ontsluitingen landschapszone. Open-Besloten Openheid op plateaus, kleinschaligheid rondom Plateaus met hoog dorpen, op hellingen en in (droog)dalen. gelegen vlakke delen en toppen van de plateaus. Groene karakter Bronbossen, beken, hellingbossen, kalkgraslanden, Goud- en zilvergroene heischrale graslanden, moerassen, bronnen, zinkflora, natuurzones, mantel- en zoomvegetaties, hellingen met veel graften, Bronsgroene grubben en holle wegen landschapszone. Cultuurhistorisch Verwachte en reeds bekende archeologische waarden, Geheel Zuid-Limburg erfgoed mottes, kastelen, historische bouwkunst, historisch (vooral punt, lijnlocaties geografische elementen en patronen, zoals wegen- en en ensembles) kavelpatronen, verdedigingswerken, ondergrondse kalksteengroeves, heggen.
Nationaal landschap Zuid Limburg
Wonen en werken in een Nationaal Landschap (en zeker in Zuid-Limburg) betekent dat je verzekerd bent van een mooie, groene omgeving. Deze landschappelijke kwaliteiten moeten behouden blijven, duurzaam worden beheerd en waar mogelijk versterkt. Het Nationale Landschap biedt ruimte voor regionale en lokale bedrijvigheid, inclusief grondgebonden landbouwbedrijven, maar met respect voor de omgeving. Grootschalige woningbouw, megastallen en bedrijventerreinen zijn er niet toegestaan. 2.2.5 Verdrag van Malta Het Verdrag van Malta, ook wel de Conventie van Valletta genoemd, is een Europees verdrag dat in 1992 is ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Het verdrag is er op gericht het bodemarchief beter te beschermen. Het bodemarchief bestaat uit alle archeologische waarden die zich in de grond bevinden, zoals gebruiksvoorwerpen, grafvelden en nederzettingen. Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
9 De uitgangspunten van het Verdrag van Malta zijn geïmplementeerd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007). De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen volgens het principe: 'de verstoorder betaalt'. Met voorliggend plan worden geen ontwikkelingen beoogd waarbij de bodem “verstoord” zal worden. In dit geval hoeft er geen archeologisch onderzoek verricht te worden.
2.3 Beleid provincie Limburg
2.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg Op 16 januari 2015 is het POL 2014 in werking getreden. In het POL2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL 2014 staan de fysieke kanten van de leefomgeving centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. En uitnodigen staat centraal.
Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. Het POL2014 richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. De sleutel ligt in dynamisch voorraadbeheer. Er zullen per regio visies gemaakt worden waarin gezamenlijke ambities, principes en werkwijze zijn uitgewerkt resulterend in concrete uitvoeringsafspraken. Voor sommige thema's gaat het ook om gezamenlijke programmering. Die vormen de basis voor bestuursovereenkomsten tussen regiogemeenten en Provincie. De Provincie borgt de uitvoering van die afspraken met voorzorgbepalingen in de Omgevingsverordening. In het POL2014 wordt onderscheid gemaakt in drie regio's. Het plangebied is gelegen in de regio Zuid-Limburg. Visie Zuid-Limburg Zuid-Limburg is een heel aantrekkelijke regio om te wonen, te werken en te recreëren. Tegelijkertijd worden deze potenties bedreigd. De gevolgen van de bijzondere grensligging en de demografische ontwikkeling in Limburg spelen namelijk nergens zo sterk als in het zuiden van de provincie. In economisch opzicht is Zuid-Limburg te typeren als een “tussenregio”, tussen de metropoolregio's Randstad, Vlaamse Ruit en Ruhrgebied.
