Bijlage 13 Quickscan ecologie
Tekst van het document
Bijlage 13 Quickscan ecologie
Quickscan Wet natuurbescherming Groevepark Schinnen 2020
Bureau Meervelt, Ecologisch onderzoek en advies
Quickscan Wet natuurbescherming Groevepark Schinnen 2020
Status: Definitief, 12 mei 2021 In opdracht van:
Contactpersoon: C. van Daal
Bureau Meervelt, Ecologisch onderzoek en advies
Ing. R.A.J. Pahlplatz Projectnummer: 20-074 Foto omslag: Zicht op plangebied.
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING................................................................................................................................................ 1 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................... 1 1.2 Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................................................. 2 1.3 Beschrijving plangebied ....................................................................................................................... 2 1.4 Opzet van de quickscan....................................................................................................................... 3
2.
ANALYSE GEBIEDSBESCHERMING ....................................................................................................... 4 2.1 Inleiding .............................................................................................................................................. 4 2.2 Afwegingskader Wet natuurbescherming.............................................................................................. 4 2.3 Afwegingskader Omgevingsverordening Provincie Limburg 2014.......................................................... 5 2.3.1 Goudgroene natuurzone .................................................................................................................. 6 2.3.2 Zilvergroene natuurzone .................................................................................................................. 7 2.3.3 Bronsgroene landschapszone .......................................................................................................... 8
3.
ANALYSE SOORTBESCHERMING .......................................................................................................... 9 3.1 Inleiding .............................................................................................................................................. 9 3.2 Flora ................................................................................................................................................... 9 3.3 Zoogdieren........................................................................................................................................ 10 3.4 Vogels............................................................................................................................................... 11 3.5 Amfibieën en reptielen ....................................................................................................................... 13 3.6 Overige beschermde soorten ............................................................................................................. 13
4.
HOUTOPSTANDEN, HOUT EN HOUTPRODUCTEN .............................................................................. 15 4.1 Inleiding ............................................................................................................................................ 15 4.2 Te kappen bomen en houtopstanden ................................................................................................. 15 4.3 Wet natuurbescherming..................................................................................................................... 15 4.4 Algemene plaatselijke verordening van de gemeente.......................................................................... 15
5.
ONTWIKKELING NATUURWAARDEN .................................................................................................... 16
6.
CONCLUSIES ........................................................................................................................................ 18 6.1 Conclusies gebiedsbescherming ........................................................................................................ 18 6.2 Conclusies soortbescherming ............................................................................................................ 19 6.3 Conclusies Houtopstanden, hout en houtproducten ............................................................................ 20
7.
LITERATUURLIJST EN WEBSITES ........................................................................................................ 21
Bijlage 1a Achtergronden Wet natuurbescherming Bijlage 1b Achtergrond bescherming Natuurnetwerk Nederland Bijlage 2 Gegevens NDFF
Bureau Meervelt
1.
Quickscan groevepark Schinnen
INLEIDING
1.1 Aanleiding De concessie van Groeve Schinnen loopt binnen enkele jaren af. Zand- en grindhandel Bruls is eigenaar van de betreffende groeve en is verantwoordelijk voor de eindafwerking. Om de mogelijkheden voor de eindafwerking en inrichting en eventueel toekomstig gebruik in beeld te brengen, heeft Heusschen*Copier een ruimtelijke en conceptuele verkenning uitgevoerd (Groevepark, van verborgen schat naar onschatbare waarde voor mens en natuur, 2020). In de afwerking is natuur een belangrijk einddoel. In deze quickscan wordt in beeld gebracht welke beschermde natuurwaarden in het plangebied (mogelijk) aanwezig zijn. De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming, de Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming in Limburg en het gebiedsbeschermingsregime in de Omgevingsverordening Limburg 2014 (geconsolideerde versie). Tevens wordt in beeld gebracht welke natuurwaarden zich op de locatie van Groeve Schinnen op termijn kunnen ontwikkelen. In onderstaande figuur 1 wordt de ligging van Groeve Schinnen weergegeven.
Figuur 1: Ligging van het plangebied (Heusschen*Copier, 2020).
1
Bureau Meervelt
Quickscan groevepark Schinnen
1.2 Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling ligt nog niet vast, wel is een ontwikkelingsrichting bekend. In het gebied wordt ingezet op een combinatie van de functies natuur, recreatie en een kleine horecavoorziening. In figuur 2 is een verbeelding van de mogelijkheden weergegeven. In het westelijke deel gaat het om ontwikkeling van verblijfs- en dagrecreatie, kleinschalige horeca en natuur.
Figuur 2: Inrichtingsschets. De rode lijn vormt de begrenzing van het plangebied zoals in deze quickscan gehanteerd. Voor een overzicht met meer detail dient de PDF geraadpleegd te worden.
1.3 Beschrijving plangebied Het plangebied ligt tussen Spaubeek en Nuth in de gemeente Beekdaelen (zie figuur 1). Aan de zuidzijde vormt de Karrenstraat de grens met het intensief gebruikte agrarisch gebied. De Grubbenweg loopt van zuid naar noord door het plangebied. De Hettekensweg vormt een deel van de westelijke grens van het plangebied. De groeve wordt aan de noordwestzijde begrensd door een bijzonder mooie onverharde holle weg (Maastrichterweg) die in het noorden uitkomt op de Grubbenweg. Het gebied ten oosten van de Grubbenweg is een afgedekte stortplaats. De voormalige groeve is gevuld met huisvuil en (onder andere) afgewerkt met een grondlaag. De vegetatie bestaat uit kruidenrijk grasland. In dit deel staan enkele kleine bedrijfsgebouwen en is (infiltratie)riolering geplaatst. Ook is een systeem aangelegd waarmee vrijkomende gassen worden opgevangen en worden gebruikt in een kleine gasturbine. Het gebied ten westen van de Grubbenweg is de groeve waar de concessie voor gaat aflopen, de noordelijke uitloper is nog in gebruik als agrarisch gebied. Plaatselijk is de groeve nog in (extensief) gebruik, andere delen zijn inmiddels begroeid met een kruiden- en struiklaag. Op de hellingen groeien de eerste bomen. Onderstaande foto’s geven een indruk van het plangebied.
2
Bureau Meervelt
Quickscan groevepark Schinnen
Figuur 3 en 4: Impressie van de groeve.
Figuur 5 en 6: Impressie van de omgeving. Links: agrarisch gebied direct ten noorden van de groeve. Rechts: Fraaie holle weg ten noordwesten van de groeve.
1.4 Opzet van de quickscan In hoofdstuk 2 en 3 worden respectievelijk de gebieds- en soortbescherming uitgewerkt. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op houtopstanden. In hoofdstuk 5 wordt een korte oriëntatie gegeven op de mogelijkheden om een meerwaarde te creëren bij de nieuwe inrichting. In hoofdstuk 6 worden de conclusies op een rij gezet en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen beschreven. In bijlage 1 wordt relevante achtergrondinformatie op het gebied van natuurwetgeving en beleid weergegeven. In bijlage 2 zijn de gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (Quickscanhulp) opgenomen.
3
Bureau Meervelt
2.
