bijlage 1: tekst GR
Tekst van het document
Bijlage 1
Het college van [deelnemer],
overwegende de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022 is gewijzigd ter verbetering van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen;
alle gemeenschappelijke regelingen daarom voor 1 juli 2024 moeten worden aangepast; de Gemeenschappelijke
regeling RUD Zuid-Limburg mee heeft gedaan aan een gezamenlijk traject
regelingen om te komen tot gezamenlijke wijzigingen;
van 21 Limburgse gemeenschappelijke
in dit traject ook wijzigingen voortvloeiende
uit de Aanpassingswet
Wnra en de Wet elektronische
publicaties zijn voorgesteld;
in samenspraak met de archiefdeskundigen specifiek voor de RUD Zuid-Limburg
tot een nieuwe archiefbepaling
is gekomen, en;
een aantal aanvullende wijzigingen zijn voorgesteld in verband
van de Wet open overheid, Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur, de Bekendmakingswet en de Omgevingswet; met de inwerkingtreding
het in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet voorts wenselijk is om de naam van het openbaar lichaam te wijzigen in Omgevingsdienst Zuid-Limburg; het tevens wenselijk is om een aantal technische en tekstuele correcties door te voeren in de regeling;
gelet op:
artikel 51 en 53 van de Wet gemeenschappelijke artikel 35 van de Gemeenschappelijke de door de [gemeenteraad
regelingen;
regeling RUD Zuid-Limburg;
provinciale staten] verleende toestemming
[DATUM INVULLEN]
gelezen: het voorstel van het algemeen bestuur van de RUD Zuid-Limburg
van [DATUM lNVULLEN];
bes/uiten: tot wijziging van de gemeenschappelijke
luiden: Gemeenschappelijke
onderstaande integrale tekst.'
regeling RUD Zuid-Limburg,
regeling Omgevingsdienst
zodat die komt te
Zuid-Limburg, door vaststelling van
ALGEMENE
HOOFDSTUK1
BEPALINGEN
1 Begripsbepaling
Artikel
ln deze gemeenschappelijke
regeling wordt verstaan onder:
9.0.0'91
de regeling: deze gemeenschappelijke
regeling; het openbaar lichaam: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van deze regeling; deelnemers: de aan deze regeling deelnemende bestuursorganen; burgemeester en wethouders: de colleges van burgemeester en wethouders die deelnemen
aan deze regeling; gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg; de raden: de gemeenteraden van de gemeenten waarvan het college deelneemt aan de
regeling; Iso
provinciale staten: provinciale staten van de provincie Limburg; i
de minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties;
omgevingsdienst: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van de regeling; de Wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen; Werkgebied: het grondgebied van de provincie Limburg; van het Besluit activiteiten inrichting als bedoeld in paragraaf Seveso-inrichting: leefomgeving;
RIE: Richtlijn Industriële Emissies; taken als bedoeld in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit.
basistakenpakket:
Waar in deze regeling artikelen van de Provinciewet of de Gemeentewet, dan wel andere wettelijke regelingen van overeenkomstige toepassing worden verklaard, wordt, tenzij anders vermeld, in die artikelen voor de provincie, provinciale staten, gedeputeerde staten en de commissaris van de koning, respectievelijk de gemeente, de raad, burgemeesteren de burgemeester, gelezen: het openbaar lichaam, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.
wethouders,
Artikel 2 Instelling,
doel en beleid
Er is een openbaar lichaam welke rechtspersoonlijkheid
bezit als bedoeld in artikel
eerste lid,
van de Wet, genaamd Omgevingsdienst Zuid-Limburg. Het openbaar lichaam is gevestigd te Maastricht. Het openbaar lichaam is ingesteld ter behartiging van de belangen van de deelnemers
ter zake
toezicht en handhaving en advisering in het kader van het omgevingsrecht in het belang van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit in het werkgebied. van vergunningverlening,
HOOFDSTUK
2 TAKEN EN BEVOEGDHEDEN
Artikel 3 Basistaken De omgevingsdienst
voert voor alle deelnemers tenminste de taken uit zoals opgenomen in het
basistakenpakket. Naast de taken op het gebied van vergunningverlening,
takenpakket van de omgevingsdienst
ook coördinerende,
die voor de deelnemers tezamen worden verricht.
handhaving en toezicht behoren tot het
afstemmende en adviserende taken
milieutaken
Artikel
4 Specialistische
4.1
ln aanvulling op de taken uit het basistakenpakket kan de omgevingsdienst voor zover dit geen verstoring veroorzaakt in de uitvoering van de taken uit het basistakenpakket, op verzoek van een deelnemer,
4.2
ook specialistische milieutaken uitvoeren
Voor de uitvoering van de specialistische milieutaken worden afzonderlijke overeenkomsten gesloten tussen de rechtspersonen waartoe de deelnemers behoren en het openbaar lichaam.