Er zijn relatief weinig bereikbare banen binnen de landsgrenzen en daarmee is sprake van een beperkte veerkracht van de regionale en lokale economie. Bovendien kampt Zuid-Limburg met leegstandsproblematiek op het gebied van woningbouw, kantoren, verblijfsrecreatie, bedrijventerreinen en detailhandel: er is van alles teveel, en dat vraagt om een heldere visie en bovenal sturing.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
10 In de integrale gebiedsopgave van Zuid-Limburg staat de komende jaren de economische structuurversterking centraal. Als onderdeel van de Brainport Zuidoost-Nederland is de ambitie om het gebied verder te ontwikkelen als een sterke kennisregio, die in verbinding staat met de kennisregio's Eindhoven, Aken en Leuven/Hasselt. De gemeente Beekdaelen, waarin het plangebied ligt, is gelegen tussen de economische gebieden in het Nationaal Landschap Zuid Limburg. Dit gebied kent een hoge dichtheid aan cultuurhistorisch erfgoed waaronder veel monumenten. Daarnaast vormt dit gebied met haar sterke versnijding door riviertjes als Geleenbeek, Worm en Roode Beek een zeer aantrekkelijk gebied voor de vrijetijdseconomie. Bezoekers en toeristen van ver weg, maar ook de in Zuid-Limburg wonende (kennis)werkers en stedelingen, komen naar dit gebied om te genieten van de rust en ruimte en het afwisselende landschap. Dit is van groot belang voor het bruto regionaal product van Zuid-Limburg. Uitdaging Voor veel functies hebben we in Zuid-Limburg bij een krimpende bevolking voldoende ruimte, in toenemende mate zelfs te veel. Vooral in de stedelijke gebieden ontstaat leegstand van gebouwen en terreinen, hetgeen de economische vitaliteit en leefbaarheid niet ten goede komt.
De oude planologie (“programma zoekt ruimte”) heeft in Zuid-Limburg plaatsgemaakt voor een nieuwe planologie: “ruimte zoekt programma”. Dit zal leiden tot ruimtelijke verschuivingen. Voor de verschillende programma's (wonen, bedrijventerreinen, kantoren, detailhandel en vrijetijdseconomie) wordt veelal uitgegaan van een onderscheid tussen concentratiegebieden (versterking en stimuleren kansrijke locaties), balansgebieden (kwaliteitsverbetering door her- en verbouw) en transitiegebieden (ontmoedigen, functieverandering en/of sloop). De kwantitatieve opgave wordt daarbij vertaald in het sturen op kwaliteit. 2.3.2 Omgevingsverordening Limburg / wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg De Omgevingsverordening Limburg (2011) was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Vanwege de vaststelling van het POL2014 is de Omgevingsverordening Limburg gewijzigd en opnieuw vastgesteld. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. In de Omgevingsverordening wordt de juridische doorwerking van het omgevingsbeleid geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk Ruimte, waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen.
De te maken regionale bestuurafspraken worden in de Omgevingsverordening juridisch geborgd. Met betrekking tot het planvoornemen is tevens relevant dat de Verordening Wonen Zuid-Limburg is opgenomen in de Omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben op 22 november 2019 de Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. Het doel hiervan is de doorwerking van de Bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor Noord-Limburg, Midden-Limburg en Zuid-Limburg te borgen. Tegelijkertijd krijgen Gedeputeerde Staten ruimte voor maatwerkoplossingen om te kunnen inspelen op kwalitatieve knelpunten. Deze wijzigingsverordening is bedoeld om de woningmarkt te verruimen. Ook zijn 2 paragrafen aangepast. In paragraaf 2.2 is de toelichtende tekst voor Duurzame verstedelijking geactualiseerd. En in paragraaf 2.11 is de begripsomschrijving voor Intensieve veehouderij aangepast. De wijzigingsverordening heeft geen invloed op onderhavige casus aangezien er geen ontwikkelingen plaatsvinden.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
11
2.3.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) is van toepassing op bestemmingsplannen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c in samenhang met artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo. De ladder voor duurzame verstedelijking is opgezet met als primair doel het tot stand brengen van een goede ruimtelijke ordening, door middel van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Concreet houdt dit in dat de ladder als ondersteuning dient voor decentrale overheden (provincies en gemeenten) bij de vraaggerichte programmering van hun grondgebied, zodat een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke en infrastructurele besluiten kan plaatsvinden. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe stedelijke ontwikkelingen, waardoor bovenstaande afweging in deze paragraaf niet hoeft te worden opgenomen.
2.3.4 Bestuursovereenkomst Regionale afspraken Zuid-Limburg In de Bestuursovereenkomst regionale afspraken Zuid-Limburg worden afspraken vastgelegd tussen de colleges van burgemeester en wethouders van de achttien Zuid-Limburgse gemeenten en het college van Gedeputeerde Staten van Limburg over de regionale uitwerking van POL2014 voor ZuidLimburg, over het Nationaal Landschap als geheel en over de thema's wonen, detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen, energie, landschap, land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie.
