CConstaterende datBeekdaelen
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording vragen P. Daniels Rondvraag gecombineerde Commissie d.d. 24 juni 2021

Gecombineerde commissie (t/m april 2022) 24 juni 2021, gemeente BeekdaelenBij agendapunt: Rondvraag cluster Ruimte1.181 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Rondvraag gecombineerde Commissie, commissie ruimte 24 juni 2021. RIB Bronsgroenerhof: De brieven aan de Raad van de initiatiefnemer lezend en vergelijkend met de RIB en antwoorden op Art 32 vragen van D’66 en het CDA geeft op zijn minst de indruk dat er twee werkelijkheden lijken te bestaan, die van initiatiefnemer en die van het College. We gaan ervan uit dat er inmiddels in dit dossier gespreksverslagen gemaakt zijn die de stelling van initiatiefnemer en van het college kunnen onderbouwen. 1. Welke gespreksverslagen zijn er die uw stellingen kunnen onderbouwen? Antwoord Van de gesprekken die er met de heer Van Leeuwen en zijn adviseur geweest zijn, zijn gespreksverslagen gemaakt. Uit deze verslagen komt naar voren dat er (nog) geen inhoudelijke overeenstemming is bereikt over de geactualiseerde ruimtelijke onderbouwing die in april jl. is ingediend. Beide heren beschikken over deze verslagen en zijn in de gelegenheid geweest om te reageren op het concept van de verslagen. 2. Dat geldt speciaal voor de stelling dat het initiatief om in beroep te gaan afkomstig is van de aanvrager terwijl de aanvrager stelt dat het de wethouder was die dit voorgesteld heeft. Antwoord Voor zover valt na te gaan, zijn er geen verslagen waaruit zou blijken dat het initiatief om in beroep te gaan, afkomstig zou zijn van de wethouder.

De wethouder heeft richting de heer Van Leeuwen mondeling aangegeven dat, wanneer hij het niet eens zou zijn met de in het voorjaar geweigerde omgevingsvergunning, hij in beroep kan gaan om duidelijkheid te krijgen over de vraag of het gemeentebestuur de omgevingsvergunning op goede gronden geweigerd heeft. Een tijdens een gesprek gedane opmerking van deze strekking kan niet worden gelijkgesteld met een voorstel om in beroep te gaan. 3. Welke info heeft u wanneer aan initiatiefnemer schriftelijk verstrekt over de interne vertrouwelijke adviezen van Tonnaer en Pels Rijcken. Antwoord Het college heeft de heer Van Leeuwen bij brief van 15 juni 2021 geïnformeerd over zijn standpunt over de geactualiseerde ruimtelijke onderbouwing die in april jl. is ingediend. Bij deze brief was een ambtelijke notitie met bevindingen gevoegd. In de brief staat onder meer het volgende: “In grote lijnen kan worden gezegd dat u zich met de geactualiseerde ruimtelijke onderbouwing zeker in de goede richting beweegt, maar dat er eerst nog enkele vragen door u beantwoord moeten worden en verwerkt in de geactualiseerde ruimtelijke onderbouwing, voordat de gemeente een positieve reactie kan geven, in de vorm van het uitspreken van de bereidheid medewerking te verlenen aan een (gefaseerde) omgevingsvergunning buitenplans afwijken.

Deze vragen betreffen onder meer de Ladder voor duurzame verstedelijking en het provinciale omgevingsbeleid en zijn uitgewerkt in de notitie.” In de notitie wordt bij enkele onderdelen aangegeven wat hierover het advies geweest is van Pels Rijcken, bijvoorbeeld waar het gaat om de vraag of het reduceren van de metrage van het bouwplan van 675 m2 naar 500 m2 kan worden beschouwd als een wijziging van het bouwplan van ondergeschikte betekenis. Die vraag is juridisch van belang in verband met de vraag of door een wijziging van het bouwplan de grondslag van de aanvraag zou worden verlaten. Partijen verschillen hierover van mening. Omdat het advies van Pels Rijcken voor de gemeente richtinggevend is waar het gaat om de juridische aspecten die aan ‘de Bronsgroenerhof’ verbonden zijn, is in de notitie de kern van het advies van Pels Rijcken weergegeven zodat dit kenbaar is voor de heer Van Leeuwen en zijn adviseur. De conclusie in het advies is dat door die reductie de grondslag van de aanvraag