Artikel 5 Andere taken fysieke leefomgeving 5.1
ln aanvulling op de taken uit het basistakenpakket en de specialistische milieutaken kan de omgevingsdienst, voor zover dit geen verstoring veroorzaakt in de uitvoering van de taken uit het basistakenpakket, op verzoek van een deelnemer en na goedkeuring van het algemeen bestuur, ook andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden op het
gebied van de zorg voor de fysieke leefomgeving verrichten. 5.2
Voor de uitvoering van de andere taken worden afzonderlijke overeenkomsten gesloten tussen de rechtspersonen waartoe de deelnemers behoren en het openbaar lichaam.
Artikel 6 Seveso-inrichtingen 6.1
De omgevingsdienst kan op verzoek van bevoegde gezagen en na goedkeuring van het dagelijks bestuur, ook buiten de provincie Limburg taken met betrekking tot Seveso-inrichtingen uitvoeren.
6.2
Artikel
kan taken die worden uitgevoerd voor bevoegde gezagen, na goedkeuring van het dagelijks bestuur, uitbesteden aan andere omgevingsdiensten die taken met betrekking De omgevingsdienst
tot Seveso-inrichtingen
coördineren
7 Werkzaamheden
voor derden
en uitvoeren.
5 en 6 bedoelde taken, kan de Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de in artikel en uitvoerende ondersteunende adviserende, van derden omgevingsdienst op verzoek werkzaamheden op het gebied van zorg voor de omgeving verrichten na goedkeuring van het
dagelijks bestuur.
HOOFDSTUK 3 BESTUURSORGANEN Artikel 8 Algemeen
Het bestuur heeft geen bevoegdheden overgedragen gekregen van de deelnemers. Artikel 9 Zienswijzeprocedure Het algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen dan nadat de raden onderscheidenlijk provinciale staten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun zienswijzen op het concept bij het
dagelijks bestuur naar voren te brengen.
3.1 HET ALGEMEEN
BESTUUR
Artikel
10 Samenstelling
10.1
Het algemeen bestuur bestaat uit zoveel leden als dat er deelnemers zijn.
Iedere deelnemer wijst uit zijn midden
10.2
deelnemer uit zijn midden tenminste
lid in het algemeen
plaatsvervangend
bestuur aan. Ook wijst iedere
lid aan dat het door hen benoemde
lid bij diens ontstentenis of verhindering vervangt.
Artikel
11 Zittingsduur
11.1
De (plaatsvervangende)
leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor een
en treden af op dedag waarop de zittingsperiode van de colleges van burgemeester en wethouders respectievelijk gedeputeerde staten afloopt. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen.
zittingsduur van vierjaar,
11.2
Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Dit gebeurt door mededeling aan het algemeen bestuur.
11.3
lndien tussentijds de plaats van een lid vacant komt, wijst de betreffende deelnemer zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
11.4
Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.
11.5
Bij het bestaan van
of meer vacatures blijven de resterende bestuursleden bevoegd
besluiten te nemen. Artikel 12 Incompatibiliteiten Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met een arbeidsovereenkomst andere ondergeschiktheidsrelatie
van de rechtspersonen
met
of
waartoe de deelnemers behoren of
met het openbaar lichaam.
Artikel
13 Bevoegdheden
13.1
Met betrekking tot de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar lichaam berust bij het algemeen bestuur alle bevoegdheid, die niet bij of krachtens deze regeling aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter is opgedragen of gedelegeerd.
13.2
Het algemeen bestuur heeft een eigen verordenende bevoegdheid met betrekking tot de ex artikel 216 en 217 van de Provinciewet en andere
vaststelling van de verordeningen
verordeningendie de bedrijfsvoering 13.3
van de omgevingsdienst
Naast de uitoefening van taken en bevoegdheden
betreffen.
op grond van het in deze regeling bepaalde,
is het algemeen bestuur in ieder geval belast met en bevoegd tot:
Het doen van voorstellen aan de deelnemers omtrent toetreding tot, uittreding uit, wijziging van of opheffing van de regeling;
Het doen van uitgaven voordat de begroting of begrotingswijziging,
waarbij deze uitgaven
zijn geraamd, is goedgekeurd;
Het aanwijzen van de accountant. 13.4
Het algemeen bestuur kan besluiten tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen,
vennootschappen,
waarborgmaatschappijen 13.5
verenigingen, coöperaties
en onderlinge
met inachtname van hetgeen daaromtrent
in de Wet is geregeld.