Zo is er afgesproken dat de drie schaalniveau's van afstemming conform de bestuursafspraken ook in onderhavig bestemmingsplan worden geborgd. Het gaat daarbij om de volgende schaalniveau's: Het eerste schaalniveau is informeren van de direct omliggende gemeente bij de kleinschalige activiteiten die via afwijkingsbevoegdheden worden geregeld; Het tweede schaalniveau is afstemmen via het regionaal overleg; via de POL-werkgroepen. Dit niveau is van toepassing op activiteiten die middels wijzigingsbevoegdheden mogelijk worden gemaakt; Het derde schaalniveau is het afstemmen van de beoogde ontwikkeling op bestuurlijk regionaal niveau; De Bestuurlijke Kernoverleggen van het POL. Bij grootschaligere activiteiten die mogelijk worden gemaakt via wijzigingsbevoegdheden dient opgeschaald te worden naar dit schaalniveau. In de Bestuursovereenkomst Nationaal Landschap Zuid Limburg is een tabel vastgesteld. Deze tabel deelt ontwikkelingen in op basis van omvang en geeft aan of voor de ontwikkelingen een meldingsplicht en/of een afstemmingsplicht geldt. Deze tabel zal ook leidend zijn voor de ontwikkelingen die in onderhavig bestemmingsplan zijn voorzien middels een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid. In het algemeen kan worden gesteld dat: alle ontwikkelingen regionaal gemeld moeten worden of regionaal afgestemd moeten worden.
in het geval van een wijzigingsbevoegdheid, zoals bij grootschalige camping en dagrecreatie, waarborgt de gemeente dat alleen capaciteit mag worden toegevoegd indien additionele doelgroepen naar de regio worden getrokken. Omdat het in casu gaat om een reparatie van het bestemmingsplan hoeft er geen regionale afstemming plaats te vinden.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
12
2.3.5 Structuurvisie Wonen Zuid Limburg De 18 gemeenten binnen de regio Zuid-Limburg, waaronder de vml. gemeente Nuth, hebben samen de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg vastgesteld. De Structuurvisie geeft op hoofdlijnen een toekomstbeeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied van Wonen in de regio Zuid-Limburg voor de komende 10 jaar. Voor het gemeentebestuur is de structuurvisie een belangrijke leidraad voor het opstellen van toekomstige bestemmingsplannen en het toetsingskader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen het gemeentelijke grondgebied. Nieuwe woningbouwontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Structuurvisie Wonen ZuidLimburg. De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg bevat uitvoeringsafspraken en instrumenten om een kwalitatief goede en evenwichtige woningmarkt te bewerkstelligen. Hierbij kunnen in bijzondere situaties bijzondere compensatieafspraken van toepassing zijn. Een van de instrumenten die de SVWZL noemt is de beleidsregel “Financiële compensatie bij kleine woningbouwinitiatieven Zuid-Limburg”. Hierin is opgenomen onder welke voorwaarden extra woningen aan de voorraad kunnen worden toegevoegd. Eén van de afspraken hierbij, is dat voor het toevoegen van reguliere woonvormen compensatie betaald moet worden voor toekomstige sloopopgaven. (beleidsregel “financiële compensatie kleine woningbouwinitiatieven”).
Deze beleidsregel betreft nieuwe ontwikkelingen en is in deze niet van toepassing omdat het gaat om bestaande, reeds vergunde woningen die feitelijk in het bestemmingsplan “Buitengebied” opgenomen hadden moeten worden. In dat geval betreft het een administratieve correctie die op grond van de beleidsafspraken, niet worden gezien als een nieuwe ontwikkeling, maar een weergave van de feitelijke situatie.
2.4 Regionaal beleid In de hierna volgende paragrafen worden de regionale beleidsstukken besproken die van invloed zijn op het plangebied. 2.4.1 Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg 2030 "Ruimte voor park & stad – aanvulling Nuth” De ruimtelijke ontwikkelingsvisie voor de regio Parkstad is in oktober 2009 vastgelegd in de Structuurvisie Parkstad Limburg 2030. De Structuurvisie schetst die ambities en kansen en nodigt uit om mee te denken, mee te doen en te ontwikkelen. Het is een plan waarin de ruimtelijke ontwikkeling van Parkstad Limburg voor de komende 20 tot 30 jaar wordt geschetst. De structuurvisie kent zes pijlers die samen het fundament vormen van de inhoudelijke keuzes en zullen steeds als toetssteen gebruikt worden bij ontwikkelingen en initiatieven van de vier grote opgaven: Ruimte, Mobiliteit, Economie en Wonen. In de visie zijn de ambities en kansen benoemd. Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, o.a. door een groter contrast van stad en land; Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a.
een innovatieve energiesector, toeristische dagen verblijfrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten; Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad-centrum; een hoog stedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen; Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via een Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
13 Dit alles is vertaald naar zeven ontwikkelingszones: Noordflank, Oostflank, Zuidflank, Westflank, Gravenrode, Via Belgica en Herstructurering stedelijk gebied. Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen de ontwikkelingszone Westflank. Voor wat betreft het onderdeel “wonen” is het plangebied aangemerkt als een “dorps” gebied met zeer kleine regionale relevantie.