Quickscan groevepark Schinnen
ANALYSE GEBIEDSBESCHERMING
2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt per afwegingskader aangegeven of het plangebied deel uitmaakt van een beschermd gebied en wordt inzichtelijk gemaakt of door de geplande ingreep een mogelijk negatieve invloed te verwachten is op aanwezige beschermde gebieden in de omgeving. Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn twee afwegingskaders relevant: • Afwegingskader Wet Natuurbescherming, • Afwegingskader Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Natuurnetwerk Nederland). Bij onbekendheid met deze afwegingskaders wordt geadviseerd bijlage 1 eerst door te nemen.
2.2 Afwegingskader Wet natuurbescherming Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied (zie figuur 7). Het dichtstbij zijnde Natura 2000-gebied is Geleenbeekdal een afstand van circa 860 meter (dichtstbijzijnde deelgebied).
Figuur 7: Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000 gebied Geleenbeekdal (paars gearceerd). Het plangebied ligt buiten het Natura 2000-gebied. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient zekerheid geboden te worden omtrent het niet optreden van significante gevolgen door een plan of project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten. Als gevolg van de werkzaamheden in het plangebied kunnen storingsfactoren optreden als geluid en optische verstoring. Met het oog op de huidige voorziene ontwikkelingen (in hoofdlijnen) vindt geen uitstraling van storingseffecten tot in het Natura 2000-gebied te verwachten is, met uitzondering van mogelijk stikstofdepositie. Eventuele projectgerelateerde emissie in de aanlegfase door de inzet van mobiele werktuigen en (vracht)verkeer dient in kaart gebracht te worden. Hiervoor is een AERIUS-berekening nodig. Ook eventuele stikstofemissies in de gebruiksfase dienen in kaart gebracht te worden. Hierbij kan gedacht worden aan emissies door verkeer (het project heeft een verkeersaantrekkende werking) of het gebruik van de recreatiewoningen. Op grond van de resultaten van een
4
Bureau Meervelt
Quickscan groevepark Schinnen
dergelijke berekening kunnen vervolgstappen, zoals het uitvoeren van een voortoets, passende beoordeling en/of het aanvragen van een vergunning Wet natuurbescherming nodig zijn.
2.3 Afwegingskader Omgevingsverordening Provincie Limburg 2014 In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De begrenzing en bescherming van het NNN is in Limburg als Goudgroene natuurzone vastgelegd in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014. Met de Beleidsregel natuurcompensatie geeft de Provincie Limburg invulling aan het natuurcompensatiebeleid uit de Omgevingsverordening. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN dienen getoetst te worden aan de Omgevingsverordening Ruimte. Uit onderstaande figuur 8 blijkt dat het plangebied deels overlapt met de Goudgroene natuurzone, deels met de Zilvergroene natuurzone en deels met de Bronsgroene landschapszone.
Figuur 8: Ligging van het plangebied ten opzichte van de Goudgroene en Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone (Limburg Atlas, 2020). Het NNN/de Goudgroene natuurzone kent geen ‘externe werking’ (geen geldigheid van de beleidsregels buiten de grenzen van de Goudgroene natuurzone). Uit jurisprudentie blijk wel dat bij vaststelling van een plan rekening gehouden dient te worden met de ligging van een plangebied ten opzichte van het NNN en eventueel aanwezige ecologische verbindingszones1. De raad dient bij vaststelling van een bestemmingsplan afwegingen te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de gevolgen van het plan niet onaanvaardbaar voor de omgeving moeten zijn. De beleidsregel Natuurcompensatie is van toepassing als voorafgaand aan de activiteit is vastgesteld dat de wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene natuurzone worden vernietigd, verstoord en/of versnipperd en/of de kernkwaliteiten van de Bronsgroene landschapszone en/of van het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg worden vernietigd, verstoord en/of versnipperd.
1
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2016:2508 5
Bureau Meervelt
Quickscan groevepark Schinnen
2.3.1 Goudgroene natuurzone Voor (te realiseren) natuurgebieden zijn de nagestreefde natuurdoeltypen vastgelegd op de ambitiekaart en de beheertypenkaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan. De beheertypenkaart brengt in beeld wat de actuele situatie is. De beheertypenkaart (figuur 9) is hieronder weergegeven. Wezenlijke kenmerken en waarden in de Goudgroene natuurzone in het plangebied zijn het Dennen-, eiken- en beukenbos en Haagbeuken en essenbos (zie figuur 9). De wezenlijke actuele en potentiële waarden van het gebied zijn in het licht van natuurdoelen en kwaliteit niet alleen de aanwezige flora en fauna maar bijvoorbeeld ook de geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid van de landschapsstructuur.
N15.02; Dennen-, eiken- en beukenbos
N14.03; Haagbeukenen essenbos
Figuur 9: Beheertypenkaart (Limburg Atlas, 2020). N15.02 is donkergroen, N14.03 is lichtgroen weergegeven op de kaart. Binnen de Goudgroene natuurzone vinden volgens het huidige plan geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats. Mocht in de uitwerking van de plannen toch blijken dat ontwikkelingen in deze zone gaan plaatsvinden dan kan ervan uitgegaan worden dat bestaande waarden aangetast worden. Aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden in de Goudgroene natuurzone is niet toegestaan op grond van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Er zijn drie mogelijke uitzonderingen. 1. Het verbod van artikel 2.6.2 betreffende de Goudgroene natuurzone is niet van toepassing op nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten, indien: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn en c. uit het ruimtelijk plan2 blijkt dat en hoe negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij: 1. de compensatie niet mag leiden tot verlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; en 2. de compensatie plaatsvindt: op financiële wijze of in natura in nog niet gerealiseerde delen van de Goudgroene natuurzone. 2. Het verbod van artikel 2.6.2 is ook niet van toepassing als een saldobenadering plaatsvindt bij samenhangende ontwikkelingen. 2
Onder een ruimtelijk plan valt een bestemmingsplan, wijzigings- of uitwerkingsplan, beheersverordening, omgevingsvergunning
of projectuitvoeringsbesluit. De exacte omschrijving van dit begrip is opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014. 6
Bureau Meervelt
Quickscan groevepark Schinnen
3. Het verbod van artikel 2.6.2 is niet van toepassing op een individuele, kleinschalige ingreep die leidt tot een verbetering van de Goudgroene natuurzone in het desbetreffende gebied. Voor de volledige tekst en voorwaarden wordt verwezen naar paragraaf 2.6 van de geconsolideerde versie (GC03) van de omgevingsverordening Limburg 2014.
2.3.2 Zilvergroene natuurzone De landschapskaart van de provincie Limburg is geraadpleegd om zicht te krijgen op de in het plangebied vastgestelde kernkwaliteiten. De bedoelde kernkwaliteiten van de Zilvergroene natuurzone zijn weergegeven in figuur 10. In deze zone is de ontwikkeling van verblijfsrecreatie gepland.