Een besluit als bedoeld in het vierde lid wordt niet genomen dan nadat de raden en provinciale staten een ontwerpbesluit
is toegezonden
en deze in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen
en bedenkingen ter kennis te brengen aan het algemeen bestuur.
13.6
Het algemeen bestuur is bevoegd tot het mede treffen van en tot het deelnemen aan een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de artikelen 93 en 96 van de Wet. Artikel 95 en 98 van de Wet zijn van overeenkomstige toepassing op deze bevoegdheden.
Artikel 14 Vergaderfrequentie Het algemeen bestuur vergadert tenminste het wettelijk voorgeschreven aantal keer. Meerdere vergaderingen kunnen worden ingelast wanneer de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig acht, of wanneer tenminste 1/5 van de leden van het algemeen bestuur, onder opgave van redenen, dit schriftelijk verzoekt.
Artikel 15 Besluitvorming 15.1
Een lid van het algemeen bestuur heeft twee of meer stemmen, waarvan het aantal is gerelateerd aan de taken die door de omgevingsdienst voor de afzonderlijke deelnemers worden uitgevoerd, alsmede het ?nanciële belang bij het openbaar lichaam van de deelnemer die door het lid wordt vertegenwoordigd.
15.2
De leden van het algemeen bestuur hebben in de vergadering de volgende stemmen:
Gemeente Beek: 4 Gemeente Beekdaelen: 8 Gemeente Brunssum:
2
Gemeente Eijsden-Margraten: Gemeente Gulpen-Wittem: Gemeente
2
2
Heerlen: 8
Gemeente Kerkrade: 4 Gemeente Landgraaf: 4 Gemeente Maastricht: 8 Gemeente Meerssen: 4 Gemeente Simpelveld: 2 Gemeente Sittard-Geleen: 8
Gemeente Stein: 8 Gemeente Vaals: 2
Gemeente Valkenburg aan de Geul: 2 Gemeente Voerendaal: 2
Provincie Limburg: 30 15.3
Besluitvorming deelnemers,
15.4
vindt plaats met een meerderheid van stemmen, tenzij in de regeling anders is bepaald.
uitgebracht door tenminste acht
Indien de stemmen met betrekking tot een bepaald voorstel staken, wordt het betrokken onderwerp aangehouden tot de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur. Indien de stemmen wederom staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Ingeval de stemmen
bij herstemming
over besluiten met betrekking tot benoeming, voordracht of aanbeveling van
personen staken, beslist terstond het lot. 15.5
Artikel 16.1
Bij het doen van benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen wordt schriftelijk gestemd, in de overige gevallen mondeling. 16 lnlichtingen-
betreffende personen
en verantwoordingsplicht
Het algemeen bestuur verschaft de raden, burgemeester en wethouders, provinciale staten of gedeputeerde staten, binnen een redelijke termijn alle inlichtingen die door deze organen of een of meer van 'hunleden worden gevraagd.
16.2
Het algemeen bestuur geeft de raden en provinciale staten schriftelijk alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk provinciale staten nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
16.3
Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door dit college of een of meer leden daarvan worden verlangd.
16.4
Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.
16.5
De colleges bepalen op welke wijze de door hen aangewezen leden aan hun plichten in het derde en vierde lid moeten voldoen.
16.6
Het derde tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige raden en provinciale staten respectievelijk
3.2 HET DAGELIJKS
Artikel
17.1
toepassing ten aanzien van de
een of meer leden daarvan.
BESTUUR
17 Samenstelling De leden van het dagelijks bestuur worden door en uit het algemeen bestuur gekozen in de eerste vergadering, waarin het algemeen bestuur in een nieuwe samenstelling bijeenkomt, dan wel in de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur, volgend op de beëindiging van het lidmaatschap van
of meer van de leden van het dagelijks bestuur.
17.2
Het algemeen bestuur bewaakt bij de aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur een evenwichtige spreiding over het werkgebied van het openbaar lichaam.