Structuurvisiekaart “wonen” voor de vml. gemeente Nuth
2.4.2 Regionale Woonstrategie 2012-2020, Kiezen voor Parkstad In december 2012 heeft de gemeenteraad van de vml. gemeente Nuth de 'Regionale Woonstrategie 2012 – 2020; Kiezen voor Parkstad' vastgesteld. De Woonstrategie schetst de keuzes die gemaakt worden om de uitvoering van de herstructurering die inmiddels in volle gang is, verder vorm te geven. Door de structurele bevolkingsafname en de verandering van de bevolkingssamenstelling is de woningbouwopgave in Parkstad Limburg een kwalitatieve vervangingsopgave: herstructurering en transformatie van het woningbezit. De kwalitatieve transformatieopgave betreft de vervangingsopgave van circa 13.000 bestaande woningen. De Regionale Woonstrategie schetst de keuzes die gemaakt worden om de uitvoering van de herstructurering, die inmiddels in volle gang is, verder vorm te geven. Voor de gemeente Simpelveld worden de volgende ontwikkelingen, kansen en aandachtspunten op de woningmarkt genoemd: toekomstige senioren zullen wellicht meer moeite krijgen de woning te verkopen als zij vanwege een zorgbehoefte (moeten) verhuizen; kansrijk: jonge gezinnen.
Verhogen aantrekkelijkheid voor nieuwe gezinnen die werken in Simpelveld of omgeving (Avantis/Aken); nodig: inspelen op vergrijzing; Simpelveld versterken als centrumkern (al veel aangepakt), toevoegen levensloopbestendige woningen; Bocholtz verdunnen gebieden met koopwoningen, beperkt toevoegen levensloopbestendig; vrijkomende beeldbepalende gebouwen (agrarisch en monumentaal).
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
14 De beleidsprincipes van de Woonstrategie hebben geresulteerd in een regionale woningmarktprogrammering voor Parkstad. 2.4.3 Regionale woningprogrammering Parkstad Eind juni 2017 zijn de Regionale Woonvisies van alle 8 Parkstad gemeenten vastgesteld. Elke gemeente heeft deze regionale visie vertaald naar de lokale situatie. De documenten geven daarom niet alleen inzicht in de regionale Woonvisie Parkstad Limburg, maar tevens in de lokale woonvisies. De Woonvisies geven richting aan de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt; het in balans brengen van vraag en aanbod (zowel kwalitatief als kwantitatief), zodat rekening wordt gehouden met de veranderende bevolkingsontwikkeling en veranderende woonwensen. Daarnaast geeft een Woonvisie invulling aan de nieuwe samenwerking tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisaties. De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg geeft aan dat het woningbouwprogramma bij voorkeur gerealiseerd wordt in leegstaande monumenten of ander leegstaand vastgoed. In dit geval gaat het echter om een planologische reparatie c.q. administratieve correctie van twee bestaande woningen. Voorliggend plan is voorgelegd aan de bestuurscommissie Wonen&Herstructurering en is door deze bestuurscommissie goedgekeurd, waardoor dit bestemmingsplan in procedure kan worden gebracht.
2.5 Gemeentelijk beleid
In de hierna volgende paragrafen worden de gemeentelijke beleidsstukken besproken die van invloed zijn op het buitengebied. 2.5.1 Strategische visie “Leven en werken in het Landschap” In de strategische visie gaat hoofdzakelijk aandacht uit naar de kwaliteitsimpuls en nieuwe ambities van ONS, vanuit het motto “Leven en werken in het landschap”. Met betrekking tot het ontwikkelperspectief “Vitale kernen” zet de nieuwe gemeente Beekdaelen in op onderzoek naar het draagvlak, de toegankelijkheid, de bereikbaarheid en de actuele kwaliteit van voorzieningen in de kernen, op het terrein van wonen, zorg, onderwijs, cultuur en sport, om te komen tot afgewogen keuzes voor de verdeling van voorzieningen over de nieuwe gemeente. Eén van de zaken voor vitale kernen is de transformatie van maatschappelijk en bedrijfsmatig vastgoed in de kernen om de vitaliteit en leefbaarheid ter plaatse te waarborgen. Het aanpassen van de bestemming “Wonen” voor onderhavige percelen is niet in strijd met deze doelstelling. 2.5.2 Woningbouwprogramma vml. gemeente Nuth 2017-2021 In 2016 zijn de Parkstad gemeenten gestart met het opstellen van een nieuwe regionale Woonvisie. Elke gemeente -waaronder ook Nuth- heeft deze regionale visie vertaald naar de lokale situatie. Op dit moment staan er ongeveer 6.950 woningen in de gemeente Nuth.