Figuur 10: Kernkwaliteiten groen karakter in het plangebied. Aangegeven zijn kernkwaliteiten kruis, heg of haag, bomen, bos en dalbodem en cultuurhistorisch element (oud pad) (Atlas Limburg, 2020). De Omgevingsverordening Limburg stelt de volgende eisen aan ontwikkelingen in de Zilvergroene natuurzone: ‘1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Zilvergroene natuurzone, bevat een beschrijving van: a. de waarde van het plangebied als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen de Goudgroene natuurzone met het oog op de impact voor de habitattypen in de Natura 2000-gebieden; b. de waarde van het plangebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van de Goudgroene natuurzone; c. de wijze waarop rekening is gehouden met de waarden onder 1a en 1b en op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaatsvindt van bedoelde waarden; 2. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Zilvergroene natuurzone, bevat tevens een beschrijving van: a. de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten; b. de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan; en c. hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd.
Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden (kernkwaliteit “Groene karakter”) wordt de beleidsregel als bedoeld in artikel 2.6.7, tweede lid, gevolgd.’ Met de beleidsregel wordt de Beleidsregel natuurcompensatie bedoeld.
7
Bureau Meervelt
Quickscan groevepark Schinnen
Benodigde vervolgstap voor de voorgenomen ontwikkeling (bouw recreatiewoningen) in de Zilvergroene natuur is het maken van een beschrijving en toelichting zoals in de Omgevingsverordening bedoeld. Indien sprake is van negatieve effecten dan dienen deze te worden gecompenseerd op grond van de Beleidsregel natuurcompensatie. 2.3.3 Bronsgroene landschapszone De Omgevingsverordening Limburg stelt de volgende eisen aan ontwikkelingen in de Bronsgroene landschapszone: 1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden (kernkwaliteit “Groene karakter”) wordt de beleidsregel als bedoeld in artikel 2.6.7, tweede lid, gevolgd. 2. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. 3. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn nader uitgewerkt in de bijlage bij dit artikel. Het zuidelijke deel van het plangebied is aangemerkt als Bronsgroene landschapszone.
In de huidige situatie is de groeve nog in gebruik en worden regelmatig werkzaamheden uitgevoerd. Binnen het gebied waar nog op actieve wijze werkzaamheden worden uitgevoerd ontbreken kernkwaliteiten. De randen van het gebied ontwikkelen zich wel al langere tijd op natuurlijke wijze. Een deel van de voorgenomen ontwikkelingen gaat plaats vinden in de Bronsgroene landschapszone onder meer de inrichting als natuur en de inrichting ten behoeve van het recreatief gebruik. Benodigde vervolgstap voor de voorgenomen ontwikkeling (natuur en inrichting ten behoeve van recreatief gebruik) in de Bronsgroene landschapszone is het maken van een toelichting zoals in de Omgevingsverordening bedoeld. Indien sprake is van negatieve effecten dan dienen deze te worden gecompenseerd op grond van de Beleidsregel natuurcompensatie.
8
Bureau Meervelt
3.
Quickscan groevepark Schinnen
ANALYSE SOORTBESCHERMING
3.1 Inleiding Ten aanzien van soortbescherming is de Wet natuurbescherming relevant. Voor meer informatie over dit afwegingskader wordt verwezen naar bijlage 1. In de Wet natuurbescherming zijn drie beschermingsregimes vastgesteld: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; 3. Beschermingsregime andere soorten (ook wel de Nationale lijst genoemd). De bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn uitgewerkt in de ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in de provincie Limburg’. Voor soorten kan een vrijstelling gelden bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer en onderhoud. Deze vrijstellingslijst kan per provincie verschillend zijn. De lijsten per beschermingsregime en de vrijstellingslijst zijn opgenomen in bijlage 1. Bij onbekendheid met dit wettelijk kader wordt geadviseerd deze bijlage eerst door te nemen. In dit hoofdstuk wordt onderzocht of beschermde soorten ter hoogte van het plangebied en de omgeving daarvan (kunnen) voorkomen. Daartoe zijn gegevens verzameld van de sites van de provincie Limburg en de Nationale Databank Flora en Fauna (Quickscanhulp). Hierbij dient opgemerkt te worden dat de groeve zelf niet toegankelijk is en waarschijnlijk ook niet was tijdens de kartering door de provincie.
Dat betekent dat alleen waarnemingen van de randen beschikbaar zijn. De natuurgegevens van de NDFF Quickscanhulp (zie bijlage 2) betreffen eveneens de gegevens uit de randen van het plangebied en de directe omgeving daarvan. De waarnemingen uit de laatste vijf jaar zijn beoordeeld op relevantie voor het plangebied3. Voor informatie over potentiële broedvogels zijn de natuurgegevens van de provincie Limburg geraadpleegd en wordt een inschatting gemaakt op basis van het veldbezoek en expert judgement. De gegevensset is samengesteld in juli 2020 en aangevuld met een oriënterend veldbezoek in dezelfde maand. De resultaten van het veldbezoek zijn (voor zover relevant) in deze rapportage opgenomen. Indien beschermde soorten aanwezig (kunnen) zijn, wordt aangegeven welke eventuele vervolgstappen moeten worden doorlopen.
3.2 Flora In 2008 heeft de provincie Limburg een florakartering uitgevoerd in de omgeving van het plangebied waarbij Floraen faunawet soorten4, Limburgse Lijst soorten en schaarse soorten in kaart zijn gebracht. Kleine maagdenpalm en Rapunzelklokje werden waargenomen in en in de omgeving van het plangebied. Deze soorten waren destijds nog beschermd, onder de huidige Wet natuurbescherming zijn deze soorten niet meer beschermd. Hoewel deze gegevens verouderd zijn geven ze een indicatie van de botanische waarde (of het ontbreken daarvan) van de omgeving. In onderstaande tabel 1 zijn de waarnemingen van beschermde soorten planten opgenomen rond het plangebied uit de laatste vijf jaar.
3
In de NDFF worden ook gegevens uit andere bronnen geïmporteerd zoals gegevens van de NGO’s en waarneming.nl; updates
vinden halfjaarlijks plaats waardoor gegevens met enige vertraging beschikbaar kunnen komen in de NDFF. 4
Op 1 januari 2017 is de Flora- en faunawet opgegaan in de Wet natuurbescherming en daarbij is de lijst met beschermde planten
aangepast. 9
Bureau Meervelt
Quickscan groevepark Schinnen
Tabel 1: Overzicht waargenomen beschermde soorten planten in een straal van 1 kilometer rond het plangebied (bron: NDFF Quickscanhulp). Naam
Groep
Beschermingsregime
Afstand
Grote leeuwenklauw
Vaatplanten
Andere soorten
0 - 1 km
Ruw parelzaad
Vaatplanten
Andere soorten
0 - 1 km
Van Grote leeuwenklauw is een waarneming bekend uit 2018 (waarneming.nl), de groeiplaats werd aangetroffen op de al afgedekte stortplaats. De aanwezigheid in de groeve is nagenoeg uit te sluiten: het voorkeursbiotoop is kalkrijke akkers (https://www.verspreidingsatlas.nl/0074#). Ruw parelzaad, een plant van akkers, op omgewerkte en braakliggende grond, blijkt voornamelijk bekend uit de berm van de westelijk gelegen Lindenweg. Tijdens het veldbezoek bleek de agrarische omgeving van de groeve soortenarm, in de holle wegen was de plantengroei meer divers. Nader onderzoek of een ontheffing voor planten is niet nodig.