Artikel
18 Zittingsduur
18.1
Het lidmaatschap
van het dagelijks bestuur eindigt zodra het lidmaatschap
van het algemeen
bestuur eindigt of wanneer het lid van het dagelijks bestuur als zodanig ontslag neemt. 18.2
De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die door overlijden, ontslag of om een andere reden tussentijds zijn opengevallen vindt plaats binnen twee maanden na het tijdstip waarop de vacature is ontstaan. Een tussentijds tot lid van het dagelijks bestuur benoemd lid treedt af op het moment waarop degene in wiens plaats hij is benoemd zou aftreden.
18.3
Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk
mededeling aan het algemeen bestuur.
Artikel
19 Bevoegdheden
Naast de bevoegdheden op grond van de Wet is het dagelijks bestuur in ieder geval bevoegd:
het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam te voeren, waaronder het toezicht op het beheren van de financiën en de eigendommen van het openbaar lichaam; de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam in te richten en de werkwijze van de ambtelijke organisatie te bepalen en in dat kader instructies uit te vaardigen.
Artikel 20 Werkwijze 20.1
Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of ten minste twee leden dit nodig oordelen.
20.2
Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen. Dit reglement wordt medegedeeld aan het algemeen bestuur.
Artikel 21 Besluitvorming stem. ln het geval de stemmen staken, heeft de
21.1
De voorzitter en elk lid hebben ieder voorzitter een doorslaggevende stem.
21.2
De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten deuren gehouden, tenzij in de regeling anders is bepaald of het dagelijks bestuur anders bepaalt.
21.3
ln de vergaderingen van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
21.4
Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering.
21.5
Op de vergadering, bedoeld in het vierde lid, is het derde lid niet van toepassing. Het dagelijks bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerste vergadering was
belegd alleen beraadslagen en besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. 21.6
Bij het doen van benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen wordt schriftelijk gestemd, in de overige gevallen mondeling.
Artikel 22 lnlichtingen-
betreffende personen
en verantwoordingsplicht
22.1
Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.
22.2
Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
22.3
Het dagelijks bestuur geeft de raden en provinciale staten schriftelijk alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk provinciale staten nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
3.3 DE VOORZITTER
Artikel 23 Aanwijzing
23.1
en ontslag
Naast de voorzitter wordt een plaatsvervangend voorzitter door en uit het algemeen bestuur aangewezen die de voorzitter bij diens ontstentenis of verhindering vervangt.
23.2
De (plaatsvervangend) voorzitter vervult zijn functie voor de periode die parallel loopt met de zittingsduur van de leden van het algemeen bestuur zoals bepaald in artikel 11, en eindigt met de aanwijzing van een andere (plaatsvervangend)
23.3
voorzitter door het algemeen bestuur.
Het algemeen bestuur kan de (plaatsvervangend) voorzitter ontslaan indien deze het
vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Artikel 50 van de Provinciewet is van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit zijn artikel 4:8 en 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 24 Ondertekening
van stukken
De stukken die van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de voorzitter ondertekend. Artikel 25 lnlichtingenplicht De voorzitter geeft de raden en provinciale staten schriftelijk alle inlichtingen die de raden
onderscheidenlijk provinciale staten nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
HOOFDSTUK
4 COMMISSIES
Artikel 26 Bestuurscommissies Het algemeen bestuur kan met het oog op de behartiging van bepaalde belangen commissies instellen als bedoeld in artikel 25 van de Wet.
HOOFDSTUK Artikel
27.1
5 ORGANISATIEBEPALINGEN
27 De directeur
De omgevingsdienst
heeft een directeur die onder verantwoordelijkheid
van het dagelijks
bestuur belast is met de leiding van de omgevingsdienst en met de zorg voor een juiste
taakvervulling door de omgevingsdienst. 27.2
27.3
Het dagelijks bestuur legt de instructie van de directeur vast in een directiestatuut. De directeur van de omgevingsdienst
fungeert als secretaris van het algemeen bestuur en het
dagelijks bestuur.
27.4
De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden, naast de voorzitter, medeondertekend
HOOFDSTUK
van secretaris.
door de directeur in de hoedanigheid
6 FINANCIÉN
Artikel 28 Algemeen Het algemeen bestuur stelt voorschriften vast inzake het financieel en administratieve beheer van het openbaar lichaam. De artikelen 216 en 217 van de Provinciewet zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 29 Begroting 29.1
Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting
en bijbehorende
stukken ten minste twaalf
weken voordat deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden
raden onderscheidenlijk
aan gedeputeerde
toe aan de colleges
staten en provinciale staten.
en
29.2
ln de begroting wordt onder andere aangegeven welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van het openbaar lichaam.