Ongeveer 29% van de voorraad bestaat uit huurwoningen, de overige 71% zijn koopwoningen. De huurwoningen staan vooral in Nuth, en in beperkte mate Hulsberg, Schimmert en de overige kernen. Er zijn in Nuth ten opzichte van de andere Parkstadgemeenten verhoudingsgewijs weinig huurwoningen. Ten opzichte van andere landelijke gemeenten staan er in de gemeente Nuth veel huurwoningen; wat overigens alleen geldt voor de kern Nuth zelf. Onderhavige woningen zijn reeds bestaand en derhalve geen toevoeging in de koopsector.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
15
2.5.3 Archeologie De bodem van het plangebied is rijk aan diverse archeologische waarden, waarvan een deel reeds bekend is op vindplaatsen. Deze zijn aangeduid op de archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart. Daarnaast biedt deze advieskaart inzicht in de verwachting waar nog meer waardevolle archeologische waarden zich kunnen bevinden. Ten behoeve van het behoud van deze waardevolle elementen en structuren wordt gestreefd naar het voor de toekomst behouden en beschermen van de archeologische waarden in de grond (in situ). Alleen wanneer behoud in de bodem niet mogelijk is, is opgraven een optie. Op basis van de huidige archeologische verwachtings- en beleidskaart wordt bepaald of voor een nieuwe ontwikkeling archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Deze archeologische verwachtingswaarden is juridisch vastgelegd in het bestemmingsplan. Voorgenomen wijziging heeft geen gevolgen voor de archeologische waarden ter plekke.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
16
Hoofdstuk 3 Planvoornemen 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uitgangspunten die gehanteerd worden voor het bestemmingsplan voor de percelen aan de Kleverstraat 10 en 10A te Schimmert. Bij het formuleren van de uitgangspunten wordt ingespeeld op de actuele ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen in de gemeente Beekdaelen.
3.2 Algemeen
Beekdaelen vormt een groen hart tussen de Westelijke Mijnstreek en Parkstad Limburg. De landelijkheid met zijn kleine karakteristieke kernen is een sterke kwaliteit die behouden moet blijven. De as Schimmert-Schinnen-Schinveld biedt kansen voor nieuwe landschappelijke verbindingen, zeker met de aanleg van de Buitenring Parkstad Limburg. Tegelijkertijd biedt de ‘bedrijvigheids-as’ langs de A76 (inclusief de aansluiting van de Buitenring Parkstad Limburg) een relatief sterke werkfunctie voor een deel van de inwoners. De hiervoor geschetste assen vormen als het ware een kompas door het werkgebied van de nieuwe gemeente, waarlangs perspectieven en kansen voor de nieuwe gemeente kunnen worden ontwikkeld. De vigerende bestemmingsplannen inclusief de planologische mutaties vormen de basis voor het op te stellen bestemmingsplan. Daarnaast wordt gestreefd naar een plan waarbij maximaal ruimte wordt gegeven met behoud van de ruimtelijke kwaliteit. In de toelichting wordt geformuleerd wat wel en wat niet mag. Onnodige en dure procedures worden op deze manier zoveel mogelijk voorkomen. Het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Nuth”, geldt als uitgangspunt voor de op te stellen planregels. Dit plan is relatief recent vastgesteld (2015) er kan derhalve goed worden toegepast.
3.2.1 Krimp / leefbaarheid / behoud cultuurhistorische waarden Leefbaarheid in relatie tot krimp is ook in Beekdaelen een belangrijk aandachtspunt. Door middel van het bestemmingsplan is het mogelijk om op leefbaarheid te sturen en verdere leegstand van in dit geval voormalige bedrijfswoningen te voorkomen. Daarnaast is er een opgave voor de gemeente Beekdaelen om het totaal aantal woningen terug te brengen, vanwege de te verwachten afname van de woningvraag in de regio, op de langere termijn. In de volgende paragrafen wordt specifieker ingegaan op de uitgangspunten die in het kader hiervan zijn opgesteld.