3.3 Zoogdieren In onderstaande tabel 2 zijn waarnemingen opgenomen van zoogdieren rond het plangebied in de laatste vijf jaar. Tabel 2: Overzicht waargenomen beschermde soorten zoogdieren rond het plangebied (bron: NDFF). Grijs: soorten waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer of onderhoud. Naam
Groep
Beschermingsregime
Afstand
Das
Zoogdieren
Andere soorten
0 - 1 km
Eekhoorn*
Zoogdieren
Andere soorten
0 - 1 km
Egel
Zoogdieren
Andere soorten
0 - 1 km
Gewone dwergvleermuis
Zoogdieren
wnb-hrl
0 - 1 km
Gewone grootoorvleermuis
Zoogdieren
wnb-hrl
0 - 1 km
Hermelijn
Zoogdieren
Andere soorten
0 - 1 km
Wezel
Zoogdieren
Andere soorten
0 - 1 km
Wild zwijn
Zoogdieren
Andere soorten
0 - 1 km
*Vrijstelling geldt voor de maanden maart, april en juli t/m november.
Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek werden vele bewoningssporen en wissels van Das aangetroffen in de holle wegen ten noordwesten en oosten van de groeve. Het agrarische deel van het plangebied maakt met zekerheid deel uit van het leef- en foerageergebied. Het is onzeker of de groeve zelf toegankelijk is voor Das, de groeve lijkt volledig met hekwerk omgeven maar is mogelijk plaatselijk voor dieren toegankelijk. Aanwezigheid van burchten of holen in het plangebied is niet uitgesloten, niet alle delen zijn bezocht. Nader onderzoek is nodig om na te gaan of in de groeve burchten aanwezig zijn. Vaste verblijfplaatsen van Das zijn beschermd op grond van de Wet natuurbescherming. Ook de omgeving, die nodig is voor de functionaliteit van deze verblijfplaatsen, geniet bescherming. Door de voorgenomen ontwikkelingen verdwijnt een deel van het foerageergebied en neemt de rust in het gebied sterk af. Bouwactiviteiten kunnen aanwezige burchten aantasten. De kans op verkeersslachtoffers neemt sterk toe door toenemend verkeer op de Grubbenweg. Nader onderzoek is nodig om te bepalen waar burchten en holen aanwezig zijn en in hoeverre deze functioneel kunnen blijven bij de voorgenomen ontwikkelingen. Als dit niet het geval is, kan een ontheffing nodig zijn en dienen effecten gemitigeerd of gecompenseerd worden. Tijdens het veldbezoek werden sporen van Wild zwijn aangetroffen.
De groeve en de holle wegen maken deel uit van het leefgebied van deze soort. Vaste verblijfplaatsen van Wild zwijn zijn eveneens beschermd. Het voorkomen van deze verblijfplaatsen in het plangebied en omgeving dient nader onderzocht te worden.
10
Bureau Meervelt
Quickscan groevepark Schinnen
Andere sporen of zoogdieren werden tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. In het plangebied komen met zekerheid meer soorten zoogdieren voor. Te verwachten zijn diverse soorten muizen, Mol, Steenmarter (geen verblijfplaats) en Vos. Voor deze en andere algemeen voorkomende soorten (grijs weergegeven in de tabel) geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen voor het vernietigen van verblijfplaatsen. Nader onderzoek is niet nodig, wel geldt de zorgplicht. Vleermuizen Uit de verzamelde gegevensset blijkt dat Gewone dwergvleermuis en Gewone grootoorvleermuis uit de omgeving van het plangebied bekend zijn. Mogelijk komen ook andere soorten vleermuizen voor. Vaste verblijfplaatsen van vleermuizen zijn strikt beschermd net als vlieg- en foerageerroutes die essentieel zijn om de verblijfplaatsen functioneel te houden. Vernietigen of verstoren van verblijfplaatsen en of individuen is niet toegestaan. In de groeve ontbreken geschikte verblijfsplaatsen. Geschikte verblijfsplaatsen zijn mogelijk aanwezig in de oudere bomen in de oostelijke en westelijk gelegen holle wegen. Indien hier (vellings)werkzaamheden worden uitgevoerd dient vooraf te worden nagegaan of hier geschikte verblijfsplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn. Voor het kappen van bomen met een verblijfplaats is een ontheffing nodig.
In geval van grootschalige bomenkap rond de groeve dient ook vooraf onderzocht te worden of de te kappen bomen deel uitmaken van essentiële vlieg- en foerageerroutes. Ook voor dit soort kapactiviteiten kan een ontheffing nodig zijn. Verlichting tijdens avonduren en nachtelijke uren dient tot een minimum beperkt te blijven en uitstraling naar de aanwezige groene zones (met mogelijk verblijfplaatsen) is niet toegestaan. Door het uitvoeren van onderzoek naar de huidige betekenis van het plangebied en omgeving voor vleermuizen kan meer zekerheid verkregen worden over de noodzaak van dit soort maatregelen. Indien dit niet gewenst is, dient ervan uitgegaan te worden dat genoemde functies aanwezig zijn in het plangebied en de omgeving en dient hiermee rekening gehouden te worden. Door een natuurlijke inrichting, met een toename van planten in de groeve en daarmee samenhangend een groter aantal soorten insecten, neemt de betekenis van het gebied als foerageergebied naar verwachting toe.
3.4 Vogels In de Wet natuurbescherming zijn verbodsbepalingen opgenomen met betrekking tot vogels in het Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. In grote lijnen komen deze verbodsbepalingen op het volgende neer: • het is verboden vogels te doden of te vangen, • het is verboden in gebruik zijnde nesten en rustplaatsen te beschadigen of weg te nemen, • het is verboden eieren te beschadigen, te rapen of onder zich te hebben, • het is verboden vogels te storen behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Een ontheffing of vrijstelling is mogelijk onder bepaalde voorwaarden (zie ook bijlage 1). Jaarrond beschermde nesten Nesten van een aantal soorten zijn jaarrond beschermd; ook de functionele omgeving van deze jaarrond beschermde nesten is beschermd. Storing met als gevolg het (tijdelijk) verlaten van een jaarrond beschermd nest wordt beschouwd als vernielen van het nest als daardoor het broedsucces vermindert. De lijst van soorten met een jaarrond beschermd nest is hieronder opgenomen:
11
Bureau Meervelt
Quickscan groevepark Schinnen
Tabel 3: Lijst jaarrond beschermde vogelnesten (Beleidsregels tbv de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg, 6-12-2017). Soort
Categorie
Soort
Categorie
Boerenzwaluw
Categorie 2
Huiszwaluw
Soort
2
Roek
1
Boomvalk
3
Kerkuil
1
Slechtvalk
2
Bosuil
2
Oehoe
1
Steenuil
1
Gierzwaluw
2
Ooievaar
2
Torenvalk
3
Grote gele kwikstaart
2
Ransuil
3
Wespendief
3
Havik
3
Raaf
3
Zwarte wouw
3
Huismus
2
Rode wouw
3
Categorie 1:
Jaarrond gebruikte nesten (ook buiten broedseizoen gebruik van de nestplaats).