29.3
De ontwerpbegroting wordt door de deelnemers voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen
betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 29.4
De raden en provinciale staten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur ter
vaststelling wordt aangeboden. 29.5
Het dagelijks bestuur stelt de raden en provinciale staten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze` bedoeld in het vierde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
29.6
Het algemeen bestuur stelt jaarlijks de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat
waarvoor zij dient. 29.7
de in artikel 58, tweede lid, van de Binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval Wet genoemde datum zendt het dagelijks bestuur de begroting aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
29.8
Nadat de begroting is vastgesteld zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden en provinciale staten, die ter zake bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
29.9
Het bepaalde in het eerste, vierde, vijfde, zevende en achtste lid van dit artikel is, met uitzondering van de in het zevende lid genoemde termijn, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.
Artikel 30 Jaarrekening 30.1
Het dagelijks bestuur zendt voor 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening
aan de raden en provinciale staten. 30.2
Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening en stelt haar vast op uiterlijk i juli, volgende op hetjaar waarop zij betrekking heeft.
30.3
Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en voorts aan de raden en
provinciale staten. 30.4
Het algemeen bestuur kan besluiten de blijkens de jaarrekening behaalde negatieve resultaten
geheel often dele: af te boeken van reserves, voor zover aanwezig; ten laste te brengen van deelnemers naar rato van ieders afname waarop de jaarrekening
30.5
omzet) in het jaar
betrekking heeft.
Het algemeen bestuur kan besluiten de blijkens de jaarrekening behaalde positieve resultaten geheel of ten dele te bestemmen voor: een egalisatiereserve;
een uitkering aan de deelnemers naar rato van ieders afname de jaarrekening betrekking heeft. 30.6
omzet) in het jaar waarop
De deelnemers waarborgen de tijdige en volledige betaling van rente, aflossing, boeten en kosten van gesloten en af te sluiten kort- en langlopende leningen, leasecontracten en
rekeningcourantovereenkomsten. Artikel 31 Doorberekening 31.1
van kosten
van het bepaalde in het volgende lid, gehoord de raden en provinciale staten, nadere regels vaststellen met betrekking tot de door de deelnemers Het algemeen bestuur kan, met inachtneming te betalen financiële bijdragen.
31.2
31.3
Deelnemers dragen bij aan de kosten van het goed functioneren van het openbaar lichaam en het uitoefenen van de hem opgedragen taken op basis van de feitelijke afname van taken. Bij de kostentoerekening
worden naast de directe uitvoeringskosten
tevens de overheadkosten
verdisconteerd. 31.4
Het algemeen bestuur kan ieder kwartaal voorschotnotals indienen bij de deelnemers.
31.5
ln de begroting wordt aangegeven welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd waarop de begroting betrekking heeft.
31.6
Indien enig jaar een batig saldo oplevert wordt dit saldo toegevoegd aan het weerstandsvermogen
van het openbaar lichaam. Het weerstandsvermogen
is voor het jaar
mag maximaal 10%
van de jaaromzet bedragen. Voor zover het batig saldo van enig jaar zou leiden tot een weerstandsvermogen van meer dan 10% van de jaaromzet, wordt het saldo boven de 10%
gerestitueerd` tenzij een meerderheid van de deelnemers gemotiveerd instemt met een doelreservering van het batig saldo voor het openbaar lichaam. Het algemeen bestuur stelt een voorstel van de deelnemers 31.7
hieromtrent vast.
Indien enig exploitatiejaar een nadelig saldo oplevert en het weerstandsvermogen ontoereikend is om dit nadelige saldo te dekken, stelt het algemeen bestuur een plan vast dat is gericht op het afbouwen en/of dekken van het nadelig exploitatiesaldo. Het algemeen bestuur bepaalt tevens of en zo ja` tot welk bedrag de deelnemers zullen bijdragen in het nadelig exploitatiesaldo. Het bedoelde plan wordt niet eerder vastgesteld dan nadat de raden en
provinciale staten gedurende een termijn van acht weken in de gelegenheid zijn gesteld om hun mening ten aanzien van het plan naar voren te brengen. 31.8
Wanneer het algemeen bestuur overeenkomstig het gestelde in het vorige lid een besluit heeft genomen omtrent het bijdragen door de deelnemers in het nadelig exploitatiesaldo, wordt het nadelige exploitatiesaldo gedragen op basis van ieders afname (=omzet) in hetjaar waarop de
jaarrekening betrekking heeft.