3.3 Wonen
Zoals in de vorige paragraaf reeds aangehaald is er geen sprake van een feitelijke toevoeging van woningen binnen het regionale woningbouwprogramma, maar gaat het om een administratieve correctie. Voorliggend plan voldoet derhalve aan de beleidsmatige randvoorwaarden.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
17
Hoofdstuk 4 Actuele waarden In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de actuele waarden die aanwezig zijn in het gebied. Specifiek wordt ingegaan op flora en fauna, ecologische structuur, habitats, cultuurhistorie en archeologie.
4.1 Flora en fauna
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening gehouden worden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. 4.1.1 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 (Stb. 1998, 403 en Stb. 2005,195). Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn voor wat betreft de gebiedsbescherming en is vanaf 1 oktober 2005 in werking getreden. Op grond van deze gebiedsbescherming vallen beschermde natuurmonumenten en de gebieden die op grond van de beide Europese richtlijnen zijn aangewezen als speciale beschermingszones (de zogenoemde Vogelen Habitatrichtlijngebieden) onder het regime van de Natuurbeschermingswet 1998. 4.1.2 Soortenbescherming Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet ook duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten.
De soortenbescherming is vastgelegd in de Flora- en faunawet (Staatsblad 1999, 264, laatstelijk gewijzigd Staatsblad 2009,617). Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn voor wat betreft de soortenbescherming. In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het besluitgebied. In ruimtelijke plannen mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Flora- en faunawet (met name op basis van de verbodsbepalingen van artikelen 8 tot en met 14) geen ontheffing zal worden verleend. De Flora- en faunawet deelt de soorten in drie tabellen in. Voor soorten in de eerste tabel geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor soorten in tabel 2 is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk, tenzij men beschikt over of de werkzaamheden (aantoonbaar) uitvoert volgens een door het ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie (EL&I) vastgestelde gedragscode. De soorten in tabel 3 zijn het strengste beschermd. Afhankelijk van het planvoornemen en de beschermde soort die in of nabij het plangebied voorkomt vindt een afweging plaats.
Een aanvraag van een ontheffing is enkel noodzakelijk indien de voorgenomen activiteiten een schadelijk effect zullen hebben op de aanwezige beschermde soorten of zorgen voor een vermindering van de ecologische functionaliteit voor deze soorten. Een aanvraag is niet noodzakelijk indien de werkzaamheden dusdanig worden ingericht dat geen schade wordt toegebracht aan de beschermde soorten. Standaard geldt voor het gehele gebied de algemene zorgplicht zoals die in de Flora- en faunawet centraal staat (artikel 2). Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht geldt te allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
18 Omdat het in voorliggend plan gaat om het planologisch vastleggen van een reeds bestaande situatie, is er geen sprake van verstoring van enige flora en fauna en zal op dit aspect verder niet worden ingegaan.
4.2 Archeologie
In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de Europese Unie, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ (elders) worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is via de Wet op de archeologische monumentenzorg doorvertaald in met name de Monumentenwet 1988, welke aangeeft dat de gemeente bevoegd gezag is op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. In het Bro (artikel 3.1.6 lid 4) is opgenomen dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan rekening gehouden dient te worden met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. Omdat er in casu geen sprake is van enige ontwikkeling, wordt op dit aspect hier niet verder ingegaan.
uitsnede archeologische verwachtingskaart RCE tpv Kleverstraat te Schimmert
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
19
Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 5.1 Inleiding
Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw. Belangrijke thema's zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Dit hoofdstuk kan als zodanig beschouwd worden.
5.2 Waterbeleid
Het beleid ten aanzien van het aspect water komt in diverse beleidsdocumenten terug op verschillende schaalniveaus. Zo is er op zowel nationaal al provinciaal niveau een waterplan van kracht, dat uiteindelijk geland is in een waterbeheerplan van het verantwoordelijke waterschap, in dit geval waterschap Limburg. Daarnaast beschikt het waterschap over andere relevante plannen met betrekking tot het aspect water. Deze plannen worden hieronder besproken. 5.2.1 Nationaal beleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan (V&W, 2009) heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het plan vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding. Omdat ook voor de volgende generaties Nederland als veilig en welvarend waterland veiliggesteld moet worden, moet nu een antwoord worden gevonden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie, economie en een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Water levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving en behoud van biodiversiteit.
Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het dan ook van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Gemeenten en provincies wordt gevraagd het generieke beleid zoals vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (ook wel bekend als de AMvB Ruimte) lokaal en regionaal te vertalen en vast te leggen in structuurvisies, bestemmingsplannen en waterplannen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient dan ook rekening te worden gehouden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn, gericht op duurzaam waterbeheer. 5.2.2 Provinciaal beleid Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Provinciaal Waterplan Limburg 20092015 en een uitwerking van het waterbeleid in het POL2014, noodzakelijk om aan de vereisten van de Kaderrichtlijn Water en de Waterwet te voldoen. Samen met het Nationale Waterplan van het Rijk en het Waterbeheersplan Limburg van het waterschap vormt het een onderdeel van het Stroomgebied beheersplan Maas. De waterbelangen zijn in het voorliggend bestemmingsplan niet in het geding, nu er geen sprake is van een nieuwe ontwikkeling. 5.2.3 Regionaal beleid Waterbeheerplan Limburgse Waterschappen 2016-2021 Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het vml. Waterschap Roer en Overmaas.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
20 Het waterbeleid van dit waterschap is neergelegd in het waterbeheerplan Limburgse waterschappen 2016-2021. In het waterbeheerplan is het integrale beleid opgenomen inzake veiligheid, watersysteembeheer en afvalwaterketen. Er zal worden geïnvesteerd in het creëren van extra waterberging, aanpassing van de waterhuishouding, de bestrijding van verdroging, het aanpassen van een aantal rioolwaterzuiveringsinstallaties en het renatureren van beken. Om de beleidstaken uit te voeren beschikt het waterschap over verschillende instrumenten. De belangrijkste hiervan is de keur met bijbehorende legger. De Keur Waterschap Limburg
Omdat handelingen van derden in de leefomgeving, bijvoorbeeld: bouwwerken, werkzaamheden of activiteiten, daarvoor een risico’s met zich mee kunnen brengen, heeft het waterschap een verordenende bevoegdheid. De specifieke verordening voor regulering van handelingen door derden in de omgeving van of met invloed op water, heet Keur. De Keur van het waterschap heeft een smaller bereik dan het integraal waterbeheer. De keur betreft alleen waterstaatkundig beheer en waterkwantiteitsbeheer, ofwel de waterstaatswerken: tegen hoog water (keringen), voor peilbeheer (oppervlaktewateren, stuwen e.d.) en voor het onttrekken en van lozen van hoeveelheden oppervlaktewater en grondwater. De Keur bevat in het belang van het waterbeheer, voor het overgrote deel beperkende regelgeving voor activiteiten door derden in de leefomgeving. Daarnaast biedt de Keur mogelijkheden hoe deze activiteiten door derden in de leefomgeving wel uitvoerbaar zijn en verenigbaar zijn of zijn te maken met het belang van water.
5.3 Watertoets
Zoals gezegd is de watertoets een verplicht onderdeel van elke planologische procedure. De watertoets vraagt niet alleen een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Dit bestemmingsplan betreft de herbestemming van een perceel ten behoeve van reeds bestaande woningbouw, waarbij er geen wijziging in het verhard oppervlak plaatsvindt. Dat betekent dat er geen advies van het waterschap nodig is voordat het plan in procedure gaat.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
21
5.4 Riolering Voor de riolering is met name de Wet Gemeentelijke Watertaken van belang. In deze wet is het aantal zorgplichten voor de gemeentelijke rioleringszorg toegenomen tot drie. Het betreft: 1. inzameling en het transport van afvalwater (het vuile rioolwater) 2. hemelwaterzorgplicht (nieuwe zorgplicht) 3. grondwaterzorgplicht binnen stedelijk openbaar gebied (nieuwe zorgplicht) Het vasthouden van water volgens de trits water vasthouden, bergen en vertraagd lozen maakt integraal onderdeel uit van alle onderdelen van het watersysteem. In bestemmingsplannen wordt een waterparagraaf opgesteld die watertoets onderhevig is. De initiatiefnemer reserveert standaard circa 8-10% van de ruimte voor noodzakelijke waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij kleinere herinrichtingen verankert de gemeente de doelstelling van afkoppelen op eigen terrein en/of zichtbaar afstromen van hemelwater. Hierbij kan worden gedacht aan de combinatie openbaar groen en waterberging. Bij infiltratie op eigen terrein treedt de gemeente handhavend op en controleert op foutaansluitingen en de goede werking van de voorzieningen. De reeds bestaande woningen die middels dit bestemmingsplan planologisch verankerd worden, zijn reeds aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolstelsel.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
22
Hoofdstuk 6 Milieuparagraaf
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieuaspecten die van invloed kunnen zijn op het plan. Specifiek wordt ingegaan op geluid, bodem, luchtkwaliteit, geurhinder, externe veiligheid, kabels en leidingen en zoneringen.