Categorie 2:
Zeer plaatstrouwe broedvogels of soorten die afhankelijk zijn van bebouwing Deze soorten broeden elk broedseizoen op dezelfde plaats en zijn daarin zeer conservatief. De fysieke voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar
Categorie 3:
Plaatstrouwe vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest omdat ze niet of nauwelijks in staat zijn om zelf een nest te bouwen. Deze soorten zijn niet in staat een geheel eigen nest te bouwen en maken gebruik van oude kraaiennesten of nesten waar zij eerder gebroed hebben. Of ze bouwen een nieuw nest op het oude nest van het voorgaande jaar en zijn extra kwetsbaar voor verstoring. Hier vallen ook roofvogels onder die zich sinds kort aan het vestigen zijn in de provincie waarvan de staat van instandhouding nog verre van gunstig van is.
Broedvogels waarbij getoetst moet worden of voldoende functioneel leefgebied aanwezig blijft Voor de soorten in onderstaande tabel dient te worden vastgesteld dat er voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is voor de soort om zich te kunnen vestigen. In dat geval geldt geen jaarronde bescherming van het nest. Als er onvoldoende alternatieve leefomgeving aanwezig is, geldt wel een jaarronde bescherming. Tabel 4: Soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is als er onvoldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is voor de soort om zich te kunnen vestigen. (Beleidsregels tbv de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg, 6-12-2017). Bijeneter
Grauwe klauwier
Kwartelkoning
Roerdomp
Wulp
Blauwe reiger
Grutto
Oeverzwaluw
Sperwer
Zomertortel Zwarte specht
Buizerd
IJsvogel
Paapje
Spotvogel
Draaihals
Kramsvogel
Ringmus
Visdief
Categorie 4:
Nesten van plaatstrouwe vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen indien de nestplaats verloren gaat. Ze zijn dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit niet in het geding mag komen. Indien de omgeving van de bekende nestplaats vernietigd wordt moet worden bepaald of er voldoende functionaliteit behouden blijft.
Voor kunstmatige nestgelegenheid geldt dat deze verplaatst mag worden als de functionaliteit effectief behouden blijft ondanks de verplaatsing. Nesten van andere soorten zijn buiten het gebruik voor de voortplanting niet beschermd. Broedvogels in het plangebied In 2008 heeft de provincie Limburg een broedvogelonderzoek in dit deel van Limburg uitgevoerd (het onderzoek richt zich op ‘schaarse, aandachts- of Rode Lijstsoorten’). Hierbij werden in de omgeving van het plangebied diverse soorten broedvogels aangetroffen waaronder Boomklever, Boomkruiper, Bosrietzanger, Bosuil, Buizerd, Ekster, Geelgors, Grasmus, Grauwe vliegenvanger, Groene specht, Grote bonte specht, Holenduif, Kleine bonte specht, Kleine plevier, Kneu, Patrijs, Spotvogel, Veldleeuwerik, Wielewaal, Zomertortel, Zwarte kraai en Zwarte roodstaart. Hoewel verouderd geven de broedvogelgegevens een indicatie van de soorten die kunnen broeden in het plangebied en de omgeving. Hieronder zijn enkele broedvogels die nadere aandacht behoeven zoals Bosuil (met jaarrond beschermde nest) en Buizerd en Zomertortel (jaarrond beschermd nest als er onvoldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is). Voor deze en andere soorten broedvogels geldt dat verstoring die leidt tot het verlaten van het nest, gezien wordt als een overtreding van de Wet natuurbescherming. 12
Bureau Meervelt
Quickscan groevepark Schinnen
In het plangebied en de omgeving kunnen verder tal van kleinere zangvogels broeden. Deze nesten zijn beschermd zo lang deze in gebruik zijn en de jongen afhankelijk zijn van het nest. Verstorende werkzaamheden in het broedseizoen zijn niet toegestaan. Een indicatie voor de broedperiode is 1 maart tot 15 juli. Let op: dit is slechts een indicatie, van belang is of broedende vogels aanwezig zijn of niet. Als ingrepen plaatsvinden in de delen met opgaand bos en de holle wegen, dient vooraf duidelijkheid verkregen te worden over aanwezige jaarrond beschermde nesten en de kans op verstoring daarvan. Een broedvogelinventarisatie is dan nodig.
3.5 Amfibieën en reptielen Uit alle geraadpleegde bronnen zijn geen waarnemingen bekend van amfibieën en reptielen. Het is onduidelijk of dit komt door ontbrekend onderzoek of dat de soorten daadwerkelijk ontbreken. Waarschijnlijk komen (in ieder geval incidenteel) groene kikker, Bruine kikker en Gewone pad in en rond het plangebied voor. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. De inrichting met permanent of droogvallend open water biedt gunstige vestigingsmogelijkheden voor de algemeen voorkomende amfibieën (voortplantingswater). De aanwezigheid van strikt beschermde soorten (Geelbuikvuurpad, Vroedmeesterpad etc.) is niet waarschijnlijk. Populaties van deze soorten komen voor op meer dan vijf kilometer afstand. Wel bestaat de kans dat Rugstreeppad in de groeve aanwezig is. Deze soort is bekend binnen een straal van vijf kilometer en is een echte pioniersoort. Opmerkelijk is het ontbreken van waarnemingen van Hazelworm en Levendbarende hagedis. Het plangebied en omgeving ogen geschikt als leefgebied. Geadviseerd wordt ervan uit te gaan dat deze soorten voor kunnen komen door voor deze soorten schadelijke werkzaamheden uit te voeren in de daarvoor vrijgestelde periode (voor Hazelworm is dit juli, augustus en september, voor Levendbarende hagedis is dit 15 aug t/m 15 oktober).
Eventueel kan onderzoek naar deze soorten uitgevoerd worden om zekerheid te krijgen over aan- of afwezigheid van deze soorten. Om duidelijkheid te krijgen over de aanwezigheid van Rugstreeppad dient voorafgaand aan de ontwikkelingen in de groeve een inventarisatie te worden uitgevoerd. Als deze soort aanwezig is dient waarschijnlijk een ontheffing te worden aangevraagd (afhankelijk van de ontwikkeling in het leefgebied).