7 OVERIGE BEPALINGEN
HOOFDSTUK Artikel 32 Archief 32.1
Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden openbaar
32.2
van de bestuursorganen
van het
lichaam.
De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het openbaar lichaam` voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
32.3
Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de zijn bestuursorganen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats
overgebracht. 32.4
Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de bestuursorganen van het van het Historisch Centrum openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats Limburg te Maastricht.
32.5
Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het is belast openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, de archivaris van het Historisch Centrum Limburg te Maastricht.
32.6
De aangewezen archivaris brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
32.7
Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van het openbaar lichaam.
Artikel 33 Inspraak van de provincie en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de deelnemers onderscheidenlijk bij gedeputeerde staten en provinciale staten betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
ingezetenen
HOOFDSTUK 8 TOETREDING,
UlTTREDlNG,
OPHEFFING EN WIJZIGING
Artikel
34 Toetreding
34.1
Het algemeen bestuur doet naar aanleiding van een verzoek tot toetreding een voorstel omtrent toetreding aan de deelnemers en kan daarbij voorwaarden stellen.
34.2
Toetreding
34.3
De toetreding gaat in met ingang van een nader te bepalen datum, vastgesteld door het algemeen bestuur en de nieuwe deelnemer, een en ander met inachtneming van bekendmaking van de benodigde besluiten.
vindt plaats bij daartoe strekkende besluiten van alle deelnemers.
Artikel 35 Uittreding 35.1
Een deelnemer kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de Wet en bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet.
35.2
Een deelnemer zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van twee jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de deelnemers unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen of de wet tot een andere datum dwingt.
35.3
Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.
35.4
Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen
zijn bindend.
Artikel
36 Procedure en inhoud van het uittredingsplan
36.1
Het in artikel 35, derde lid, bedoelde uittredingsplan bevat de ?nanciële, juridische, personele die gedurende een periode van vijfjaar het directe gevolg bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden zijn van de uittreding. Tevens
en organisatorische consequenties
door de uittredende deelnemer. 36.2
Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
36.3
Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de voorzitter. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het
algemeen bestuur van de uittredende deelnemer.
36.4
De onafhankelijke
adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom
het bepaalde in dit artikel
en in artikel 35 in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de
op de uittreedsom toe om eventueel berekening van de uittreedsom een risico-opslag van onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 36.5
Het algemeen bestuur is gehouden redelijkenNijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande
behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aanhet tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. en liquidatie
Artikel
37 Opheffing
37.1
De regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers minus onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden onderscheidenlijk provinciale staten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij burgemeester en wethouders respectievelijk gedeputeerde staten naar voren te brengen.
37.2
Door het algemeen bestuur wordt een liquidatieplan opgesteld na alle deelnemers te hebben
geraadpleegd. 37.3
Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft
voor het personeel. 37.4
vindt plaats bij besluit van het algemeen bestuur. Toewijzing van personeel aan de deelnemers
Anikei
aawijziging
38.1
Wijziging van de regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende besluiten van een tweederde meerderheid van de deelnemers, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de Wet.
38.2
Zowel het dagelijks bestuur als de deelnemers kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling.
HOOFDSTUK 9 SLOTBEPALINGEN Artikel 39 Gevallen
niet voorziet waarin de regeling
Het algemeen bestuur beslist in alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet. Artikel 40 Duur van de regeling De regeling is getroffen voor onbepaalde tijd.
Artikel 41 Evaluatie De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien het algemeen bestuur daartoe besluit. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen.
en inwerkingtreding
Artikel
42 Bekendmaking
42.1
De wettelijk voorgeschreven bekendmaking van deze regeling als bedoeld in artikel 52 jo. artikel 26 van de Wet` geschiedt door gedeputeerde staten.
42.2
Deze regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking.
42.3
Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is van overeenkomstige
toepassing op besluiten tot
wijziging of opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding
Artikel 43 Citeemijze Deze regeling kan worden aangehaald als:
gemeenschappelijke
regeling Omgevingsdienst
Zuid-Limburg.
en uittreding.