wordt verlaten en dat op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een gewijzigde aanvraag moet worden ingediend die de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit de Wabo moet doorlopen. Ook hierover verschillen partijen van mening. Op 30 augustus jl. is er opnieuw met elkaar gesproken. Tijdens dat overleg zijn er duidelijke procesafspraken gemaakt. Zo zal onder meer worden bezien welke procedure de meest optimale is in deze situatie. De komende tijd wordt een en ander verder uitgewerkt. 4. In de bijlage van de RIB somt u op wat er nog allemaal aangepast moet worden in de ruimtelijke onderbouwing van april dit jaar. Dat is in elk geval veel meer dan waarom de Raad heeft gevraagd. Hoe verhoudt zich dat met de mededeling in de memo van 16 maart dat de aanvrager de eerder ingediende aanvraag relatief eenvoudig kan aanvullen met de bebouwing c.a., zodat er sprake is van een aangepaste aanvraag. Antwoord De raad heeft weliswaar aangegeven dat een aangepast bouwplan met een oppervlakte van 500 m2 voor hem uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is, maar dat neemt niet weg dat de geactualiseerde ruimtelijke onderbouwing ook moet voldoen aan vigerende wet- en regelgeving. In de notitie worden enkele punten genoemd, die nog om een antwoord vragen.

De ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag van 12 december 2018, die uiteindelijk geleid heeft tot weigering van de verklaring van bedenking door de raad en de omgevingsvergunning door het college afgelopen voorjaar en waartegen inmiddels beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan op relatief eenvoudige wijze worden aangepast. Dat is ook gebeurd door middel van een geactualiseerde versie. Op het bijbehorende aanvraagformulier van april 2021 is aangegeven dat het gaat om een aanvulling op de aanvraag van 12 december 2018. Dat neemt niet weg dat deze geactualiseerde versie geen onderdeel uitmaakt van de lopende beroepsprocedure bij de rechtbank. De weigering van de verklaring van geen bedenking en de daaropvolgende weigering van de omgevingsvergunning, was uitsluitend gebaseerd op de oorspronkelijke ruimtelijke onderbouwing die uitging van een oppervlakte van 675 m2. Hiervoor is bij het antwoord op vraag 3 al aangegeven dat de reductie in metrage van 675 m2 naar 500 m2 volgens het advies van Pels Rijcken niet kan worden beschouwd als een wijziging van het aanvankelijke bouwplan van ondergeschikte betekenis en dat hierdoor de grondslag van de aanvraag wordt verlaten waardoor de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit de Wabo (opnieuw) moet worden doorlopen.

Bij het antwoord op vraag 3 is aangegeven dat hierover op 30 augustus opnieuw is gesproken en dat er procesafspraken zijn gemaakt. 5. Hoe komt het dat er nu blijkbaar nog steeds geen overeenstemming is over de status van de ingediende aanvraag voor de bouw. Antwoord Zie de antwoorden op de vragen 3 en 4. 6. Bent u bereidt om een nieuw ontwerp besluit voor afwijking van de bestemming op basis van de gedane aanpassingen, zoals door initiatiefnemer gevraagd, te nemen. Antwoord Gelet op de antwoorden op de vragen 3 en 4 is het college niet bereid bij de huidige stand van zaken een voorstel voor een positief besluit in overweging te nemen. Wanneer de heer Van Leeuwen de geactualiseerde ruimtelijke onderbouwing heeft aangepast conform de notitie, zal het college de nieuwe procedure starten en de raad om een verklaring van geen bedenking verzoeken.

7. Gaat de gemeente wederom leges in rekening brengen voor de nieuwe of aangepaste aanvraag, in een brief van 6 juni heeft initiatiefnemer hierom gevraagd, een antwoord hierop is nog niet gegeven. Antwoord Het college heeft dit aspect nog niet kunnen bezien, dit wordt nog uitgezocht. Peter Daniels VVD-commissielid

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beekdaelen&id=2d9d023c-437c-4613-9eb1-eae21999c8a0