3.6 Overige beschermde soorten In onderstaande tabel zijn waarnemingen opgenomen van overige soorten rond het plangebied in de laatste vijf jaar. Tabel 7: Overzicht van waargenomen overige beschermde soorten in een straal van 1 kilometer rond het plangebied (bron: NDFF Quickscanhulp). Naam
Groep
Beschermingsregime
Afstand
Iepenpage
Dagvlinders
Andere soorten
0 - 1 km
Veldparelmoervlinder
Dagvlinders
Andere soorten
0 - 1 km
Vliegend hert
Kevers
Andere soorten
0 - 1 km
Zeggekorfslak
Slakken
Habitatrichtlijn
0 - 1 km
Iepenpage is bekend uit de bebouwde kom van Spaubeek en Schinnen. Populaties van deze soorten zijn niet aanwezig op of in de directe nabijheid van het plangebied. Iepen ontbreken in en rond de groeve. Veldparelmoervlinders zijn bekend uit een klein gebied net ten oosten van Spaubeek. Geschikt biotoop (lage graslandvegetaties met veel Smalle weegbree) ontbreekt in de huidige situatie in het plangebied, waardoor de aanwezigheid van een populatie in de groeve is uit te sluiten. Vliegend hert komt voornamelijk voor in oudere bossen met dode stammen van eik en Es. Deze komen naar verwachting voor in de Grubbenweg. In deze zone worden geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Toenemende verkeersdruk in de avonduren kan wel zorgen voor verkeersslachtoffers van Vliegend hert; deze soort is vooral ’s 13
Bureau Meervelt
Quickscan groevepark Schinnen
avonds actief in de zomerperiode. Bij sterk toenemend verkeer wordt geadviseerd ook de betekenis van de toegangsweg tot het park te onderzoeken voor deze soort. Aanwezigheid van Zeggekorfslak is op voorhand uit te sluiten door het ontbreken van geschikt leefgebied (zeggemoeras). Aanwezigheid van andere beschermde soorten wordt niet waarschijnlijk geacht gezien het ontbreken van populaties in de omgeving en het aangetroffen biotoop.
14
Bureau Meervelt
4.
Quickscan groevepark Schinnen
HOUTOPSTANDEN, HOUT EN HOUTPRODUCTEN
4.1 Inleiding Ten aanzien van bescherming van bomen en houtopstanden zijn de volgende kaders relevant. Voor meer informatie over het afwegingskader in de Wet natuurbescherming wordt verwezen naar bijlage 1. 1. Wet natuurbescherming, 2. Algemene plaatselijke verordening van de gemeente.
4.2 Te kappen bomen en houtopstanden De kap van bomen is vooralsnog niet voorzien.
4.3 Wet natuurbescherming De houtopstanden in het plangebied kunnen worden beschouwd als houtopstanden die vallen onder de Wet natuurbescherming.
4.4 Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Het kappen van houtopstanden is niet toegestaan zonder vergunning van het bevoegd gezag indien die houtopstanden: • een stamdiameter hebben groter dan 40 cm, gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld en in eigendom zijn van overheden; • deel uitmaken van een particuliere houtopstand en niet staan in tuinen en erven behorende bij woningen; • deel uitmaken van het natuur- en bosgebied “Schinveldse Bossen”; • aanlegvergunningplichtig zijn op basis van het, op die locatie, vigerende bestemmingsplan en waarvoor overeenkomstig artikel 2.1, eerste lid, sub b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd*; • vergunningplichtig zijn op basis van hoofdstuk 4 van de Natuurbeschermingswet; • in het kader van een herplantplicht zijn aangeplant. Een aanvraag kan worden afgewezen als: • de boom geen hinder oplevert; • een markant onderdeel is van een bepaalde straat; • onderdeel uitmaakt van een bij elkaar behorende bomenrij; • een monumentale status heeft; • als anderen bezwaar maken tegen de kap van de boom. Afhankelijk van de te vellen opstanden dient nader te worden bepaald welke procedure(s) dienen te worden doorlopen.
15
Bureau Meervelt
5.
Quickscan groevepark Schinnen
ONTWIKKELING NATUURWAARDEN
Groeve Schinnen is vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw in een vijftal fasen ontgrond. De ontstane groeves aan de oostzijde zijn daarna als stort in gebruik genomen. De groeves worden niet meer met huisvuil gevuld, hier kan de natuur spontaan ontwikkelen. Deze twee groeves liggen in de noordelijke plateaurand. De hoogte in het plangebied loopt van 122,5 meter in het zuiden naar 87,5 meter in het noorden. Het hoogteverschil bedraagt circa 35 meter. De bodem van de groeve ligt op een hoogte van circa 85 meter. De randen van de groeves zijn op de kaart (figuur 11) goed herkenbaar aan de dicht opeenliggende hoogtelijnen, de hellingen van de groeven zijn steil. De omliggende bodems rond de groeve bestaan uit bergbrikgronden Figuur 11: Hoogtelijnen (Atlas Limburg, 2020). De dikke rode lijnen geven (siltige leem) en in noordelijke richting de hellingen van de twee groeves aan, van het dal bestaan de gronden uit löss- en terrashellinggronden. Open water ontbreekt in het gebied. De westelijk gelegen Groeve Spaubeek, een vergelijkbare groeve met dezelfde bodemopbouw, is een goede referentie voor de in Groeve Schinnen te verwachten natuurwaarden. De ontwikkeling van natuurwaarden is sterk afhankelijk van de doelstelling en het ingezette beheer. Op de wanden van groeve Schinnen is sprake van voedselarme omstandigheden.
In eerste instantie is hier vestiging van jong loofhout te verwachten met Berk en wilgen als belangrijkste soorten; deze ontwikkeling is al ingezet. Ook kan hier een ruigtekruidenvegetatie ontstaan met soorten als wilgenroosje en braam. De vaak bloemrijke ruigten zijn van grote betekenis voor insecten en kleine zangvogels. De bodem van de groeve bestaat uit een open zand en plaatselijk uit jonge opslag. Op de vochtigere delen is ontwikkeling van wilgen te verwachten (Schietwilg, Boswilg). Ook hier kan een ruigtekruidenvegetatie met wellicht ook Lisdodde en Riet ontstaan. Bij nietsdoen vindt in de eerste jaren naar verwachting een snelle ontwikkeling plaats waarin successiestadia elkaar snel opvolgen tot aan de fase van jong loofbos. Afhankelijk van de inrichting en het te voeren beheer kan de successie worden tegengegaan en kunnen open tot halfopen delen worden ontwikkeld. Op de hellingen ontstaat in de eerste fase een bos met pioniers: wilgen en berken. Daarna kunnen ook Zoete kers, Zomereik en Esdoorn op de hellingen gaan groeien. Vestiging van tal van dag- en nachtvlinders is te verwachten, waaronder op termijn mogelijk de zeldzame Veldparelmoervlinder (dagvlinder), Spaanse vlag (nachtvlinder) en tal van soorten bijen. In geval van kleine en tijdelijke open watertjes zijn er uitstekende mogelijkheden voor Rugstreeppad.
Op termijn is ook vestiging van Alpenwatersalamander en de algemenere soorten amfibieën te verwachten. Hazelworm komt voor in een straal van 5 km rond het plangebied.
Rugstreeppad
16
Bureau Meervelt
Quickscan groevepark Schinnen
Reeën en Dassen komen al in het gebied voor en naar verwachting komen al een aantal andere (kleine) zoogdieren voor. Tal van broedvogels zijn op de hellingen van de groeve te verwachten. Het gaat dan vooral om kleine zangvogels als Geelgors, Kneu, Grasmus en Roodborsttapuit. Dit zijn karakteristieke soorten van structuurrijke ruigtes en jonge opslag. Met het ouder worden van de opgaande vegetatie gaat dit spectrum over in broedvogels als Tjiftjaf, Fitis, Zwartkop, Tuinfluiter en Spotvogel. In de holle wegen broeden Buizerd en Bosuil.
17
Bureau Meervelt
6.