6.1 Geluid
Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Wegverkeerslawaai Ingevolge het bepaalde in de Wet geluidhinder heeft in beginsel iedere weg een geluidszone. Een dergelijke zone geldt niet voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangewezen gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Wel dient hier in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd te worden. Omdat in de voorliggende casus een “nieuwe” gevoelige functie worden geprojecteerd binnen een geluidzone van een weg, zal een akoestische toetsing plaats dienen te vinden. Voor een dergelijke functie in een binnenstedelijk gebied geldt een voorkeurswaarde van 48 dB en een maximaal toelaatbare waarde van 63 dB. Op grond van de ter plekke toegestane snelheid (50km) mag krachtens artikel 110 Wet geluidhinder, 5 Db worden afgetrokken van het berekende resultaat voor het wegverkeerslawaai. Omdat het gaat om het planologisch regelen van reeds bestaande en vergunde woningen mag geconcludeerd worden dat deze voldoen aan de voorkeurswaarde dan wel dat de maximaal toelaatbare waarde niet wordt overschreden.
6.2 Bodem
Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Evenals bij het aspect geluid, mag er van worden uitgegaan dat de bodemkwaliteit reeds getoetst is bij de vergunningverlening.
6.3 Luchtkwaliteit
Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een bestemmingsplan worden vastgesteld, indien: aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde, die behoort bij de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, of aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
23
desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 van de Wet milieubeheer een grenswaarde is opgenomen, of het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.
Fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. De regels en grenswaarden voor luchtkwaliteit staan in de Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen. Artikel 5.16 lid 1 van de Wm geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt alleen ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Voor luchtkwaliteit kan dit betekenen: de meest kwetsbare groep op de minst vervuilde plek. Draagt een project ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging? Dan is geen toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit nodig. Voor voorliggend plan kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een ontwikkeling die “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Een onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.
6.4 Geurhinder In principe dienen alle geurgevoelige objecten te worden beschermd tegen geuroverlast. Bij de beoordeling van een ruimtelijk plan zijn voor wat betreft geurhinder van bedrijven de volgende vragen relevant: a. Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object); b. Wordt overigens niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen bedrijf en omgeving). In dit geval gaat het niet om een ontwikkeling waarbij met dit aspect rekening dient te worden gehouden.
6.5 Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Deze risico's doen zich voor rondom risicovolle inrichtingen of transportroutes, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Een klein kantoorgebouw of een bedrijfsgebouw wordt daarbij beschouwd als een beperkt kwetsbaar object, waarbij de gehanteerde normen een richtwaarde vormen. Bij bijvoorbeeld woningen, die beschouwd worden als kwetsbare objecten, is de norm een grenswaarde waar altijd aan moet worden voldaan. Het risico wordt uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) en een groepsrisico (GR). Bij het plaatsgebonden risico gaat het om de kans dat een persoon overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich voortdurend en onbeschermd in de nabijheid van de transportas bevindt. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
24 Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang. Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking tot: Inrichtingen. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Risico inventarisatie Uit de risicokaart van de provincie Limburg blijkt dat in het plangebied en (directe) omgeving geen risicodragende objecten aanwezig zijn (zie ook onderstaande uitsnede). Wel ligt er een buisleiding op meer dan 200m van de betreffende locatie. De risicocontouren reiken niet over het plangebied.
risicokaart provincie Limburg
Dit betekent dat er geen leidingen met bijbehorend ruimtebeslag en risicocontour in het bestemmingsplan hoeven te worden opgenomen. Tot slot kan worden gesteld dat ten opzichte van de vigerende bestemmingsplannen met voorgenomen ontwikkelingen geen verslechtering optreedt van het veiligheidsniveau.
Bestemmingsplan
Kleverstraat 10 / 10a Schimmert
december 2020
25
Hoofdstuk 7 Overige aspecten 7.1 Kabels en leidingen
Binnen het plangebied komen geen kabels en leidingen voor die op grond van wettelijke regelingen planologische bescherming dienen te krijgen.
7.2 Gasleidingen
Ten noordenoosten en ten zuidwesten van het plangebied loopt een aardgastransportleiding van de Gasunie. Deze liggen echter op een dermate grote afstand van het plan (>250m), dat hiervoor geen bepalingen opgenomen hoeven worden.
Hoofdstuk 8 Juridische aspecten
In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de planologische wijziging van het gebruik van de panden ten behoeve van wonen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.
8.1 Uitgangspunten
8.1.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan. 8.1.2 Planonderdelen Het bestemmingsplan “Kleverstraat 10/10A Schimmert” bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een topografische ondergrond.