Quickscan groevepark Schinnen
CONCLUSIES
6.1 Conclusies gebiedsbescherming •
Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbij zijnde Natura 2000-gebied is Geleenbeekdal op een afstand van circa 860 meter (dichtstbijzijnde deelgebied). Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient zekerheid geboden te worden omtrent het niet optreden van significante gevolgen door een plan of project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten. Als gevolg van de werkzaamheden in het plangebied kunnen storingsfactoren optreden als geluid en optische verstoring. Met het oog op de huidige voorziene ontwikkelingen (in hoofdlijnen) vindt geen uitstraling van storingseffecten tot in het Natura 2000-gebied plaats, met uitzondering van mogelijk stikstofdepositie. Eventuele project-gerelateerde emissie in de aanlegfase door de inzet van mobiele werktuigen en (vracht)verkeer dient in kaart gebracht te worden. Hiervoor is een AERIUS-berekening nodig. Ook eventuele stikstofemissies in de gebruiksfase dienen in kaart gebracht te worden. Hierbij kan gedacht worden aan emissies door verkeer (het project heeft een verkeersaantrekkende werking) of het gebruik van de recreatiewoningen. Op grond van de resultaten van een dergelijke berekening kunnen vervolgstappen, zoals het uitvoeren van een voortoets, passende beoordeling en/of het aanvragen van een vergunning Wet natuurbescherming nodig zijn.
•
Omgevingsverordening Limburg Binnen de Goudgroene natuurzone vinden volgens het huidige plan geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats. Mocht in de uitwerking van de plannen toch blijken dat ontwikkelingen in deze zone gaan plaatsvinden dan kan ervan uitgegaan worden dat bestaande waarden aangetast worden. Aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden in de Goudgroene natuurzone is niet toegestaan (behoudens enkele uitzonderingen) als niet in compensatie wordt voorzien. Bij ingrepen in de Goudgroene natuurzone dient overleg plaats te vinden met de provincie Limburg en dient een compensatieplan te worden opgesteld op grond van de Beleidsregel natuurcompensatie. Voor ontwikkelingen in de Zilvergroene natuurzone (bouw recreatiewoningen) is een benodigde vervolgstap het maken van een beschrijving en toelichting zoals in de Omgevingsverordening bedoeld. Indien sprake is van negatieve effecten dan dienen deze te worden gecompenseerd op grond van de Beleidsregel natuurcompensatie. Benodigde vervolgstap voor de voorgenomen ontwikkeling (natuur en inrichting ten behoeve van recreatief gebruik) in de Bronsgroene landschapszone is het maken van een toelichting zoals in de Omgevingsverordening bedoeld. Indien sprake is van negatieve effecten dan dienen deze te worden gecompenseerd op grond van de Beleidsregel natuurcompensatie.
18
Bureau Meervelt
Quickscan groevepark Schinnen
6.2 Conclusies soortbescherming Het plangebied is leefgebied van enkele beschermde soorten. Voor veel van de voorkomende soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. In het algemeen geldt: als dieren worden aangetroffen in het plangebied geldt te allen tijde geldt de zorgplicht5. Bij het onverhoopt toch aantreffen van beschermde planten- of diersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt en die niet in de tabel zijn opgenomen, dienen de werkzaamheden te worden stilgelegd en dient contact opgenomen te worden met een ecoloog om benodigde vervolgstappen te bespreken. Voor een aantal soorten is nader aandacht nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Deze soorten zijn opgenomen in onderstaande tabel 8.
•
•
Tabel 8: Soorten waarvoor nader aandacht nodig is. Soort
Das
Activiteit
Mogelijke
Onderzoek
overtreding
nodig?
Indicatie van (mitigerende) maatregel
Ontheffing nodig
Recreatie/ bouw
Doden van
verblijfsrecreatie
individuen,
Ja, burchten
Burchten dienen behouden te blijven, dit
Afhankelijk van uitkomst
in en rond
betekent dat werkzaamheden niet in de
onderzoek en
mogelijke
plangebied in
directe omgeving van burchten mogen
mogelijkheden mitigatie.
vernietiging
beeld brengen
plaatsvinden. Ook een dusdanige
Voor vernietiging van
verstoring waardoor een burcht verlaten
burcht is altijd een
wordt, geldt als vernietiging van de
vergunning nodig.
verblijfsplaatsen
burcht. Wild zwijn
Recreatie/ bouw
Mogelijke
Vaste verblijfplaatsen dienen behouden
Afhankelijk van uitkomst
verblijfsrecreatie
vernietiging
Ja
te blijven, dit betekent dat
onderzoek en
verblijfsplaatsen
werkzaamheden niet in de directe
mogelijkheden mitigatie.
omgeving van vaste verblijfplaatsen
Voor vernietiging van
mogen plaatsvinden. Ook een dusdanige
vaste verblijfplaatsen is
verstoring waardoor een vaste
altijd een vergunning
verblijfplaats verlaten wordt, geldt als
nodig.
vernietiging van deze verblijfplaats. Vleermuizen
Kap van bomen
Doden van
Ja, bij kap van
Bomen met holten en bomen in de
Ja, bij kap van bomen met
individuen,
bomen
omgeving daarvan behouden. Als kap
vaste rust- en
mogelijke
van bomen met een verblijfplaats niet
verblijfplaatsen.
vernietiging
voorkomen kan worden, dan dient een
verblijfsplaatsen
activiteitenplan opgesteld te worden en een ecologisch werkprotocol als achtergronddocumenten bij de ontheffingsaanvraag.
Broedvogels
Diverse
Doden van
Nee, mits
Werkzaamheden uitvoeren buiten de
Nee, mits gewacht wordt
werkzaamheden
individuen,
mitigerende
broedperiode 1 maart - 15 juli. Let op:
met verstorende
verstoring en
maatregelen
ook buiten deze periode kunnen nog
werkzaamheden tot na het
vernietiging van
genomen
broedende vogels aanwezig zijn. Ook
broedseizoen.
nesten
worden
deze nesten zijn beschermd. Raadpleeg bij twijfel een ecoloog.
5
De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wet natuurbescherming. In het tweede lid
wordt de zorgplicht nader geconcretiseerd door te bepalen dat deze plicht inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1.
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,
2.
indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te
3.
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
voorkomen, of
19
Bureau Meervelt
Rugstreeppad
Quickscan groevepark Schinnen
Inrichting groeve
Als deze soort aanwezig is dient
Ja, bij aanwezigheid van
individuen,
Doden van
Ja
(afhankelijk van de ontwikkeling) een
deze soort
vernietiging van
activiteitenplan opgesteld te worden en
vaste rust- en
een ecologisch werkprotocol als
verblijfplaatsen
achtergronddocumenten bij de ontheffingsaanvraag.
Vliegend hert
Verkeer
Doden van
Bij een sterk
Afhankelijk van de locatie waar ze
Ja, bij kans op doden van
individuen
aantrekkende
voorkomen
individuen
verkeerswerking
6.3 Conclusies Houtopstanden, hout en houtproducten Afhankelijk van de te vellen opstanden dient nader te worden bepaald welke procedure(s) dienen te worden doorlopen
20
Bureau Meervelt
7.
Quickscan groevepark Schinnen
LITERATUURLIJST EN WEBSITES
Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal blad, 6 december 2017. Buggenum H.J.M. van, R.P.G. Geraeds & A.J.W. Lenders, 2009. Herpetofauna van Limburg. Verspreiding en ecologie van amfibieën en reptielen in de periode 1980 - 2008. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no. 79-409 inzake het behoud van de Vogelstand. Brussel, 1979. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no. 92-43 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Brussel, 1992. Huizenga C.E., R.W. Akkermans, J.C. Buys, J. van der Coelen, H. Morelissen & L.S.G.M. Verheggen, 2010. Zoogdieren van Limburg, verspreiding en ecologie in de periode 1980 - 2007. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht. Lange R., P. Twist, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij van de KNNV, VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten, 1994. Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2012. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Provincie Limburg, 2014. Geconsolideerde versie (gc03) van de omgevingsverordening Limburg. Stobbelaar D.J. & H. Hoofwijk, 2009. Groeven en Graven. Nieuw leven voor voormalige zandgroeven in ZuidLimburg. Wetenschapswinkel Wageningen.
Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke milieu in Europa, 1979. Bern.
www.limburg.nl www.natuurgegevenslimburg.nl www.zoogdiervereniging.nl www.ravon.nl
21
Bijlage 1a Achtergronden Wet natuurbescherming
In deze bijlage wordt kort ingegaan op een relevant geachte selectie uit de Wet natuurbescherming. Aan deze bijlage kunnen geen rechten worden ontleend. Voor de volledige tekst wordt verwezen naar de Wet natuurbescherming.
Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De wet bestaat uit 12 hoofdstukken waarvan voor deze quickscan de eerste vier hoofdstukken relevant zijn: - Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen - Hoofdstuk 2: Natura 2000 - Hoofdstuk 3: Soorten - Hoofdstuk 4: Houtopstanden, hout en houtproducten De overige hoofdstukken behandelen vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen, financiële bepalingen, handhaving, overige aspecten, overgangsrecht en de wijziging en samenloop van en met andere wetten en/of wetsvoorstellen. De quickscan beperkt zich tot toetsing aan de eerste vier hoofdstukken. Eventueel relevante bepalingen over vrijstellingen (bijvoorbeeld bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer en onderhoud) worden in de quickscan ook meegenomen,
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) verleent ontheffingen en vergunningen voor ruimtelijke ingrepen die gevolgen voor de natuur kunnen hebben zoals: •
Projecten van gebieden die niet op provinciaal niveau zijn ingedeeld.
•
Hoofdwegen, hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen.
•
Kustbescherming: primaire waterkeringen zoals kustverdediging en rivierveiligheidsmaatregelen, zoals Ruimte voor de Rivier
projecten. •
Activiteiten op militaire terreinen en oefengebieden.
•
Landelijk energietransportnetwerk (hoogspanningsverbindingen vanaf 220kV).
•
Gastransportnetwerk
•
Activiteiten van of door een lid van het Koninklijk Huis
•
Valkeniersaktes
Voor alle andere ontheffingen en vergunningen is de provincie verantwoordelijk.
In deze bijlage worden kort de kaders van de wet geschetst voor de gebiedsbescherming (Natura 2000), de soortbescherming en de houtopstanden.
•
Natura 2000
De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo wordt voorkomen dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Natura 2000 vormt de component gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden (www.synbiosys.alterra.nl).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Voor de habitattypen en (vogel)soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden worden aangewezen, zijn door de overheid instandhoudingsdoelen opgesteld. Toetsing vindt altijd plaats in het licht van deze instandhoudingsdoelen. Ontwikkelingen alleen plaats kunnen vinden als zekerheid verkregen is omtrent het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel de verstoring van soorten. Er is sprake van significante gevolgen als de instandhoudingsdoelstellingen door menselijk handelen (mogelijk) niet gehaald worden. Een vergunning kan alleen verleend worden als zeker is dat het plan of project niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken. Met andere woorden: er mogen best activiteiten ontplooid worden in of bij een Natura 2000-gebied, zolang een activiteit maar niet leidt tot significante gevolgen.
Voor alle Natura 2000-gebieden worden beheerplannen opgesteld. Daarin staan de instandhoudingsdoelen, hoe deze doelen bereikt kunnen worden en voorbeelden van welke activiteiten zijn toegestaan en welke vergunningplichtig zijn. Natura 2000 heeft een externe werking. Dit betekent dat ook activiteiten buiten het Natura 2000-gebied, die negatieve gevolgen kunnen hebben voor het Natura 2000-gebied, getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming (denk bijvoorbeeld aan verdroging van een natuurgebied als gevolg van grootschalige wateronttrekking enkele kilometers verder).
In de quickscan wordt, als dat nodig is, een paragraaf opgenomen waarin de kans op significante negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt beoordeeld. Deze paragraaf kan gezien worden als een voortoets op grond waarvan overleg gevoerd kan worden met bevoegd gezag over de noodzaak van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Als significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten is in veel gevallen een passende beoordeling en een vergunning nodig.
•
Soortbescherming
Onafhankelijk van gebieden worden ook soorten beschermd in de Wet natuurbescherming. Ten aanzien van soorten gelden drie beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes komen gedeeltelijk overeen met elkaar, in detail verschillen ze echter. De groepen waarvoor de verschillende beschermingsregimes in het leven zijn geroepen worden hieronder weergegeven met de belangrijkste verbodsbepalingen. In de daaropvolgende lijsten worden de afzonderlijke beschermde soorten weergegeven.
1. Soorten van de Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen, eieren te rapen of onder zich te hebben en vogels zodanig te storen dat deze storing van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding.
2. Soorten van de Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Het is verboden deze dieren opzettelijk te doden of te vangen, te verstoren, eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
3. Nationaal aangewezen (overige soorten). Dit zijn soorten genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Het gaat om de bescherming van in nationaal opzicht te beschermen soorten, die zijn genoemd op de Vogel- of Habitatrichtlijn (art. 3.10 3.11 Wet natuurbescherming). Reden voor de bescherming is de maatschappelijke overtuiging dat deze dieren bescherming behoeven. Andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd. Het is verboden vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen of vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
De wet voorziet in mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen. Deze vrijstellingen dienen steeds bij verordening door provinciale staten te worden verleend. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het verlenen van een ontheffing. Aan Gedeputeerde staten van de provincies is in de Wet natuurbescherming beleidsvrijheid toegekend. De provincie Limburg heeft ter invulling van deze beleidsvrijheid ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ vastgesteld. Doel is om ruimte voor (ruimtelijke) ontwikkelingen in Limburg te bieden, soorten in een gunstige staat van instandhouding te houden en administratieve lasten en onderzoekslasten te minimaliseren. In deze beleidsregels worden verbodsbepalingen nader uitgelegd, worden indieningsvereisten voor een ontheffingsaanvraag uiteengezet, de eisen die aan onderzoek gesteld worden en wordt ingegaan op de ontheffing. Waar nodig worden in deze quickscan de beleidsregels betrokken. In onderstaande tabel zijn de soorten van de habitatrichtlijn en de andere soorten opgenomen. Tabellen met vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn opgenomen in de quickscan. Na deze tabel volgt een tabel met soorten waarvoor een vrijstelling is opgenomen bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer en onderhoud.